Marokko deel 2

 

ZONDAG 26 JUNI 2011, Tanger
Nadat we pa en ma op de boot hebben gezet zijn wij terug naar Tanger gereden en hebben bij de McDonalds gegeten en bij de Marjane supermarkt wat groente gekocht. We zijn net terug bij de vrachtwagen als er een Renault Berlingootje stopt met twee Marokkaanse mannen er in. De ene, Majid genaamd, heeft een lange tijd in Nederland gewoond en spreekt dus ook erg goed Nederlands. Ze zijn erg vriendelijk, en na wat over en weer gepraat te hebben vraagt Majid of we zin hebben om met hen mee te gaan, zodat ze ons wat mooie plekjes van Tanger kunnen laten zien. We vertrouwen het wel en stappen bij ze in de auto. Onze auto staat wel veilig op de grote parkeerplaats voor de McDonalds en de Marjane. We rijden iets buiten Tanger langs de Atlantische kust. Als Majid een paar keer een telefoongesprek voert in het Arabisch, zijn we nog even wantrouwend of we toch niet op deze manier bij onze auto vandaan gelokt zijn zodat anderen hun gang kunnen gaan. We rijden langs een mooie rotsachtige kust met kleine strandjes ertussen. Overal dikke luxe villa’s van de rijken der aarde die hier een optrekje hebben. Ook de koning heeft hier één van zijn vele paleizen met een enorme lap grond erom. Alles continu bewaakt door militairen. Terwijl hij er misschien maar enkele dagen per jaar is. Majid verteld ons veel van de omgeving en het wel en wee in Tanger en de rest van Marokko.

We stoppen bij een mooi vuurtorentje dat op de scheiding staat van de Atlantische Oceaan en de Straat van Gibraltar. Aan de overkant zien we Spanje liggen. We denken aan Karel en Elleke, zouden ze al over zijn? Later die avond kregen we nog een sms-je van ze pas om 19:00 uur, met lege maag, in Algeciras waren aangekomen, en dat daar ook nog alle winkels dicht waren. Ze zijn nog tot Torremolinos doorgereden die avond.


Super restaurant in Tanger, schoon en vriendelijk personeel

Majid vertelt ons dat hij voor zijn broer werkt. Zijn broer heeft ook lange tijd in Nederland gewoond en gestudeerd, en is, een aantal jaren eerder dan Majid, teruggegaan naar Tanger. Daar heeft hij een waar imperium opgebouwd. Zo is het viersterrenhotel Cesars, één van de grootste hotels van Tanger, van hem, en heeft hij een luxe restaurant aan de boulevard. Ook bouwt hij in de heuvels aan de rand van Tanger een aantal luxe villa’s met uitzicht op zee. Daar heeft hij waakhonden lopen die Majid gaat voeren met overgebleven resten van het restaurant. We rijden dus eerst naar het restaurant. De boulevard is verboden voor auto’s maar Majid rijdt er zo op en parkeert pontificaal voor het restaurant. We hebben zo’n restaurant nog niet gezien in Marokko. Het is groot, met twee verdiepingen en zeer sfeervol en warm ingericht. Het is een volledig biologisch restaurant, alle producten zijn direct van de boeren afkomstig. En die sfeer hebben ze ook meegegeven aan de inrichting. Hooibalen, oude landwerktuigen, houten gebinten, schitterend.

De keuken is een mooie, grote, nette, open keuken. De kok is een Marokkaan die jaren in Duitsland heeft gewerkt en zijn opleiding bij Mövenpick heeft gedaan. Hij is zeer vriendelijk en laat ons het hele restaurant zien. Ook krijgen we een lekker gerecht te eten.

Jammer dat we dit niet wisten, anders hadden we hier mooi met Karel en Elleke de laatste avond kunnen eten. Dat had Karel vast wel aangedurfd.Nadat we van de kok allebei een fles bronwater en wat vers fruit meekregen namen we afscheid. De honden moeten immers nog gevoerd worden. Dit is aan de andere kant van de stad. Als we door de stad rijden zien we dat de welvaart er hier goed inzit. Luxe winkels en dikke auto’s, tot Lamborghini’s aan toe. Wat een verschil hier tussen arm en rijk. Er lijkt maar weinig middenklasse tussen te zitten, maar men zegt dat toch ook deze groep groeiende is in Marokko.

De villa’s in aanbouw liggen ook op een mooie locatie, met uitzicht over de stad en de zee. De huizen worden degelijk gebouwd in Europese stijl. Marmeren vloeren uit Italië, dikke aluminium kozijnen met driedubbel glas. Zou dat nodig zijn hier, vragen we ons af. Op deze plek is één veel te lieve herdershond aanwezig, die gulzig schrokt van het lekkere spul uit het restaurant. Zijn maatje is gestolen toen het nog een puppy was. Zielig, maar ook een blamage als je waakhond wordt gestolen. Op ander locaties is de broer van Majid ook aan het bouwen, en er schijnen in totaal zo’n twintig waakhonden te zijn die gevoerd moeten worden. Het is inmiddels al donker geworden en voor de andere honden worden gevoerd worden wij eerst weer bij de Daf afgezet. Deze staat er gelukkig nog ongedeerd bij.  

We besluiten een eindje de ringweg op te rijden waar we een Daf-garage hebben gezien. De versnellingbak lekt nog iets bij de keerring van de uitgaande as, en dit willen we graag goed hebben. De keerring hebben we bij ons, en Jan zou het klusje zelf kunnen doen, maar als het niet teveel kost bij een officiële Daf-garage, hebben we dat net zo lief. Het is tenslotte nog vakantie. We parkeren de Daf pal voor de grote verlichte glazen showroom. Naast Daf verkopen ze hier ook Opels en Isuzu’s. De garage is natuurlijk al lang gesloten. Jan praat even met de nachtwaker, en die vind het allemaal wel ok. Binnen zit nog iemand achter een bureau die goed Engels kan. Jan legt uit wat de bedoeling is. De man kijkt onder de auto, die goed verlicht is door de showroom, en zegt dat het morgen wel in orde komt. We slapen prima met de privé-bewaking voor de deur.

We zijn amper wakker als er op de deur geklopt wordt dat we aan de beurt zijn. Gauw een boterham naar binnenschrokken, en uitleggen wat de bedoeling is. Helaas is de goed Engels sprekende man er niet meer. Gewapend met de boeken met tekeningen van de versnellingsbak en de keerring, met bijbehorende typenummers maakt Jan duidelijk wat ie wil. Ze snappen het vlot. Het liefst willen we niet onze eigen keerring gebruiken maar één uit hun magazijn, zodat we de onze voor nood op reserve houden. Omdat onze Daf ook in Afrika al een stuk antiek blijkt te zijn, kunnen ze de keerring nergens in het computersysteem vinden. Als Jan voorstelt om aan de hand van onze keerring, met Daf code en al, in de schappen te kijken, is dit, net zoals zovaak in Nederland, te omslachtig. Het moet via de computer duidelijk worden, anders lukt het niet. Zoals zo vaak verlangen we weer even naar het tijdperk voor de computer, toen een magazijnchef nog wist hoe een bepaald onderdeel er in werkelijkheid uitziet en waar het voor dient. Ook op de vraag om met ZF te bellen, de fabrikant van de versnellingsbak, voor meer duidelijkheid, kan niet worden ingegaan. We besluiten om onze keerring maar te gebruiken, anders komt het vandaag nooit goed. We zoeken dan zelf wel een nieuwe op, ergens in Rabat of Casablanca.

Uiteraard vragen we even wat het zo ongeveer gaat kosten. Ze denken drie uur nodig te zijn, en het uurtarief bedraagt omgerekend 15,- euro. De garage ziet er netjes en professioneel uit, dus snel laten doen, en er niet zelf mee klungelen op een camping. Qua werktijd blijken die drie uur wel te kloppen, maar qua doorlooptijd zijn we toch mooi weer de hele dag onder de pannen. De monteur die onder de auto ligt te sleutelen blijkt erg belangrijk te zijn en ligt dus om de haverklap in zijn mobieltje te lullen. En dan staan de handjes stil.

 

Als de flens van de aandrijfas er af moet blijkt hiervoor een dop 50 nodig te zijn. Terwijl dit toch echt een vrachtwagengarage is hebben ze zo’n maat niet. Wij hebben hem helaas ook niet. In ieder geval goed dus dat we er niet zelf aan begonnen zijn. Aan de overkant is een Scania garage. Jan zegt dat ze hem misschien daar wel kunnen lenen. En wellicht hebben ze ook de juiste keerring wel. Bij hoog en laag beweren ze, ondanks dat Scania een Zweeds merk is, dat Scania niet met metrische maten werkt, maar met inches, dus dat ze daar sowieso geen dop 50 hebben. Lijkt ons erg sterk, maar waarschijnlijk willen ze geen gezichtsverlies bij de concurrent.

Er wordt iemand weggestuurd om de dop te gaan zoeken. Na enige tijd komt hij terug, met dop 48. Toch kijken of ie past. Tsja, je kunt zo’n dop 48 dan wel lekker warm bij je potloodje in je broekzak hebben gehad, maar dan is ie nog niet zover uitgezet dat ie op een moer 50 past. Nu gaat de chef zelf op pad. Het duurt lang, maar hij komt wel terug met een dop 50. Na nog enig gesleutel is de klus geklaard. Wij zijn natuurlijk razend benieuwd wat ze ons in rekening willen brengen. Dit blijkt hel netjes de geschatte drie uur te zijn, plus nog wat kosten aan hypoid-olie, wat hier slechts 2 euro per liter kost. Totaal omgerekend slechts 55,- euro dus. Ons wantrouwen was weer eens geheel misplaatst. En de versnellingbak blijkt nog netjes dicht te zijn ook.

We rijden richting de mooie rotskust met de strandjes iets buiten Tanger, Cap Spartel genaamd. We willen hier een tijdje rond blijven hangen. Een beetje niksen, wat kleine klusjes doen. De Daf heeft er al weer een dikke 10.000km opzitten, dus even e.e.a. nakijken is niet verkeerd. We vinden een mooi plekje. Maar als we al in bed liggen wordt er op de deur geklopt. Twee militairen. Ze willen onze paspoorten zien, en vertellen ons dat we hier niet mogen staan. We hebben absoluut geen zin om nu nog te moeten verkassen. Er staat nog van alles op het aanrecht dat eerst opgeborgen moet worden en we hebben geen zin om in het donker te rijden. Waar zouden we überhaupt dan wel heen moeten? De militairen zeggen dat er verderop een camping is waar we heen kunnen. We leggen uit dat het sanitair op de campings in Marokko belabberd is en dat er vaak veel kabaal is. Daar willen we niet heen. Jan liegt er nog bij dat we voor de avond nog 30 dirham hebben betaald aan een zogenaamd parkeerwachtertje om hier te mogen staan. Nou, we moeten hier helemaal niet betalen om te mogen parkeren of kamperen zeggen de militairen, maar voor deze keer is het dan goed. Oeff, dat scheelt weer. We hebben een heerlijke rustige nacht, met het ruisen van de zee op de achtergrond en 24-uurs militaire bewaking.

 

Cap Spartel, alweer een mooie achtertuin

Voor de volgende nachten zetten we de Daf een paar honderd meter verderop. Ook een heel mooi plekje, waar we vanaf de rotsen met een trapje naar beneden naar het strand kunnen. Overdag liggen er kamelen om de deur, en lopen er wat ezels rond. Af en toe stopt er een toeristenbusje, en mogen de inzittenden een hele ronde van wel 200 meter op de kameel maken. Maar voor onze deur staat ook een militair postje, met rond-de-klok bewaking. Ze controleren of niemand de oversteek naar Spanje maakt. Zullen zij ons vanavond vertellen dat we niet mogen overnachten?

We vermaken ons die dagen prima met luieren, strandwandelingen, zwemmen, klusjes doen. Praten met Nederlandse Marokkanen, Marokkaanse Nederlanders en Marokkaanse Marokkanen. Van de één krijgen we spontaan gebakjes, van de ander bonbons, van weer een ander een “mooie” CD met lokale muziek. Super vriendelijke mensen allemaal. Waarom ze ons van alles geven, snappen we niet. Misschien zien we er al uit als schooiers en denken ze dat we het hard nodig hebben. Tot nu toe waren we in Marokko gewend dat de mensen steeds bij ons komen vragen om van alles en nog wat, maar nu is het echt omgedraaid (maar wij vragen nergens om hoor!).

Water halen we zo’n 100m verderop, waar gebouwd wordt en een slang met kraan ligt waar stadswater uitkomt. De bouwopzichter vindt het prima. Het bevalt ons hier goed en al gauw vliegt een week voorbij. Verder met de motor de omgeving een beetje verkennen, de mooie slingerweggetjes langs de kust rijden. Af en toe bezoeken we Tanger, voor boodschappen en voor een bezoek aan de medina. Van de militairen hebben we gelukkig geen last, we mogen hier overnachten en krijgen er dag en nacht bewaking bij. Wat ook lekker is als we overdag er met de motor op uit zijn.

We komen langs een groot ziekenhuis, ‘L hopital de Mohammed 5. Van de buitenkant ziet het er een beetje shabby uit. Buiten langs de stoep staan een aantal ambulances geparkeerd, allemaal oude afgedankte Nederlandse ambulances, van voorgaande modellen Mercedes. Geheel origineel, een enkele zelfs met het 06-11 hulpnummer, dan weet je de leeftijd wel zo ongeveer. Onze nieuwsgierigheid lokt ons naar binnen. We komen bij een onbemande balie en lopen door. Er hangen prijzen wat verschillende onderzoeken en ingrepen kosten. Bij de kraamafdeling is het een drukte van jewelste. Er is slechts 1 lift, en die mag schijnbaar alleen voor bedden gebruikt worden. We zien mensen zo kreupel als wat de trap op- en afstrompelen. Het trappenhuis is zeer slecht verlicht, en doet ons denken aan de trappenhuizen in de oude flats in de minder goede wijken van Enschede.

