Marokko deel 3

 

ZATERDAG 6 AUGUSTUS 2011, Tazekka Nationaal Park
Wij vertrekken richting Tazekka Nationaalpark. Eerst nog even afscheid nemen van Aziz en familie. We wisselen nog wat cadeautjes uit. Jbel Tazekka is de hoogste top in het Nationaalpark, 1980 meter, en ligt om de hoek. Er gaat een ruwe piste omhoog. Volgens Aziz goed te berijden met onze auto, maar die laten we toch maar beneden staan en we nemen de motor. Maar goed ook, want het is een ruw, steil en smal pad, 9km tot aan de top. Wel erg mooi. Het is alleen even afwachten hoever we komen, want de benzine in de motor is zo goed als op. Maar terug naar beneden gaat altijd, ook zonder benzine. We komen eerst door een stuk eikenbos. Dan is er een wat kaler stuk, met wat lage struiken, en vervolgens komen we bij een groot, dicht cedarbos. We hebben de motor daar laten staan en zijn de laatste 4km door dit bos naar de top gewandeld. Echt schitterend, wat een grote dikke oerbomen. En het ruikt er heerlijk in het bos. De dikke cedars geven een heerlijk zoete dennengeur af. Jammer dat ze veel van de mega dikke bomen gekapt hebben.

Het was er heerlijk rustig, geen ander mensen, en ondanks dat het een nationaal park is, toch wat geiten en schapen. Op de terugweg naar de auto hebben we de motor bijna niet aan vanwege onze lege tank. Dit ging erg goed, bijna de hele 9km konden we zo afdalen.

We rijden met de Daf iets verder richting zuiden, op de weg naar Bel el Arba en Merhaoua. Na een paar kilometer vinden we al een prachtig plekje voor de nacht. Het is wel te zien vanaf de straat, maar er rijden hier bijna geen auto’s, alleen af en toe een ezelkar. En er komen wat kleine kuddes koeien en schapen voorbij. Omdat dit weer een erg mooi en rustig plekje is, blijven we er een dag of drie staan. Mariska repareert de touwtjes van de hangmat, en ligt er vervolgens in te maffen. Jan leest een boek (echt waar). Er wordt wat aan het verslag gewerkt, en Mariska bakt heerlijk brood. En dat zijn dan wel de heftigste dingen die deze dagen gebeuren. We wandelen ook nog een beetje in de omgeving. Het is behoorlijk warm, overdag zo’n 35 graden, ’s nachts koelt het weinig af.

Inmiddels is het 10 augustus 2011. We rijden weer eens verder door de bergen. De wegen en de dorpjes komen niet helemaal overeen met onze kaart. En ook de, wat verouderde, GPS kaart klopt niet helemaal. We rijden dus ergens anders dan we denken, en 1x loopt de weg zelfs dood. Het is aardig klimmen, en de Daf heeft plotseling geen trekkrachtmeer. Komt dit weer door vervuiling in de diesel, of hebben we de tanks dusdanig leeg dat bij het steile klimmen de diesel achterin gaat zitten, en we dus lucht aanzuigen? Jan maakt de dieselleiding schoon, en dit blijkt goed te helpen. Nog steeds vuil in de tanks dus. Zogauw we bij een dorpje met een tankstation komen tanken we voor de zekerheid maar even vol. Zo ook de motor. We rijden via Ribat el Kheir en El Menzel tot ongeveer aan Azzaba, tot zo’n 13 kilometer voor Sefrou. We slaan ons kamp op naast een olijvenplantage. Het is onheilspelbaar donker in de lucht, en er steekt een sterke wind op. Toch valt er geen regen, en blijft het zo’n 40 graden. ’s Nachts is het ook nog erg warm. Uiteindelijk gaat de wind wat liggen en vallen er een paar druppels.

De dag er op rijden we tot Sefrou, waar het marktdag is. Gezellig druk. We hebben veel inkopen te doen, want bij Aziz was niet veel groente in fruit te koop, en na nog een paar dagen wildkamperen is alles wel op. Ook schooieren we een nieuw voorwiel op voor de mountainbike van Jan. Hij was zo goed als door zijn voorvelg geremd. Dit had nogal wat voeten in aarde, want ze kennen hier blijkbaar geen 26 spaaks velgen, alleen 28 spaaks. Dit betekent dat er ook een nieuwe naaf in moet. En Jan heeft geen zin aan Chinese rommel, dus het duurt even. We vinden bij een fietsenmakertje best een mooie velg die er rigide uitziet. Het is een hoge velg, dus we moeten ook een binnenband hebben met een langer ventiel. Dat heeft de man, maar nu nog een 28 spaaks naaf. Na lang rommelen in de onderste regionen van zijn zeer volle shopje vindt hij nog een goede gebruikte Shimano naaf. Nog twee spaken erbij en alles is compleet. De man heeft geen tijd om de naaf in het wiel te spaken, maar dat geeft niet, dan heeft Jan nog wat te hobbieën. Het kost bij elkaar een fractie van wat het in Nederland gekost zou hebben, dus we zijn er blij mee.

Het is al laat geworden dus we rijden maar een klein stukje. Net aan de rand van het dorp vinden we een rustig plekje in de heuvels. Er staan een paar oude natuurstenen schoorstenen. We denken dat het pottenbakkerijen zijn geweest. Het is er mooi rustig, dus we parkeren de auto er tussen. We blijven weer een paar dagen hangen. Wandelen wat rond. Mariska ziet nog een stuk of tien bijeneters vliegen. Op een morgen horen we een paar honden blaffen. Mariska kijkt eens uit het raam en ziet voor onze auto maar liefst 18 zwerfhonden liggen. Waar die nu weer vandaan komen? Even later zijn ze ook weer weg. We hebben ze ook niet meer gezien.

Er komen nog wat kinderen met vee langs. Uiteraard zijn wij een bezienswaardigheid, en ze blijven dus rond de auto hangen. In het begin zijn ze vervelend, met wat gefluit, maar dan komen ze wat dichterbij en praten we met ze, en blijken het best aardige kinderen te zijn. Het zijn arme drommels, die niet naar school gaan, maar op het vee passen. Ze lopen in een oude vieze pyama met “good night” er op, en hebben kapotte slippers. Het waren 5 kinderen, 4 meisjes en een verlegen jochie. Alleen het oudste meisje kon een beetje Frans, de rest spreekt alleen Berber. We hebben ergens onderweg een cd gekregen met Marokkaanse muziek en die zetten we op. Ze vinden het geweldig. De verlegenheid is er nu een beetje af, en we trakteren ze op wat limonade en stukken stokbrood. De meisjes maakten uit touwtjes knoopjes voor jellabah’s en lieten aan Mariska zien hoe dat moest. Mooi en knap werk, Mariska bakte er niets van. Twee meisjes deden hun hoofddoek af en lieten hun mooie lange haar zien. Toen moest Mariska’s haar er ook aan geloven. Ze haalden haar vlecht uit, en rolden het in een soort knoet. Met lekkere vieze vette handjes.

In de verte kwam een volwassen man aan lopen. Ineens moest alles van tafel, snel naar binnen. De hoofddoeken om en de kinderen doken ineen. De man kwam niet helemaal onze kant op, maar boog af, dus het ging goed. We weten niet waar de kinderen zo bang voor waren. Wellicht heeft het met de Ramadan te maken, maar volgens ons waren de kinderen daar te jong voor, hoewel ze al wel hoofddoeken droegen.

We maken een paar foto’s, en de kinderen willen graag met hun geiten poseren. De geiten die melk geven, hebben een grappige bh om, zodat de jongen er geen melk kunnen drinken.

De kinderen hebben petflessen bij zich in zelfgehaakte hoesjes die ze met een touwtje om de schouder kunnen hangen. We vullen hun flessen met koud water en ze zijn er blij mee. Als ze weggaan geven we ze een frisbee, wat ballonnen en pennen mee. Ze bedelen niet en vragen nergens om. Normaal geven we niet zomaar cadeautjes weg, dat werkt juist gebedel in de hand, maar juist deze kinderen die er niet om zeuren en werkelijk bijna niets hebben gunnen we het wel. Als ze afscheid nemen omhelzen ze Mariska en kussen haar op de wangen. Jan krijgt kussen op de hand. Daarna gingen ze al zwaaiend achter hun geiten aan de heuvel over. Weer bedenken we hoe blij je moet zijn om bv. in Nederland geboren te worden, en hoe verwend de kinderen daar zijn, met hun bergen speelgoed.

ZONDAG 14 AUGUSTUS 2011, Ifrane
Wij gaan de dag erop verder naar Ifrane. Het is alsof je een andere wereld binnenrijdt. Het is er waterrijk met mooie beekjes en vijverpartijen. Het is een ski-oord, en de Fransen die het dorp gesticht hebben vonden dat het er uit moest zien als in de Alpen. Je vindt er dus huizen met puntdaken en rode dakpannen en houten gebinten. Verder veel bloemenperken en fonteinen (wel kitsch met gekleurde leds). Het is er erg netjes, vrijwel geen zwerfafval, er staan vuilnisbakken en er is een vuilnisdienst. Heel bijzonder. Het schijnt dat de koning hier maar liefst vijf paleizen en/of grondstukken heeft, uiteraard net als elders in Marokko gesloten voor publiek. Allen schijnen een soort thema te hebben. Waterrijk om te vissen, bosrijk om te jagen, etc.

Bij één van de vijvers in het centrum huist een koereigerkolonie. Wat een kabaal en een enorme boel vogelpoep. Overal zie je net uitgevlogen jonkies hippen. Zo’n 6km voor Ifrane hebben we een mooi overnachtingsplekje gezien, tussen de bomen, langs een beek. We besluiten daar te gaan staan. ’s Morgens genoten we met een bakje thee van het uitzicht door het raam boven het bed. Het was een komen en gaan van vogels. Vinken, vliegenvangers, Vlaamse gaaien en vogels die we niet kennen. Eén vinkje was goed in de war. Het vloog zo naar binnen. Jan had hem bijna op zijn hoofd zitten. Gelukkig was ie er ook zo weer uit.


Ifrane, je waant je er niet in Marokko...

Omdat we bijna geen water meer hebben, gaan we bijtijds naar een camping in Ifrane om even bij te tanken. De camping zelf stelt niet veel voor. Wederom schrikbarend sanitair. Het wordt hier gewoon nooit fatsoenlijk schoongemaakt. Er staan alleen lokalen, en 1 Belg die al jaren in Tanger woont. We besluiten er toch 1 nachtje te blijven staan. Jan heeft bij toeval ontdekt dat de stang van het gaspedaal is losgeraakt van de dieselpomp. Dit zit normaal met een kogelgewrichtje vast, maar het gewrichtje is compleet verdwenen. De stang hangt er nu los aan, waardoor we ieder moment stil hadden kunnen vallen. Dat moet dus eerst gerepareerd worden. Ook haalt Jan de schokdempers er nog even onderuit, om te controleren of deze wel in orde zijn. We hadden het idee dat ze wat slapper waren geworden, maar ze functioneren nog prima. Toch eenmaal bezig controleert hij nog even de thermostaten in het koelwatercircuit. Soms gooit de Daf na hard werken er iets koelwater uit bij de overstort. De thermostaten functioneren goed en zien er uit als nieuw. Na e-mailen met ander Daf-bezitters blijkt dit wel normaal te zijn. Ook wordt er nog een kleine olielekkage bij de retourbuis van de turbo naar het carter verholpen, en dan zit het klussen er eindelijk weer op.

Mariska doet ondertussen de was. Omdat we vrijwel altijd ergens wild staan wassen we alleen kleren en beddengoed als ergens overvloedig water is, om zo ons drinkwater te sparen. Dus op een camping of bij een meer of rivier, als die ons schoon genoeg lijken. Na alle werk vonden we dat we wel een lekker etentje verdiend hadden. Omdat het er hier toeristisch uitziet met chique eetgelegenheden, lopen we richting centrum en zoeken de netste er uit. Erg uitgebreid is het menu echter niet, nou ja, dat is het wel, maar het meeste is niet aanwezig. We bestellen maar een pizzaatje. Wat een enorme tegenvaller. Voor teveel geld een kleine smaakloze, waterige diepvriespizza.

We zijn toch nog twee dagen op de camping blijven hangen, nog meer was doen, proberen het wiel van de mountainbike om te spaken en luieren. Na wat inkopen te hebben gedaan rijden we richting de campus van de universiteit van Ifrane. Volgens de Lonely Planet kun je deze bezoeken en schijnt het interessant te zijn. We komen er echter niet in, de bewaker zegt dat dit niet mag. Dan lopen we maar wat verder naar het decadente hotel Michliffen, dat vanaf een heuvel over de stad uitkijkt. We hadden niet verwacht dat dit zo’n chique toestand zou zijn. Het is een heel complex. Buiten mooie terrassen met vijvers en een buitenbad, dat in verbinding staat met een binnenbad en een groot welnesscenter. Ook is er een grote sporthal met aan 1 zijde een enorme glaswand dat uitzicht geeft op de omringende bossen. Alles in mooie stijl gebouwd uit natuursteen en met hout afgewerkt. En daar lopen wij rond in ons oude, door de zon gebleekte kloffie. Er zijn verder geen toeristen, het complex is geheel leeg. Dat valt ons overal op in Marokko. We zien amper campers rijden, tot nu toe een handvol. En ook op de hele toeristische plekken als Marrakech, zien we maar een paar toeristen. Men wijdt dit aan de crisis in Europa en bomaanslag in Marrakech.


Het mega luxe hotel Michliffen in Ifrane

Wel is het hele complex open en is er overal personeel aan het werk. Een bewaker laat ons vriendelijk binnen, en brengt ons naar een lift vanwaar wij in de hotellobby zouden moeten komen. We willen echter naar het dakterras en drukken dus op de hoogste verdieping. We komen op een luxe ingerichte verdieping met heerlijke plofbanken en we lopen op een tapijt waar we in wegzakken. Wat een luxe. Weer geen mens te zien. Bij iedere ruimte die we betreden springt automatisch het licht aan. De deur naar het dakterras is helaas gesloten, dus we gaan richting welnesscentrum.

Daar staan twee charmante dames achter een balie. We vragen of we even mogen kijken en krijgen van één van de dames een uitgebreide rondleiding. Zoiets hebben wij nog nooit gezien. Allerlei relax- en massageruimtes, therapieruimtes, een fitnessruimte, een hamam, sauna’s, Turkse stoombaden, sfeervolle zithoeken met designmeubels. Verschillende zwembaden, binnen en buiten. Kappers, nagelstudio’s, kleimassages, en warme stenen pruttel. Alles luxe en sfeervol, met een rustgevend muziekje. En nergens ook maar een gast te bekennen, en alles is open en werkt. De gangen tussen de verschillende ruimte zijn verlicht met kaarzen.

We bedankten de dame voor de rondleiding en we nemen een kijkje in de sporthal. Een mooie grote, in stijl gebouwd sporthal, met alle middelen die je kunt bedenken. Spullen voor allerlei diverse sporten zijn beschikbaar. Een volledig zaalvoetbalveld, basketbalveld, volleybal, turnspullen, allerlei fitnessapparaten. Menig school of sportvereniging in Nederland zou er jaloers op zijn. Weer is alles open en niemand te bekennen.

