ZATERDAG 5 NOVEMBER 2011,  entree in Senegal
Mauritanië hebben we nu gehad, nu inchecken in Senegal. We rijden de brug over de rivier over. Aan het eind van de brug is een gesloten slagboom. Er komt een vent naar ons toe met een bonnenboekje, en hij zegt dat we tol moeten betalen voor de brug. Nou, hoeveel dan? Och, slechts twintig euro. Wat, zoveel!? We willen de brug niet kopen, alleen er even overheen. Hij laat ons vluchtig het bonnenboekje zien. Jan pakt het boekje en wil zien wat anderen dan wel niet betalen. Allemaal 4.000 CFA, dat is zo'n 6 euro. Waarom moeten wij dan ruim het driedubbele betalen? Dat zijn personenauto's, jullie zijn een vrachtwagen. Tsja, maar drie keer zoveel is toch wel erg belachelijk. Bovendien is 6 euro voor een gewone auto ook al veel te veel voor 20 meter belabberde planken en een roestige reling.

In het bonnenboekje staat nergens een bedrag van 20,- euro of 12.500 CFA. De man zegt dat er sinds dit bonnenboekje nog geen vrachtwagen langs is gekomen. Jan vraagt naar een lijst waarop hij de klasse-indelingen met prijzen kan zien. Die is er niet, zegt de man. Jan stapt uit en laat de man de belabberde staat van de brug zien. Moeten we daar zoveel geld voor betalen? Ja, maar er komen nieuwe planken in, sputtert de man. Als je wilt kan ik ze je laten zien. Ja, ik geloof het, zegt Jan. Wordt hij dan ook nieuw geschilderd? Ja ook dat, zegt de man. Jan vraagt of het volgende maand klaar is, dan betaalt hij wel op de terugweg. Dat trucje werkt hier niet. De man zegt dat het nog zeker drie maand duurt en dat we nu moeten betalen. We laten de vrachtwagen lekker in de weg op de brug staan. We zeggen tegen de man dat we eerst de grensformaliteiten gaan regelen, en dat hij intussen goed na moet denken over een redelijke prijs, maar dat we zeker geen 20,- euro gaan betalen. Daar staat de Daf dan. Midden op de brug voor een gesloten slagboom, en wij gaan lopend Senegal in. Personenauto's kunnen er nog net langs. We komen eerst bij het hokje van de Senegalese politie. Die zet stempels in ons paspoort en wil daar, weer zonder betalingsbewijs, 10,- euro voor hebben. We laten weer ons fraaie formulier van Buitenlandse zaken zien, en het is zo gepiept, we kunnen naar het volgende hokje, zonder te betalen. Het lijkt wel een kanskaart van Monopoly.

Op naar de douane voor de Carnets. Die geeft aan dat we eerst een verplichte verzekering moeten afsluiten bij een hokje verder. Ja dat kennen we, dus dat wordt zo kort en zo simpel mogelijk. Het hokje verder blijkt gewoon een eettentje te zijn, waar een dame in een kleurig gewaad vanaf een plastic nep Hartmanstoeltje verzekeringen afsluit. We vragen naar het minimale, en dat is 10 dagen, alleen voor Senegal. Tegen meerprijs kunnen we ook voor alle CFA-landen een verzekering afsluiten. Nee, niet nodig, die meerprijs betalen we toch al. We zoeken in St. Louis of in Dakar wel een kantoortje op. Aan de hand van het vermogen van de Daf dat op ons kentekenbewijs vermeld staat berekent ze op onduidelijke wijze de premie uit. Deze keer zijn we blij met het beperkte vermogen van Daffie.