Her en der liggen oude kapotte bedden uit de jaren 50. Op de zalen zien we ook erg oude bedden. Midden op de gang zijn een paar mannen van de TD druk in de weer om bedden te herstellen of van drie één te maken. Dit gaat gepaard met veel kabaal van hamers. De matrassen die we zien liggen zijn zelfs te vies om naar te kijken. Rolstoelen zien we niet. De wc’s stinken en een paar zijn verstopt, evenals de wasbak. We dachten dat het sanitair op de campings erg was, maar hier in een ziekenhuis is het nog wel een graadje erger. Kalk komt overal van de muren. Banken in wachtruimtes zijn kapot. Eigenlijk schrikken we er een beetje van. We zijn niet naïef, we weten dat we in Afrika zijn, maar wel in één van de meest ontwikkelde landen. En ook nog in een rijke stad. We hadden dit zo niet verwacht. Die rijke lui zullen allemaal wel naar luxe privé-klinieken gaan. Binnen zag je ook alleen traditioneel geklede mensen, geen westerlingen en geen verwesterde Marokkanen. En dit zijn dan nog de mensen die de tarieven op het lijstje bij de ingang kunnen betalen. Omdat velen niet verzekerd zijn, moet vaak de hele familie geld bij elkaar doen om een behandeling te kunnen betalen. Zij die dit niet redden, liggen buiten op straat.

We worden nogal aangekeken, en omdat we niet rond willen lopen als ramptoeristen verlaten we nogal gauw een keer het pand. Toch zou het niet verkeerd zijn als die toeristen die in de luxe resorts in Marokko zitten dit ook eens te zien krijgen, zodat ze wel weten in wat voor land ze eigenlijk op vakantie zijn. Dat meneer de koning er een luxe jet-set leventje op nahoudt (hij schijnt jaarlijks privé meer te verbrassen dan het hele Britse koningshuis), terwijl de ziekenhuizen gewoon onmenselijk zijn.Maar goed, ook wij gaan weer naar ons eigen kleine luxe resortje, die je dan nog meer weet te waarderen. Daarom besloten we de volgende dag, alvorens verder te rijden, de auto maar eens grondig te wassen. Een paar strandjes verderop hadden we een waterput gezien, waar we met de auto in de buurt konden komen. Hier zagen we enkele dagen geleden mensen hun auto’s wassen en andere mensen zich in afspoelen en weer anderen uit drinken. Lekker dan. Terwijl je er ook vuil, als flessen en zakjes in ziet drijven...

We parkeren de auto zo’n 30 meter van de put af, zodat zeepwater er niet in zou kunnen lopen. Met de ene emmer aan een touw haalt Jan het water omhoog, om het vervolgens in de andere emmer met zeep te gieten. Hierdoor blijft de put vrij van zeep. Het neemt wel veel tijd in beslag. Intussen maakt Mariska het interieur eens grondig schoon. Even later komen er nog twee Marokkanen om hun auto te wassen. Zij zetten de auto natuurlijk pal naast de put, en zijn met een doorgesneden fles aan een touwtje water over de auto’s aan het gieten, dat natuurlijk zo weer de put in stroomt. Jan is al klaar en leent ze de 10 liter emmer even, zodat het in ieder geval wat opschiet. Als de mannen later weg zijn besluit Jan de motor ook nog even een wasbeurt te geven, die hij dan ook maar naast de put parkeert, hetzij in ieder geval 2 meter er vanaf.  De motor druipt nog op de plek na als er een stel aankomt dat vraagt of ze ook even de emmer van Jan mogen gebruiken. Tuurlijk. Ze vullen met het water hun flessen en drinken er vrolijk van. Echt onbegrijpelijk. Voordat je iemand die net zijn stoffige, vettige motor heeft gewassen vraagt om zijn emmer om daaruit te drinken. Denken ze dan nergens bij na? Zijn die mensen overal resistent tegen? En aan water is in deze omgeving geen gebrek. Vele putten en ook stadswater is gewoon aanwezig.

 

MAANDAG 4 JULI 2011, Rifgebergte
Wij besloten om maar eens te verkassen, en door het rifgebergte te rijden. Volgens de reisgidsen (o.a. Lonely Planet) zou het daar in de omgeving waar alle wiet wordt verbouwd gevaarlijk zijn, maar we hebben verschillende mensen uit het rifgebergte gesproken die dit ontkenden. We gaan eerst nog even langs de Marjane om boodschappen te doen en rijden die dag door tot Oued Laou, een onbeduidend plaatsje dat we toevallig passeren. De weg van Tetouan tot Oued Laou is erg slecht. Het rifgebergte is lange tijd genegeerd wat ontwikkeling en infrastructuur betreft, maar daar komt nu verandering in. De erg slechte weg is over een afstand van ruim 50 kilometer er compleet uitgekieperd, wat een grote stoffige gatenbende betekent. De auto voor niets gewassen dus. Ze repareren hier niet telkens  korte stukken, maar donderen gewoon over het hele traject de weg er uit, en vervolgens duurt het eeuwen voor het klaar is.

Oued Laou zijn een paar huizen langs de Middellandse Zee, aan het strand. We rijden het strand af en parkeren een eindje van de huizen af. Een oud kereltje komt eraan en hij zegt dat hij de parkeerwacht is. Hij laat als “bewijs” een button op zijn borst zien. We praten wat en voor een overnachting wil hij 10 dirham. Hij was echter wel op weg naar huis, dus hij bewaakt ’s nachts niet. We geven hem 5 dirham, omdat hij er ’s nachts niet is. Hij neemt het aan en zegt dat het geen probleem is om hier te overnachten. En natuurlijk, als we al in bed liggen melden zich maar liefst drie militairen. We mogen hier niet staan. Nu ongelogen vertellen we dat we voor de nacht betaald hebben aan een oude baas. Niets mee te maken, het mag niet. Overal worden de stranden bewaakt door militairen om te voorkomen dat bootvluchtelingen uit midden en west Afrika de oversteek wagen. De trieste verhalen hierover zal iedereen kennen. Mocht er iets gebeuren met toeristen op het strand, dan zijn de militairen daar verantwoordelijk voor, omdat zij daar de wacht houden. De militairen zijn wel erg aardig en geven aan dat zij er zelf geen problemen mee hebben, maar dat het van hogerhand niet mag. We ouwehoeren nog wat, en vragen waar we dan wel mogen staan. De militairen geven aan achter de eerste woningen, zo’n 100m verderop. Dat doen we dus maar. Een van de militairen geeft zijn telefoonnummer. Mochten er problemen zijn dan even bellen en Ali komt met zijn geweer, poef poef... Bij het huis waar we achter parkeren slaat een klein mormel aan, en hij houdt voorlopig niet meer op met keffen. De mensen kijken wat er aan de hand is, maar na wat uitleg is het ok. Van het oude mannetje vernemen we niets meer, de slimmerik.

Voor de volgende morgen verder rijden willen we nog eerst even de tank ergens vol water zien te krijgen. We rijden het dorpje door en er is een camping. De camping ziet er echt niet uit, maar het gaat ons alleen om water. Jan staat voor de slagboom en de man vraagt wat we willen. Water zegt Jan, en hij wijst naar de prijslijst, waar het zelfs apart op vermeld staat, voor 10 dirham. Het aantal liters staat er niet bij. De man zegt dat water alleen voor gasten is. Nou, dat is vriendelijk. Jan wijst naar de prijslijst en vraagt waarom het er apart op staat, en dat we bereid zijn er gewoon voor te betalen. Niet mogelijk, het is alleen voor gasten. Krijg nou wat. De een is hier zo behulpzaam, en de ander een grote *&^%. De prijs voor 1 overnachting is slechts 20 dirham, dus als we 30 betalen zouden we recht hebben op het water. En dat is slechts 2,70 euro. Maar we vertikken het, dan maar ergens anders water zien te krijgen. Met een duidelijk “c’est ridicule!” verlaten we de oprit. Een voorbijganger vraagt wat het probleem is. We zeggen dat we water willen. Hij zegt dat dit geen probleem is, rij maar achter mij aan. Jan vertrouwt de zogenaamde vriendelijkheid niet en vraagt wat hij er voor moet hebben. Och, slechts 50 dirham. Ben je wel wijs, daar kunnen we een hele nacht voor op de camping staan, incl. water. Jan biedt 10 dirham, maar de man loopt gepikeerd verder.

Wij rijden ook pissed verder. Een eindje verderop is een wasbox. Daar hebben ze ook water. Er staat een Nederlandse auto in de wasbox. Naast de wasbox is iemand met hoge druk drek aan het wegspuiten. Aan die zijde zit ook een gewone waterkraan aan de muur. Jan vraagt de eigenaar van de auto in het Nederlands of hij water kan krijgen. Ok zegt ie, dat moet geen probleem zijn. Jan moet even overleggen met de man die aan het spuiten is. Die reageert nergens op, eerst het werk afmaken (eigenaardig, normaal pakken ze elke gelegenheid om het bijltje erbij neer te gooien). Ondertussen praat Jan wat met de Nederlandse Marokkaan (vanaf nu afgekort met NM, want er komen er nog veel meer). Na een tijdje is de man klaar, en inderdaad kunnen we water krijgen. Hoeveel hebben we ongeveer nodig? Zo’n 50 liter, liegt Jan. Of het nu 50 of 100 of 150 is, hij weet toch niet hoeveel er uit zijn kraan stroomt. Wat dat kost, 50 liter? Och, slechts 40 dirham. 40 dirham voor 50 liter, ben je gek? Dan kan ik net zo goed bronwater in flessen kopen en in de auto gooien, zegt Jan.

We zijn de gekken in dit dorp zat. Als het nou midden in de woestijn zou zijn, waar waterschaarste is. We rijden verder en zien na een poosje een tankstation met een wasbox. We vragen daar om water. Geen probleem, koppel maar aan. Prima. Het duurt even voor de tank vol is. We vragen wat het kost, maar ze willen er niets voor hebben. Zo kan het ook.


Wietplantages alsof het maïsplantages zijn

We rijden over een enorm slechte weg verder. Op sommige stukken is een omleiding gemaakt, die nog erger zijn. We moeten soms zo steil omhoog over gravel dat het alleen lukt in de 1e kruipversnelling. We denken aan Mariska’s pa, die had hier nog gemakkelijk een paar extra sterren in de voorruit kunnen scoren.

Tussen Cherafa en Bab Berret begint kif-country. Wietplantages zover je kunt kijken. Zoals bij ons in Nederland maïs wordt verbouwd, verbouwen ze hier wiet. Onderweg telkens lui die een rookgebaar maken en ons wiet willen verkopen. Moeten we niks van hebben. Een stel in een Golfje haalt ons telkens in, om langs de kant v/d weg te gaan staan en ons te gebaren te stoppen. Hebben we ook geen zin in. Iedereen zwaait (doen ze bijna overal in Marokko) alsof je van het koningshuis bent. Allemaal vriendelijk. Wel veel hanglui hier, alleen mannen.

We zoeken een overnachtingsplek van de drukke weg af, en vinden een plek op een akkertje aan een zandpad, met uitzicht op de wietvelden. Het is een brak zandpad, maar toch is het er druk. Er blijkt een bruiloft verderop te zijn, en het is een komen en gaan van auto’s. Natuurlijk komt er een NM langs die ons e.e.a. kan uitleggen, en ons losjes nog uitnodigd of we ook willen mee feesten. Lijkt ons wel leuk, zo’n Marokkaanse bruiloft, maar het is al laat, we hebben geen cadeau, kennen het bruidspaar zelf niet, en hebben ook geen nette kleren. We slaan dus af.

Er komt nog tot 5x toe een drugverkopertje langs. Vriendelijk, maar wel hardnekkig. Verder hebben we er een rustige nacht, worden door niets of niemand gestoord.

De volgend ochtend lopen we nog even rond tussen de akkers met wiet. Het ziet er allemaal best verzorgd uit, met overal besproeiingsinstallaties. Ook worden er her en der nieuwe huizen gebouwd, en niet van die kleintjes. Het gaat blijkbaar goed met de handel.

We rijden verder en komen die dag tot Cala Iris. We komen nog door de stad Ketama. In Nederland is er een wietsoort dat deze naam draagt, dus best beroemd.

Cala Iris stelt als dorp eigenlijk niets voor, een paar losse huizen en een haventje. Het haventje ziet er erg netjes uit, en het blijkt dat het geheel gefinancierd wordt door Japan. Zelfs de bootjes en de buitenboordmotoren. Daartegenover staat dat alle rode tonijn die er gevangen wordt rechtstreeks ingevroren wordt en naar Japan wordt getransporteerd. Die slimme rakkers.


Even van dichtbij controleren, ja, het is echt wiet...

Cala Iris (we noemen het Kale Iris) ligt aan een hele mooie halfronde baai van de Middellandse Zee met een vogeleilandje ervoor. We gaan op het strand staan met onze neus vooraan. Een schitterend uitzicht. We kunnen alleen op het strand komen via een smal zandpad met kuilen, en dan door een droge rivierbedding. Vooral het begin van het zandpad is kritisch. Er staan aan beide zijden bomen, er zit een slinger in het pad, en door de kuilen helt de auto richting de bomen. Met krap stuurwerk lukt het net.

Op het strand hebben we een paar fantastische dagen. Overdag komen er wat mensen zwemmen, maar het is er aardig rustig. Elke avond is er een schitterende rode zonsondergang over de baai. Het water is heerlijk, met sommige dagen hoge golven.

Van verschillende mensen krijgen we weer spontaan wat aangeboden, waaronder heerlijk gebak. Van een Franse Marokkaan (een FM) krijgen we een mooie grote aluminium zaklamp van Varta, met een sterke ledlamp er in. Die geeft veel meer licht dan onze eigen. Waarom die dat weggeeft is ons een raadsel. Het is midden op de dag en hij weet niet eens van onze belabberde zaklamp. We weigeren eerst nog, maar hij stond er op dat we hem aannamen.

Op een avond blijven er ook een groepje jongens overnachten op het strand, zo onder de blote hemel op een paar matjes. We hebben er nog geen woord mee gewisseld, of één van hen komt spontaan twee kopjes mierzoete koffie brengen. Er zitten ondefinieerbare, kouwbare stukjes in het niet al te schone kopje. Mariska vertrouwd het niet en giet het achter het wiel van de auto. Jan drinkt het braaf op. Jan leeft nog steeds, dus het was weer eens goed bedoeld. Jan brengt de kopjes terug, praat wat met de jongens en geeft ze een rol koekjes.

Overdag zien we overal op het strand grote sprinkhanen rondhoppen. Ze zijn zeker zo’n 8cm groot. Bij iedere pas die je zet springen er wel een stuk of drie weg. En ze zijn gek op onze eindjes van de sla.