We nemen nog even een kijkje in de lobby van het hotel, en ook daar verbazen we ons over de grootsheid en de luxe. We ploffen neer in twee lekkere zetels en bedenken dat we wel wat lusten. Het restaurant is gesloten, maar in de lobby kun je ook wat bestellen. Na een blik op de kaart beseffen we ons dat een kop koffie voor omgerekend 5,- euro en een club sandwich voor 12,- euro buiten ons budget vallen, dus tijd om richting dorp te gaan, waar een kop koffie op het terras 50 eurocent kost en zeker zo goed smaakt. Mooi om ook eens te zien hoe de rijken der aarde hun vakantie vieren (in arme landen). Voor een dag of twee lijkt ons dat best even lekker. Normaal worden wij als schooiers in zulke oorden niet gauw toegelaten, maar er waren geen gasten en we zagen er ondanks onze belabberde kleding blijkbaar wel uit als potentiële gasten.

Wij nemen ons eigen kleine hotelletje weer mee naar het mooie stekkie in het bos langs de beek. Het is al schemer als we er aankomen, en in het licht van de koplampen zien we nog een gerbil wegrennen. ’s Morgens genieten we weer vanuit het bed van alle vogels om ons heen. O.a. spechten en zelfs een hop. Ook komen er kuddes schapen en geiten langs. Via boomstammetjes in het beekje proberen ze naar de overkant te komen. De meeste lukt dit goed, maar sommigen halen een nat pak.

Dan komen er nog koeien bij, die gaan baden in de beek en de waterplanten van de bodem grazen. Prachtig om te zien. We ontbijten in bed en genieten van het uitzicht. We gaan er pas tegen 13:00 uit. Later in de middag komt er een harde wind opzetten en regent en onweert het een beetje. We klungelen binnen aan wat naaiwerk en werken wat aan onze filmpjes. Omdat het hier mooi is blijven we weer hangen. We lopen wat door de omgeving langs de beek. Zien weer allerlei beesten, zoals gerbils, verschillende soorten hagedissen, bidsprinkhanen en een boomholte met honderden langpootspinnen op een kluitje.


Uitzicht vanuit ons bed op onze huidige "achtertuin"

We verlaten dit mooie plekkie weer op 20 augustus. Via skigebied Michliffen rijden richting Azrou. We konden in het skigebeid slechts 1 lift ontdekken, en een vervallen skiclubgebouwtje. Qua skigebied hadden we er meer voorzieningen verwacht. Maar des te beter. De natuur is prachtig. Mooie bergen en bossen. We zien onderweg nog een paar keer berberapen (makaken). Sommige zoeken bij de picknickplaatsen tussen het afval naar iets eetbaars. Deze zijn niet schuw, en dus ook niet echt wild, vinden wij.

Azrou is geen leuk dorp. We kopen wat groente, fruit en aardappelen, en gaan verder richting Aïn Leuh. Een hele smalle, mooie bergweg door de bossen. We hopen geen tegenligger tegen te komen, en gelukkig gebeurt dit ook niet, zo rustig is het hier. We komen langs een jeugdkamp in het bos. Natuurlijk gelijk een boel afval er omheen. Waarom zou je de troep weer meenemen als je het ook zo in het bos kunt gooien? Er zitten weer apen in te graaien. Mooie dieren, maar toch zien we ze liever in de “echte” natuur. Zo’n 15 kilometer voor Aïn Leuh vinden we op een hoogvlakte (1900 meter) een gravelweggetje naar een prachtig verlaten stuk met een mooi uitzicht. Het is een dorre almweide omgeven door eikenbos. Hier slaan we kamp op en hopen op echte wilde apen. Helaas, er komen wel geiten en sch(apen), maar geen apen. Verder staan er prachtige grote paarse distels waar zich allerlei vreemde insecten op verzamelen. Leuk voor wat macrofoto’s

Het is weer prachtig hier, en dan weet je het wel, we blijven weer een paar dagen rondhangen. We wandelen wat door de omgeving. Achter onze vrachtwagen loopt een smal gravelpad steil omhoog de berg op. We klimmen puffend met onze rugzak dit pad op en komen in een schitterende vallei met links een steile bergkam, en rechts een bos met dikke, grote cedars. Het is een prachtig gebied en we lopen uren van de ene vallei naar de andere. We komen onderweg slechts een paar schapenherders tegen. We hebben onze gps bij ons zodat we niet verdwalen. De temperatuur is goed om te lopen. Wel zo’n 30 graden, maar het waait lekker. We waren om 11:00 uur vertrokken, en pas om 16:00 uur weer terug bij de auto. Gelukkig hadden we eten en drinken genoeg bij ons. Mariska had de dag ervoor twee volkoren broden gebakken, heerlijk. De ronde platte broden die je hier kunt kopen zijn ook lekker, maar worden gauw oud. Als je dan wat langer een eind buiten de bebouwing bivakkeert, is het handig dat je je eigen brood kunt bakken.

Ondanks dat we behoorlijk in de bush zitten hebben we hier toch telefoonbereik. Jan probeert voor de grap ook of we internet hebben, en ongelooflijk, het werkt. Wel erg traag. We mailen wat naar de ouwelui thuis en lezen het nieuws. Ook even sms-en met Jan’s zus Anne-Marie, die vandaag jarig is. Ze zit momenteel in Zuid-Afrika bij andere zuslief Ellen en zwager Harry, die daar met hun boot Zwerver in een haven liggen. Neefje Casper is ook mee en vermaakt zich prima in Afrika. Hij heeft zelfs al een cheetah geaaid en zit stoer bij tante Ellen met een zwemvestje aan in de dinghy. Na de vakantie gaat Casper naar de 3e groep, en vertelt de nieuwe juf en de andere kinderen over alle beesten die hij gezien heeft. Die snappen niet waar Casper toch geweest is en moeders moet zelfs bij de juf komen uitleggen dat hij geen onzin uitkraamt.

VRIJDAG 26 AUGUSTUS 2011, bronnen
We rijden verder naar Aïn Leuh. Best een leuk plaatsje. Het is een bergdorpje, tegen een helling gebouwd met trappensteegjes tussen de huizen. Bijna alle winkels zijn gesloten. Het is vrijdagmiddag, en tijd voor het gebed. De meeste mannen hangen in hun witte jurk rond de moskee, van waaruit het gebed door de straten galmt. We kopen bij een groenteboertje een meloen. Er hangt een mooi krijtbord aan de muur. De tekst die er op staat heeft hij nooit uitgeveegd. Er staat op: “Vandaag Hollandse kogelbiefstuk”. We krijgen er al zin in, maar denken niet dat hij het in huis heeft.

We rijden verder naar de Sources de l’Oum er Rbia. De bronnen van de langste rivier van Marokko. Bij Azemour stroomt deze in de Atlantische Oceaan. Je kunt zien hoe op meerdere plaatsen het water met kracht uit de bergen wordt geperst. Het zijn echte grote bronnen die al vrij direct een grote krachtige rivier vormen. Helaas is het mooiste punt, het begin bij de bronnen, helemaal volgebouwd met rieten en plastic hutjes voor toeristische doeleinden. Nu buiten het seizoen en tijdens de ramadan waren de meeste hutjes leeg. Overal betonnen vloeren en muurtjes, erg jammer. Je komt voor een mooi, spectaculair natuurverschijnsel, maar je ziet er praktisch niets meer van, totaal verpest.

We rijden door tot een plaats waar we ook op 24 mei al eens overnacht hebben, toen nog met de ouders van Mariska. Een mooie vlakte in de bergen met rondom cedars. Je bent hier echter wel zichtbaar vanaf de weg, en het is een plek die ook door de lokalen als picknickplek gebruikt wordt. Weer veel afval dus.

Toch is het een mooi plekje en we blijven er twee nachten. Er loopt een pad achter de auto de berg op, en dat lopen we een eind af. Het blijkt meer een koeienpad. De eerst nacht krijgen we een klein buitje, en koelt het heerlijk af. Het wordt zelfs koud. De tweede nacht begint het te rommelen, en breekt er echt noodweer los. De plek waar we staan komt zo goed als blank te staan. Door het schuine slaapkamerraam zijn de enorme bliksemschichten goed te zien. Ze verlichten het hele veld voor ons. Het ziet er spooky uit, met de half dode grote boom voor ons.


Sources de l'Oum er Rbia

De meeste plassen zijn de volgende ochtend weer in de grond getrokken. Het kleine meertje in het midden van de vlakte is wel twee keer zo groot geworden. Het is bewolkt en lekker koel, volgens Mariska zelfs koud, maar die heeft al jaren de thermostaat kapot.

We willen via een kleine verharde weg door de bergen naar Itzer rijden. We nemen een verkeerde afslag en na een paar kilometer komen we in een apart bergdorpje. Ze gebruiken brede houten planken als dak. Dat hebben we hier nog niet eerder gezien. In het dorp waren veel bedelende kinderen, en sommigen gooiden met stenen naar de auto, waarschijnlijk omdat ze niets kregen. We besloten om te draaien aan het eind van het dorp. Op het smalle weggetje is dat wel een paar keer steken. De  vervelende kinderen verzamelden zich om ons heen. Een knaap van een jaar of twintig op een ezel riep iets tegen de kinderen, waarschijnlijk dat ze zich moesten gedragen, want de stenen bleven op de grond. Zo´n @#$*-jong zal je maar een ruit aan diggelen gooien!

Toen we na het draaien weg wilden rijden pakte een knaapje toch nog een steen op. Mariska keek hem streng aan een schudde haar hoofd. Daarop liet het knaapje de steen vallen. Een ander ventje van een jaar of 4 à 5 maakte kusgebaren naar Mariska. Die is er vroeg bij! Heel apart allemaal. Volgens de gps moesten we bij de eerste splitsing links. Er was veel modder over de weg gespoeld. We zijn eerst maar even te voet wezen kijken. Gelukkig zat er asfalt onder, dus konden we er door.

Na 1 à 2 kilometer ging de weg over in goed gravel en na +/- 5 kilometer werd dit steeds smaller, met van die uitgespoelde stukken door regenwater. We besloten om te draaien, maar de navigatie gaf dit als enige mogelijke weg op. Toch zijn we teruggereden naar de volgende splitsing. Nergens stonden borden met plaatsnamen of richting. Het was een behoorlijk slechte asfaltweg, met meer gravel dan asfalt. We passeren een splinternieuw bord met de waarschuwing voor radarcontroles. Alsof je hier harder dan 30km/h kunt halen. En je mag hier 80. Misschien dat ze in de toekomst nieuw asfalt willen leggen en het bord maar vast geplaatst hebben?

Het is een mooi route door berg en bos. We komen geen mensen tegen, laat staan auto’s. De weg gaat over een grote aparte hoogvlakte. Dan komen we weer bij een naamloze splitsing. Op de splitsing is een bron met een kraantje, waar natuurlijk iemand rondhangt. We vragen wat de weg naar Itzer is, en of dit drinkwater is. Hij wijst ons de weg, en ja het is drinkwater. We kunnen met de auto niet gemakkelijk dichtbij het kraantje komen dus vullen met de jerrycans de watertank.

Ondertussen komen er een paar vrouwen met hun ezels water halen. Dit gaat in kleine vaten of oude motoroliecans, bah. Ook komt er vee drinken. Onder het kraantje is namelijk een stenen bak. Daar sta je dan met je jerrycan tussen de koeien. Jan helpt een meisje van een jaar of twaalf om haar watervaten in de tassen op de ezel te tillen. Dat valt nog niet mee om die zware vaten zo hoog te tillen. En dat moet dat meisje normaal alleen doen. Verder blijft het een apart gezicht dat zulke mensen van heinde en verre over de bergen komen kruipen op hun ezeltjes om water te halen, ondertussen druk bellend met hun mobieltje.


Water halen bij een bron

We rijden slechts een paar kilometer van de bron weg en zien dan aan de rechterkant een prachtig meertje liggen. We kunnen er met de auto niet vlakbij komen, maar vinden wel een mooi plekje tussen de bomen net iets van de weg af. We maken de dag erop een flinke wandeling. Het blijkt niet één meertje te zijn, maar drie meertjes, verbonden met een klein beekje. Het zijn echte, natuurlijke meertjes en geen stuwmeertjes zoals je ze hier het meeste ziet. Het is weer eens een heel mooi gebied. Langs het beekje veel piepkikkers (kikkers die bij het wegspringen éénmalig een harde piep geven).


Mooie bergmeertjes vol kikkers en schildpadden

In de meertjes zwemmen schildpadden. We volgen het uitgaande riviertje en komen bij een prachtig uitzicht over een vallei. Hier en daar staan wat hutjes, en het riviertje is vertakt tot irrigatiekanaaltjes om kleine akkers te bevloeien. We lopen nog een eindje de vallei in tot de eerste huisjes. Op de terugweg plukken we bramen. Een jongen ziet dit en begint ook driftig bramen te plukken en geeft deze aan ons. Misschien in de hoop er iets voor terug te krijgen, maar we hebben niets bij ons. Hij vraagt ook niets, dus het kan ook spontaan aardig bedoeld zijn. Wel voelen we ons weer wat opgelaten. Je wilt lekker op je gemakje wat bramen plukken, en dat lukt niet omdat iemand anders zich er mee gaat bemoeien. De bramen gaan in de vriezer om later jam van te maken. We maken die avond lekkere stampot wortel. Met spek, dat ook nog in de vriezer lag.

De dag erop vertrekken we weer. Eerst nog weer langs de bron. We hebben flink gedoucht en willen eerst nog weer even de watertank weer helemaal volgooien. Er komt bij de bron een meisje van een jaar of tien op een kleine ezelin aan. Zo’n tien minuten later nog een meisje van een jaar of tien op een grote ezel. Ze hoeven geen water, maar komen alleen naar ons kijken. We hadden het er nog over dat dat kleine ezeltje nog wel aardig jong moest zijn. Nog redelijk klein en nog geen schuurplekken van draagtassen e.d. De meisjes gingen weg en tien meter verderop hoorden we ze lachen. Wij kijken op en zien dat het kleine ezeltje compleet verkracht wordt door de grote. De meisjes waren er door de ezels afgegooid en stonden er hulpeloos naast te kijken en te lachen. Na een minuut moest het kleine ezeltje wijdbeens moeilijk verder lopen, heel zielig. De meisjes klimmen weer elk op hun ezel. Zo gaat seksuele voorlichting in Marokko.

Wij hebben de watertank vol en rijden verder. De weg had goede, maar ook zeer veel slechte stukken. Af en toe kon je nog zien dat er asfalt had gelegen. Zeer veel uitgesleten stukken met brokkelranden waar het regenwater langs loopt. Soms werd het daardoor behoorlijk smal, en vaak net in een bocht. We moeten dan goed oppassen dat het achterwiel niet teveel inloopt. Het gaat naast de weg namelijk best steil naar beneden. We moeten dan ook vaak uitstappen en de situatie bekijken. Kijken of de weg niet ondermijnd is. Soms ook erg diepe geulen met modder vanwege de regen de afgelopen dagen. De moddergeulen zitten dan aan één zijde, waardoor de wagen er aan één kant diep inzakt en scheef gaat hangen. We gooien dan eerst flink wat stenen in de modder, wat goed werkt. We waren tegen 13:00 uur vertrokken, en tegen 16:00 uur zagen we een mooi plekje voor de nacht. In die tijd hadden we 20 kilometer gereden, en zijn we hemelsbreed op slechts 9,1 kilometer afstand van onze vorige overnachting.

We moeten voor dit plekje nog wel eerst een bruggetje over. De vorige brug is weggespoeld en ligt 10 meter verderop in de rivier. Eerst weer uitstappen dus en bruginspectie doen. Alles ok: stalen balken met daaroverheen houten bielzen en daarop zand en modder. Moet gaan. Het gaat ook goed en we parkeren voor de nacht iets verder van het bruggetje af, langs het stromende riviertje, met aan de overzijde van het riviertje een woeste rotswand, en achter onze auto dikke cedars. Wel zichtbaar vanaf de weg, of meer een pad, maar we hebben de hele dag nog niemand gezien. Het lijkt ook maar één pad, maar als je dan eenmaal staat blijkt het een kruispunt te zijn van wel 5 paden of meer. Regelmatig komt er één een paadje af naar beneden op een ezel. De meeste lijken zo uit de middeleeuwen te stappen. Het bramenbosje bij de brug blijkt als postbus te fungeren. De één verstopt er een volle plastic zak met spullen in. Een uurtje later komt een ander op de ezel voorbij, en haalt de plastic zak weer op.