We hebben nog geen CFA's maar nog wat Mauritaanse ugiya's over. De prijs wordt 10.800 ugiya. Poeh, dat is nog altijd 28,- euro, bijna drie euro per dag. Maar goed, in Mauritanië was het nog duurder, en onderhandelen wagen we nu maar even niet. We tellen onze laatste ugiya's, en komen net op 10.300 uit, een anderhalf eurootje minder. We vragen of ze het er ook voor doet. Dat is goed, zegt ze, als we misschien een kleinigheid voor haar kinderen hebben. Och, dat is prima. We leggen uit dat onze auto nog op de brug staat, maar dat we later nog wel even langs komen met iets voor de kinderen. Het is helemaal in orde, en met de verzekering gaan we naar de douane. We zijn nog even bang dat die moeilijk gaat doen, dat we geen verzekering voor de motor hebben. Maar die willen we ook pas in St. Louis of Dakar afsluiten. Als we later op de papieren kijken, zien we dat ze een fout heeft gemaakt bij de datum, en we een volle maand plus tien dagen hebben. Nog beter. Of was de verzekering veel goedkoper, en heeft ze ons gewoon stiekem 30 dagen en tien dagen verkocht? We weten het niet, en laten het maar zo.

Bij de douane moeten we erg lang wachten voor we aan de beurt zijn. Jan gaat nog even terug naar de man van de brug, of hij al een mooie prijs weet. Ja, nog steeds het volle pond. Inmiddels staat er achter ons ook een personenauto met vier Senegalezen. Die vinden de 4.000,- CFA ook veel te hoog en weigeren ook te betalen. Jan vraagt wanneer de dienst van de man er op zit, en zijn opvolger komt. Om 18:00 uur, maar er komt geen opvolger, dan gaat de slagboom op slot. Voor de zekerheid doet hij er nu al vast een ketting om en sluit hem af. Och, zegt Jan, dan is het toch zo opgelost. Alle formaliteiten hebben we al, en met de haakse slijper maak ik de slagboom zelf wel open. De man wordt furieus en zegt dat hij dan direct melding maakt bij de politie. Jan loopt weer lachend weg. Ze zeggen altijd dat de Afrikanen aan de grens zo moeilijk doen tegen blanken, en er dan schik aan hebben als de blanken kwaad worden, maar andersom is ook wel een keer leuk. Het duurt en het duurt maar bij de douane. Jan loopt nog eens naar de slagboom. De Sengalezen staan er ook nog. Misschien hebben ze de 4.000,- CFA niet eens. Jan is het ook zat, en zet de vrachtwagen schuin op de brug, waarmee de hele doorgang geblokkeerd wordt. De grens met Senegal zit nu even dicht, en er kan ook niemand meer uit. Even kijken hoelang het nu duurt.

Jan gaat weer bij Mariska in de rij staan bij de douane. Het duurt niet zo heel lang of er komen een paar mannen aangelopen, en Jan moet meekomen. De Senegaleze politie staat bij de Daf en sommeert Jan de auto recht te zetten. Jan vraag nog bij welk land de brug hoort, maar volgens de politie hoort die bij beide landen. Jan zet de Daf recht, zodat ander verkeer er weer langs kan. Inmiddels doen de vier Senegalezen beklag bij de politieagent over de idiote prijs. Ook Jan voegt zich er bij. De politieagent beloofd het uit te gaan zoeken. Hij komt even later terug met een kopietje van een kopietje van een kopietje van het overzicht van de toltarieven, die nog net vaag leesbaar zijn. Daarop is inderdaad te zien dat de prijs voor gewone auto's 4.000,- CFA is, en voor vrachtwagens tot 10 ton 12.500,- CFA en voor vrachtwagens daarboven, als de brug het al houdt, nog veel meer. Jan doet nog zijn beklag dat dit best op een bord voor de brug mag staan. Daar is de agent het mee eens, maar we moeten het wel betalen. We willen verder niet tegensputteren, want als de agent het kentekenbewijs wil inzien en ziet dat we leeg al 10,5 ton wegen, wordt het grapje nog duurder. We beloven te betalen, maar pas nadat we de formaliteiten bij de douane hebben afgerond, en zolang staat de Daf nog op de brug.