We besluiten die avond om ook eens met de nieuwe zaklamp rond te zoeken naar meer beesten hier op het strand. De opbrengst is verbluffend. Op een straal van 100m rond de auto vinden we diverse zandkleurige schorpioenen (naar ons weten zijn die best giftig) redelijke spinnen, een kleine slang, een grappige gerbil (woestijnrat), gekko’s, en nog meer onbekende kruipers. We denken even aan de jongens een eindje verderop op hun matjes. Zouden ze wel weten wat hier allemaal rondstruint?

Ook zien we de grote sprinkhanen van overdag, waarvan enkele eieren aan het leggen zijn in het zand. Met hun spitse achterlijf steken ze een eind in het zand. Het hele lijft pompt op en neer.

We vullen de dagen aan het strand met luieren en kleine klusjes. Jan stelt de kleppen van de Daf en smeert de wagen door. ’s Avonds genieten we van telkens weer een spectaculaire zonsondergang.

Op een morgen wordt er vroeg op de deur geklopt. We sliepen nog. Het is een man in een net pak. Hij brabbelde wat in het Spaans en in het Frans tegen Mariska. Eerst doen we er niet zo veel op uit. We dachten dat de man pech had of zo, maar dan hij mocht wel wat duidelijker zijn. Maar, nadat Jan zich had aangekleed en toch naar de weg was gelopen, bleek het dat wijzelf pech hadden. Ze waren druk bezig een diepe greppel te graven langs de hoofdweg, zodat het pad naar het strand ontoegankelijk werd. We konden er dan niet meer af. Jan overlegt met de man en vraagt of er soms een kabel gelegd wordt of zoiets, zodat de weg over een paar dagen weer berijdbaar is. Nee zegt de man. De hele baai is verkocht aan een Spaanse projectontwikkelaar die er een resort van maakt. En ze willen geen mensen meer op het strand hebben. Jullie moeten er dus nu af, nu het nog kan.

Geweldig, weer een mooi stuk natuur dat naar de knoppen wordt geholpen door het zoveelste resort. Deze mooie baai zal volgend jaar vol staan met lelijke betonnen hotelgebouwen en een onnatuurlijk aangelegde golfbaan met veel te groen gras. De rust wordt dan verstoord door jetski’s. En dat terwijl er al zoveel resorts zijn. Van het vogeleiland zal niet veel meer over blijven. Jan krijgt een telefoon aangereikt waarin een hoge baas sommeert dat we vertrekken. Jan legt hem uit dat dit project zonde is van de baai en het schandalig is dat zelfs de lokalen niet meer op het strand mogen komen. We hebben gezien hoe in Cuba de lokalen ook niet op “hun eigen” stranden mogen komen, vanwege de resorts. In Varadero zitten Amerikanen en Europeanen zich vol te vreten in de meest luxueuze etenswaren, terwijl de lokalen amper wat te eten hebben. En hier gaat het al dezelfde kant op. Die lokalen krijgen ook vast geen baan aangeboden in zo’n resort, omdat ze geen Spaans spreken en de opleiding er niet voor hebben. Het levert ze dus geen werk op, en ook geen inkomsten in het dorpje op, want daar komen die resortgangers niet. Wel gaan er weer een paar miljoen Spaanse euro’s in de Marokkaanse staatskas, zodat Mohammed 6 zich weer een nieuwe Roll’s kan aanschaffen.

Maar goed, wij moesten dus weg. Normaal is een greppeltje met de Daf niet zo’n probleem, maar zij maakten er wel een flinke greppel van, waar onze wielen met gemak in verdwijnen. En dat ruim een meter diep recht naar beneden. Jan zegt tegen de man dat we even tijd nodig hebben om te kunnen vertrekken. Er staat nog een vuile vaat op het aanrecht en we hebben nog niet ontbeten. Als we tegen twaalf uur aan het eind van het zandpad komen, blijken de mannen ijverig te hebben doorgegraven. Dat doen ze normaal ook niet in  Marokko, maar nu wel. Het pad was al lastig genoeg, met een slingering tussen lage bomen door. We konden er dus niet langs, eerst moesten de mannen met dikke stenen de greppel weer dichtgooien. Nadat dit zo half gedaan was konden we er op goed geluk door. Stelletje eikels. Dit wisten ze gisteren toch ook al. Waarom waarschuwen ze niet eerder?

 We rijden zo’n twee kilometer tot we een mooie plek op een rots over het water vinden. Vanaf hier hebben we ook een prachtig uitzicht over de baai. Helaas is het zwemmen nu wat lastiger, de zee is bereikbaar via een steil pad omlaag.


Cala Iris

 

 De volgende dag  komt er een Jeep Wrangler de rots op gereden. Sinds lange tijd weer een paar reizigers. En het ziet er aardig professioneel uit, met een daktent en grote stickers op de deuren met daarop de Oostenrijkse vlag en de tekst Austria / Autriche. Dat zullen dan wel Oostenrijkers zijn. Het is een jong stel dat net in Marokko is aangekomen, via Melilla, een Spaanse enclave vlakbij. De jongen geeft aan dat ze een behoorlijk probleem hebben, ze verliezen behoorlijk veel koelwater en lopen telkens met gewoon water bij te vullen. Zelf zijn ze zo technisch dat een fietsband plakken al een hele opgave is. Jan kijkt met de jongen onder motorkap. Er ligt een kleine 4 cilinder benzine motor in. Er was dus nogal wat ruimte onder de kap over. Dit kwam ook mede doordat de jongen de auto speciaal had laten preparen door een overland-deskundige. Deze had de normale krukas-aangedreven ventilator en ventilatorhuis vervangen door een kleine elektrisch thermosstatisch gestuurde ventilator.

En dat was wel heel belabberd uitgevoerd. De ventilator was met drie spijkers (!) dwars door de nieuwe radiator vast gezet, met aan de tegenzijde een clipje om de spijkers. De spijkers liepen gewoon tussen de iele koelkanaaltjes dwars door de koelvinnen van de radiator door. De hele ventilator was gewoon 5 cm in het rond te bewegen. De spijkers hadden hierdoor natuurlijk de koelkanalen lek gesleten. Zo triest uitgevoerd werk zie je zelden. De jongen vertelde dat hij voor ettelijke duizenden euro’s door dit bedrijf aan de auto hebben laten verspijkeren. Zodanig zelfs dat ze eigenlijk vorig jaar al naar Marokko wilden maar het geld op was gegaan aan de auto (het waren studenten). Jan heeft de radiator bij de gaten goed gereinigd en er 2-componenten alu-pasta op aangebracht. Dit hebben we bij ons voor het geval we een lekke dieseltank zouden krijgen. Deze zijn van aluminium en dat is in Afrika moeilijk te laten lassen. De rest van de middag is Jan bezig geweest om van aluminium hoeklijn een stevig frame te maken waar de ventilator op afgesteund kon worden, zodat deze vrij ligt van de radiator. Na een testrit bleek alles goed waterdicht te zijn.

Kijkend naar andere dingen aan de auto kwam er meer gekkigheid aan het licht. Een slang die over de cardan-as schuurt, allemaal loshangende bedrading, een luchtfilter dat niet te verwisselen is zonder het hele filterhuis uit te bouwen, veerschommels omgekeerd ingebouwd, een open ontluchting zonder slang op het kleppendeksel waar zo alle vuil in waait, etc. De Oostenrijker was woedend op het bedrijf die dit uitgevoerd had en riep de eigenaar “um zu bringen”. Wij attendeerden hem er wel fijntjes op dat hij dan eerst het geld voor het werk en een nieuwe radiator van hem retour moet hebben, en dat “nur die Eier abschneiden” voldoende moet zijn. Wij konden ons niet voorstellen dat dit het werk was van een professioneel bedrijf en verdenken de Oostenrijker er van dit zelf zo uitgevoerd te hebben, maar dat hij er niet voor uit durfde te komen.

De Oostenrijkers hebben goulashsoep bij zich. We maken dit bij ons in de keuken warm en eten gezamenlijk buiten, met wederom een schitterende zonsondergang. Het wordt een gezellige avond, met verhalen over en weer. Als de Oostenrijker door de Marokkanen werd gevraagd uit welk land hij kwam, antwoordde hij met “je suis un Autricien”. (Ik ben een Oostenijker) Vaak keken ze hem dan raar aan. Het bleek dat door zijn uitspraak dit door de Marokkanen werd verstaan als “je suis un autre chien” (ik ben een andere hond). Dat was best lachwekkend. We blijven buiten zitten tot het begint te weerlichten en er af en toe wat druppels vallen. De Oostenrijkers vertrekken de volgende dag bijtijds. Helaas hebben we nooit meer vernomen of de reparaties het hebben uitgehouden.

Wij blijven nog een paar dagen. Vlak nadat de Oostenrijkers weg waren kwam er een auto de rots op gereden, met 1 gendarme en 1 militair. Ze wilden weer eens alles van ons weten. Naam, beroep, getrouwd, kinderen, waar ga je heen, waar kom je vandaan etc. Nadat ze alles hebben opgeschreven geven ze aan dat we hier rustig kunnen blijven staan, maar als we weggaan moeten we ons wel even afmelden bij hun post een eindje verderop. ’s Avonds kwam er nog een auto met twee kerels. Ze vertelden dat ze van de “navy” waren, en wilden ook “iets”. “Zo in korte broek en t-shirt?” zegt Jan, en kijkt ze eens fronsend aan. Ze kijken zelf ook naar hun totaal niet als militair uitziende kleding. Ze lachen er een beetje om en gaan weer weg. Rare snuiters.

’s Nachts lopen er ook nog een paar mannen met een zaklamp rond en bekijken de boel een beetje. Ze gaan steeds harder praten, dus een sluipinval zal het wel niet worden, maar ons knuppeltje staat klaar. Er gebeurt verder niets, we slapen rustig. De ochtend erop is het fris en mistig. Dit duurt echter niet lang en we besluiten het pad naar beneden af te lopen waar we bij een soort privé-strandje aankomen. Het was wel weer eens tijd voor een flink bad en we hadden shampoo bij ons. Dit blijkt in zout water totaal niet te schuimen, maar doet toch wel zijn werk. Het water is mooi helder. Volgens Mariska nog wat te koud, maar dat is volgens haar alle water beneden de 30 graden. Op een gegeven moment zagen we steeds meer kleine paarsige kwallen. Toen was voor Mariska helemaal de lol er af. Jan zwom nog een paar rondjes, maar werd al gauw in zijn schouder gestoken. Het was best pijnlijk en zwol rood op. Maar na een paar uur was het al weer voorbij. We lopen nog wat langs de kustlijn. Er ruig, rotsachtig. We zien nog hoe een osprey een vis heeft gevangen en er met het beest in zijn klauwen vandoor vliegt. Altijd te snel voor een foto.

 We besluiten de volgend ochtend het boeltje weer op te pakken en verder te rijden naar Nador. Maar zoals afgesproken rijden we eerst naar de militaire post om ons af te melden. Het ging er precies zoals we verwacht hadden. De mannen die onze gegevens hadden genoteerd waren er niet. De rest is niet op de hoogte. Wij zeggen “we gaan naar Nador”. Moet je mooi doen, zie je die militair denken, maar wat moet ik er mee? Tsja, en hoe zeg je in het Frans dat je je moest afmelden, en dat je dat nu komt doen. Wij lachen wat, hij lacht wat, laat maar zitten, we gaan!

We komen langs Al Hoceima, waar we wat groente kopen en metalen beugeltjes voor de gordijnrails. Die plastic prut van de Gamma heeft het nu al begeven, dus vervangen we het door degelijk Marokkaans metaal. Het ziet er niet uit, maar is wel stevig. Al Hoceima is een leuk stadje om doorheen te lopen. Twee Marokkaans jochies zitten naast ons op een muurtje naar de mooie haven en het azuurblauwe water te kijken. Direct achter het muurtje ligt natuurlijk weer veel troep. We zeggen tegen de knaapjes in onze beste Frans: “mooi hè, die troep?”. Waarop ze prompt antwoorden: “wablief?” Het bleken Belgische Marokkanen (BM-ers) te zijn, op vakantie. Ze vertellen ons dat de voetballer Affelay uit Al Hoceima komt en dat hij nu bij zijn moeder op visite is. Ze hebben hem gisteren gezien. Als we later langs wat cafeetjes lopen zien we ook overal posters van hem hangen. Ze zijn er erg trots op.

Van Al Hoceima willen we binnendoor naar Nador. Opeens zien we een afslag “Nador per kustroute” Deze route staat niet op de kaart en ook niet in onze GPS. We nemen de afslag en het blijkt een nieuwe en erg goede weg te zijn. We komen veel Nederlandse kentekens tegen, allemaal NM-ers op vakantie, op weg naar het Rif-gebergte. Ook veel Belgische kentekens en af en toe een Franse en Spaanse. Zitten er geen Marokkanen in Duitsland? Zijn die zo arm dat ze niet naar Marokko op vakantie kunnen? Zijn die zo rijk dat ze vliegen? Zijn ze zo slim dat ze weten dat vliegen tegenwoordig goedkoper is? Of komen die niet uit het Rif-gebergte? Voor een klein landje als Nederland zijn de Nederlandse kentekens rijkelijk vertegenwoordigd. In dit gedeelte is zo ongeveer 1 op de 10 auto’s een Nederlander. Meer dan bij ons in de grensstreek. Maar dit zijn in ieder geval nog wel officieel in Nederland geregistreerde auto’s, die hier alleen op vakantie zijn. In overige delen van Marokko zagen we vaker Nederlandse kentekens op auto’s die al lang niet meer in Nederland komen. Wij denken dat ze elk jaar in Nederland geschorst worden, zodat ze in Marokko niet ingevoerd hoeven te worden, en er in Marokko geen wegenbelasting of verzekering betaald hoeft te worden. Schorsen / schorsing verlengen in Nederland kost maar een paar centen, en een APK of verzekering is dan niet verplicht. Ook zien we vaak namaak Nederlandse kentekenplaten. Geel, met dezelfde rijen nummers, maar net een ander lettertype, of zonder de tussenstreepjes. Ook vaak voorop een originele Nederlandse plaat, en achterop een namaak Nederlands plaat met hetzelfde nummer. Zo kunnen ze twee auto’s kentekenen, waarbij ze tegen de politie kunnen zeggen dat ze 1 plaat verloren zijn, en er plaatselijk een na hebben laten maken. Soms zelfs met de tijdelijke witte uitvoerplaten. Het lijkt er op dat dit trucje vooral bij Nederlandse kentekens gebeurt, hoewel het voor ons moeilijker te onderscheiden is of een Frans kenteken vals is of niet. Tevens zijn de auto’s over het algemeen niet klein. Mercedes, BMW en Audi is heel normaal.
Na een tijdje lang de kustweg te hebben gereden zien we op Cap Ras Tarf bij een vuurtoren 2 campers en een stuk of 15 auto’s staan. Hier mag je dus blijkbaar zonder gezeur weer langs de kust kamperen. We besluiten er ook te gaan staan. Eén van de campers kennen we, een witte Mercedes bus met dolfijnen op de zijkant. We hebben ze al ontmoet op Cap Spartel, bij Tanger. Een Marokkaanse man en een Duitse vrouw.