Soms wordt de weg best smal...

Na een tijdje komen er een man en een vrouw van begin dertig voorbij op een ezel. Hij voorop, zij met prachtige gebreide knalroze sokken aan achterop. Ze lachen naar ons en geven ons een hand. Jan biedt ze een zitplaats aan en vraagt of ze thee willen. Ze kunnen geen Frans, alleen berber. “Athai” is thee in berber, en dat willen ze wel. Ramadan is dus blijkbaar voorbij, we hebben het suikerfeest gemist. We zetten Pickwick thee, met een zakje per kop. We laten ze zelf een smaakje uitzoeken. Thee uit een zakje kennen ze niet, en ze willen de zakjes open scheuren om de thee in het water te schudden. Jan doet voor hoe het moet, en ze vinden het prachtig. Mariska geeft ze een koekje, en legt het pak op tafel. Ze graaien heftig door in het pak koekjes, dus bescheiden zijn ze niet. We kunnen echter geen woord met ze wisselen, dus er wordt wat naar elkaar gelachen, en veel meer lukt niet. De man laat aan Jan zijn mobieltje zien. Hij heeft er voor maar liefst 10 dirham (90 eurocent) aan beltegoed op staan. Hij wil graag Jan z’n telefoonnummer hebben. Jan zet het voor hem op een briefje. De man wil het overtypen in zijn mobieltje, maar je kunt zien dat hij niet kan lezen, zelfs geen cijfers. Jan moet de cijfers op zijn mobieltje aanwijzen. We hopen niet dat ie probeert te bellen, want dan is ie in één keer door zijn beltegoed heen, en praten kunnen we toch niet met elkaar. Kort daarna “trappen” ze de ezel weer aan gaan ze er vandoor. Zo steil de berg op. Door het bos kunnen we de felle roze gebreide sokken van haar nog goed zien. Zouden ze fungeren als achterlampen?

Het wordt donker. Er ligt hier genoeg hout rond de deur om een kampvuurtje te maken, en ’s avonds koelt het aardig af. Dus lekker romantisch bij het warme vuurtje zitten. Dat duurt niet lang. Er komt een pick-upje over het pad aanrijden. Hij stopt bij de brug en er springen een stuk of vijf knapen uit. De pick-up rijdt verder. De knapen geven ons vriendelijk een hand en gaan lekker rond ons vuurtje staan. Met de zaklamp op hun mobieltje (dat hebben ze hier allemaal, erg handig) zoeken ze naar meer sprokkelhout voor het vuur.

 We wisselen een paar woorden in het Frans, maar verder hebben zij het vooral gezellig met elkaar, en zitten wij er als twee idioten bij te kijken. Na een tijdje gaan ze er weer vandoor. Hun huis ligt een km of vier verderop. Met hun mobieltje als zaklamp verdwijnen ze in de stikdonkere bossen. Wij stoken nog wat, maar na een tijdje is de frisse berglucht toch erg vermoeiend. We gooien een flinke emmer water uit de bergbeek over het vuur en gaan naar bed.

De volgende dag maken we een mooie wandeling langs de bergbeek, stroomopwaarts. Een klein eindje verder komt er een ander riviertje bij in. We lopen nog een stukje verder en komen door een mooie kleine kloof dat het riviertje heeft uitgesleten. Er zit ook nog een kleine waterval van een meter of drie hoog in. Het is een prachtige omgeving. Via het cedarbos lopen we naar het andere riviertje en via dit riviertje weer terug. In één van de dikke cedars zit onderin een gat, met daarin flink wat stroperige hars. Het ruikt heerlijk. En heel erg zoete dennegeur. Maar goed dat de parfum- en zeepindustrie dat nog niet ontdekt heeft (of toch, want als Karel in bad gaat, vult het huis zich ook met heerlijke dennengeur). We halen er een beker vol uit om te proberen of we het als een soort pot-pourri geur in de camper kunnen gebruiken. Ook plukken we nog een flinke zak vol bramen. Wat zijn die hier enorm groot en erg zoet. Jammer om jam van te maken. We eten ze zo en doen ze in de yoghurt.

Er komen overdag nog enkele mensen langs. Het lijkt net of het bericht is doorgegeven dat we hier staan. Het lijkt een rustige plek, ver van de bewoonde wereld langs een onverhard pad, maar om de haverklap komt er één op een ezel langs. En allemaal hebben ze zogenaamd wat. De ene hoofdpijn, de ander een schaafwondje, weer één kiespijn, een ander zere ogen of een zere keel, of verkouden. En daar willen ze allemaal medicijnen voor, of we moeten een prutswondje van niets verbinden. Daar doen we dus niet aan mee. Het is allemaal flauwekul, zelf doen we ook niets aan een schaafwondje of een zere keel of een verkoudheid. En zo zijn we zo door onze aspirine of verband heen. En middelen tegen verkoudheid hebben we zelfs niet eens bij ons. We vertellen ze dat we geen dokter zijn en ze dus niet kunnen helpen. Dan vragen ze of we misschien sigaretten of whisky hebben. Ja, das ook goed voor de zere keel. Er wordt ook veel om kleding en schoenen gevraagd, en hoewel we niet van dat gebedel houden, kunnen we daar nog wel inkomen. Als je soms ziet wat ze aan hebben. Maar helaas, hebben we daar niet wat van meegenomen om weg te geven. Bovendien komen we in nog veel armere landen waar de mensen het misschien nog beter kunnen gebruiken. Af en toe geven we wel wat speelgoed, pennen of ballonnen aan kinderen of een pet of een aansteker aan volwassenen. Tevens vinden we het gek dat het hier in het hele land barst van de schapen, maar dat er vrijwel niets met de wol wordt gedaan. Die beesten worden alleen voor het vlees en de melk gehouden. Nu snappen we wel dat het in veel delen van Marokko te warm is om met wollen kleding te lopen, maar hier in de bergen zou dat toch goed kunnen. En misschien is het ook voor export te gebruiken. In Nederland koop je nota bene merinowol uit Nieuw Zeeland.

De volgende dag is het weer lekker fris. ’s Nachts was het misschien net een graad of tien, en overdag is het tussen de 15 en 20 graden. Mariska heeft de wintersokken en het vest al weer aan. De lucht trok ook weer aardig dicht met erg donkere wolken. We willen de bergen uit zijn voordat het weer losbarst. We zitten namelijk op een erg slechte weg, die na regen misschien wel helemaal niet meer te berijden is. We rijden verder en komen op een punt waar de weg net 10cm smaller is dan de spoorbreedte van onze auto. Links is parallel langs de weg een door water uitgesleten geul van ongeveer een meter diep, rechts is het dal, zo’n 100 meter steil naar beneden. Er is aan de dalkant een inham ingesleten door water haaks op de weg, die de weg plaatselijk te smal maakt. We balen als een stekker. Moeten we nu dat hele stuk weer terug. En gaan we dan gigantisch omrijden om alsnog aan de andere kant van de Atlas uit te komen? (Misschien moeten vanaf hier bezorgde moeders even een stukje overslaan.)

We bekijken de situatie nog eens goed, en besluiten ter hoogte van de inham stenen te gooien in de diepe geul parallel aan de straat. Gelukkig liggen er aardig wat stenen in de buurt. Jan pakt de grote die net te tillen zijn en gooit deze onderin. Mariska verzameld de kleinere en gooit deze er bovenop. Daarbovenop schept Jan een flinke lading zand en gravel. Zo zijn we fijn die middag bezig. Gelukkig is het niet te warm. Twee kinderen (waar komen ze weer vandaan?) slaan de hele toestand gade.

Op gelijke hoogte van de uitgespoelde weg hebben we aan de andere kant
een groot gat vol moeten gooien met stenen en zand, tot over het rijvlak.
Het duidelijke spoor dat je op de weg ziet, is van gewone auto's, het spoor van de Daf ligt daar aan beide zijden buiten.
Het lijkt erop dat de fundatie in de geul stevig genoeg is om het te proberen. Mocht het misgaan, dan zakken we hooguit tegen de bergkant aan. Het is moeilijk testen. Jan springt er op met zijn 100kg en het lijkt stevig. Maar 100kg is niet te vergelijken met de asdruk van de Daf. Ook aan de dalkant is het nog een beetje oppassen, want voor het smalle stuk ligt een dikke steen in het wegdek die wat wankelt. Daar moet je dus aan de goede kant van het kantelpunt over rijden. Langzaam rijdt Jan de Daf langs de kritieke punten. Mariska gidst vanaf de voorzijde. En het gaat gelukkig goed, pfff. Niet voor herhaling vatbaar. Een beetje avontuur is leuk, maar stress zitten we niet op te wachten. Nu maar hopen dat de rest beter is, want anders moeten we ook nog terug. We besluiten dat als dat het geval is, we eerst gaan overnachten, desnoods midden op het pad.
Later komt in een bocht nog een smal stuk. In de bocht is dat lastig omdat het achterwiel altijd iets inloopt. Na een beetje steken gaat dit zonder veel moeite. Een eindje verder weer een obstakel. Aan de bergkant een dikke omgevallen boom, met op 3,5 meter hoogte een overhellend stuk. Als het echt nodig was hadden we die er af kunnen zagen, maar het gaat op een paar cm net. We herinneren ons het bord aan het begin van deze weg, of beter gezegd pad nog. Radarcontroles op snelheid. Stelletje grappenmakers.

(Vanaf hier kunnen bezorgde moeders weer verder lezen)
Gelukkig word de weg hierna iets breder en beter. We komen op een spectaculair mooie hoogvlakte. Ons hoogste punt met de Daf tot nu toe, op 2024 meter, net zo hoog als de pas Tiz’n Tichka die we eerder al gereden hebben. Vanaf hier is het alleen nog maar afdalen, door een nog steeds heel mooi bos- en berglandschap. Op het hoogste punt zien we op de weg nog een enorme joekel van een krekel. Zeker een cm of tien groot, en mooi gekleurd. In Itzer kopen we 6 heerlijke broden direct bij de bakker, zo uit de oven. We rijden door tot Timnay, op +/- 10km na Zaïda en overnachten langs de rivier.

Cirque du Jaffar

De volgende ochtend tegen 10:00 uur zetten we de Daf op een camping voor de veiligheid, omdat we zelf de hele dag met de motor op pad gaan. We gaan Cirque du Jaffar rijden. Vanaf Midelt is dit een erg ruwe piste die absoluut niet met de vrachtwagen te rijden is. Het gaat langs een steile bergwand met de hoogste top op 3737 meter. De hoogste pas in de piste zelf ligt op 2049 meter. Vlak ervoor wordt de piste behoorlijk smal. Ze schijnen dit stuk ook met 4x4’s te rijden,maar dat lijkt ons soms toch wel tricky. De piste is op grote stukken erg ruw met dikke stenen, maar de BMW heeft er geen moeite mee. Wel was hij die ochtend moeilijk te starten en onderweg had hij ook een paar keer de kracht niet om te starten, we moesten hem aanduwen. Later op de camping bleek het water in de accu te laag te staan, dus nu is alles weer ok.

Als we de pas over rijden, of eigenlijk crossen, zien we herder met een kudde geiten en verdrop een hutje waaruit een vrouwtje en een paar kinderen komen aanrennen. De vrouw en kinderen bedelen om geld en spullen. We hebben niets, maar willen ook niets geven. Het is toch logisch dat je niet kunt rondkomen op ruim 2000 meter hoogte met alleen stenen om je heen. Vroeger kon dat misschien als je een beetje zelfvoorzienend was, maar tegenwoordig moeten zelfs zij een mobieltje hebben, en zelf op hun krakkemikkige hutje staat een schotelantenne. En die dingen kun je nou eenmaal niet zelf kweken.

We rijden een klein stukje verder en komen bij een diepe, brede rivierbedding. Het pad gaat meer dan een meter steil naar beneden, en aan de overkant precies zo weer omhoog. Mariska loopt het stuk door de bedding, en Jan probeert met de motor een punt te vinden waar hij er door kan. Dit lukt, en we crossen weer verder. De omgeving is een schitterend berglandschap. Ruw en kaal. Iets verder weer zo’n rivierbedding. We zien aan de overkant het weggetje lopen, maar de toegang is weggeslagen. Er gaat een behoorlijk steile bult recht omhoog. Mariska loopt er met moeite tegenop. Met de motor wordt dit lastig, want door de bedding ervoor met fijn grind en een rechte kant, kun je geen vaart maken. En om halverwege terug te kukelen hebben we ook geen zin aan. Een eindje verder langs de bedding is nog net een iets minder steile opgang te zien die waarschijnlijk op het pad uitkomt. Jan rijdt er via de rivierbedding heen,maar vanaf de bedding is de opgang slecht te zien,en hij rijdt er dus voorbij. Dit komt ook omdat je in het fijne grind niet zo makkelijk rijdt en je je ogen gefixeerd hebt op het stukje vlak voor je voorwiel. Jan wil omdraaien in de rivierbedding, maar rijdt zich klem in het fijne grind. Nu mag de motor beslist niet afslaan, want als de accu dan weer niet genoeg kracht kan leveren om te starten, kun je hem ook niet aandrukken. Probeer hem dan er maar weer uit te krijgen. Fijn grind en kanten van ruim een meter hoog.

Jan probeert eerst lopend de opgang naar het pad te vinden, en komt eindelijk ook Mariska weer tegen. Met veel trekken en slepen krijgt Jan de motor omgedraaid en stormt vanuit de rivier het pad op. Het gaat goed. Mooi werk dit! Dit is echt terreinrijden, en het grootste gedeelte gaat zelfs met z’n tweeën op 1 motor goed. Bij lastig stukjes wandelt Mariska een stukje. Er volgen nog wat van die obstakels.

Een paar steile klimmetjes en uiteindelijk komen we bij een dorpje, Tounfite. Het is een klein bergdorpje. Het centrumpje is een driesprong van kleine straatjes, en het is er een drukte van belang. We gaan er op een terras zitten en genieten van alle gekke dingen die zich voor onze ogen afspelen. Bij onze koffie zet de ober een ietwat smoezelig mini jerrycannetje water op tafel. Mariska vindt de verpakking grappig en maakt er naar Jan een opmerking over. De ober denkt dat Mariska de bedoeling van het water niet snapt. Hij pakt haar glas, giet er water in en drinkt dit zelf op, om te laten zien dat het drinkwater is. Het gebruikte glas zet hij weer bij Mariska neer. Eeuh, bedankt.

Pal voor ons staat een oude afgeragde Peugeot 405 station, die nog steeds dienst doet als taxi. Zo’n taxi hier vertrekt pas als ie vol zit. Dit betekent 9 mensen en heel veel spullen. Het ding zit met touwtjes aan elkaar, en het is prachtig om te zien wat ze er allemaal instoppen en op het dak knopen. Iets verderop staat een oud Mercedesbusje dat ook als taxi dienst doet. Binnenin losse plastic krukjes waar ze op moeten zitten. Een opa gaat op zo’n krukje zitten, en hij knapt er finaal doorheen. Er wordt gewoon weer een zo’n plastic stapelkrukje overheen gezet voor extra stevigheid, opa wordt opgeraapt en nu kan hij zitten. En dat over die hobbelwegen.