Als we bij de douane eindelijk aan de beurt zijn, stempelt de man de beide Carnets keurig. We zijn er blij mee, want er gaan weer verschillende verhalen rond over het reizen met eigen auto in Senegal. Auto's ouder dan 5 jaar mogen niet ingevoerd worden, staat er in de Loney Planet. Meer niet. Het lijkt ons onwaarschijnlijk, maar het zal wel. Voor voertuigen zonder Carnet moet aan de grens een passavant gekocht worden voor 5.000 CFA, en ze moeten zich binnen 48 uur in Dakar melden, om deze passavant te laten verlengen. We hoorden van Carlos de Spanjaard, met zijn dikke MAN truck, dat dit in Dakar nogal het nodige kost. Voor hem blijkbaar dusdanig veel, dat hij binnen 48 uur rechtsomkeerd maakte en Senegal mooi liet voor wat het was. Na het stempelen van de Carnets geven we hem het kopiestrookje als bewijs, en hij begint voor ons alsnog een passavant uit te schrijven. We zeggen dat dit met het gestempelde Carnet niet meer nodig is, maar hij wijst op een bepaling die in het Frans op de deur hangt, waar we uit op zouden moeten maken dat het voor ons wel degelijk nodig is. Over auto's ouder dan 5 jaar wordt overigens niet gerept. We sputteren nog tegen, maar hij staat er op. Het is niet om geld zijn eigen zak in te toveren, want er komt een keurig betalingsbewijsje bij, en we rekenen i.p.v 5.000 CFA 8,- Euro af, wat overeen komt. Hij zegt dat we ons met het passavant binnen 48 uur in de haven van Dakar moeten melden, maar dat het vanwege het Tabaskifeest daar toch allemaal gesloten is. Als we er dinsdag zijn is het vroeg genoeg.

We hebben er helemaal geen zin in om als een gek die kan top te jakkeren. We willen nog een paar natuurparken hier in het noorden bekijken, en nog even in St. Louis rondhangen. Balend verlaten we het kantoor. Als we later de passavant nog eens bekijken, heeft hij hem voor de BMW uitgeschreven, en niet voor de Daf. Volgens ons is het allemaal flauwekul en we laten het er maar weer eens op aankomen, en doen gewoon op ons gemakje wat we van plan waren. Of dit verstandig is, weten we pas later, als we het land weer uit willen. Maar eerst nog die Daf voorbij de slagboom zien te krijgen. Jan haalt voor de gein nog even ons fraaie Holland-informatieboekje uit het woongedeelte. Daarin staat een mooie foto van de Zeelandbrug. Deze laat hij aan de man van de slagboom zien. Kijk, dit is pas een brug. En om er overheen te rijden kost minder dan over dit rotding van een meter of twintig hier. Als ik me niet vergis is het zelfs gratis. De man kijkt er met bewondering naar maar sputtert dat hij de prijzen niet maakt. Dat snappen we wel, maar jij bent de enige waar we tegen aan kunnen lullen. En het minste wat je zou kunnen doen is eens een stuk hout opzoeken en die drie simpele tarieven die er zijn er op te schilderen en voor aan de brug te hangen.

We laten hem verder onze zo goed als lege portemonnee zien, en schudden de laatste ugiya's en een paar CFA's, die we bij de douane retour kregen, er uit. Kijk, meer hebben we niet over. Bij ieder postje hebben we veel geld moeten betalen, en op dit na is het op. De man zucht nog eens diep, en zegt: oh, ik heb last van “fatique” (“ik ben zo moe van jullie...”). Mariska vraagt hem of hij niet kan doen alsof we een kleine auto zijn. OK, doe mij dat laatste geld maar en dan schrijf ik jullie wel in het boekje als een personenauto. Mooi! Omgerekend was het net iets meer dan 7,50 euro. Nog idioot, maar toch heel wat anders dan 20,- euro. Uiteindelijk is het nu helaas ook een soort verkapte omkoping. Hij schrijft in het boekje 4.000,- CFA, zo'n 6,- euro, en steekt de rest mooi in eigen zak. Het kost een hoop gezeur, maar de formaliteiten in Mauritanië en Senegal hebben ons nu slechts zo’n 14,- euro gekost, los van de verzekeringen dan. Als we betaald hadden wat ze vroegen dan waren we 95,- euro kwijt geweest. Eindelijk kunnen we rustig Senegal in rijden. Maar goed dat we altijd bijtijds bij de grens zijn, en er gewoon een dag voor uittrekken. Overigens was het oponthoud bij de brug niet wat zo lang duurde, het was het wachten op de mensen voor ons bij de douane. Het gedoe met de passavant en de Carnets is nog onduidelijk, maar dat zien we later wel.