Jan gaat even kijken of er ook water te halen is. Op een rotspunt staat een zgn. cafeetje en zitten een aantal mannen thee te drinken. Er is geen drinkwater in het cafeetje, de put 20 meter verderop heeft ook geen drinkbaar water. Dat is alleen om je auto of ezel te wassen. Eén van de mannen loopt met Jan een stukje mee en hij wijst naar de andere kant van de weg, waar een grote put is. Via de droge rivierbedding loopt Jan er naar toe. Inderdaad is er een grote put en via een benzinemotor aangedreven pomp staat een jongen een watertank achter een tractor te vullen. Een ander jongen ligt te slapen, één van de favoriete buitenactiviteiten van de Marokkaanse mannen/jongens. Jan overlegt of hij water voor de camper kan krijgen. Zeker, geen probleem, haal maar op. Jan geeft aan dat ie over 5 minuten terug is met de camper. Prima, wij helpen je wel.

Als hij met de camper de weg opdraait, komt het trekkertje met watertank hem tegemoet. Ze stoppen naast elkaar op de weg, Wat is dat nou? We hadden toch afgesproken om water in de camper te tanken? Zoals zo vaak valt er weer geen fatsoenlijke afspraak te maken. Ze knikken ja en beloven van alles, maar komen het niet zomaar na. De jongen geeft aan dat hij wel wat water uit zijn tank kan overhevelen in de camper. Maar dat gaat zo niet op de grote weg. De jongen rijdt verder om te keren op een geschikt punt, en Jan rijdt verder naar het weggetje richting de grote put. Er komt met een onbenullige vaart een oude Mercedes 240D (Marok. kenteken) voorbij scheuren en vol op de rem stoppen ze voor de Daf. Met veel bravoure in perfect Nederlands zeiken ze Jan aan de kop of hij soms verdwaald is en wat hij moet. Jan zegt water, maar dat heb ik al geregeld met die jongen op de tractor die er zo aan komt. Natuurlijk moeten de NM-ers zich er nog steeds met een boel poeha mee bemoeien. Zij zullen wel even voor tolk spelen. Zo willen ze zonder pomp het water vanuit de tank achter de tractor over laten lopen in de Daf, terwijl de opening van de vrachtwagen zeker 1,5m hoger zit dan de uitstroomopening van de tank. Na een kwartier van een hoop gedoe een herhaaldelijk verzoek van Jan om toch naar de put met de pomp te gaan, druipen de NM-ers eindelijk af, en rijdt de jongen met de tractor achter Jan aan naar de put.

Hij slingert de pomp aan (de andere jongen ligt er ook nog steeds te slapen, waarschijnlijk als bewaker van de pomp) en op stationair toerental komt er al zoveel water uit de dikke 10cm doorsnede slang, dat het nog lastig wordt om dit in onze tank te krijgen. Met z’n tweeën houden ze slang in bedwang en via een trechter lukt het om het water met goed fatsoen in de tank te krijgen. Tot de bewaker wakker wordt en aan de pomp prutst. Kijk, hij kan veel harder! Jan en de andere jongen nat tot op de onderbroek, gelukkig is het erg warm. Na de pomp weer een beetje afgeregeld te hebben gaat het vullen verder. Maar de jongen denkt zo de slang wel op het vulgat te kunnen drukken, zonder trechter. Jan ziet het nog net en trekt de slang er weer af. Onze vulleiding zal op zo’n druk niet berekend zijn, en hij dichtte met de grote slang het ontluchtingsgaatje volledig af. Dan kan er misschien met veel geweld wel water in, maar geen lucht eruit, en zal er ergens een slangaansluiting o.i.d. knappen.

Mariska was inmiddels ook komen kijken naar het waterballet, want het duurde allemaal wel erg lang. Gelukkig geen schade aan het leidingwerk of tank, en na net zoveel water verprutst te hebben al dat er in de tank is gegaan, rijden we weer naar het kampeerplekje. De Marokkaanse man van de camper met de dolfijnen had ons ook gezien en was in tussentijd op Mariska afgelopen. He, wir haben uns in Tanger gesehen! Zeker, maar toen had ie nog een andere vrouw. Hij vertelde dat zijn Duitse vriendin een tijdje terug was naar Duitsland om te werken, toen we er naar vroegen. Echter nu reed hij rond met een Marokkaanse vrouw met een kind. We hebben natuurlijk helemaal geen vooroordelen, het zou net zo goed zijn zus kunnen zijn...

De nacht op Cap Ras Tarf is niet rustig. Er zijn veel blaffende honden. Wat hebben die beesten toch? Overdag liggen ze te pitten, en ’s nachts maken ze aan één stuk door herrie. Het is dat het zwerfhonden zijn, anders zou je zeggen dat het gezegde dat het baasje op zijn hond gaat lijken hier wel klopt. Jan gooit nog tot twee keer toe ’s nachts stenen richting de honden. Niet om ze te raken, maar om ze weg te jagen. Dat lukt, maar werkt maar voor even, ze zijn zo weer terug. De dag erop wil Jan wat brood kopen bij het kleine cafeetje. Maar ze hebben niets. Eigenlijk hebben ze er dus alleen thee. Er komt even later een man aangelopen, net terug van het dorp even verderop. Hij heeft brood bij zich, grote ronde, heerlijk vers en warm. Hij geeft Jan er één maar wil er niets voor hebben. We krijgen er hier geen hoogte van. De één probeert je op allerlei manieren af te zetten, de ander geeft alles zo weg.

Even later komen er twee mannen aangelopen. Ze hebben een emmer bij zich met daarin honing waar nog een aantal honingraten in zitten. Ook hebben ze een paar losse potten honing bij zich. Of we wat willen kopen. Op zich wel, maar dat trucje kennen we nog van de vorige keer. Mooie honing en echte raten in de emmer, en in de potjes is de boel aangelengd met suikerwater. We vragen de prijs. 200 dirham/kg. Zijn jullie gek! Dat is zo’n 18 euro/kg. Veel te veel. Het spelletje afdingen start, maar we geven aan 40 dirham te willen betalen en meer niet. We komen dus niet in prijs naar ze toe. Ze stemmen er mee in, en even later genieten we van heerlijke dikke honing, zo van de imker. Deze keer niets aangelengd. In Meski hadden we ook “dadelhoning” gekocht, voor 60 dirham/kg, maar dat bleek dikke dadelsiroop te zijn, wat hier geen drol kost.

We doen nog wat klusjes. Hij probeert onder andere het raampje aan de bijrijderkant wat lichter te laten lopen. Deze gaat wel erg zwaar. ’s Avonds wordt het kouder en vochtig. We hebben zelfs de druppels aan het horgaas hangen. De nacht is weer bedorven door blaffende honden, dus we besluiten verder te trekken. Ineens zijn we een stuk minder hondenliefhebber.

VRIJDAG 15 JULI 2011, Nador
Via de kustroute zijn we naar Nador gereden. Daar aangekomen zien we een bordje met “Marjane” er op. Dit is een grote supermarktketen die je alleen bij de grotere plaatsen aantreft. We maken er altijd gretig gebruik van. Groente en fruit is er niet duurder dan op de marktjes, en de bereiding van het vlees ziet er een stuk hygiënischer uit dan bij de lokale boucherie.

Verder is er zo ongeveer alles te krijgen wat in Nederland ook te krijgen is, hoewel de niet Marokkaanse artikelen (kaas, bier, Nutella etc.) er wel erg duur zijn.

We snappen sowieso niet dat veel mensen zeggen dat Marokko zo goedkoop is. De diesel is erg goedkoop in vergelijking met Nederland, 67 eurocent per liter. De prijs voor een kop koffie op het terras is erg variabel. We hebben het wel eens voor 25 dirham (ongeveer 2,20 euro) zien staan (mooi laten staan) en er regelmatig tussen 8 en 12 dirham voor betaald. Echter zijn we ook in gebieden geweest, waar het slechts tussen de 4 en 5 dirham kost. Fanta of Coca Cola is op het terras ook een stuk goedkoper, soms 6, maar meestal tussen 10 en 15 dirham voor een flesje van 300ml. Campings zijn weer een stuk goedkoper dan in Europa, maar je kunt de voorzieningen ook gewoonweg niet vergelijken. Je krijgt in Marokko meestal een plaats om te staan en sanitair waar je liever niet naar toe wilt. Gewone levensmiddelen, vaak ook groente en fruit op de markt, hebben dezelfde prijs als in Nederland.

Kamperen op het strand in de buurt van Nador
Nador bekijken we verder niet, er schijnt niets interessants te zijn. We lopen door het centrum op zoek naar brood en een postkantoor, maar dit ziet er niet spannend uit. We rijden door richting Melilla, een Spaanse enclave. Vlak voor de grens met Melilla rijden we een industrieterreintje op om te kijken of we daar ergens kunnen overnachten. De weg blijkt door te lopen en we komen bij een groot strand. Eigenlijk is het een enorme zandbank, met rechts een grote lagune, en links de Middellandse zee. De strook is zo’n 300 meter breed, en gaat een aantal kilometers door. Oorspronkelijk liep de zandbank geheel om de lagune heen, als een soort dijk. Er is echter een doorbraak voor scheepvaart ingemaakt. Vooraan staan een aantal geïmproviseerde eettentjes. We rijden met de Daf ongeveer een kilometer de zandbank op. In de 4x4 met lage gearing ploegt hij er moeiteloos door. Hier staan we prachtig mooi vrij, met voor ons 200m strand en dan de zee, en achter ons een duinenstrook met bossages en daarachter de lagune. In de verte zien we nog net Melilla liggen. Jan klust nog wat aan het uitzetraampje aan de bestuurderszijde. Hiervan was de bediening kapot gedraaid, en nu wil het raampje niet meer sluiten. Na een klein uurtje is dat ook weer gefikst. Er zitten veel vogels, o.a. pleviertjes, meeuwen, reigers en zwaluwen. Tegen de avond komen er ook aardig wat vleermuizen langs. Jan gooit tegen het schemer nog even de poeptank leeg tussen de struiken, en wordt daar compleet aangevallen door muggen. Hij heeft alleen een korte broek aan en geen t-shirt, en is in no time zeker 30x gestoken. Zijn rug borst en benen zitten onder de muggen. Buiten zitten wordt vanavond dus niks. En de horretjes dicht houden.

’s Avonds komen er nog tot twee keer toe militairen die papieren willen zien. Een eindje verder op het strand zit een militaire post, waar ze blijkbaar slecht met elkaar communiceren. Wel zijn ze naar ons toe vriendelijk, en we mogen dan ook blijven staan. De komende dagen luieren we wat aan het strand. ’s Nachts is het er heerlijk rustig, maar wel wat klam.

Jan brengt weer nieuw leven in zijn computer. Met de nodige ergernis, maar het lukt. We besluiten de zandbank eens verder af te lopen. Heen gaat prima, maar terug begint de wind steeds harder aan te wakkeren, het lopen gaat zwaar. En ondanks de wind is het toch best nog erg warm. Er staan langs het strand behoorlijk wat 4x4 wagens, allen met Spaans kenteken. Allemaal een dagje weg vanuit Melilla. Je kunt zien dat daar duidelijk meer geld zit, het is net een openlucht-showroom van de nieuwste wagens. Als we op de terugweg wat vermoeid op een boomstam zitten uit te puffen, zeggen we tegen elkaar dat het goed stom was om zonder drinken op pad te gaan. Een koude cola zou nu een zegen zijn. Alsof we gehoord zijn komt er een Melillaan naar ons toegelopen en biedt ons spontaan twee koude blikjes cola aan. Allah is vandaag blijkbaar met ons. Nadat we de blikjes leeg hadden wilden we nog even bij de man langsgaan om hem te bedanken, en spontaan kregen we nog 1,5 liter ijskoud water mee. Blijkbaar zagen we er verdroogd uit. Het was echt supervriendelijk van die man. Bij de Daf aangekomen konden we niet buiten zitten vanwege de harde wind. Het leek wel een zandstorm, en het zand werd al flink tegen de wagen geblazen. Dan binnen maar wat lezen en sinds lange tijd eens naar de Nederlandse radio luisteren via internet.

MAANDAG 18 JULI 2011, Spanje
Osjoerdwie gaan we eens lekker sportief aan de gang. Op de fiets helemaal naar Spanje. Naar Melilla welteverstaan. Het is een paar kilometer bij ons om de hoek. Je fietst het strand af (wat nog niet meevalt) het dorpje door op de rotonde rechts, vult wat papiertjes in en klaar. We willen wat inkopen doen in Melilla, en tevens is het handig dat als we terug de grens over gaan naar Marokko, we weer opnieuw voor drie maanden in Marokko kunnen blijven.We hebben geen zin om met de Daf of met de motor de grens over te gaan vanwege alle formaliteiten. Met de fiets is lekker makkelijk. Nou ja, het is wel een drukke grensovergang, met zeker 6 controleposten waar je je paspoort moest laten zien. Een papiertje invullen en je uitreisstempeltje halen. En op de terugweg opnieuw. Eerst hebben we in Melilla wat rondgefietst. Bij binnenkomst is het een wat viezig industriegebied, maar dan kom je bij het strand en de gerenoveerde burcht. Vanaf daar heb je een mooi uitzicht over zee en de stad. De binnenstad is ook best mooi, met een hele andere bouwstijl dan in Marokko, en een aardig stadspark. Allemaal best leuk, maar niet echt bijzonder. Wat wel weer opvalt is dat het strand superschoon is. Ook zijn er overal stranddouches, waar we dankbaar gebruik van maken. We pinnen wat euro’s om boodschappen te doen, en een paar extra, voor straks in westelijk Afrika, waar het soms lastig kan zijn om aan lokaal geld te komen. Op euro’s zijn ze meestal wel gesteld. Er zijn behoorlijk wat boodschappen goedkoper hier, vooral het bier, dus Jan fietst zwaar beladen weer terug. Ook kopen we nog wat chorizo, ook lekker en niet te koop in Marokko. Terug bij de grens is het weer een drukte van belang. We zijn blij dat we op de fiets zijn, en dus zo langs de rijen auto’s kunnen. Je wilt niet weten wat die Marokkanen allemaal meeslepen. Veel levensmiddelen, maar ook koelkasten achterop de fiets, oude pallets, dekens, meubels echt van alles. Sommige auto’s hingen helemaal op de kont van het gewicht.