We vermaken ons prima op het terras, maar moeten de tijd in de gaten houden. We weten nog niet wat ons verder te wachten staat op deze route en hebben beslist geen zin om met de motor het laatste stuk in het donker te rijden. De rest van de weg blijkt voor het grootste gedeelte 1 baans asfalt, maar wel door een schitterende omgeving. Vanuit het hoger gelegen gedeelte waar we vandaan komen kijken we kilometers ver uit over een lager gelegen vlakte, waar je de weg doorheen ziet kronkelen. Midden op die vlakte stoppen we nog even bij een ruïne van leem, voor een verlate lunch van meegenomen boterhammen.

Het was een geweldig mooie tocht van in totaal bijna 200 km, en ’s avonds op de camping hebben we geen fut om zelf nog iets te koken. We gaan naar het campingrestaurant. We zijn de enige gasten op de camping. Mariska eet een tajine met rundvlees en pruimen, wat heerlijk smaakt, en Jan een spies met rundvlees, patat en groente, wat een beetje tegen valt.

De dag erop rijden we eerst naar Midelt waar we eten inslaan. Het is geen spannend dorp, dus we zijn er snel weer vandoor. In Rich tanken we nog even vol, en slaan daar af verder de Hoge Atlas in. We willen die via een kleine weg helemaal oversteken tot Ouzoud aan de andere kant. Helemaal zeker of het kan is het niet, maar volgens onze gps moet het kunnen.

Het eerste stuk is een redelijk smalle 1 baans asfalt weg. Af en toe komen er tegenliggers, wat soms lastig is. Telkens half van de weg af door het gravel ernaast. Aan de rechterzijde van de weg is de bergkant, aan de linkerzijde rivier. Een brede bedding met een smalle stroom water. Het is hierdoor lastig een plek voor de nacht te vinden. Je kunt nergens van de weg af.

Tot we eindelijk na het dorpje Igly een klein paadje naar links vinden dat de rivierbedding ingaat. Wij rijden het paadje in, maar blijven net naast de bedding op een iets verhoogd stukje staan. Een mooi plekje. We waren nog niet uitgestapt of er stonden al weer een paar knapen. Wat nu weer? Het bleek de toegangsweg naar hun fruitplantage te zijn, en we waren welkom om hier te overnachten. Pfff, gelukkig. Als we een plasticzak hebben, kunnen we wel wat fruit van hen krijgen. Nou, das aardig. Ze gaven ons een flinke zak bomvol met appels en pruimen. We bieden de vier jongens thee aan. Weer Pickwick. Ze kenden het van reclame van televisie. Lipton weliswaar. Ze vonden het niet allemaal even lekker en één van hen bleef maar met suiker scheppen. Later kwamen er nog een vijftal mannen, allemaal fruitplukkers, om de thee te proeven. Ze hadden de grootste lol, maar bleven verder niet rondhangen.


Wij kunnen wel Frans schrijven...

 

Als later iedereen weg is lopen we nog wat langs de rivier. We zien een kleine grijzige slang zo dik als een pink, en ongeveer dertig centimeter lang. Hij kan niet echt goed weg en rolt zich op, en maakt zich zo dik als een duim. Hij doet een paar keer een aanval onze richting uit, en blijft daarna rustig stil liggen. Mooi om te fotograferen.

De volgende ochtend klopt er om een uur of 10 iemand op de deur. We liggen nog wat te lezen in bed. Wat nu weer? Een knaap van een jaar of zestien van de fruitplantage staat met twee kopjes muntthee voor de deur, voor ons. Erg aardig. Hij geeft ze af en is direct weer weg. De glaasjes zelf zijn ontzettend vies en plakkerig, dus we gieten het over in onze eigen beker. Als we later de afwas hebben gedaan brengen we ze de schone glaasjes weer terug. Ze zullen ze bijna niet herkennen.

We kregen een rondleiding van drie knapen van een jaar of twintig over de plantage. Zij zijn mede-eigenaar van de plantage, die al generaties in de familie is. De hele plantage bevindt zich midden in de rivierbedding. Schijnbaar staat de bedding nooit lang en ook niet vaak helemaal vol. Er staat veel onkruid en hoog gras tussen de bomen, wat het plukken lastiger maakt. Volgens de jongens is dat het werk van de vrouwen, maar ze hebben een beetje ruzie met de vrouwen, dus die weigeren nu collectief het werk in de plantage te doen. Wij zouden er gewoon wat schapen in laten grazen, die zijn makkelijker onder controle te houden dan vrouwen, zelfs in een moslimland. Het gezegde is niet voor niets “zo mak als een schaap”, en niet “zo mak als en vrouw”.

De boomgaard is er groot en bestaat voornamelijk uit appel- en pruimenbomen. Daarnaast ook nog perzik, peer, druif en amandel. Eén van de jongens draagt een emmer mee en doet er van alle soorten telkens wat in, behalve perzik, dat seizoen is voorbij. Na afloop bleek deze emmer voor ons bedoeld. Weer enorm vriendelijk en we bedanken ze hartelijk. Ze zeggen dat als we meer willen we vrij zijn om te plukken wat we willen. Ongelofelijk wat vriendelijk. Als we later buiten zitten voor de Daf, zien we een man en een vrouw hun auto wassen in de rivier. Dat zie je wel vaker, bij stroompjes langs de weg, bij rivieren of meertjes zie je mensen auto’s wassen. Soms worden die er zelfs half ingereden. De fruitplukkers gaan ondertussen naar huis achterop een pick-up, allemaal flink zwaaiend naar ons.

Eén wat oudere fruitplukker bleef hangen en kwam samen met de autowassers naar ons toe. Vrij brutaal zeggen ze dat ze thee willen. Nou ja, prima hoor. De fruitplukker snapt niets van een theezakje, scheurt hem open en gooit de losse inhoud in het water. Jan geeft aan hoe het moet en gooit het water met de losse thee weg. De andere twee moeten hard lachen om de actie van de fruitplukker, of is het nu een theeplukker? De man spreekt geen Frans, geen Arabisch, alleen Berber. We zijn dus gauw uitgeluld. ’s Avonds maken we lekker hete bliksem van de appels, en Jan plukt nog een zak om dit nog een keer te kunnen maken.


Mijn eerste zakje thee...

Een grote emmer gemengd fruit voor ons. Helaas de erg rijpe pruimen onderop, dus we hebben pruimenmoes.
Net voordat we de volgende ochtend weg willen rijden, komen de jongens van de plantage nog weer langs. Wederom met zakken vol appels en pruimen. Ze hadden hun bijna even oude oom bij zich, die vrachtwagenchauffeur is. Hij is erg geïnteresseerd in onze Daf en wil alles weten en bekijken. We geven hem een uitgebreide rondleiding. We eindigden binnen met de, nog altijd interessante, thee. Ze vinden het prachtig en maken er een flinke zooi van. Knoeien met de thee en suiker. Alles werd een kleffe plakbende, alsof je een verjaardagsfeestje hebt gehad van een stel kinderen van een jaar of vijf.

Ze kijken op onze klok en geven aan dat die een uur terug moet. Ah, dat scheelt weer tijd. Waarschijnlijk leven we al een paar weken op de verkeerde tijd. We geven ze nog wat theezakjes van verschillende smaken mee naar huis. Ze vonden het erg gezellig en hoopten dat we volgend jaar weer langskwamen. Wij vonden het ook erg gezellig, maar we staan volgend jaar toch ergens anders. Over en weer maken we wat foto’s en dan vervolgen we onze weg, volgeladen met appels en pruimen. De weg blijft 1-baans asfalt van goede kwaliteit. In de rivierbedding her en der akkertjes en kleine plantages.

We komen aan bij Imilchil, een plaatsje op 2410 meter hoogte in de bergen. Gelijk het hoogste punt tot nu toe met de Daf. Het stelt niet zoveel voor, een klein plaatsje met een paar winkeltjes. Helaas zijn we er drie weken te vroeg. Dan is er moussem. Dat is een groot feest waar vrijgezelle mannen en vrouwen op afkomen om elkaar aan de haak te slaan. De mannen lopen dan allemaal in witte gewaden met een puntmuts. Ze komen van heinde en verre en er ontstaat dan een groot tentenkamp rond het dorp. We drinken er nog even een koffie op een terrasje en genieten weer van de drukt op straat.

Daarna rijden we iets verder en nemen een kleine gravelweg rechts van de straat naar de zijkant van het meer Lac de Tislit. Een prachtig mooi helder bergmeertje. Een eindje verderop ligt nog een mooi, iets groter bergmeer, Lac de Isli. De legende verteld over een man en een vrouw. Zij waren hevig verliefd op elkaar, maar omdat ze elk tot een andere stam behoorden, werd het hen verboden met elkaar om te gaan. Hierop huilde de man Lac de Isli (het meer van de man) bij elkaar en de vrouw Lac de Tislit (het meer van de vrouw).

Toch is het water gewoon zoet, dus we geloven het verhaal niet helemaal. We staan pal aan de oever van Lac de Tislit, en Jan gooit zijn hengeltje in het water. Het duurt niet lang of er komt een lokale uitleggen hoe het moet. Wanneer kun je hier nu eens iets alleen doen? Ben blij dat we een wc binnen hebben, anders kon je niet eens alleen poepen.

Maar goed, er van uitgaande dat die lokale beter weet wat voor vis hier zit en hoe je die moet vangen luistert Jan geduldig, en gaan ze samen door het hele arsenaal nepvisjes die Jan van Twente-shop heeft meegekregen. Volgens de man zit er baars en snoek, en zijn die het beste te vangen met rood en blinkend koper, of met een rood rubber visje. Jan leert die dag alle nepvisjes zwemmen, maar vangt niets. De man zelf vangt met brood kleine visjes, die hij vervolgens met een grote haak door de rug laat rondzwemmen  in de hoop een snoek te vangen. Dat gaat ons toch echt te ver.

Jan gaat vissen voeren met de Twente-shop hengel in Lac de Tislit

De dag erop lopen we een rondje om het meer. Als we terug zijn gooit Jan zijn hengeltje maar weer eens uit, terwijl Mariska bloemkool met aardappels klaarmaakt. Die heeft de hoop op een lekker visje dus al opgegeven. Plotseling roept Jan om te komen kijken. Er zwemt een waterslangetje voorbij, van ongeveer een meter lang. Mooi bruin met een wat breder platter lijf dan een gewone slang. Zijn koppie steekt boven het water uit. Hij zwemt op zo’n tien meter van de kant, en we volgen hem, hopend dat ie aan land gaat. Als we bij wat riet en stammetjes in het water komen, zijn we hem kwijt. Terug bij de auto blijken de aardappels overgekookt. Wat een zooi. 

We krijgen weer bezoek. Er komt een auto aangereden met drie vrouwen en een man er in. Het blijken broer en zussen met moeders, die er even tussenuit zijn. Behalve ma kunnen ze allemaal goed Engels. Het is gezellig en we bieden ze thee aan, maar ze zeggen geen tijd te hebben. Ze runnen een hotelletje in Rich, en moeten dat hele eind nog rijden. We krijgen nog wat koekjes en cake van hen, en Marokkaanse koffie, uit een thermosfles. Dat is hete melk met een vleugje koffie er in. De lokale visser, die een bewaker van een huis verderop blijkt te zijn, was er inmiddels ook bij komen zitten. Na over en weer wat foto’s te hebben gemaakt, rijdt de familie weer verder. De visser blijft nog lang hangen, en probeert ons Arabisch en Berber te leren, terwijl hij zelf nauwelijks Frans spreekt. Dat valt niet mee, en op den duur worden we moe en beginnen we langzaam de boel in te pakken. De man gaat terug naar de te bewaken woning. Het blijkt nog maar 21:00 uur te zijn, maar het voelt als 23:00 uur.


Lac de Isly

De volgende morgen ruimen we een beetje op om met de Daf naar het andere meertje te kunnen rijden. Dat ligt zo’n 10 kilometer verderop, via een gravelweg. We willen kijken of we daar ook mooi een paar dagen kunnen staan. We zijn nog maar net op weg of we moeten door een erg smalle, brokkelige rivierbedding. Het wil misschien best, maar we hebben even geen zin aan dat gestunt, zeker niet voor een doodlopend stukje van 10 kilometer. We zetten de wagen weer op de plek en pakken de motor en rijden zo op ons gemakje naar het ander meertje.

Ook een  mooi blauw-groen diep helder meer, maar totaal zonder begroeiing er langs. Wel wat watervogels, zoals 2 reigers, wat meerkoeten en dodaars. We lopen een rondje, dat langer blijkt dan het lijkt. Weer terug bij de auto probeert Jan nog eens een visje te vangen, maar helaas, we eten weer vegetarisch.

VRIJDAG 9 SEPTEMBER 2011, weer verder
We rijden weer verder door de bergen naar El Ksiba. De weg is nog steeds 1 baans, maar vrij goed. Op 1 punt is het wegdek slecht,meer gravel dan asfalt. En precies daar moeten we onder een laaghangende rots door. Jan stuurt de auto met de banden langs de afgrond en met slechts 5 centimeter speling boven het dak kunnen we er net onder door. Dit staat natuurlijk nergens van te voren aangegeven, voor hetzelfde geld kan het net niet, en kun je eerst flink wat kilometers achteruit rijden want draaien lukt daar echt niet, en vervolgens kun je 200 km terugrijden om een andere weg te zoeken. Het schijnt wel zo te zijn dat je tegenwoordig vanaf Imilchil binnendoor naar de Todragorge kunt rijden, wat ook een mooie route moet zijn.

Maar goed, we zijn er langs, en de rest van de weg is goed. We rijden de Atlas uit, die vrij abrupt overgaat in vlakland. In El Ksiba doen we nog wat inkopen, en hebben we erg traag internet, maar kunnen we in ieder geval na enige tijd weer even laten weten waar we zitten. Iets later komen we door Beni Mellal. Een grote stad, en ze hebben zelfs een Marjane supermarkt. We stoppen direct, en hopen dat er ook een McDonalds bijzit, want we hebben wel trek. Helaas, dit is niet het geval. We kopen nog wat lekkernijen als chocola e.d. en twee kant en klaar pizza’s. We treffen nog een jong Spaans stel met een herdershond langs de kant van de weg. Ze willen naar Ouzoud, en zoeken een lift. Tsja, uiteindelijk gaan wij ook naar Ouzoud, maar dat duurt zo nog een week. En dan al die tijd twee lui met een herdershond op het dak zien we ook niet zitten. Ze hebben zelf maar twee weken vakantie, dus voor hen is dat ook geen optie. Wij vragen ons af hoe je je bedenkt om in twee weken vakantie liftend met een grote herdershond door Marokko te reizen. Moslims zijn over het algemeen niet zo gek op honden. En dat je dan terechtkomt in Beni Mellal. Een grote stad, best een eind weg, zonder enige bezienswaardigheid. En dat het dan al schemer wordt, en je hebt nog geen lift of een plekje voor de nacht gevonden. Nou ja, ieder zijn meug.