 Patas monkey

We zoeken een mooi rustig plekje ergens in het wild. Dat valt nog niet mee. Langs de hele weg is het ongeveer dorpje aan dorpje. Toch vinden we een klein zandweggetje dat ons naar een mooie plek brengt. Savanne-achtig, met hier en daar wat vennetjes. Wel oppassen voor malariamuggen. We hebben voor ons bedgedeelte al het extra muskietengaas met rits bevestigd. Als we 's morgens vanuit het bed naar buiten zitten te loeren zien we patas apen door de bomen slingeren en over de grond rennen. Ze zijn echt wild, als ze ons horen zijn ze weg. Ook zitten er neushoornvogels in de boom. Ongelofelijk wat een verschil. Je steekt de Senegal rivier over, en de dierenwereld is gelijk veel talrijker en uitbundiger. En ook niet het Beekse Bergen idee: je gaat naar een wildpark en je ziet apen. Voor ons was dit een erg leuke verassing, aangezien we niet wisten dat hier apen zaten.

We blijven nog een dagje extra staan, en lopen wat rond in het gebied. Prachtig. Allerlei watervogels, een soort parelhoenders en veel grote en kleine nesten van verschillende soorten wevertjes. De ene soort vlecht heel kunstig mooie kleine bolletjes die als kerstballen in de boom hangen. De andere soort hokt meer bij elkaar, en maakt enorme nesten, die soms van het gewicht uit de boom vallen.

MAANDAG 7 NOVEMBER 2011, Djoudj
Zuslief Ellen is jarig en dat gaan we vieren met een bezoek aan Parc National des Oiseaux de Djoudj, vrij vertaald Nationaal vogelpark van Djoudj. Het nationaal park zou zo'n 20 kilometer van de verharde weg af moeten liggen, maar wij nemen natuurlijk de verkeerde afslag, en rijden veel meer kilometers onverhard door een schitterend gebied. De piste is ook goed, af en toe een kuiltje en wat wasborden. De weg leidt langs grote waterpartijen met allerlei vogels. Ook zien we weer hele families wrattenzwijnen. Als ze gealarmeerd zijn, gaat hun staartje rechtop staan en rennen ze er vandoor. Toch zijn ze een stuk minder schuchter dan de wilde zwijnen bij ons thuis. De volwassen mannetjes hebben behoorlijke tanden.

Als we eindelijk bij de ingang van het park aankomen, zien we tot onze verbazing bij het terrein van het hotel ervoor 2 Nederlandse campers staan. Niemand te zien, maar even later komt er een forse Hymer aanrijden waar het hele gezelschap inzit. Ze hebben net een tochtje met een pirogue door het park gemaakt. Het zijn 3 echtparen die onder leiding van een Nederlandse gids een flinke rondreis van een maand of vier door west Afrika maken. Van huis uit weggereden, en de campers gaan uiteindelijk met de boot weer terug. Toch ook een hele onderneming.

Wij informeren even bij het park, en besluiten er pas de volgende dag in te gaan. Door onze mooie omweg is het te laat geworden, en dus te heet. We knoeien nog even wat binnen aan het verslag voor de website. Met de airco aan is het goed uit te houden.

Eén van de Nederlandse mannen, Jan, is zijn mooie Hymer aan het wassen. Als hij weg wil rijden zakt het apparaat aan de voorzijde tot aan de bodemplaat in het zand. Muurvast. Met hulp van de anderen die scheppen en zweten krijgen ze hem niet los. Als wij er naar toe rijden om hem met de lier er uit te trekken, blijkt de ondergrond ons ook niet te houden. De bovengrond lijkt sterk en hard, maar is maar een centimeter of 15 dik. Eronder zit nat zand. Door onze grotere bodemspeling en 4x4 hebben we er niet zo'n last van, en lieren we de Hymer op steviger ondergrond.

's Avonds gaan we met de groep Nederlanders en hun gids mee naar het dichtbij gelegen dorpje. Het is Tabaski, en we zijn nieuwsgierig hoe men dat hier viert. Ergens in je hoofd denk je aan een feestje met een hoop getrommel en rieten rokjes, maar het gaat er veel rustiger aan toe. Het is vooral een familiefeest waarbij per gezin een schaap geslacht wordt, en hier vooral veel van gegeten wordt. Beetje een eetfeest, net als bij ons kerstmis.