Melilla

De volgende dag doen we weer niet veel. We printen wat formulieren voor de aanvraag van ons Carnet de Passage. Dit is een soort autopaspoort dat we voor sommige landen in Afrika straks nodig zijn. Bij landen waar het verplicht is moet je bij binnenkomst en bij het verlaten van het land en stempel in het Carnet laten zetten. Dit voorkomt dat je niet stiekem je auto verkoopt of achterlaat in dat land, zonder dat zij dit weten, en dus belastingen mislopen. Je moet dit Carnet aanvragen bij de ADAC in München, en hiervoor een borg voor je voertuig storten (of een bankgarantie afgeven). De ANWB in Nederland doet dit niet meer. Het Carnet is slechts een jaar geldig, en kost ook nog eens een lieve duit. Daarom vragen we hem nu pas aan, omdat we hem in Marokko en de eerst daarop volgende landen nog niet nodig hebben. Voor de motor hebben we er ook een nodig. Omdat we vandaag een snelle internetverbinding hebben skypen we nog wat met thuis. (ja echt waar, al onze “oudjes” kunnen tegenwoordig skypen). Mariska wil daags daarna nog wat gegevens aan de verzekering doormailen, en heeft daarvoor haar bankpas nodig. Dan komt ze erachter dat deze niet meer in haar portemonnee zit. Dan is deze zeker blijven liggen in het hokje waar we gepind hebben, in Melilla. Op het bonnetje van het pinnen staat het telefoonnummer van de betreffende bank. We bellen er heen, heel misschien heeft iemand de pas gevonden en hem netjes aan de balie afgegeven. Er wordt opgenomen, Mariska zegt: “Buenos dias, do you speak English?” En prompt wordt er opgehangen. Nee dus. Nog een keer, nu met “Hablar Anglais?” Het werd een onduidelijk Spaans verhaal waaruit we opmaakten dat we maar met een ander filiaal moesten bellen.

Toen maar weer de fietsjes en de paspoorten gepakt en maar weer op weg naar Melilla. Zo krijgen we ons paspoort wel vlug vol gestempeld. Die bank heeft mooie openingstijden, van 8:30 tot 10:30 uur. En het is 13:00 uur. Een vrouw binnen achter de balie was geld aan het tellen, en wilde niet open doen. Er stonden schoonmaakspullen buiten voor deur, dus er was nog hoop. Die deur moest een keer opengaan. Er kwam inderdaad een behulpzame schoonmaakster op af. Nadat we het verhaal hadden uitgelegd naam ze ter identificatie Mariska’s paspoort mee naar binnen om daar navraag te doen naar de bankpas. Ook zij werd vlug afgewimpeld en kwam terug met het verhaal dat alle pasjes die ze vinden terug gestuurd worden naar de bank van oorsprong. De ING in Nederland dus. Balen. De boel dus laten blokkeren en een nieuwe pas op laten sturen. Gelukkig is het niet onze enige bankpas. Wel nog gauw even op internet kijken of er niet al misbruik is gemaakt van de pas, maar dit bleek niet het geval. We douchen nog even op het strand en duiken dan maar weer een supermarkt in, opnieuw bier halen. En natuurlijk chocopasta, worst, kaas, leverpaté, tucs etc. Bepakt en bezakt, net als alle Marokkanen, gaan we de grens weer over.


Monts des Beni-Snassen
DONDERDAG 21 JULI 2011, de bergen in
We trappen de Daf weer aan en rijden naar berggebied “Monts des Beni-Snassen”. Onderweg in Nador tankten we nog wat water bij een wasstraat. Dit bleek uit een vat op het dak te komen, en was niet bijster schoon. In ons voorfilter dwarrelde van alles. Nu worden de bacteriën wel gedood en de vaste deeltjes eruit gefilterd door ons zuiveringssysteem, maar het water smaakt nog steeds niet echt lekker. We hebben wel een actief kool filter voor de smaak, maar die kon deze derrie blijkbaar niet veel lekkerder maken. We reden door de Gorges du Zegzel. Een smalle, minder goede straat door mooi bergachtig gebied. Veel groen, struiken, bomen en zelfs nog water in de rivier. Ook namen we nog een kijkje bij Grottes de Chameau. Vrij vertaald de Kamelengrot. Het kostte 5 dirham, geen geld. Maar daarvoor kreeg je ook geen grot. Je mocht alleen naar de ingang kijken, een groot gat. De rest van de grot moet weer opnieuw toegankelijk gemaakt worden voor publiek. Het was allemaal verwaarloosd en daardoor gesloten. Of dat ooit weer open gaat... We overnachten een stukje voor Taforalt, een eindje van de weg af op een heel mooi plekje in de natuur. De volgende ochtend wandelen we eerst een stuk. Achter onze vrachtwagen ontdekten we per toeval een pad tussen de bosjes. Het bleek onlangs gebruikt te zijn voor een hardloopwedstrijd. De afzetlinten met reclame van Sidi Ali, een bekend bronwatermerk, hebben ze gewoon laten hangen. Dat waait vanzelf wel weer weg. Het is een mooi pad door open dennenbos. Aan de ander kant van de berg komt het pad uit bij een piepklein dorpje met wat armoedige huisjes. Er is een mannetje buiten aan het werk en hij nodigt ons uit voor thee. Vliegensvlug haalt hij van binnen wat tapijten op en spreidt deze uit onder de vijgenboom naast zijn huisje. In de schaduw van de grote vijgenboom nemen we plaats en het mannetje komt weer terug met een laag tafeltje en daarna met mierzoete muntthee, brood en schaaltjes met margarine, olijfolie, abrikozenjam en een grote schaal met pinda’s.

De man kan wel Frans, maar stottert iets en praten ging wat moeizaam. Toen kwam er een oude auto aan met drie knapen er in. Zijn zonen. Eén ervan kon goed Engels en de ander een beetje. Dat maakte het makkelijker. De gesprekken gingen voornamelijk over het geloof. De engelsprater was erg gelovig. Hij gaf Mariska ook geen hand, de rest wel. Opeens moesten ze allemaal weg, naar de moskee. Wij moesten vooral blijven zitten, ze zouden met een uurtje weer terug zijn. We vonden het wel prima. We zaten er goed. Lekker pinda’s er bij, prima hoor. Na een half uur waren ze al terug en alleen de engelsprater kwam bij ons zitten om weer over het geloof te praten. Zo heel erg was dat niet. Hij was wel heel open en kon veel vragen van ons beantwoorden, maar het blijft voor ons een onbegrijpelijk geloof. Na een tijdje kwamen de anderen het tafeltje met de schaaltjes ophalen en gingen naar binnen. Ze zeiden verder niets. Ongeveer een uur later vroegen ze ons of we mee naar binnen wilden gaan voor een hapje. We zijn wat huiverig voor de hygiëne, maar nee zeggen kan echt niet. Het huisje bleek een ommuurd terreintje te zijn met enkele kleine gebouwtjes. We gingen een kleine ruimte binnen met één deur en één klein hooggeplaatst raam. Boomtakken met daarop leem als dak. Op de grond tapijten en kussens langs de wanden. De schoenen bleven buiten staan. De moeder des huizes verwelkomde ons. Een lief menske in traditionele kleding. We namen plaatst op de grond aan een lage tafel. De drie zonen (tussen de 20 en 30 jaar) kwamen met schalen vol warm eten binnen. Roerei, gebakken paprika met tomaat en kruiden. Gebraden geitenvlees (buttiens) en zelfs patat. Je moet wat brood afscheuren en daarmee wat uit de schaaltjes paprika of ei zien te vissen. Alles met de hand. Bestek hebben ze niet, en de schaaltjes die van buiten waren gehaald waren nu weer nodig voor dit eten. Zo weinig hebben deze mensen.

Het smaakte allemaal erg goed, zelfs het vlees. Ze schoven steeds van alles naar ons toe, meer dan we op konden. Als toetje kregen we heerlijk cactusfruit, en nu weten we ook hoe we deze vruchten het handigst kunnen eten. Ter afsluiting kwam er nog weer mierzoete muntthee. Na het eten kregen we van de jongens nog een rondleiding door het dorp. De meeste huizen waren verlaten. Er waren mooie oude natuurstenen huisjes bij, met oude houten gebinten. Na de rondleiding werd het voor ons tijd om terug over de berg naar onze auto te lopen. We lopen nog even langs de ouders om afscheid te nemen, en we kregen van hen allebei een mooie hoed. Jan een soort panamahoed, en Mariska loopt er nu bij alsof ze zo uit de Sound of Music is gestapt, met een mooie grote sjieke dameshoed. Een cadeau weigeren is onbeleefd, en we voelen ons schuldig dat we niets voor hen bij ons hebben. Onze auto staat nog een uur of twee lopen verderop, dus even wat halen is ook geen optie. Van de zoon die engels kon kreeg Jan nog een mooi boekje “What is Islam”. Het boekje heeft ons inmiddels nog steeds niet op andere gedachten gebracht. Wat een hoop onzin staat er in. De jongens lopen nog een eindje met ons op als we weggaan, en geven ons nog een 1,5 liter fles water mee voor onderweg. Wat een enorme gastvrijheid. En dat voor mensen die zelf bijna niets hebben. Jammer dat we geen fototoestel bij ons hadden.

Dagje later rijden we weer verder in het Beni Snassens berggebied. We stoppen bij een grot “Grotte de Pigeon”. De grot mag je niet in, je kunt alleen de ingang zien. Er is ook nog een enorm groot gebied afgezet ter herintroductie van de Mouflon. Dat gaat in Marokko heel simpel. Je zet dus een groot hek om een enorm gebied, zet er een stuk of vijftig Mouflons in, en maakt vervolgens op een plek waar alle mensen bij kunnen een voederplaats. Die beesten lopen dus voor geen meter rond in het gebied en zijn absoluut niet bang voor mensen. Of die nog ooit echt in het wild kunnen leven lijkt ons zeer twijfelachtig. Ze zullen wel snel op halalwijze in de braadpan terecht komen. Er liepen ook wat wilde zwijnen met jongen tussen. Bah, wat een onreine dieren...

ZATERDAG 23 JULI 2011, omgevallen
We rijden weer verder via een gravelpad naar een stuwmeer, Barrage Mohammed V, waar we willen overnachten. Op onze papieren kaart staat een weg aangegeven er naar toe. In onze gps staat deze niet. We zoeken naar het juiste pad, maar weten niet of we de goede hebben. Het is een woestijnachtig gebied, hier en daar wat rots, maar 95% zand. Het pad gaat door rivierbeddingen en heuveltje op, heuveltje af. Best mooi, maar het is door alle sporen lastig de juiste weg te vinden. We zien wat cactussen staan met mooie rijpe vruchten, dus hup de dikke werkhandschoenen aan en plukken. We weten nog van Mexico dat die krengen verdomd venijnige kleine rottige stekels hebben, die je amper kunt zien. We zijn dus voorzichtig. Het waaide echter behoorlijk en Mariska waarschuwde Jan nog net, maar het was al te laat. Een vlaag wind in het gezicht zorgde ervoor dat Jan zo’n rottig stekeltje in zijn oog kreeg. Je kon het niet zien zitten, maar het deed behoorlijk zeer. Uitspoelen met water hielp ook niet, die rotdingen hebben een weerhaakje.

Mariska stelde nog voor om dan de wagen hier maar te laten staan en morgen maar verder zien, als er met dat oog nog wat te zien viel. Omdat het nog maar een klein stukje (+/- 2km) naar het stuwmeer was, wilde Jan daar toch nog naar toe rijden, met 1 oog. Mariska houdt er niet zo van om zelf te rijden in dit terrein. We moesten eigenlijk alleen nog een brede droge rivierbedding oversteken. Maar het was onduidelijk waar dat kon. Wederom veel sporen kris kras van lokalen. We reden langzaam langs een wat smaller stuk met aan 1 kant hoge struiken, en aan de andere kant een door regenwater uitgesleten diepe geul. De sporen die we volgden liepen er langs. De ondergrond lijkt zo hard als beton, het is dezelfde leem waar ze hier ook huizen van bouwen.

Jan stuurt er met de vooras langs, maar loopt met de achteras iets in richting geul. Door dat stomme oog zag hij dat niet in de rechter spiegel. Mariska roept nog “ verder naar buiten sturen!” maar het is al te laat. De grond onder het rechter achterwiel breekt weg tot aan het differentieel en het hele wiel zakt ruim een meter lager. De cabine van de vrachtwagen gaat omhoog alsof we op de kermis zijn. Mariska doet haar ogen dicht, en Jan roept “Daar gaat ie!”. Als Mariska de ogen weer open doet, zit ze op de rechter zijdeur, en ziet ze Jan boven zich aan het stuur bungelen. We liggen met de hele wagen op de zijkant!

Oh shit! We checken elkaar of alles goed is. We hebben beide geen schrammetje. Via het dakluik kruipen we naar buiten. Het is een treurige aanblik, en op het eerste ogenblik denken we dat dit al einde reis is. Het rechter zijluik is tijdens het kantelen onder het gewicht van kratten en twee reservebanden opengegaan, en er liggen allerlei spullen naast de wagen. De olie loopt uit het motorblok, via de rechter remtrommel, het zand in. 
 