We knappen weer verder, hup zo de Atlas weer in. En even abrupt als hij eindigde, zitten we ook zo weer in de hoge bergen. Het is één en al klimmen bij hoge temperatuur. We rijden iets te lang langzaam in hoge toeren en de temperatuurmeter loopt vrij hoog op. Het is al schemer en we besluiten te stoppen bij een inham langs de weg. Er staat een armoedige tent en er lopen twee mannen rond. De één staat/ligt te bidden. Jan rijdt achteruit om de Daf op zijn plek te zetten, maar ziet daarbij die man niet, en rijdt hem zowat van zijn slippers (sokken dragen ze hier niet). Hij kon nog net opzij springen. Was hij bijna sneller bij Allah dan ie durfde te dromen. Na onze excuses gemaakt te hebben vragen we of hier mogen blijven staan. De mannen zijn vriendelijk en het mag. Ze werken voor de Marokkaanse staatsbosbeheer, en moeten waken voor bosbranden. Er staat dus een armoedige zelfbouw tent, type tipi, met scheuren in het doek. Geen sanitair, stromend water of verdere voorzieningen. Wel een gaspot, een vat water en twee veldbedden. Ze zitten hier 4 dagen achtereen, om dan weer afgewisseld te worden door collega’s. Vind er maar eens iemand voor in Nederland. Ze keken vast even raar op toen ze via het open raam de ping van onze oven hoorden. De pizza’s zijn klaar. Ze smaken nog goed ook.

We geven de mannen de volgende ochtend een warme kop thee, praten nog wat en rijden dan verder tot Barrage Bin el Ouidane. Een groot stuwmeer in de bergen. We hopen daar nog ergens een rustig plekje te vinden om een paar dagen te blijven staan.

Als we het meer naderen komen we eerst langs de grote dam en vervolgens in het dorpje Ouidane, waar het een drukte van jewelste is. We vinden een plekje langs de grote weg waar we de Daf parkeren. Het dorp barst van de tenten en de paarden. En er is markt en er zijn veel vreetkraampjes. Het blijkt dat er “Fantasia” wordt gehouden. Dit is een spektakel met paarden. De paarden en hun berijders zijn in een traditionele strijdersoutfit gehesen, en staan midden op het grote dorpsplein, wat eigenlijk een stuk zandvlakte is, met zo’n dertig paarden op een rij. De paarden, allemaal ongecastreerde hengsten van flink kaliber, worden flink opgefokt en zijn moeilijk onder controle te houden. Na wat gedartel geven ze de paarden flink de sporen. Tijdens de korte, wilde rit, maken sommige rijders vreemde capriolen in het zadel. Vlak voor het eind van het plein trappen ze hem flink op de rem, en tegelijkertijd vuren de berijders met een luide knal hun middeleeuwse geweer af.

 


Mooi versierde paarden tijdens het Fantasia festival

De middeleeuwse geweren knallen nog aardig

Het is best indrukwekkend om te zien. De paarden zijn erg gespierd en hebben enorme dikke nekken. Ze zijn rijkelijk versierd met een mooi zadel en glimmend hoofdstel en borstversiering. De berijders zijn ook in een mooi tenue gestoken en het valt op hoeveel bejaarde mannetjes er bij zitten, die trots als een strijder rond paraderen. Ze moeten soms zelfs met moeite in het zadel gehesen worden. Het spektakel duurt drie dagen en dit is de tweede dag. Er word ’s morgens en ’s avonds gereden, ’s middags is het siësta. Tussendoor zijn er optredens van traditionele dans- en zangroepen. Er komen zelfs een groepje vrouwen op het podium flink schudden met hun forse borstwerk en de haren los headbangend op steeds snellere opzwepende muziek van trommels en fluitjes. En dat in moslim Marokko. Het publiek vind het prachtig, en wij ook. We zetten de auto iets verder op een parkeerplaats in het dorpje, en blijven daar overnachten, om morgen de laatste dag van het feest mee te maken.

We eten wat van de vreetkraampjes. Ze hebben lekkere soort pitahbroodjes waar ze gegrilde worstjes in fijn prakken. Met een pittig sausje erover smaakt dit heerlijk. Ook frituren ze donuts die smaken als oliebollen met suiker. We lopen wat door het dorpje. Bekijken alle imposante paarden die met veel liefde verzorgd worden. Er zijn erg mooie beesten bij, en we denken dat ze ook best een kapitaaltje waard zijn. We lopen naar het eind van het dorpje om een uitzicht te hebben over het meer. Het laatste gebouwtje staat leeg, en het stinkt er van de mensenstront. Hier zit iedereen dus te poepen. Wegwezen dus.

Dan maar richting dam we en gaan op een muurtje zitten om daar wat van het uitzicht te genieten. Onder ons staan een paar tenten en wat ezels. Dan komt er een man aanlopen met een vloeibare wc-rol onder zijn arm. Een klein emmertje met water dus. Zo in ons zicht gaat hij zitten poepen. Er loopt nog een man langs hem heen en ze begroeten elkaar vriendelijk.

Als hij klaar is met poepen, steekt hij zijn vieze linkerhand in het emmertje, en maakt daarmee zijn schone rechterhand ook vies. Vervolgens wast hij er ook nog even zijn gezicht en zijn armen mee. Alles natuurlijk zonder zeep. Lekker dan. En nu zeker weer achter zijn kraampje om broodjes worst uit te delen...  We worden niet ziek van het eten van de kraampjes en genieten van het spektakel in het dorp.


Wildpoeper! Zelfs de ezel kan zijn ogen niet geloven...

Wasdag aan het meer
Als de volgende dag het feest voorbij is rijden we verder langs het meer op zoek naar een mooi plekje. Dat valt nog niet mee. Alle kanten lopen erg steil af. Toch lukt het om via een korte gravelweg op een mooie plaats aan het water te staan. De komende dagen vermaken we ons hier prima. We zwemmen, lezen, puzzelen en vissen wat. Rijden met de motor een flink eind rond het meer. Als het vissen nog niet erg wil lukken pakt Jan op een gegeven moment zijn snorkelset erbij om te kijken waar ze zitten. Hij ziet best grote baarzen onder water. Dan lukt het eindelijk om er een te vangen van zo’n 25 centimeter. Daarvoor waren het slechts kleintjes, maar deze is de moeite waard voor de pan, en hij smaakt heerlijk. We zien een groep vrouwen tapijten wassen in het meer. Ze zijn gebracht met een pick-upje, helemaal vol grote en erg lange tapijten. Waarschijnlijk uit een moskee.

We staan hier in totaal vijf dagen. Het drinkwater begint op te raken. Jan tankt wat water bij uit het meer. Dit ziet er best helder uit, en we hebben tenslotte een filter en zuiveringsinstallatie. Op zich is het water best te drinken, we worden er niet ziek van, maar er blijft ondanks ons koolstoffilter een vissmaak aan het water zitten. Niet lekker dus. Tijd om eens een ander plekje op te zoeken.

MAANDAG 19 SEPTEMBER 2011, Ouzoud
We van Bin el Ouidane eerst naar Azilal. Daar op het postkantoor moeten onze Carnets de Passages liggen, een soort paspoort voor auto en motor. In sommige Afrikaanse landen is dit nodig. We hebben dit laten opsturen door de ADAC München naar het postbusnummer in Azilal, van camping Zebra in Ouzoud. Het is enorm druk bij het postkantoor en geen doorkomen aan. Er staan tafeltjes buiten en er worden namen omgeroepen. Jan dringt door de menigte en zegt dat hij voor een poststuk komt. Hij mag als enige naar binnen. Later horen we dat er vandaag schoolgeld uitbetaald wordt.

Op het postkantoor bleek echter geen post voor ons te liggen. Een telefoontje naar camping Zebra in Ouzoud leert dat zij het al afgehaald hebben. Gelukkig! We rijden snel verder naar Ouzoud, waar we vriendelijk en gastvrij onthaald worden door Paul en Renate. Twee oud-Hengeloers, die de camping van de grond af hebben opgebouwd de afgelopen 5 jaren, en er een waar paradijsje van hebben gemaakt. De camping is sfeervol, netjes en zeer ruim en vooral schoon sanitair. En het ligt maar op een kort wandelingetje van de waterval van Ouzoud af. Renate en Paul zijn gezellige mensen en het is leuk om even in het Nederlands bij te kunnen kletsen.

We blijven er nog een dagje staan. Er is de volgende dag markt in het dorp, dus daar lopen we even overheen. Een kleine, maar gezellige markt. Ook nemen we nog een kijkje bij de watervallen. We waren eerder op onze reis hier al geweest, maar nu is het er veel drukker. Rachid, de eigenaar van een eettentje, herkende ons nog van de vorige keer, en we drinken bij hem een kop koffie.

Renate en Paul, Camping Zebra in Ouzoud

Dan weer terug naar de camping. De camper moet nog even grondig uitgemest worden en de horgaasjes gewassen. Het is een stoffige bende. We bestellen wat te eten op de camping en ’s avonds eten we gezellig samen met Paul, Renate en het personeel. Later komt hun Duitse buurman nog even op visite, en we luisteren naar het bijzondere verhaal van deze man. Al weer wat jaartjes terug heeft hij hier een stuk grond gekocht en is er met vrouw en toen twee kinderen (nu vier) er naar toe verhuisd. Hij is er stellig van overtuigd dat er ramp op de mensheid afkomt wanneer in 2012 een aantal planeten op één lijn komen te staan. Dit zou een magnetisch veld geven waarvan de gevolgen niet te overzien zijn. Daarom bouwt hij een huis in de grond. Altijd interessant om zulke theorieën aan te horen, en dat mensen daar ook echt mee bezig zijn. Na 2012 wordt de aarde dus nog enkel bewoond door een Duitse familie in Marokko...

We vertrekken woensdag 21 september vanaf camping Zebra, nadat we Paul en Renate hebben uitgezwaaid. Zij gaan voor naar Marrakech, inkopen doen. Wij hebben een flinke rit voor de boeg naar Rabat, waar we onze visum voor Mauritanië moeten aanvragen. Na Ouzoud rijden we eerst een mooi stuk weg door de bergen, die we al eerder bereden hebben. We komen weer over twee dubieuze bruggen, en verlaten daarna al vlug de bergen. Dan volgt een lang stuk met saai vlakland.

Zo’n 40 kilometer voor Rabat wordt het weer wat mooier met heuvels en bos. We zoeken een mooi plekje op een bergje, tussen de bomen. Er staan veel bijenkassen. Tegen de avond wordt het er drukker, zuipers. Dat hebben we al vaker gehad. Ze drinken hier graag buitenaf, zodat familie of vrienden dit niet zien, of zo. En van Allah mag het ook al niet, daarom moet het in het donker, zodat Allah dit niet kan zien, was eens iemand zijn excuus. ’s Avonds wordt er op de deur geklopt. Daar zul je het gezeur hebben, denken we. Maar nee. Het is de bewaker van de bijenkassen. Hij heet ons welkom en bedankt ons dat we deze plek gekozen hebben om te overnachten. Daarna hebben we geen last gehad van kloppers. Het is een redelijk rustige nacht. De zuipers waren nog wel een keertje vertrokken, met hun geitenmuziek en we hoorden ’s nachts alleen een paar wilde zwijnen rond de auto.


Luxe dineren in een 3 sterren restaurant in Rabat

’s Ochtends gaan we al vroeg op pad naar Rabat, omdat we bijtijds bij de ambassade willen zijn. De meeste ambassades van verschillende landen liggen bij elkaar in een chique wijk. Zo ook die van Mauritanië. Toch is het er een trieste bedoening, en krijgen we gelijk al een vage indruk van het land. Er is geen ontvangstruimte voor gasten, maar een klein vies loketje langs de straat, waar je in de rij gaat staan. Via een klein rond gaatje kijkt een man je aan, en geeft je elk en papiertje, het aanvraagformulier, wat je moet invullen. Dat gebeurt dus buiten op de stoep, in dit geval in de regen. Het formuliertje is een kopietje van een kopietje van een kopietje van een kopietje, in het Frans en in het Arabisch. Dus goed leesbaar... Er staan veel onzinnige vragen op, zoals de namen en het beroep van je ouders, drie keer over moet je je eigen adres invullen, en je moet alle landen waar je hiervoor geweest bent invullen op een regeltje van drie cm. Een kind van 10 kan een beter vragenformulier maken.

Dan wordt er gevraagd wat voor visum je wilt. Voor hoe lang, en hoe vaak je het land in en uit wilt kunnen (singel, double of multiple entry). Maar een kostenoverzicht of grens van mogelijkheden ontbreekt. We willen wat ruimte qua tijd, en om bij calamiteiten terug te kunnen minimaal double entry. We vragen dus 2 maanden met double entry aan.

Je moet het formulier samen met 2 pasfoto’s en je paspoort inleveren, en krijgt daarvoor weer een onleesbaar ontvangstbewijs terug. We hoorden van andere reizigers dat het 24 uur zou duren, maar nu is het al 48uur geworden. Das balen, want het is donderdag. Dat betekent nog het hele weekend in Rabat hangen dus.

Ook zien we hier het eerste staaltje corruptie, aangewakkerd door een Canadees. De man is dus Canadees, maar woont in Senegal, en wil door Mauritanië met zijn Nissan Patrol terug naar huis. Ook hij wil geen 48 uur wachten. Hij kan natuurlijk goed Frans, en praat wat met een mannetje een deurtje verderop. Hij levert hier zijn paspoort in, met flink wat Dirhams ertussen. Hij zegt tegen ons: “Let op, ik krijg mijn paspoort nu sneller en ben nog voor het weekend weer weg”. Hij krijgt echter geen ontvangstbewijs van zijn paspoort, dus hij knijpt hem wel een beetje.
Als wij ons maandag om 9:00 uur ons weer melden, horen we dat de visa pas om 15:00 uur verstrekt worden. Er staat dan een lange rij wachtenden, en we zien de Canadees ook weer rondhangen. Het is dus niet gelukt voor het weekend. Mooi zo, denken we. Hij gaat niet in de lange rij staan, maar zeurt weer wat bij het deurtje verderop. Dan komt hij naar ons toe, en zegt dat ie nog weer wat geld moest schuiven, maar dan zo het paspoort met visum aan het eind van de straat krijgt, via de parkeerwacht. Die ook natuurlijk weer wat moet hebben voor zijn diensten. We letten op, en zien het inderdaad zo gebeuren. Al met al betaalt hij dus meer dan ons, en heeft zijn paspoort slechts een uurtje eerder. De sufferd. Zo werk je corruptie juist in de hand, maar gelukkig waren de handlangers bij de ambassade te dom om het goed te laten functioneren.

We ontmoeten bij de ambassade ook nog twee Tsjechische jongens die met een fraaie Skoda stationwagon uit 1968 naar Zuid-Afrika rijden. Ook treffen we Kamiel, een Nederlandse jongen. Hij is getrouwd met een Zuid-Koreaanse, en reist nu alleen over land naar Nairobi, om haar daar te treffen. Hij wil dwars door de Centraal Afrikaanse Republiek. Ondertussen doet hij van alles aan liefdadigheid. Hij is te volgen op charity.blogspot.com en op www.kindmankind.net. Ook praten we nog even met een Marokkaan die zojuist bij de Nederlandse ambassade een visum heeft aangevraagd. Hij is getrouwd met een vrouw van Curaçao, en hoopt zo in Nederland te kunnen blijven.

Wij ontvangen onze visa en zien dat ze exact aan onze aanvraag hebben voldaan. Wel hebben de sufferd het blad van het visum geplakt op de plek in je paspoort waar normaal je kinderen vermeld staan, maar we zijn er blij mee, dat scheelt ons weer een bladzijde. We hoorden van andere reizigers dat het visum ingaat op het moment dat je het ontvangt, dus direct hier in Rabat, maar dit is niet waar. Je kunt op het aanvraagformulier aangeven wanneer jij wilt dat ie ingaat, en in ons geval hebben ze dat gerespecteerd. Netjes op 1 oktober dus. Dat scheelt, want anders ben je al veel tijd van je visum kwijt op de lange weg van Rabat naar de grens. Zeker als je onderweg nog wat wilt zien.