We worden bij een familie uitgenodigd om mee te eten. Dat is nogal wat, we zijn in totaal met zijn zevenen! Weer een grote schaal waar ieder met de hand zijn kostje uithaalt. Het is een soort mie, geel van de kruiden. In het midden aardappelen en ui met schapenvlees. Het smaakt goed, hoewel we het schaap een beetje mijden, daar zijn wij twee niet zo fan van. We krijgen een aparte thee na. Het is thee met op de bodem een soort keelpastille, dat een sterke mintsmaak afgeeft. Best lekker.

Een van de mannen vertelt dat met Nederlandse hulp er een kanalisatie- en irrigatiesysteem naar en rond het dorp is aangelegd. Er is echter geen motorpomp. Deze kost volgens hen 2.000,- euro, en daar is simpelweg geen geld voor. De vrouwen halen nu water uit de rivier, met jerrycans. Telkens een flink eind lopen. We hebben er een dubbel gevoel over. Een irrigatiesysteem dat niet gebruikt wordt, dus de mensen schieten er niets mee op. Had die motorpomp er ook niet bij gekund? Van de andere kant: door alles maar te geven stimuleer je de mensen niet om zelf iets te ondernemen. Met een hele gemeenschap moet het geld voor een motorpomp toch bij elkaar te sparen zijn. We hebben ook al wat shops gezien hier, waar ze tweedehands te koop zijn. Later horen we dat het dan ook de afspraak was, dat de Nederlanders het kanalisatie systeem aan zouden leggen en de bewoners voor de pomp zouden zorgen. In overleg, dat beide partijen samenwerken voor een betere toekomst voor het dorp. Partij 1 heeft zijn klusje gedaan, partij 2 laat het er echter bij zitten.

Als we even later door het dorp lopen zien we een 4 duims motorpomp staan, met een tweecilinder dieselmotor. Van Indiase makelij. Het hele zaakje zit al een paar jaar muurvast en vol met zand. Inmiddels het repareren niet meer waard. En dat is waarschijnlijk ook het probleem. Niemand hier heeft kennis van zo'n ding. Het wordt niet onderhouden en bij de minst geringste hapering is het afgelopen met water pompen. Ook wordt er geen gemeenschappelijk potje gemaakt waar een reserve in opgebouwd wordt om dergelijke apparatuur te onderhouden en eventueel te laten repareren. Vicieuze circel: geen geld voor een pomp is geen water op de akkertjes. Geen water op de akkertjes is geen groente en fruit op de markt verkopen, wat weer geen geld voor een pomp betekent. Nou ja, ze laten de vrouwen met water sjouwen en ondertussen wordt er met een mobieltje gebeld.

 Nadat we het dorp bezocht hebben, borrelen we nog wat na bij de camper van Jan en Jeanette. Sinds behoorlijk lange tijd weer echt Hollandse koffie en een biertje, dat is lekker. Bedankt nog Jan en Jeanette!

Wij kamperen die nacht een eindje buiten de poort van het park. We hebben geen zin het volle pond te moeten betalen terwijl we geen faciliteiten gebruiken. Bovendien houden we van het wildkamperen. Vaak veel beesten om de auto, zoals nu een groepje wrattenzwijnen.

's Morgens zien we nog net de drie campers wegrijden, als we het parkterrein oprijden. Wij halen onze fietsjes uit de auto en gaan eens lekker sportief doen. Of dat helemaal de goed keuze was valt nog te bezien. Het is een behoorlijk groot park. De plek waar de piroques vertrekken is al 7 kilometer trappen. Onderweg maken we nog een ommetje naar een vogelkijkhut. We zien echter meer vogels zo vanaf de fiets dan vanuit de hut. Ook weer hier en daar wat wrattenzwijnen. Ook zien we weer behoorlijk grote varanen, tot een meter lang. Je kunt aan de dieren merken dat ze auto's wel gewend zijn. Passeert er een auto, dan blijven ze mooi zitten. Komen wij op de fiets er aan, dan is het schijnbaar ineens eng, en kiezen de meesten het hazenpad.