 

Doordat de auto deels over het gat ligt, kunnen we net via de deur naar binnen kijken. Een bizar gezicht. Vloer en plafond zijn zijwanden geworden. De gordijnen staan 90 graden van het raam af. Er is 1 kastdeurtje open gesprongen. Precies die waar meel, honing pasta e.d. inzat. Dat heeft zich allemaal een weg gevonden tegen de douchedeur en over de vloer. De planken uit de kast lijken als magneten tegen de koelkastdeur geplakt. Toch lijkt de schade mee te vallen. Maar hoe krijgen we dat ding in hemelsnaam weer op zijn wielen? Aan de overkant van de brede rivierbedding staan een aantal hutjes. Een dorp kun je het bijna noemen. Jan loopt er heen terwijl Mariska begint met het opruimen van de spullen die uit de auto zijn gevallen. Ze vind ook haar fototoestel ergens in het zand terug, en deze doet het nog. Gelijk maar wat foto’s maken dus. Bij het eerste hutje ziet Jan een trekkertje voor de deur staan. Een Massey Ferguson van voor de oliecrisis. Jan klopt aan, maar de eigenaar begint net aan zijn middaggebed. Na even wachten komt hij buiten en vanaf zijn erf kun je nog net in de verte de Daf op zijn kant zien liggen, met Mariska er omheen, fotograferend als een ramptoerist. De man spreekt alleen Berber en Jan alleen Twents. Dat maakt het lastig om uit te leggen dat zijn kleine trekkertje nooit onze 12,5 ton wegende truck rechtop kan zetten. Dus na olie en koelwater op de trekker te hebben gegooid moppert de boer nog even met zijn vrouw waar zij de staalkabel heeft gelaten (?) en nadat zij deze heeft aangereikt rijden de boer en Jan via een enorme omweg naar de Daf. De staalkabel zijn ze onderweg verloren. Dat zal wel weer ruzie met de boerin geven. Gelukkig ziet de boer ook in dat dit niet gaat lukken, en hij gaat hulp halen.

Inmiddels verzamelen zich al wat nieuwsgierige mensen (waar komen ze toch altijd vandaan?) rondom de auto. De mensen hebben amper kleren aan de kont, maar in die kontzak zit dan wel een mobieltje. Eén van de mannen belt wat, en even later komt er een JCB graafmachientje aan. Je weet wel, zo’n schorpioenachtig trekkertje met voorop een brede laadschop en achter een geulengraver.

We willen met dat ding wat ruimte graven onder de rechter wielen van de Daf, die vlak op de grond liggen. Bij het rechtop zetten zal de Daf dan met de wielen in de gaten eronder glijden, wat het rechtop zetten zal vergemakkelijken. De man probeert wat te graven, maar het blijkt dat hij niet de eigenlijke bestuurder is. Het lukt hem niet een gat in de harde grond te krijgen. Jan vraagt of hij het zelf eens mag proberen. Dat is OK. Vroeger eens pneumatische graafmachine van Technisch Lego gehad, dus ervaring zat.

 

 
  Even klooien en goed onthouden welke hendel wat doet (de symbolen zijn er af gesleten) en het lukt. Jan graaft een mooi gat en de omstanders staan te juichen dat het zomaar lukt. Nadat het gat klaar is moet de vrachtwagen overeind getrokken worden, maar er zijn geen kabels. Wij hebben zelf prachtig 20 tons bergingsmateriaal, maar dat zit allemaal in de opbergkist waar de vrachtwagen bovenop ligt. Kunnen we dus niet bij. 

Het duurt even en dan komen er wat kabels aan, maar de een na de ander knapt. Het boertje heeft inmiddels zijn staalkabel teruggevonden (of heeft zijn vrouw die gebracht?) en Jan heeft d.m.v. de vrijloop onze lierkabel een eind kunnen afrollen. Deze om de vooras gewikkeld en de staalkabel om de achteras en trekken maar met Massey en JCB. Er worden wheely’s gemaakt en heel af en toe komt de Daf een centimeter los, en ploft weer terug. De trekkertjes zijn te licht. Het duurt even en dan komt er een derde trekkertje aan met een watertank op een aanhanger erachter. Die ook aan de Daf geknoopt, en nu komt hij half overeind. Er volgen nog vele pogingen om hem verder te krijgen, maar het lukt niet. Er komt nog een middelmaat vrachtauto bij. Inmiddels kunnen we al wel bij ons 20 meter lange sleeplint, en daar wordt de vrachtauto aan geknoopt. Ook dat mag niet baten. Het wordt inmiddels al aardig donker, en we besluiten verdere pogingen tot morgen uit te stellen. De vrachtwagen gaat weer weg, de andere trekkertjes blijven staan om de Daf in die halve positie te laten hangen. We hopen dat hij niet terug valt.
 
Er wordt ons door diverse mensen aangeboden om bij hen te komen slapen. Dit slaan we echter af, omdat er een boel spullen van ons buiten staan en die willen we niet onbeheerd achter laten. Maar hoe moeten we dan de nacht doorbrengen? Gelukkig is er met de spullen die uit de Daf vielen ook één van onze hangmatten meegekomen. Die hangen we tussen de trekkers en daar moeten we dan vannacht maar met zijn beiden in liggen. Ook zijn er twee blouses uitgevallen, die we extra kunnen aantrekken als het vannacht koud wordt. Er komt een vies mannetje aan op een bromfiets. Hij kan een beetje Spaans, en roept telkens: “hé amigo’s”. Panchito is heel vriendelijk. We hebben geen water en hij gaat het voor ons halen. Het is nog koud, met ijs er in. Ook heeft hij twee lekkere meloenen meegenomen. Eén eten we gelijk op, de ander is voor ontbijt. Een andere man besluit dat hij die nacht blijft om te waken. We zeggen meerdere malen dat dit echt niet nodig is, maar hij staat er op. Hij heeft een oude Renault, die hij achter de Daf neerzet, en van daaruit houdt hij de hele nacht de wacht. Jan heeft nog steeds last van zijn linker oog waar die cactusstekel in zit. In zijn rechteroog zit inmiddels zand. Het ene oog kan hij niet dicht doen, het ander niet openhouden.   
 

 

We liggen met z’n tweeën in de éénpersoons hangmat. Dat klinkt romantisch, maar dat viel hard tegen. We werden lek gestoken door de muggen en de hangmat had zijn beste tijd ook gehad. Telkens knapte er met veel geluid een touwtje, en het werd nog spannend of hij het tot de morgen zou houden. Dit bleek goed te gaan, maar echt geslapen hebben we niet, wel wat uitgerust. En koud dat het was... Al vroeg kwam er de volgende morgen het werk- en kijkvolk. Ook de vaste bestuurder van de JCB graafmachine was er, en hij had een behoorlijke bulldozer meegenomen, lokaal “trax” genoemd. En wat kon die knaap er goed mee overweg. En waarschijnlijk had hij vroeger niet eens Technisch Lego. Om überhaupt iets met de bulldozer te kunnen doen werd er eerst bijkans een hele weg met dat ding geplaveid. Dan nog rondom de Daf flink graven, en er voor en er achter de boel vlak rijden.

Ondertussen bemoeien zich er wel een man of twintig mee. Graven met schop en pikhouweel. Jan is druk in de weer om de boel te dirigeren, want ze doen ook een boel onbenullige dingen. Zo knopen ze touwen aan de remleidingen, laten ze ons dure sleeplint en liertouw langs scherpe randen lopen waardoor deze flinke beschadigingen oplopen, en meer van die fratsen.

Er is ook een heel nette man bij die alleen kijkt en af en toe met de mensen praat. Hij is heel rustig en kan goed Frans. Via hem kan Jan een beetje communiceren met al die andere mensen, want naar hem luisteren ze goed.

Na flink wat graafwerk, krijgen we de Daf zo goed als rechtop. Hij hangt nu nog scheef met zijn achterwiel in dat diepe gat, en ligt voor de rest met beide differentiëlen stevig in het zand.

Jan geeft aan dat er nog veel meer voor en tussen de wagen moet worden weggegraven, maar de mensen hebben geen geduld meer. Ze willen trekken met de zware bulldozer. Jan legt uit dat dat niet gaat, de lucht is van de Daf af, dus de handrem staat er dan ook nog op. Lucht draaien en de Daf mee laten trekken in 4x4 gaat ook niet, want vrijwel alle olie is uit het motorblok gelopen. Toch proberen ze het, maar het heeft geen zin, de Daf beweegt iets, maar komt niet los. Er wordt verder gegraven en ondertussen haalt iemand olie, netjes nieuw in 5 liter cans, met een bonnetje erbij wat het kost. De Daf hangt allen nog te scheef om het er in te gieten. Nog wat trekwerk en hij staat iets rechter overeind. Olie er in en starten. Hij pakt gelijk aan en na even lucht te hebben gedraaid in 4x4 laag, bulldozer ervoor en eindelijk komt hij los, en staat hij weer netjes op vier wielen. Iedereen juicht. Mariska heeft het moment-supreme gemist, omdat een man of vijf haar aan het hoofd zeuren om paracetamol, of iets dergelijks. De ene heeft hoofdpijn en de andere keelpijn. Ze geeft ze pepermuntjes, een erg lekkere placebo, want bij de medicijnen kunnen we niet.

 
 
  We bedanken iedereen voor alle hulp, en vragen ons af wie we allemaal wat moeten geven, en hoeveel. Dan komt de nette rustige man naar ons toe, en stelt zich voor als de “burgemeester” van de nabij liggende stad Taourirt en omgeving. Hij zegt ons dat we niemand ook maar iets moeten geven. Er is ook niemand die ergens om vraagt. We vinden dit wel wat vervelend, maar hij zegt het nadrukkelijk. Hij zal het regelen.

Verder geeft hij aan dat alle kosten voor de machines voor rekening van de gemeente komen. Ongelofelijk. In Nederland zou je nog een dikke boete krijgen voor het milieudelict. Het blijkt dat de graafmachine en bulldozer van een grondverzetbedrijf zijn. De chef daarvan meldt zich eerst bij Jan, maar de burgemeester mengt zich er gauw tussen, en tekent alle werkbonnen af. 
 
Na met iedereen op de foto te zijn geweest, en iedereen bedankt te hebben, zoeken ze allemaal weer hun hutje op, en wij doen het zelfde. Na de eerste opruimwerkzaamheden, heerlijk weer in ons eigen bed. We besluiten precies op deze plek te blijven staan om de dag erop de schade op te maken, alles te checken, nodige reparaties te doen en de resterende boel op te ruimen. De burgemeester geeft ons nog zijn telefoonnummer. Als we in de stad, 20km verderop, zijn moeten we hem beslist even bellen. We vallen als een blok in slaap.

Om zeven uur de volgende ochtend staat Panchito al weer voor de deur: he amigo! Athai! Athai betekent thee in berber. En dat roept hij de hele dag. We gaan er uit. Jan zijn oog voelt na een goede nachtrust gelukkig al een stuk beter aan, maar traant en irriteert nog wel. Panchito zegt dat hij aan het werk moet, maar vond het nodig om nog eerst even ons een bezoekje te brengen. Hij heeft brood en ei voor ons bij zich. Om acht uur moet hij een eindje verderop in de rivierbedding zijn om samen met een paar makkers met de hand een grote vrachtwagen met zand vol te scheppen. Hij schroeft zijn driedelige pijp in elkaar, en rookt een lekker wietje. Heerlijk, zo vroeg, net voor het werk. Hij vraagt of wij ook willen. Nou euh, nee, wij drinken wel een kopje “athai”.  
 

  We maken van de gelegenheid gebruik om hem nogmaals te bedanken voor alle hulp de afgelopen twee dagen, en willen hem er geld voor doen. Hij wil daar absoluut niets van weten en neemt het geld niet aan. Jan verstopt het geld dan maar tussen zijn lunchpakketje dat aan het stuur van zijn brommer hangt. Ook krijgt hij een badmintonsetje mee voor zijn kinderen. Hij heeft overigens een erg coole brommer. Het is een oude Peugeot. Al het niet noodzakelijke is er af. Zo zitten er geen remmen op, of ander poespas zoals licht of spatborden. Zelfs geen uitlaat, je ziet zo de zuiger achter de uitlaatpoort op en neer bewegen. Geen luchtfilter, van alles niets. En dat blijft nog rijden in dit zand en stof ook. En hij scheurt er mee als een gek (dat is ie ook). Je hoort hem van verre aankomen. Al om half negen gaat hij naar zijn werk, men kijkt hier niet op een half uurtje. Wij beginnen met de opmaak van de schade:
-         veel opruimwerk, maar verder binnen geen schade (behalve alle kapot gevallen potten jam, honing, etc en er zijn 6 opbergbakken van Gies kapot)
-         frame rechterspiegel krom (spiegel is nog heel, das knap!)
-         deuk in de rechter deur van de spiegel
-         opbergbak voor het gereedschap gedeukt, klep gaat niet helemaal open
-         scharnieren ontzet van rechter “garageklep”
-         rechter dieseltank ingedeukt en dop kapot
-         een lichte glooiing in de zijwand net achter het wc raam
-         ventilatieroostertje eruit
-         klein scheurtje in de binnenwand bij het opbergvak boven de motorfiets
-         gescheurde uitlaatslang van de standkachel
-         een beschadigd liertouw en sleeplint

Het valt allemaal erg mee. Mariska gaat flink aan de schoonmaak binnenin, alles zit onder bloem, custardpoeder, honing en jam. Ze weet niet waar te beginnen, wat een zooi. Jan richt de scharnieren van de garagedeur, en ruimt alle kratten en de reservebanden er weer in. Ook richt hij nog de gereedschapsbak, zodat deze weer open kan. De rechter spiegel wordt weer afgesteld zodat deze weer bruikbaar is. 

Er komt nog een knaap langs die geholpen heeft (of gekeken, dat weten we niet). We bieden hem thee aan en hij geeft ons een stuk of tien kleine vissen die aan een stokje geregen zijn. Die heeft hij ’s morgens in het meer gevangen, het zijn kleine baarsjes. Erg aardig van hem. Praten met hem gaat niet, hij kan alleen berber. Hij zegt tegen ons ook geen woord, maar doet alles in gebarentaal, zonder ook maar een geluid te maken. We hoorden van Panchito dat toen hij 14 was zijn vader overleed, en hij sindsdien niet meer naar school kan, maar voor moeders en het hele gezin moet zorgen. Hij is nu 17.

Als de Daf weer een beetje opgeknapt is trappen we hem aan om alsnog bij het stuwmeer te komen. We zoeken en proberen allerlei routes, maar met de schrik van het kantelen nog in de benen durven we ineens de rivierbedding niet meer over te steken. We besluiten een stuk terug te rijden en het via het asfalt te proberen. Zelfs de route terug ziet er ineens een stuk gevaarlijker uit, terwijl deze toch echt hetzelfde is als op de heenweg. Voor sommige hindernissen zoeken we nu een alternatieve route. We hopen dat die schrik weer gauw verdwijnt, want zo is terreinrijden geen lolletje. En dat was in de rest van Afrika toch wel de bedoeling.