Ondertussen hebben we ons redelijk vermaakt, dat weekend in Rabat. Eerst op de motor een bezoek gebracht aan de medina en het strand. Ze laten je hier als toerist heerlijk met rust, geen gezeur aan je kop. Later zijn we met de Daf twee dagen bij een groot shoppingcentre gaan staan. Inkopen doen, beetje rondhangen, wat werken op de computer. Eten bij McDonalds, ook wel een keer weer lekker. De supermarkt Marjane viert haar zoveeljarige bestaan, en heeft diverse aanbiedingen. O.a. gegrilde kip met gratis 1,25L cola. We hebben de vriezer dus vol met kip, en de koelkast vol met cola.

Maandag, toen we hoorden dat we pas om 15:00 uur onze visa konden ophalen, zijn we nog met de motor naar het mausoleum, waar de voormalige koning begraven ligt, geweest. Best een imposant gebeuren. Een groot plein vol met zuilen en een oude vierkante minaret. Het mausoleum groot opgetrokken uit marmer en van binnen uitbundig gedecoreerd met mozaïek tegeltjes en houtsnijwerk. Onder het mausoleum allerlei kamers en ernaast een moskee, welke natuurlijk voor ons verboden toegang is. Er liggen ook grote tuinen achter, maar die waren nu gesloten voor alle publiek.

Mausoleum in Rabat

Hassan II moskee in Casablanca

Wij rijden door naar Casablanca, en overnachten daar op de parkeerplaats bij de Marjane. (ja alweer, maar dat is lekker handig. Het is gratis, er is altijd veel ruimte, ze staan in onze gps, je kunt gelijk je inkopen doen, zoals vers brood, goed ontvangst om te internetten en ook is er vaak bewaking)

De dag er op gaan we met de motor Casablanca in. We bezoeken er de megagrote Hassan II moskee. Dit is de 3e grootste moskee ter wereld, en naar men zegt de mooiste. Het is geen oude moskee, maar vrij recente, fraai gelegen aan zee. Vrijwel iedereen in Marokko heeft zijn bijdrage gedaan om hem te kunnen bouwen, en de meest vermaarde architecten en kunstenaars zijn er aan de slag gegaan. Kosten nog moeite zijn gespaard. Het is inderdaad een imposant ding. Je kunt er ook in, hetzij onder begeleiding van een gids. We vinden dat een dure bedoening, en lopen stiekem binnen een beetje rond, bij de eerste ruimten. Later, als het bidtijd is, gaan twee enorme deuren open en kunnen we even goed naar binnen gluren. Eén van de bewakers wil wat bijverdienen, en als we willen kunnen we er voor slechts 5 dirham per persoon naar binnen. We slaan dit toch af, om geen moeilijkheden te krijgen. We vinden het wel prima zo.

We bezoeken later nog de medina. Deze is erg open, geen smalle overdekte steegjes. Wel vol met kraampjes. En weer zijn we zelfs in zo’n grote stad een bijzonderheid. Iedereen begroet ons en is vriendelijk. Geen gedoe. En geen toerist te zien, terwijl bij de grote moskee busladingen werden gelost.


Bij de vis- en vleesmarkt gaan we weer zowat over onze nek. We kijken nog steeds onze ogen uit, terwijl we toch alweer 5 maanden in Marokko zijn. Tijd om weer naar de Daf te gaan. Op de heenweg ging het nog wel met het verkeer, maar de terugweg is echt chaotisch. Iedereen op de weg vindt zichzelf het belangrijkst. Nergens geduld, overal voordringen en geen enkele verkeersregel wordt opgevolgd. Het gevolg is dat alles kruispunten knettervast staan. Met in het midden een politiemannetje die alle kanten op staat te zwaaien, maar er ook niets van snapt. Moet je je voorstellen, dat is zijn dagelijks werk. Hopeloos.
Het is wel prachtig om te zien, en zelf geinig om er even middenin te zitten. Alle auto’s vast, haaks op elkaar, en vol op de claxon. We kunnen er op een gegeven moment met de motor ook niet door, en staan niet eens zover van de Daf af, vast op een kruispunt. Voor ons twee auto’s met daartussen amper 20cm. Achter ons een brommertje met twee maniakken die denken dat ze er wel langs kunnen. Ze willen ons aan de kant drukken. Dit lukt niet helemaal, en degene achterop vliegt over de motorkap van de BMW voor ons, terwijl de piloot met zijn brommertje zowel een fraai spoor op de kofferbak van de auto links, als op de bumper van de BMW rechts achterlaat. Maar ze zijn er langs, en het schijnt niemand wat te interesseren. En dan moet je je voorstellen dat de jet set van Casa hier in dikke dure Range Rovers en BMW X6 e.d. rondrijdt.

We zijn er bijna, maar zitten zelfs met de motor hopeloos vast in de chaos

Terug bij de auto lopen we nog even in de supermarkt rond. Daar valt het op hoe onbeschoft mensen zijn. De schappen zijn aan het einde van de dag een zwijnenstal. Her en der zijn verpakkingen opengemaakt en worden zo leeggevreten. Leeggeslobberde toetjes vind je terug tussen de schappen met jam. Bij het fruit staan ze gerust de dadels weg te kauwen. Frisdrank wordt opengemaakt en leeggedronken. Voorverpakte gebakjes, waar de helft uit is en het bakje op een heel andere afdeling ligt. Allemaal uiteraard zonder af te rekenen. En het personeel loopt een beetje rond te gapen. Onvoorstelbaar.

We rijden de dag erop van Casablanca via de snelweg A7 naar Marrakech. Marrakech bezoeken we niet nog een keer. Via een prachtige weg door de bergen (ja, ja, over de bergen dan) rijden we richting Jbel Toubkal, de hoogste berg van Marokko, en gelijk de hoogste van noord Afrika. We rijden tot vlak voor Imlil. Dit is het dorpje aan de voet van Jbel Toubkal. We willen naar de top wandelen, maar blijven nog eerst een dagje niksen. Smeren de Daf door, helpen een paar Spanjaarden met een Mitsubishi Pajero met startproblemen en gaan op de motor eens richting dorp 10km verderop, om te informeren wat de mogelijkheden zijn betreffende de wandeling naar de top.


De refuge ligt op een prachtige plek tussen de hoge bergen

VRIJDAG 30 SEPTEMBER 2011, Jbel Toubkal
We vertrekken vroeg richting Imlil, en na wat draaien en steken staan we om +/- 9:30 met de Daf op de krappe, volle parkeerplaats in het dorp. We vertrekken met allebei een rugzak met slaapzak, water en fotoapparatuur richting het basiskamp, dat op zo’n 3150 meter hoogte ligt. De afstand is zo’n 10km alleen maar stijgen. Er staat zo’n 4 à 6 uur lopen voor, volgens de boekjes. Veel mensen laten hun bagage met ezels naar boven brengen, en hobbelen er zelf achteraan. Wij zijn zelf de ezel. Maar wij zijn vlaklanders, ongetraind en traag. De hele weg is opgaand, nagenoeg geen vlakke of dalende stukken er in. Het is een prachtige route tussen hoge bergen door. Het pad is gemakkelijk te volgen.

En na inderdaad 6 uur lopen komen we bij de refuge aan. Eigenlijk staan er twee berghutten. We kijken bij de eerste. Helemaal leeg, niemand te zien, geen toeristen, maar ook geen personeel. Dan naar de tweede. Daar hangen aardig wat mensen en ezels rond. De ezels slapen buiten, de mensen binnen op slaapzalen met stapelbedden, zoals je dat vaker ziet in berghutten. Gelukkig is er nog plek vrij, anders hadden we bij de ezels moeten gaan liggen. We hangen buiten nog wat rond, maar het waait erg hard en het is al behoorlijk koud. Dat belooft wat voor morgen, als we naar de top moeten. Dat is 3 uur alleen maar omhoog, en daarna 2 uur weer terug naar de hut lopen. ’s Avonds eten we aan twee lange tafels harira (linzensoep) en couscous met de andere gasten. Het eten is niet bijster bijzonder, maar het is best een gezellige boel. We drinken daarna nog wat thee met een Duits echtpaar. Zij maken vanuit de hut meerdere wandelingen en zijn gisteren al naar de top geweest. De man is 70, maar loopt blijkbaar nog als een kievit. Terwijl wij samen net 70 zijn, en behoorlijk lopen te puffen.

We gaan vroeg naar bed. Het is meer rusten dan slapen. Door de harde wind buiten klapperen de luiken en deuren, vooral als iemand hem open laat staan. Op zo’n slaapzaal zijn er ook altijd wat die de hele wereld aan elkaar snurken, en mensen die pas hun spullen uitpakken in het donker. De volgende ochtend staan de eersten al op om 4 uur, om de zon op te zien komen op de top. Wij zijn lui en lopen niet graag in het donker. Je wilt tenslotte wat zien van de bergen om je heen. Dus we zitten pas om 7 uur aan het ontbijt, samen met de Duitsers. Het is een smerige boel. De tafels plakken, potten jam en chocoladepasta zijn zo goed als leeg. Het bestek is vies, en borden krijg je niet.

Om 8:00 uur lopen we het laatste stuk. Alleen Jan draagt een rugzak met eten, drinken en regenkleding. Mariska’s rugzak met slaapzakken laten we in de refuge. Die pikken we op de terugweg wel weer op. Dit laatste stuk is zonder rugzak al zwaar genoeg. In 2 km klimmen we 960 meter, tot de top van 4167 meter. Het is wel een mooi traject, met echte klimstukjes. Soms worden we door de harde wind even uit balans geblazen. Ook zijn er op het laatste stuk veel rolsteentjes, zodat je makkelijk uitglijdt. De top geeft een geweldig uitzicht rondom. In de verte zie je een oase liggen met een klein, afgelegen dorpje. De rest is woeste ongerepte natuur. We eten er onze lunch en gaan na een half uurtje weer naar beneden. Dat eerste stuk is oppassen met die rolsteentjes. Mariska heeft niet zulke sterke knieën, en vanaf nu is het alleen maar afdalen. Het is rond 14:30 uur als we terug zijn bij het basiskamp. We pikken de andere rugzak op en besluiten terug te lopen naar het dorp. Vanavond lekker in ons eigen bedje. Ook de terugtocht is weer erg mooi, maar wordt door het continue afdalen ook steeds zwaarder, vooral voor Mariska. Het laatste stuk vlak voor het dorp moeten we nog door een klein stukje bos, maar het is al behoorlijk donker. Gelukkig hangen hier al weer wat lui rond, en voor ons loopt een opa in een fluorescerende witte jurk. Das handig, daar lopen we achteraan. Maar door vermoeidheid kunnen we opa amper bijhouden.


4167 meter hoog, de top van Jbel Toubkal. Natuurlijk even op de GPS kijken of dit wel klopt.

Als we bij de Daf komen, hebben we die dag er 11 uur lopen opzitten. Pfff. En dan blijkt de Daf door andere auto’s ingesloten te zijn op de parkeerplaats. We hebben geen zin middenin het dorp te slapen, dus veel draaien en steken. Gelukkig hebben ze de eigenaar van de auto die het meest in de weg stond gevonden, zodat hij zijn auto kon verplaatsen. In het donker rijden we de tien kilometer terug naar ons eerdere plekje. Wat eten wat en dan gauw naar bed. Het was een zeer mooie tocht, maar voor ons in twee dagen net iets teveel. Alles doet zeer. Misschien was het toch beter geweest om nog eerst weer te overnachten in het basiskamp.

Uitzicht vanaf de Tizi 'n Test pas over de rest van de bergweg

De volgende dag kunnen we het nog goed voelen, maar zijn we toch al behoorlijk opgeknapt. We doen het rustig aan en rijden langzaam verder richting Tizi ’n Test. Dit moet een mooie bergweg zijn. We rijden die dag tot zo’n kilometer voor de pas op een mooie open plek tussen de bomen, op 1998 meter hoogte. Het stuk erna staat op de Michelin kaart aangegeven als “dangerous road”, dus dat bewaren we voor morgen, als we weer helemaal fit zijn.

De weg heet dus Tizi ’n Test, en dat is het ook. Meer voor ons dan voor de Daf. Smal, met ontelbaar veel bochten. Als Mariska rechts uit de cabine naar beneden kijkt, kijkt ze zo 200 meter diep het dal in. De weg is 1-baans asfalt en ligt er vaak wat schuin in, altijd een beetje hellend naar de dalkant. Dat geeft soms een griezelig gevoel. Op een gegeven moment passeren we een overhangende lage rots. We waren al eerder gewaarschuwd door andere reizigers, die er net met hun vrachtwagen onderdoor konden. Wij hadden gelukkig nog wel wat ruimte over. Als we er voorbij zijn zien we in de spiegel nog een bordje met “hoogte 3 meter”. Nou, het was duidelijk wel hoger, onze vrachtwagen is 3,7 meter hoog, en we zijn er langs. Doordat de weg zo smal is, is het passeren van tegenliggers ook niet altijd even handig. Zeker niet als er van die idioten de bocht om komen scheuren alsof ze alleen op de planeet zijn. Dat scheelt soms niet veel of ze zijn van de planeet af.

Het is drie oktober, Jan zijn verjaardag. En deze weg is een mooi kadootje. We rijden door tot Tifnite aan zee. We mogen van het vriendelijke leger weer eens niet aan zee kamperen, dus rijden we een eindje terug, en vinden tussen wat eucalyptusbomen een mooi plekje. ’s Avonds lezen we de vele sms-jes en mailtjes van familie en vrienden voor Jan’s verjaardag.

De dag erop bezoeken we het Sous Massa nationaal park, dat erg tegen valt. Overal huizen en akkerbouw, het heeft niet veel van een nationaal park weg. Misschien net de strook langs de rivier Massa, en dan houdt het op. Bij een poort bij de ingang van het park zit een gids moeilijk te doen over parkeren, kamperen en een verplichte gids in het park. We hebben er geen zin in en kamperen ergens anders.

De dag erop proberen we het nog eens. Dezelfde gids staat er weer en zegt dat we vooraan moeten parkeren en met hem het park in moeten. Alleen mag niet. Anders moeten we maar zo’n 30km omrijden naar een ander ingang van het park, zegt ie. We zeuren nog wat en dan zegt hij dat we hier mogen parkeren, en dan alleen mogen lopen. Dat is al beter, dus dat doen we. We lopen een eind de onverharde weg af. Er komen ons eerst 2 Landcruisers tegemoet, en dan een stuk of drie motoren. Allemaal toeristen. Vreemd, en wij moeten lopen. Dan komt er een parkofficial op de brommer aan. Hij vraagt waarom we hier lopen. Wij leggen uit dat dat moest van de gids. Hij wordt helemaal furieus als hij dit hoort. Hij zegt dat het nog 6km naar de entree van het park is, en dan is het park nog eens 6km lang. Hij zegt dat we om moeten draaien en de auto op moeten halen. Die zogenaamde gids aan het begin is helemaal geen echte gids, maar een lokale die wat bij wil snaaien. Wij lopen terug en halen de Daf op, en de echte gids gaat op zijn brommertje op zoek naar die lokale om hem er van langs te geven. Toen we langs de nepgids liepen, zei deze inderdaad niets meer, over wat wel en niet mocht.

Zoals gezegd is het park niet spectaculair, maar wel leuk om even langs de rivier te lopen tot aan de oceaan. We zien van grote afstand nog wat flamingo´s en glossy ibissen. De zeldzame bald ibissen die hier zitten, komen pas tegen de avond, dus die zien we niet. Verder nog wat puttertjes, en dat was het dan wel.

 


Ontbijt op bed, raam open, vogeltjes op de cabine. Dat is pas genieten.
We rijden weer verder en overnachten nabij Mirleft. ´s Morgens zitten er, zoals wel vaker, weer allerlei vogeltjes op het dak van de cabine. Vanuit ons bed kunnen we ze door het grote openstaande voorraam goed bekijken. We zitten er maar een meter vanaf, en meestal hebben ze ons niet in de gaten. Soms gaan ze zelfs op de rand van het raam zitten, en als het horgaas omhoog is vliegen ze per ongeluk naar binnen. Meestal zijn het “gewoon” mussen maar nu zit er ook een kuifleeuwerik en een nog onbekend zwart-wit exemplaar bij.

En in Marokko is het een feit: heb je aardappelschillen, dan heb je vrienden.

Door maar weer naar Leghzira, iets onder Mirleft. Bij Leghzira zijn een aantal schitterende natuurlijke bogen in de rotsen op het strand. We parkeren de auto boven op de rotsen en lopen omlaag, over het strand naar de grote indrukwekkende bogen. Het is een prachtig gezicht. De zeenevel zorgt voor een mooi lichteffect onder de door erosie en zeewater ontstane natuurlijke bruggen. We vinden het een van de mooiste stukjes strand in Marokko, hoewel het zeker niet het rustigste stukje strand is.

Als we weer terugkomen bij de Daf, zien we een vent met een oranje hesje in de schaduw van de auto liggen. He, hier een parkeerwacht? Dit is gewoon een stuk kale ruwe rots, het is helemaal geen parkeerplaats. De jongen van een jaar of twintig legt uit dat dit stukje van zijn vader is, en dat we moeten betalen voor het parkeren. Daar gaan we weer. Dit hebben we vaker gehad, dan betaal je en een half uur later komt gewoon de volgende die ook zegt dat het zijn grond is. Hier doen we niet meer aan mee. We leggen hem uit dat we geen moeite hebben om te betalen voor het parkeren op iemands privé-grond, maar dan moeten we dat wel van te voren weten.

Iedere flapdrol kan hier achteraf wel om geld gaan lopen vragen, en zeggen dat die grond van hem is. “Maar ik heb toch een oranje hesje aan?” Mariska pakt achter de bijrijderstoel zo’n zelfde oranje hesje weg en trekt dat aan. “Zo, nu ben ik ook parkeerwacht”. Nee, we moeten gewoon betalen. We leggen hem uit dat ie dan maar aan de weg een bord moet plaatsen met privé, en eventueel de parkeertarieven. En waar was hij dan toen we kwamen? We hebben toen nog weet ik hoe lang rond de wagen gehangen en ook nog wat gegeten. En volgens een recent Duits camperboekje dat we bij ons hebben, is het een vrij terrein, dat zij zelfs met waypoint aangeven om vrij te kamperen.

Wij betalen niets en rijden weg. De jongen schreeuwt nog dat we de volgende keer er helemaal niet meer op komen en dat we het zo verpesten voor andere toeristen. Jammer dat je na zo’n leuke middag weer weg moet rijden met een wrang gevoel. En als dat stukje echt van zijn vader is, dan zou ie het een klein beetje moeten fatsoeneren, een bordje aan de straat en een redelijk tarief vragen. In de winter komt half gepensioneerd Frankrijk en Duitsland hier met de camper. Als ie het goed aanpakt kan hij daar best veel geld aan verdienen, maar zo niet. We proberen hem dat nog uit te leggen, maar hij wil het niet horen.

Wij rijden verder naar Sidi Ifni. Een geinig plaatsje. We slenteren wat en eten ons kostje bij verschillende eetstalletjes. Het valt ons op dat hier weer meer toeristen rondhangen. En zo bijzonder is het hier nu ook weer niet. Bij de haven zoeken we een wat hoger gelegen overnachtingsplekje op met uitzicht over zee en de haven. Om 7:00 uur ’s morgens vertrekken de vissersbootjes. Tegen 9:00 uur komt er een enorm dichte mistbank opzetten waardoor je de hele haven niet meer ziet.

Op pad maar weer, richting Tan Tan Plage. De politie in West-Sahara wordt wat vervelender. In Marokko waren ze erg vriendelijk, en hoefden we bij de vele controlepunten nergens te stoppen. Hier houden ze juist ons aan, en laten de locals door. Ze willen al onze gegevens, soms tot en met de namen van onze ouders en hun beroep aan toe. Hiervoor hebben we zgn. fiches voorbereid. A4-tjes met daarop al deze gegevens (niet die van onze ouders, wat een kolder!), en de gegevens van de auto. Maar helaas, die liggen nog in het woongedeelte. Dus bij de eerst posten duurt het lang. De politie wil graag even laten merken dat ze de baas zijn, en komen vaak nors over. Zo beginnen ze te kafferen als je niet bij het “Halt – Politie” bord stopt, maar bij de plek waar de agent staat. Stop je bij zo’n stopbord, dan hebben ze je al lang gezien, maar laten ze je bewust even staan, en dan pas wuiven dat je op mag rijden om voor hun neus te stoppen. Zielig gedoe.


Onderweg in Guelmim nog even naar de "markt"

Op een gegeven moment rijden we door een flauwe bocht. In de bocht staat een snelheidsbord waarvan de het getal onleesbaar is geworden door een spuitbus. Net na de bocht staat een vrachtwagen aan de linker kant, staande gehouden door de politie. Anders dan in Nederland staat de politie natuurlijk niet aan de rechterkant, maar aan de linkerkant van de vrachtwagen. Lekker gevaarlijk op de weg dus. Hij ziet ons aankomen, en doet ook nog eens een stap achteruit. Wij moeten dus remmen tot stilstand, anders had hij echt een platte pet. Gelukkig reden we rustig en konden we het makkelijk redden. Oom agent gaat aardig uit zijn dak. We reden volgens hem veel te hard. We zien andere agenten met een lasergun de andere kant op richten, op ons tegemoet komend verkeer.

We zeggen dat het bord in de bocht onleesbaar is, maar dat we zeker niet te hard reden, en dat hij niet zo gevaarlijk moet doen. Hij houdt vol dat wij onverantwoord hard reden en wil ons maar wat graag op de bon slingeren. Jan vraagt hoe veel te hard wij dan wel niet gereden hebben, wetende dat ze ons toch niet gemeten hebben. Omdat we de hele weg blokkeren sommeert de agent boos dat we snel doormoeten rijden. Dat doen we dus ook maar “snel”.

We spreken af dat we hoe dan ook niet gaan betalen als ze ons voor zoiets onbenulligs een bekeuring willen geven, maar dat we wel zelf goed op de hoede moeten zijn dat we geen overtredingen maken. We hebben dit amper gezegd of we rijden een rotonde op. Een grote overzichtelijke rotonde, met heel af en toe een auto. Op de rotonde staat een stopbord, wat idioot. We rollen heel langzaam het stopbord voorbij, zodat we nog net in de 2e versnelling weer door kunnen trekken, en we niet helemaal vanaf één hoeven te beginnen. We kunnen immers kilometers kijken of er ander verkeer aan komt. Fout dus. Net na de rotonde staat politie, en we moeten stoppen. Bewust laat Jan de wagen maar weer midden op de weg staan. De agent vraag naar rijbewijs en paspoort. Jan geeft een kopie, maar hij wordt boos en wil het origineel. Ok, het origineel. De agent loopt er mee naar de andere kant van de straat naar de politieauto en het groepje agenten. Wij wachten. Dan moet Jan meekomen. De agent zegt dat we niet gestopt hebben voor het stopbord. Ja, dat kennen we van Duitsland nog wel, daar zijn ze er ook zo streng op. Maar daar staat zo’n bord ook op een plek waar het nodig is. Jan zegt dat het een overzichtelijk geheel is, hij niemand in gevaar bracht, en het beter voor het milieu is om de auto dan door te laten rollen. Daar hebben ze natuurlijk geen boodschap aan. Stoppen is stoppen. Jan zegt dat het bord in het Arabisch is, en dat ie het niet kan lezen. Niets mee te maken, het is een internationaal bord, de vorm moet je kennen, ongeacht de Arabische tekst. Dan geven we aan dat het bord misplaatst is. Daar zou hooguit een driehoekig waarschuwingsbord moeten staan. Weer niets mee te maken.

Ze houden Jan een bonnenboek ter grootte van een A4 voor, met voorop 700 dirham geschreven. 70 is getypt, de laatste nul is er met de hand bijgeschreven. Ze sommeren Jan een handtekening te zetten, en dan vullen zij de rest wel even in. Jan zegt dat ie niets tekent en ook niets betaalt. Hij legt de agent nog even uit dat een gerespecteerd agent die zijn beroep goed uitoefent voor zo’n vergrijp hooguit een waarschuwing geeft, en zich dan afvraagt of het bord wel klopt. Hierop wordt oom agent erg boos. Maakt ons de pis niet lauw. We hebben meer tijd dan geld, en gaan dus gewoon rustig op het stoepje zitten nietsdoen. De agenten zeiken en zeuren nog wat, maar wij kunnen ineens verrassend weinig Frans.

Ze laten telkens als er aan auto aankomt aan ons zien dat ie stopt. Wij zeggen dat ze dat doen omdat ze weten dat de politie er staat. Er houdt zich in dit land immers niemand aan een verkeersregel. Dan komt er een auto die stopt bij het bord. Van rechts komt er een bus. Vlak voor de bus trekt de auto op, waardoor de bus moet remmen. Kijk, zegt de agent, wat goed, hij heeft gestopt. Jan zegt dat ie die vent onmiddellijk van de weg moet halen omdat ie een gevaarlijke situatie veroorzaakt. Maar met het verkeersinzicht van een bakbanaan vind die agent het een goede actie.

Lokaal transportje...

Dan komt de dikke boze agent weer en sommeert ons de vrachtwagen aan de kant te zetten, hij staat in de weg. Jan zegt dat hij zonder rijbewijs niet mag rijden. Ja, ja, als jullie lullig doen kunnen wij het ook. De agent wordt weer boos en zegt dat we eerst moeten betalen voor Jan het rijbewijs terug krijgt. Dan blijf de auto dus zo staan, zegt Jan, en gaat weer zitten. Een aantal euro’s willen we best betalen, we hebben immers niet gestopt. Maar 700 dirham is zo’n 63,- euro. Een weekloon voor hier. Na nog even in het zonnetje gerelaxed te hebben, met een knorrige agent achter ons, en verbaasde collega’s er omheen, komt er vanachter de politieauto een agent naar ons toe en brabbelde wat in gebroken Engels. Hij reikt ons onopvallend het paspoort en het rijbewijs aan, en zegt dat we kunnen gaan. Verbaasd kijken we hem aan, bedanken hem, lopen naar de Daf en met een flinke walm zijn we snel aan de horizon verdwenen. Ongelofelijk.

Maar het heeft geholpen. We hebben geen zin in dit gezeik, en houden ons nu erg strak aan de regels. Stoppen heel lullig bij stopborden, ook al is het in het midden van de woestijn. Wel wat beters te doen dan bij ongeschoolde agenten op de stoep te zitten. Volgens ons hebben ze bij de Marokkaanse politie de grootste klootzakken promotie naar het afgelegen West-Sahara laten maken, net zoals ze dat in Rusland destijds naar Siberië deden. En van die leegte (ook in hun hoofd) van de woestijn en de hitte worden ze er niet vrolijker op. We rijden voorbij Tan Tan Plage, tot we geen huizen meer zien en parkeren voor de nacht vlak langs zee. Het is er erg vochtig en er staat veel wind.


Aangespoelde walvisbotten

ZATERDAG 8 OKTOBER 2011, Tan Tan Plage
Het is een mooi plekje, en dan weet je het wel, we blijven weer hangen. Jan doet wat klusjes, Mariska ook. Ze heeft ergens onderweg 5kg zak volkorenmeel gekocht om zelf brood te bakken. Dat is handig als we weer eens een paar dagen buiten de bewoonde wereld staan. In het meel blijken wat kevertjes te zitten, dus het moet gezeefd worden, Het kan niet terug in die papieren zak, want misschien zitten daar nog meer eitjes of larven in. Dan maar in lege colaflessen. Best veel werk met een klein zeefje. De komende avonden zegt Mariska telkens dat ze nog even wat meel moet zeven, wat klinkt alsof ze mail moet saven.

We struinen nog wat het strand af. Best interessant. Er is blijkbaar enige tijd geleden een grote walvis aangespoeld, waarschijnlijk een bultrug. Overal liggen de enorme botten. Alleen de onderkaken zijn al ruim 3 meter lang. Een ruggenwervel is 1,5 meter hoog. Imposant hoor. En Mariska wil de enorme tussenwervelschijven maar wat graag als pannenonderzetter gebruiken. Ook zitten er in alle poeltjes tussen de rotsen op het strand allerlei vreemde beestjes. Krabbetjes, slakken, anemonen, etc.

Rond de auto hebben we weer een zwerfhond. Het is een mooi beestje. Erg bang, maar als je tegen haar praat piept ze het uit en kwispelt ze als een gek. We voeren haar wat met lauw water aangemaakte hondenbrokken, die ze snel opschrokt. Ze komt na een tijdje wel erg dichtbij, maar voor aanraken is ze te bang. Ze slaapt onder de auto. ‘s Morgens horen we de hond erg vroeg nog even blaffen, en dan is ze voor lange tijd weg. Na enkele uren komt ze terug met een kopie, maar dan wat donkerder, en iets magerder. Het is vast een zusje, zo groot is de gelijkenis. Ze drinken veel water en we geven ze beide een flinke portie aangemaakte hondenbrokken. We hopen niet dat ze haar zusje heeft opgehaald omdat hier ineens zoveel voer te krijgen is, want wij willen nu juist vertrekken. Dat vertrekken met zulke lieve trouwe beestjes om de deur gaat je aan het hart. Altijd is het een strijd. Moet je ze niet voeren en maar laten creperen als je op je af komen, zodat ze weer verder schooieren, of geef je ze voor die paar dagen in ieder geval nog goed te eten, maar wek je valse hoop?

 

We rijden door naar Layoune en doen daar wat inkopen. Dan verder naar Layoune Port om een overnachtingsplek te zoeken. We vinden een mooi plekje in een zandafgraving, waar we door de hoge bulten niet van veraf zichtbaar zijn. We worden al gauw door twee wachters gesommeerd de plek te verlaten. We mogen bij de toegangsweg naar het terrein blijven staan.

De omgeving hier is saai en veelal vlak. Je rijdt grote afstanden over lange rechte wegen. Wel je aandacht er bij houdend, want soms is het asfalt aan de zijkanten afgebrokkeld, of kom je vrachtauto’s tegemoet, zo scheef dat ze meer dan één weghelft nodig hebben. De vlakke kustlijn steekt hoog boven zee uit. Her en der zie je vissers langs de kant. Die moeten soms hun gevangen visje zo’n honderd meter omhoog takelen langs de rots. Ook het uitwerpen kan niet makkelijk zijn, honderd meter naar beneden, tegen de wind in.

We stoppen nog bij een zgn. blowhole. Een gat onder in de rotsen waar de zee inslaat. De opgesloten lucht komt met een zware dreun weer vrij. Eén van die blowholes is aan de bovenzijde ingestort, en heeft zo een groot rond gat geslagen in de kustlijn, wat nu in open verbinding staat met zee. De oceaan is behoorlijk ruw en klapt hard tegen de rotsen en het dreunt uit de blowholes. Wat moet het hier machtig zijn als het stormt.