Uiteindelijk komen we op het asfalt, en kunnen we goed bekijken of de wagen misschien ook scheef is, en of hij nog wel goed spoort e.d. Dit blijkt allemaal goed in orde, niets aan de hand. Wel doet de rechter voorrem erg weinig door alle motorolie die er in is gelopen. Dat schoonmaken is veel werk, dus dat moet er maar uitbranden bij flink remmen. Even rekening houden met remmen dat hij nu naar links trekt.

 
 
Jan met de gekregen visjes.
 
 Ze zijn echt enorm!

Barrage Mohammed V is een mooi meer met aardig wat groen er om heen. O.a. dennen en eucalyptus bomen. Hier besluiten we maar eerst een dag of twee te niksen. Even bijkomen. Er zijn veel vogels te zien. Vrouwen uit het dorp doen er de was, en de kinderen zwemmen. Mooi om naar te kijken (we kunnen er nog steeds van genieten als we Marokkanen aan het werk zien). ’s Nachts is het er erg rustig.

 

 ’s Morgens bij het ontbijt ziet Jan in een ooghoek (langs de cactusstekel heen) een wel heel trage hagedis langs de boomstam kruipen. Nadere inspectie leerde dat het een kameleon was, van zo’n 30cm lang. Langzaam loopt hij de stam af naar beneden en over de grond richting het meer. Daar zijn geen bomen, maar lopen wel veel geiten en schapen, en af en toe mensen. We zijn bang dat ie misschien vertrapt wordt, en pakken hem op. Hij houdt zich goed vast aan Mariska’s t-shirt, en met zijn ovenwantjes klimt ie voorzichtig langs haar arm op haar schouder. Door het witte t-shirt verkleurt hij langzaam van lichtbruin naar grijswit. Het is een schitterend beestje om te zien, met zijn onafhankelijk bewegende ogen.

We zetten hem terug in een boom, waar hij weer vrolijk verder omhoog klimt. Af en toe een vliegje vangend met zijn grote roltong. 

DINSDAG 26 JULI 2011, de burgemeester
We besluiten weer eens te verkassen. We rijden door Taourirt en hebben beloofd daar de burgemeester op te zoeken. We hebben zijn adres, en vragen 2x naar de weg, maar men kan het ons niet uitleggen. We hebben ook zijn telefoonnummer, en willen hem bellen. Dan zien we in een wasstraat een auto met NL-kenteken. Vast een Nederlandse Marokkaan. Misschien kan hij ons de weg vertellen. Dat lukt niet, maar hij wil wel de burgemeester even voor ons bellen. De burgemeester vraagt ons te wachten, hij komt naar ons toe. Wij gaan met de Nederlandse Marokkaan, samen met zijn broer en neef, op een terras zitten. Heel toevallig zien we ineens de man voorbij lopen die bij ons ’s nachts de wacht heeft gehouden. We bedanken hem voor zijn hulp en geven hem ook een vergoeding voor alle werk. Hij had ook voor het eerste graafmachientje, nieuwe motorolie en een tractor, bestuurd door zijn 14 jarige zoon, gezorgd. In het dorp hebben we naar hem gezocht, maar konden hem niet vinden.

De burgemeester is inmiddels gekomen en schuift aan op het terras. De Nederlandse Marokkaan blijkt een handige tolk, we kunnen nu een stuk beter met de burgemeester praten. Onze tolk heeft in Nederland een goedlopend cateringbedrijf in Aalsmeer, en verzorgd o.a. de catering bij de film/tv studio’s. Na een tijdje geven we aan verder te willen, en de burgemeester zegt dat we maar achter hem aan moeten rijden. Jan wil afrekenen, maar dat wil onze tolk niet hebben, hij betaalt, ook voor de burgemeester. We hebben geen idee waar de burgemeester ons naar toe wil brengen, maar het blijkt dat hij ons naar een geschikte overnachtingsplek wil brengen. Het is bij een air de repos, een soort parkeerplaats op een belangrijk knooppunt van twee grote wegen. Het is parkachtig, met een aantal winkeltjes, tankstation en een restaurantje. 

We drinken en eten nog wat samen op het terras bij het restaurantje. De harira (soort linzensoep) smaakt goed. Er komt ook nog een Spaanse vriend van de burgemeester bij zitten. Veel gespreksstof hebben we eigenlijk niet, en na een paar uur zijn wij het een beetje zat. We bedanken nogmaals hartelijk voor alle hulp en zeggen dat we “naar huis gaan”. Wij willen afrekenen, maar weer mogen we niet betalen. Het is nu de Spanjaard die betaalt. We kennen de man niet eens, wat een gastvrijheid. We nemen afscheid. We willen hem nog even de camper van binnen laten zien, en er blijkt weer een kastdeurtje niet goed dicht te hebben gezeten. Het slotje is waarschijnlijk iets beschadigd door het omvallen en Jan stelt het slot iets bij. Weer van alles over de vloer, waaronder een glazen pot met zonnebrandcrème, die dus kapot is geknapt. Wat een zooi.

De slaapplek blijkt niet zo rustig. Er komt ’s avonds steeds meer volk. Op een gegeven moment komt er een bruidspaar met de hele familie en vrienden luid toeterend de parkeerplaats op. Ze gaan pal naast onze auto hun bruiloftsfeest vieren, tot in de late uurtjes. Ze hebben muziekinstrumenten bij zich en er wordt gedanst en de vrouwen joelen tot in de kleine uurtjes. En dat op een parkeerplaats langs de weg. Omdat er de volgende dag nog veel op te ruimen valt, blijven we ondanks de herrie nog een dagje hier staan.
 

DONDERDAG 28 JULI 2011, picknick
We rijden via de nieuwe snelweg tussen Fes en Oudjda richting Taza. De snelweg is net vier dagen open. De eerste maand is het gratis, daarna moet er tol betaald worden. Op het stuk van 120km dat wij via de snelweg rijden, zien we al op 5 plekken de vangrails flink in de kreukels liggen. Dat hebben ze dan al weer rap voor elkaar.

  We nemen een smalle bergweg richting Bab Bou Idir. Na ongeveer 15 km zien we een mooie parkeerplaats met picknickbankjes in een open eikenbos. Een prima plek om te overnachten. Ondanks de picknickmogelijkheden blijkt het een mooi rustig plekje. Niets geen hangvolk of zuiplappen. 
Tijdens ons erg late ontbijt buiten, komt er een Nederlands-Marokkaans gezin langs. We hebben nog maar net een half uurtje ons ontbijt op of we worden, na eerst lang kletsen, door hen uitgenodigd om mee te picknicken. Nou, prima hoor, we hebben nog wel plek over. De familie bestaat uit ongeveer 15 personen, en de mannen en vrouwen zitten apart aan een picknicktafel. Na iedereen een hand te hebben gegeven gaat Mariska bij de vrouwen zitten, en schuift Jan bij de heren aan. Er wordt een stuk plastic op de tafel gelegd, met op elke hoek iets zwaars, zoals een pak melk of een steen, zodat het niet opwaait. Het is erg gezellig. Eerst wordt er thee gedronken. Dan wordt er een snelkookpan van de gaspot gehaald met aardappelen en kip in Marokkaanse kruiden. Alles is knalgeel. Dit werd op twee grote schalen gedaan, één voor de mannen, en één voor de vrouwen. Bestek gebruiken ze niet, met brood moet je de aardappelen met saus uit de schaal lepelen. Van de kip scheur je gewoon stukken met je vingers af. Als toetje was er watermeloen. Alles smaakte heerlijk, en de mensen waren erg vriendelijk.

Na het eten werd alle afval op het plastic kleed gegooid. Dat werd aan de vier punten opgepakt en hup met plastic en al in het bos gegooid. Dat dit anders kan hebben ze dus nog niet geleerd in Nederland. De mensen rijden verder naar een zwembad in de buurt, dat gevuld wordt door een natuurlijke bron. We nemen afscheid, en ze geven ons nog hun telefoonnummer, voor als er problemen zijn. Supervriendelijk. Wij blijven nog wat rondhangen (is er toch nog hangvolk). Er komen af en toe wat schapen, geiten en koeien langs.


De grot is enorm diep, onderin aan de rechterkant zie je het pad nog lopen. Rechts van de plaats waar de zon op de grotbodem komt, staan twee mensen, witte stippen, zo ver weg. Zelfs wij dachten eerst dat het plastic zakjes waren, tot het bewoog. 

ZATERDAG 30 JULI 2011, grot bekijken
We rijden door naar de grot “Gouffe du Friouato”. Je kunt alleen het eerste deel bekijken, of een tour boeken met een gids, voor de rest van de grot. Dat is meer speleologie, kruipend door smalle gangetjes met veel lekwater en klei. Ongeveer 3 kilometer en duurt enkele uren. We besluiten het dus maar bij het eerste te houden, ook al verwachten we er niet heel erg veel van. We hebben wel vaker grotten bezocht. Zal dit dan veel verschillen?

De ingang van de grot is echter adembenemend. Via een gang kom je bij een enorme grotkamer. Hij is in zijn totaliteit maar liefst 160 meter hoog. Rondom steile wanden. Je kijkt over een rand zo’n 120 meter naar beneden, en 40 meter boven je is het dak van de grot, met daarin een rond gat, waardoor de zon schijnt. Een felle bundel zonlicht verlicht daardoor de grot. Het is echt indrukwekkend. Eén kant van de grotwand is begroeid met mossen, klimop en varens. Het is er lekker koel, altijd zo’n 13 graden. Via een smal pad, met af en toe steile trappetjes van staal en steen, dalen we langs de wand af naar de bodem van de grotkamer, tot aan de plek waar je alleen met een gids verder mag.

Ook van onderaf is het geweldig om te zien, en besef je nog meer hoe hoog het is.

Nadat we de grot bekeken hebben rijden we verder door een mooi bosgebied. Bij het dorpje Bab Bou Idir stoppen we om wat brood te kopen. De kern van het dorpje is eigenlijk een grote rotonde met in het midden wat bomen en picknickbankjes. Gelijk aan de rotonde ligt een groot sportveld en daarachter ligt een openluchtzwembad. De huizen liggen langs twee wegen die parallel aan het sportveld lopen. Het dorpje en het sportveld met zwembad is ooit opgericht door het Franse leger. Er staan dan ook typische Franse huizen met een schuin pannendak tussen, waarvan de meeste helaas in verval zijn. We laten de camper aan de rand van de rotonde staan, en lopen naar het dichts bijzijnde winkeltje. Daar moet je je niet meer van voorstellen dan een betonnen garagebox, met daarin een balie en wat schappen aan de muur, met enkele spulletjes.

De winkeleigenaar stelt zich voor als Aziz. Hij kan aardig Engels. Hij heeft geen brood, maar nodigt ons uit voor thee. In zijn winkeltje staat voor de balie een klaptafeltje, een bankje en twee kleine stoelen, waar we plaats nemen. Aziz zegt dat we hier rustig op de rotonde kunnen overnachten. We kijken elkaar aan. Midden op de rotonde in een dorp? We zetten de auto iets verder van de rotonde af tegen de rand van het sportveld en gaan het maar proberen. Een gek idee. Moet je je voorstellen dat je gratis staat te kamperen in de kern van een gemiddeld Nederlands dorp, laten we zeggen op het plein voor de kerk in Lonneker. Bovendien staan we normaal het liefst zover mogelijk van een dorp vandaan, uit het zicht om gezeur te voorkomen. We hebben geen zin om te koken, en vragen Aziz of er een restaurant is. Hij zegt dat een restaurant erg duur is, en nodigt ons uit om bij hem couscous te komen eten. Als we willen mogen we daar iets voor geven, maar dat hoeft niet.

We gaan op zijn aanbod in. Hij zegt dat hij ons komt halen als het zover is. Nou, dat duurt een eeuwigheid. We hebben al behoorlijk honger en denken dat hij ons vergeten is, maar tegen 21:30 uur komt hij ons eindelijk ophalen. Aziz brengt ons naar zijn huis dat achter de winkel ligt. Daar moeten we kijken hoe zijn vrouw Fatima en schoonzus Sarah het eten klaarmaken. Aziz zelf gaat weer naar zijn winkel, waardoor we ons een beetje ongemakkelijk voelen. Fatima en Sarah zijn erg vriendelijk, maar spreken bijna geen Frans, alleen berber. Gelukkig zijn er ook twee anderen, Achmed en Melika, die wel goed Frans kunnen.

Er zijn ook nog twee kinderen van Fatima en Aziz, een jaar of 10 en 12 oud. Ze heten Redda en Anaz. Achmed en Melika zijn van onze leeftijd en komen uit Rabat. Elk jaar komen ze met de bus hier naartoe voor een weekje vakantie. Aziz verhuurt een kamer. Na zo’n 1,5 uur was het eten klaar en kwam Aziz ook weer opdagen. Couscous op 1 grote schaal, met daarop stukken kip en verschillende soorten groenten en aardappelen. Daaroverheen een gele kruidige saus. Iedereen kreeg een lepel en eten maar.
Het smaakt goed, maar de sfeer was niet geweldig. Aziz vertelde later dat hij al jaren ruzie heeft met zijn vrouw. Ze praten niet meer met elkaar, en hij slaapt in een tentje boven de winkel. Om de kinderen blijft hij bij haar. Rare situatie, en dan nodigt hij nog gasten uit ook en zadelt zijn vrouw ongevraagd met het werk op.

Samen met Achmed en Melika aan de couscous

Aziz in zijn winkel aan de waterpijp, de Imam van het dorp is op bezoek

Na het eten gaat Aziz direct weer naar zijn winkel, waar hij met dorpsgenoten aan de waterpijp gaat. Wij drinken samen met de anderen nog thee en eten een appeltje. Er valt een stuk appel op de grond. Dat is voor de geit, zegt Mariska. Ha, zegt Fatima, die lust geen appel. Nou, volgens Mariska lust een geit alles, dus ze loopt naar het beest toe en houdt de appel voor. Hij snuffelt eens, maar heeft er echt geen zin in. Onbegrijpelijk, de eerste geit die geen appel lust. Misschien is ie gewoon bang om te vet te worden voor het aankomende suiker- of offerfeest. Tegen een uur of 00:30 gaan we maar eens richting camper. We geven Fatima nog wat geld voor het eten, waar ze erg blij mee is. We lopen via de winkel van Aziz, en zeggen dat we Fatima geld hebben gegeven. Hij sputtert een beetje en zegt dat Fatima dat geld niet met hem deelt. Tsja, daar kunnen wij ook niets aan doen.