Onderweg ook weer behoorlijk wat politieposten, waar ze weer van alles van je willen weten. Dat levert veel domme gesprekken op. Van het rijden worden wij ook wat melig, en het is moeilijk om serieus te blijven bij domme vragen. Meest gestelde vraag op 1 lange rechte weg van 1000km door de woestijn is, waar kom je vandaan, en waar ga je naar toe. Tsja, waar lijkt het op? Ik kom daar vandaan, en ik ga daar naar toe. Een ander vraagt optimistisch: “Do you speak Deutschland?” “Ja, we speak Deutschland!” antwoorden we blij. De beambte knikt en gaat vrolijk verder in het Frans. Weer een ander vraagt wat we vervoeren. We zeggen dat we geen commercieel voertuig zijn, maar een recreatievoertuig, een camper. “Ja, maar wat vervoeren jullie?”. Nogmaals zeggen we dat het een “campingcar” is. Geïrriteerd zegt de beambte dat hij wel kan zien dat het een “campingcar” is, maar wat vervoeren we? Zucht.... we vervoeren en tafel, een bank, een peper- en zoutstel, een... “Ok, ok, rij maar door!” 

Het is maar goed dat we niet in de zandgroeve zijn blijven staan. Er verzamelen zich ’s morgens vroeg al behoorlijk wat vrachtwagens, het is een flinke drukte. Hier wordt dus nog echt gewerkt. We vertrekken richting Dakhla. Eerst is het landschap helemaal vlak, zand met lage bosjes. Daarna is het heuvel- en rotsachtig. Best mooi. Na de nodige politieposten rijden we het schiereiland van Dakhla op. De natuur is hier erg mooi. Je rijdt van het rotsplateau (+/- 160m hoog) naar zeeniveau langs de baai en aan de overkant ga je weer omhoog. In de baai zijn een stuk of 50 kitesurfers in de weer. We zien drie campers staan op een grote parkeerplaats achter een rots aan de baai. Het is een mooi plekje en we mogen hier gratis staan. Wel waait het er hard en het zand dwarrelt vrolijk in het rond.

De volgende ochtend praten we eerst met onze Spaanse buurman Inyaki. Hij staat met zijn VW T3 Westfalia camper vooraan het water. Hij reist alleen en had eigenlijk naar Mauritanië gewild, maar wist niet dat je tegenwoordig het visum niet meer aan de grens kunt krijgen. En Rabat is erg ver terug.

We zijn net een beetje uitgepraat en willen naar Dakhla rijden, als er een geel VW T2 busje de parkeerplaats op komt rijden. Het zijn Gerard, Marlous en Bronco, van www.rondjeafrika.nl.

We hadden elkaar in Enschede vlak voor hun vertrek al eens gesproken, ze woonden toen op Twekkelerveld, waar Jan ook lang gewoond heeft. Ze hebben met hun oldtimer bus een geweldige reis door Afrika in tegengestelde richting als ons gemaakt. We hebben hun hele reisverslag gevolgd, tot zo’n twee maand terug. We wisten dus niet waar ze zouden zitten, en zo bij toeval tref je elkaar. Erg leuk. En natuurlijk voor ons erg interessant vanwege de tips en trucs voor de landen die wij nog voor de boeg hebben. Zij gaan ook op de parkeerplaats staan en we spreken af ’s avonds bij te kletsen. Eerst Dakhla in.

Dakhla stelt niet zoveel voor, maar we hebben en aantal dingen die geregeld moeten worden. Zo werkt ons horgaas voor de deur niet optimaal. En dit moet wel in orde voor we malariagebied ingaan. Omdat we, na al dat geklets, laat in Dakhla zijn, zitten de meeste zaakjes vanwege de lange middagpauze dicht. We slenteren dus eerst wat rond. Bij een zeilmakerij laten we klittenband aan ons horgaas naaien. Het lastige is om vooraf uit te leggen wat er precies moet gebeuren, dus een vaste prijs afspreken lukt dan niet. Dat wordt dus een verassing. We leggen telkens stapje voor stapje uit wat de man achter de naaimachine moet doen. Hij heeft geen benul wat ie aan het maken is. Ze zijn wel erg vriendelijk in het kleine zaakje, en laten ons ondertussen zien wat ze zoal maken. Ook komt er één vol trots met een dvd aan met daarop film van de hadj in Mekka. Misschien wil hij uitleggen dat hij daar geweest is.

Als onze hor na zo’n 30 minuten werk klaar is, willen ze er 150,- dirham voor hebben. Dat is hier een royaal dagloon. De stof en de klittenband hadden we immers zelf meegenomen. De man legt uit dat onze stof wel erg dun is en hem dat veel concentratie vergde. Ja, ja, maar een half uur is een half uur. Na een kleine discussie komen we op 60,- dirham uit, wat nog veel te fors is, maar goed. Ook al hebben we de maten goed doorgegeven, zelfs op papier, klopt het van geen kanten. De 1cm zoom heeft hij uit de losse hand omgekruld en vastgenaaid, waardoor het horgaas zowel in de breedte als de lengte te kort is. En de linker helft is anders van lengte dan de rechter helft. Wat een gepruts.

We eten nog wat bij een cafetaria-achtig tentje. Alle restaurants gaan pas later open, en we willen niet te laat terug zijn om nog even met Gerard en Marlous bij te kunnen praten. We kopen wat frisrank en een paar gebakjes voor vanavond en gaan terug naar de auto. Daar aangekomen staan er twee man van de “Securité National”, een soort beveiligers, voor de Daf. Ze hebben problemen met de landkaart-sticker die we op de zijkant hebben. Daarop staat er een grens getekend tussen Marokko en West-Sahara. Volgens hen is West-Sahara onderdeel van Marokko, en moet de lijn, of de sticker er af. Feitelijk is West-Sahara geannexeerd gebied door Marokko, en jaren geleden is er een referendum beloofd aan de mensen die er wonen, of ze bij Marokko willen horen, of zelfstandig verder willen. Dat referendum is er tot nu toe nog nooit gekomen en intussen gaat Marokko in hoog tempo door met het bouwen van veelal onzinnige projecten, zoals woonwijken waar niemand woont. Ze proberen Marokkanen te lokken met werk en belastingvoordelen. Ondertussen strijdt de Polisario voor onafhankelijkheid van West-Sahara, zij het op een lager pitje dan jaren geleden. Ook één van de redenen dat het er wemelt van de politie, en elke zoveel km er een politiecontrole is. Die controles stellen niets voor, en het lijkt er op dat ze het verschil tussen terroristen en toeristen niet goed weten. Toeristen worden behoorlijk lastig gevallen met veel onzinnigheid.

Maar goed, we staan dus met die “nep-agenten” voor de auto. Wij hebben geen zin aan een politiek verhaal, en leggen uit dat ze het niet zo zwaar moeten opvatten, en dat het gewoon een oude print van het internet is. Zij hebben wel zin in een politiek verhaal en zeggen dat we Dakhla niet uitkomen met die sticker op de zijkant. Eén van de “agenten” zegt stoer dat hij politie is en laat zijn pistool zien. Nou stoer hoor, maar dan heb je het vast te druk voor ons. We stappen in en rijden gewoon weg. Bij de volgende politiepost waar je de stad verlaat moeten we weer stoppen. Het is inmiddels donker geworden. Met een zaklamp lopen ze rond de auto. Hebben ze een telefoontje gehad van die wanna-be agenten? Het gaat goed, na het inzien van de paspoorten mogen we verder. We tanken nog even vol. Diesel kost hier omgerekend zo’n 45 eurocent per liter. Straks in Mauritanië het dubbele. Terwijl we staan te tanken komt er een stevige Unimog aanrijden. Het is één van de twee Unimogs die we ’s morgens ook al hebben zien rijden. Het zijn Oostenrijkers, en ook zij gaan Mauritanië in, en willen de piste langs de spoorlijn volgen. We spreken los/vast af dat we elkaar misschien dan nog treffen in Nouadhibou, om samen die route te rijden. Er gaan onder reizigers verschillende wilde verhalen rond over de moeilijkheid van deze piste. En dat in combinatie met de aanhoudende terreurdreiging gericht op toeristen in dit land, is het misschien beter om samen te rijden.

Het is al ruim 20:00 uur als we de parkeerplaats oprijden. We zetten de auto naast de inmiddels beroemde gele bus neer. Samen met Gerard, Marlous en Inyaki de Spanjaard zitten we vanwege de harde wind bij ons binnen. Het is gezellig en voor ons doen laat als we gaan slapen. De volgende dag knoeien we wat met onze computer, om bestanden met Gerard en Marlous te kunnen uitwisselen, o.a. waypoints en verschillende Garmin kaarten. Dan nog even het schiereilandje verkennen en kijken hoe Gerard en Inyaki kite-surfles krijgen. Gerard heeft het vaker gedaan, maar wil even opfrissen. Inyaki moet het van begin af leren.

’s Avonds drinken we bij Gerard en Marlous voor de deur koffie en whisky. Ze vertellen net hun avonturen over de 20cm grote “muis”, en hoe blij ze zijn dat ze hem eindelijk hebben gevangen. Op dat moment ziet Mariska in een flits een muis lopen in hun bus. Ze durft het eerst niet te vertellen. Marlous en Gerard worden er vast niet vrolijker van, en ze vreest voor het leven van de muis. Gelukkig vertelt ze het toch, en direct na de melding worden er allerlei luchtinlaten dichtgetaped en vallen gezet. Je ziet dat er professionele muizenjagers aan het werk zijn. De volgende morgen laat Gerard trots een val met een dode muis zien.

We wisselen weer wat gegevens en ruilen van internet-dongel. Zij de onze van Marokko, wij de simlockvrije van hun, voor de rest van Afrika. Nog even weer kijken hoe het Gerard en Inyaki met kitesurfen vergaat. Eindelijk mag Gerard de plank op. Tot nu toe had hij alleen nog maar in het water staan te vliegeren. Even later volgt ook Inyaki. ’s Avonds drinken we nog wat bij ons. Gerard en Marlous hebben popcorn gebakken en we kijken samen een dvd-tje, Goodbye Bafana, over het leven van Nelson Mandela op Robbeneiland, gezien vanuit het oogpunt van één van zijn bewakers. Interessante film en weer een gezellige avond. Behalve voor herdershond Bronco dan, die moet buiten blijven.

De weg richting Dakhla

VRIJDAG 14 OKTOBER 2011, laatste dag Marokko
We gaan verder en nemen ’s morgens afscheid van Inyaki, Marlous, Gerard en Bronco. Tegen 10:30 uur rijden we richting zuiden. We komen langs drie politieposten, maar hoeven dit keer niet te stoppen. We passeren nog een tankstation en persen er van onze laatste dirhams nog wat diesel bij in, zo mutje vol dat de dop er zonder soppen niet oppast. We willen vandaag niet al de grens over, maar doen dat gedoe liever ’s morgens vroeg met een frisse kop. Zo’n 60 kilometer voor de grens vinden we een mooi plekje uit het zicht van de weg, achter een rotsrichel, aan de voet van een hagelwit zandduin. Wel op het paadje blijven, want de roestige bordjes her en der proberen ons te vertellen dat het een mijnengebied betreft.

Dat heeft ook zo z’n voordelen. Er is geen aanloop van mensen en de natuur in het gebied wordt lekker met rust gelaten. We genieten van het uitzicht en de rust. Als de zon onder gaat, kleurt het de witte duinen helemaal roze, een prachtig gezicht, bijna nep. ’s Avonds is er een prachtige sterrenhemel. De melkweg is duidelijk zichtbaar. Een mooi afscheid van Marokko. Met weemoed denken we terug aan de afgelopen maanden hier. We hebben genoten van het land. Schitterende natuur, aardige mensen, lekkere temperatuur en veiligheid. Wel misten we wilde dieren. Uiteraard zijn we op de hoogte dat er in dit deel van Afrika geen giraffen ed. leven, maar bijvoorbeeld grote roofvogels zijn zeldzaam te zien. Terwijl je ’s morgens in de file op de A1 in Nederland toch altijd wel ergens een buizerd op een paaltje ziet zitten. Ook herten en wilde zwijnen krijg je zelden te zien. Volgens ons is er erg veel gejaagd op deze dieren. De zwijnen maken ze wel dood, maar laten ze vaak gewoon liggen, als goed moslim zijnde. Ze zijn er erg trots op, verschillende knapen hebben ons foto’s op hun mobieltje laten zien van geschoten wilde zwijnen. Zonde! Van roofvogels roken ze de vleugelpennen, daar schijnen ze high van te worden. Je ziet de vleugels dan ook wel eens op marktjes liggen. Ook dat slaan we liever over.

De ondergaande zon geeft de duinen een mooie kleur

ZATERDAG 15 OKTOBER 2011, grens Mauritanië
Aan de Marokkaanse kant vraagt een beambte ons op te splitsen. Mariska moet zich met de paspoorten melden bij een hokje, Jan moet met de Daf door een röntgenscanner. Ja werkelijk, de hele vrachtwagen wordt met een groot röntgenapparaat gescand. We snappen het belang er niet van. Waarom zou je auto’s scannen die je land uitgaan? We zouden ze liever scannen als ze het land inkomen, maar dat deden ze bij ons niet. We houden niet zo van het opsplitsen, maar orders zijn orders. Toch zijn de andere beambten er ook niet blij mee. De man in het hokje is boos dat Jan er niet persoonlijk bij is en Mariska krijgt zijn paspoort niet mee terug. Dat moet Jan zelf ophalen. Jan treft chagrijnige beambten omdat alle papieren van de Daf bij Mariska in de tas zitten.

We vrezen voor een beetje gezeik over de motor. We hebben hem in Tanger, toen we het land inkwamen vergeten aan te melden, dus is hij illegaal in het land. Op de röntgen zouden ze hem moeten zien en kunnen ze dus moeilijk gaan doen. We horen echter niets, alles is goed.

 
Waarschijnlijk hebben al die kantoortjes onderling ook geen verbinding. We zien nergens computers staan. Men ziet dus misschien wel een motor hangen, maar kan niet zien of daar iets mee mis is. En omdat de kantoortjes zo maar een paar honderd meter uit elkaar staan, is even navragen wel veel werk. Bovendien “helpen” ze iedereen door elkaar. Lang leve de ongeordendheid. Dan wil er nog een agent in onze auto kijken. Jan opent de deur, maar zet geen trap neer. Dat is hoog. Jan springt er in en reikt een hand aan. De dikke agent doet een poging maar het lukt niet. Doe de deur maar weer dicht, alles ok. Wel wordt er nog even gezeurd of we een kado voor hem hebben. Nee, geen kado, we zijn Sinterklaas niet. Maar hoe zeg je dat in het Frans: Je ne suis pas Saint Nicolas?

Er wordt meerdere malen gevraagd of we ook drank aan boord hebben. In Mauritanië is dit verboden. Het zou normaal gesproken een Marokkaans beambte worst zijn of we er mee de grens overgaan, maar natuurlijk worden we meerdere keren gevraagd of we drank bij ons hebben, zodat zij het kunnen opstrijken. Jan zegt dan ook duidelijk “non, je suis desolet” (nee, het spijt me) om duidelijk te maken dat we wel snappen waarom ze het vragen. Zonder iets te betalen mogen we 50 meter verder rijden, passen en papieren laten controleren. Cadeau? Zucht... Non, au revoir!

Mijnenveld, zo klaar als een klontje, toch?

Weer 50 meter verder voor laatste controle. Na weer zinloos om een kado te hebben gevraagd gaat de slagboom omhoog, we zijn Marokko uit. We rijden door een poort in een hoge stenen muur, “het paradijs” in...   De asfaltweg houdt direct op. Geen van beide landen wil betalen voor 3 kilometer asfalt in niemandsland. Het is net of we de afvalstort oprijden. Links en rechts autowrakken, stapels oude kopieermachines, printers, koelkasten etc. Wat een zooi!

Mauritanië