We hebben met Melika en Achmed afgesproken dat we de volgende dag de behoorlijk hoge rots naast het dorp zouden beklimmen. Dat doen we dus, en Redda, één van de zonen van Aziz, gaat ook mee. Het is een mooi pad door een eikenbos. Vanaf de top hebben we een schitterend uitzicht rondom over omliggende bergen en valleien. In dit gebied is nog veel bos, een mooi gezicht. Na de tocht hebben we bij onze camper met zijn allen thee gedronken. Geen muntthee maar gewone Pickwick uit een zakje. Achmed en Melika kenden het alleen van reclame op televisie. We doen die dag verder niet veel. Ondanks dat we midden in het dorp staan is het erg rustig en hebben we gelukkig geen aanloop van nieuwsgierige lui. ’s Avonds lopen we met Achmed, Melika en Redda een rondje door het dorp, en drinken daarna bij Fatima koffie met kaneel. Erg lekker. Ook kregen we een soort vermicellipap met melk en suiker. Dat smaakte ook goed. Het was gezellig en pas tegen half één gingen we naar “huis”.

MAANDAG 1 AUGUSTUS 2011, ramadan
We zitten al mooi buiten met ons ontbijt, als we ons realiseren dat de ramadan vandaag is ingegaan. Niet dat wij daar aan doen, maar het is dan wel zo netjes om niet overdag in het openbaar te zitten eten of drinken. We verkassen dus maar naar binnen. Het is best fris en het regent af en toe een beetje. Prima weer om wat te klussen dus. De Daf verloor de laatste paar dagen erg snel zijn lucht, dus Jan is eens gaan zoeken met zeepsop. Er is een terugslagklep bij de luchtketel die wat lekt, en bij de voetremklep lekt ook lucht. Jan haalt beide uit elkaar. Er is niets kapot, maar wel hier en daar een beetje kalkaanslag door water wat in de perslucht heeft gezeten. Alles goed schoongemaakt en ingevet, en het werkt weer goed.
Ook haalt Jan de rechter dieseltank onder de auto weg. Deze is bij de minder professionele berging behoorlijk verfrommeld geraakt. Met behulp van de krik richt Jan de tanksteunen weer recht en met een grote hamer probeert hij weer een beetje vorm aan de tank te geven. Dat galmt het hele dorp door, maar de tank blijkt steviger dan hij lijkt. Er valt weinig aan te verbeteren. Wel lukt het om de vulopening weer zodanig vorm te geven dat er weer een dop op past. Das beter dan het plastic zakje met elastiek.

Jan ziet op de bodem van de tank nog wat oude bladerresten liggen. Door dat rotspul hebben we in Spanje al veel geouwehoer gehad met verstoppingen in de dieselleiding. Jan kan er zelf niet bij. Een paar ventjes die aan het voetballen waren zijn op het lawaai afgekomen. Jan vraagt aan één of die niet even met zijn armpje die rotzooi uit de tank wil halen. Hij kijkt er naar, maar heeft er niet zo’n zin in. Hij grijpt zijn nog kleinere broertje bij de kladden en geeft hem opdracht de rotzooi er uit te grijpen. Deze rolt zijn mouw op en klaart het klusje. Met zijn korte armpje kan hij net bij de bodem. Jan loopt daarna met hem naar de dorpskraan en geeft hem garagezeep met steentjes om zijn vette arm af te wassen. Dat vindt het ventje wel heel bijzonder. Daarna krijgt hij wat snoepjes voor het werk. Hij is er erg blij mee, en Jan ook.

De volgende dag wordt er nog een beetje verder geklust. Het ventilatierooster in de wand wordt er weer ingekit en de rechter spiegel wordt afgesteld. Allemaal nog vanwege onze capriolen in de rivierbedding. Mariska werkt ondertussen aan de website. We horen ook telkens een hoog gejank, wat door merg en been gaat. Mariska gaat op onderzoek uit. Het blijkt dat tegen de berghelling een puppy zit te janken. Mariska denkt dat het een verstopping heeft en masseert het buikje van het beest. Het is daarna even rustig, maar begint toch weer te janken. Dat was het dus blijkbaar niet. Waarschijnlijk geeft de moeder niet genoeg melk, dus gaat Mariska er naar toe met melk. Een knaap had het puppietje ook gehoord en net opgepakt om mee naar huis te nemen. Hij lijkt het beste met het diertje voor te hebben. Hij zet hem neer op het muurtje achter onze wagen, en begint alle klitten en takjes uit de vacht te halen. Mariska geeft het diertje de melk, dat direct opgeslobberd wordt. We zagen de moeder op de helling zoeken naar haar pup, heel zielig. Later zag ze dat de pup bij ons was, maar ze is te bang om naar ons toe te komen. De jongen noemt de pup Diablo, en neemt hem mee naar huis. We hopen dat het beestje het goed krijgt.

Jan wil nog wat brood halen bij Aziz. Aziz rommelt wat onder zijn balie en haalt er twee stuks van gisteren onder vandaan. Meer heeft ie niet. Bij de auto blijkt het brood aangevreten, waarschijnlijk door muizen. We voeren het maar aan de zwerfhonden. Volgens Aziz begint de ramadan vandaag pas en dus niet gisteren, zoals in onze agenda staat. ’s Avonds komt Redda ons nog twee koppen harira (linzensoep), wat dadels en twee knapperige in honing gedrenkte koekjes brengen. Erg aardig en erg lekker. Het bevalt ons hier wel dus we blijven nog een dagje staan. Aziz vraagt aan Jan of we Nederlandse muziek voor hem hebben. Jan vraag tof hij mp3’s kan afspelen. Dat kan hij wel. Jan brandt hem een dvd vol met Nederlandse muziek. Van Vader Abraham tot Doe Maar, van Tiësto tot de Spitfires. Alles. Wij gaan een stuk wandelen, en geven Aziz de dvd. Als we terug komen horen we muziek van K3 en André Hazes door het dorp galmen. Aziz blijkt een Chinese kopie van een flinke Bose installatie te hebben, en er komt behoorlijk herrie uit. Hij vind het prachtig en nodigt ons maar weer eens uit voor het avondeten. 


Uitzicht over Bab Bou Idir en omgeving, vanaf de rots achter het dorp

Als we bij onze auto komen staat er naast ons op de rotonde een mat-witte Mercedes E-klasse cabrio geparkeerd, met voorop een Nederlandse kentekenplaat, en achterop hetzelfde nummer maar dan op een gele sticker. We zagen hem al eerder door het dorp scheuren, met twee jonge knapen voorin en twee meiden op de achterbank. Dat valt op in een dorp, of nee zelfs een hele omgeving, waar de mooiste auto een renault 4 is en de rest op een ezelkar rijdt. En dit is de zoveelste keer dat we een auto zien met maar 1 echte Nederlandse kentekenplaat, en 1 namaak. We ruiken een vreemde geur rond de auto. Een geur van misdaad of van ons eigen belastinggeld, dat weten we nog niet. We checken voor de aardigheid het kenteken eens op internet, op de site van de RDW. Volgens het kenteken is het een zilvergrijze Mercedes E350 cabrio. Hij is nog geen jaar oud en er is een kleine 40.000,- euro aan BPM op betaald. Een auto van over een ton dus, nog geen jaar oud en toch al een ander kleurtje. Vreemd.

Als de jongens, van een jaartje of  20,  terug komen maakt Jan, veel te nieuwsgierig, een praatje. De bestuurder praat goed Nederlands en verbaast zich dat uit de dorpswinkel André Hazes klinkt. Mooie auto, wat voor motor zit er in? Een 350. Normaal rij ik altijd een AMG, want je moet hier in Marokko wel een snelle wagen hebben, wil je op die bergweggetjes kunnen inhalen, pocht de jongen. Wat is er met je kentekenplaat gebeurd? Oh, die is er afgevallen. Ja, dat heb je met die Mercedessen, alles rammelt er af, zegt Jan. Apart kleurtje ook, dat matwit. Origineel? Nou, nee. Het is een folie. De jongen opent een portier en de binnenzijde is nog zilvergrijs. Woon je hier in de buurt, vraagt Jan. Nee, ik kom uit het Rif. Ah, zegt Jan, dus daar betaal je die auto van. Nee, nee, zegt de jongen, dat niet. Hij begint zich ongemakkelijk te voelen en haast te krijgen, laat het dak elektrisch open vouwen en springt er met zijn vriend en de dames in. Hij zet ook André Hazes op en rijdt er vlug vandoor. Het blijft een mysterie. Maar we zijn helemaal niet bevooroordeeld. Het kan net zo goed een handige, jonge zakenman zijn die geen vogelpoep op de originele lak wil hebben...

We dachten dat tijdens de ramadan er pas na zonsondergang gegeten wordt, maar we eten bij Aziz tegen 20:30 uur en het is nog licht. Mariska heeft casavechips gebakken en neemt dit mee. Ook heeft ze nog een zak vol mooie schelpen, waar de vrouwen misschien sierraden van willen maken. Die schelpen wil Aziz echter hebben. De vrouwen krijgen alleen een beetje chips mee. Wij eten met Aziz, Redda, Anaz en nog een ventje in de winkel, de vrouwen eten thuis. Fatima heeft haar moeder en een vriendin op bezoek. Na het eten haalt Jan uit de auto een goede fles rum op, die we een aantal jaren geleden in Cuba hebben gekocht. Dit moet volgens Aziz stiekem gebeuren, onder het t-shirt, want voor moslims is het verboden, en het is nog Ramadan ook. Aziz gooit het achterover alsof het water is. Hij proeft het niet eens. Hadden we beter goedkoper bocht kunnen uitdelen. Als er een klant binnen komt wordt de fles angstvallig weggeschoven en drinkt hij gauw een kop koffie, bang dat de klant het ruikt. Zo zitten we als een stel tieners stiekem te drinken. Volgens Aziz staat er 24 uur gevangenisstraf op, maar dat begrijpen we niet helemaal. Alcohol is in Marokko niet verboden, en het is nog op privé-grond ook. Er komt later nog een vriend van Aziz binnen, die het ook al zo achter in zijn hals gooit. Er zat nog 1/3 in de fles, en we laten hem maar achter.


Kikkertjes in de droogtescheuren van de modder

DONDERDAG 4 AUGUSTUS 2011, kikkers
Achter het plaatsje Bab Bou Idir waar we nog steeds staan, is een mooi dal, waar we een wandeling van enkele uren maken. Er zitten bronnen en er lopen dus her en der beekjes door het dal. De mensen hebben er kleine akkertjes en af en toe lopen er wat schapen, koeien, ezels en geiten. Er is een deels opgedroogde drinkplaats waar het wemelt van de kikkers. Hele kleine in allerlei kleurvarianten. Van fel groen tot wit-parelmoer. Het zijn waarschijnlijk jongen, waarvan de eindkleur fel groen is. Verder zien we regelmatig behoorlijke hagedissen. Het is een prachtig dal. Vlak voor we het dal verlaten komen we nog bij een bron met ijskoud water. Hier kunnen we ons even verfrissen en de drinkflessen bijvullen.

Later bij de auto wilden we onze drinkwatertanks vullen. Vlak achter de auto zit de dorpskraan, dus dat is een eitje. Ons oude water smaakt niet lekker, dus dat laten we weglopen. Als we de dorpskraan openen, blijkt er geen water meer uit te komen. Jan doet navraag, en het schijnt dat bij het zwembad de pomp wordt geregeld. Jan vraagt of ze de pomp aan willen zetten, maar krijgt als antwoord dat dat pas morgen weer gebeurd. Lekker dan. Morgen willen we vertrekken, en nu hebben we geen water. Ook hebben we water nodig voor het avondeten. Jan probeert nog wat, maar het heeft geen zin. Na een uurtje loopt hij nogmaals naar het zwembad, en praat met iemand anders. Die verteld dat de pomp kapot is. Das lekker, waarom vertellen ze dat niet meteen? Dan hebben we morgen dus ook geen water, want met reparaties zijn ze meestal niet zo snel. Jan biedt aan om naar de pomp te kijken. Dat is goed. Hij loopt mee naar een grote diepe put achter het zwembad. De put heeft een doorsnede van zo’n drie meter, en lijkt eindeloos diep. Hij is afgesloten met een deksel. Er naast is een hokje met een hydrofoor. Maar de hydrofoor is al kapot. Normaal zou hij op een bepaalde tegendruk, dus als de kraan gesloten is, de pomp automatisch uitschakelen. Nu dus niet meer, en laten ze de pomp gewoon doorlopen, ook al is de kraan dicht. Maar dat lijkt niet het probleem. De bedrading is gewoon brak. Alles is gewoon aan elkaar gedraaid met een plakbandje er om.

Jan meet e.e.a. door met zijn multimeter. De condensator is nog goed, maar krijgt geen stroom. Jan haalt de bedrading los en biedt aan kroonstenen uit de auto te halen om de bedrading een beetje te fatsoeneren, hoewel dat ook niet de fraaiste oplossing is, maar altijd beter dan dit. Dit vinden ze niet nodig. Ze knopen de gammele bedrading weer aan elkaar, en het maakt nu tenminste weer even contact, dus de pomp doet het weer, voor zo lang het duurt. Stelletje prutsers. Maar wij kunnen onze watertank in ieder geval vullen. Ondertussen heeft Mariska bezoek gehad van Sarah. Ze heeft de camper bekeken en vond het erg mooi. Ze vraagt Mariska om een bh. Mariska probeert haar duidelijk te maken, dat die bh misschien wel een beetje aan de krappe kant is, maar ze wil er toch heel graag één. OK, Mariska schenkt Sarah een bh die toch zeker twee cupmaten te klein is. We zijn benieuwd hoe dat zit.

Het komt er niet van om de volgende dag te vertrekken. We doen nog een paar klusjes. Mariska doet de was bij de dorpskraan. Is vast bijzonder, want het wordt door twee Marokkanen op de foto gezet. Opeens zegt Jan:”zit ie daar nou te schijten?” en inderdaad, aan de rand, maar wel OP het sportveld zit een jochie van een jaar of 8 te poepen. Zijn vader staat een paar meter verderop te wachten, alsof ie zijn hond uitlaat. En daar moeten anderen weer voetballen. Onvoorstelbaar. Het word sowieso wat minder in het dorp. Er is een groep van zo’n 100 à 150 kinderen binnengekomen voor één of ander religieus jeugdkamp. De hele dag tot middernacht galmt harde muziek uit het kamp, met in elk liedje “Allah Akbar”. Ons iets te druk. Nu wordt het echt tijd om te gaan.

Marokko deel 3