 

Bij het water waar de pirogues (wat helemaal geen echte pirogues blijken te zijn) vertrekken, zitten al behoorlijk wat vissende pelikanen, en prachtige zwart-witte ijsvogels. We nemen geen boot, maar fietsen nog wat verder. We zien nog verschillende reigersoorten, aalscholvers, mooie gekleurde bijeneters, jakana's, darters, curlews (weet de NL naam niet) en majestueuze visarenden met hun kenmerkende witte kop. En nog tal van onbekende rietpiepers, steltenlopers en scharrelaars.

Als we terug fietsen zien we nog een paar vosachtigen: jakhalzen of coyotes, we weten het niet. Als ze ons in het snotje hebben, gaan ze er vlug vandoor.

Een erg mooi park, en zeker de moeite waard. Fietsen is, vooral als het middag en dus erg warm wordt, een behoorlijk uitputtende bezigheid. Nu zijn we ook niet veel gewend natuurlijk.

Via de kortere piste rijden we in de namiddag met de Daf weer richting de asfaltweg. Vlak ervoor vinden we met moeite nog een mooie beschutte plek, aan een vaart. Jan gooit zijn hengeltje nog eens uit, weer zonder resultaat. Gelukkig zit er nog vis in de diepvries.

 De dag erop rijden we verder naar St. Louis. Nog een zeurderige politieagent onderweg. Bij buitenlandse auto's gaan ze flink op zoek naar iets wat niet goed is, om je dan de veel te forse bekeuring af te laten kopen om zo hun salaris aan te vullen.


St. Louis, schoner kan haast nie...

 

Maar zelfs Jan heeft zijn gordel om. Heel secuur denken we er aan ons knipperlicht te gebruiken als de agent ons de plek naar rechts wijst. Eerst wordt er een rondje om de auto gelopen. Jammer, mankeert niets aan. Kijken of alle knipperlichten werken, en het remlicht. Ook al jammer, het werkt. Intussen passeren de grootste brikken het controlepunt. De agent vraagt naar onze brandblusser. Trots laten we hem zien. Twee gevarendriehoeken? Hebben we ook. Calamiteitenhesjes dan? Laten we ook zien, netjes 2 stuks. Dan vraagt of hij er één mag hebben. Ja ben jij gek, en je collega verderop ons op de bon slingeren zeker? Na nog even zinloos zielig te hebben gekeken als een klein kind dat zijn zin niet krijgt mogen we weer verder. Ze hebben vast geen vorstelijk salaris, maar ze hebben in ieder geval een inkomen, wat velen hier niet kunnen zeggen. En dan zo je macht misbruiken, bah.

St. Louis is een leuke stad, met een oude koloniale stadskern op een eilandje, dat met een brug toegankelijk is. We krijgen al klachten van het thuisfront dat we zo vaak schrijven over alle afval, dus we vertellen nu niet wat een bende het hier is, hoe iedereen alles van zich afgooit zo langs het water, waar de pirogues haast vast zitten tussen de troep. En we zeggen ook niets over jongetjes en volwassen mannen die “en plein public” hun behoeften doen op het strand, het boeltje afvegen met een vodje dat ze op het strand genoeg voor het oprapen hebben, en vervolgens er weer op wordt gevoetbald. Jammer dat jullie die details nu moeten missen. Toch zou het thuisfront eens een kijkje moeten komen nemen.

De koloniale huizen zijn veelal aan het vervallen, maar met geld van Unesco worden er al weer aardig wat opgelapt. Ziet er mooi en kleurrijk uit. Het is een relaxed stadje, waar je zonder al te veel lastig gevallen te worden door heen loopt. Wel wat bedelende kinderen, en dan net die waarvan wij denken dat die het zo erg nog niet hebben (nette kleding, goede schoenen, etc).

We lopen ook nog even door de visserswijk, met een brug verbonden aan de andere zijde van het eiland. Hier is het een gezellige boel. Iedereen is op straat en er wordt muziek gemaakt. Veel vrouwen zijn mooi uitgedost. De hoofdstraat is bestraat, de zijstraten zijn gewoon mul zand. Auto's rijden er niet. Er wordt op straat gevoetbald en gedonderjaagd. We lopen ook nog even naar de moslimbegraafplaats. De graven van de vissers zijn bedekt met een visnet.

Langs de vismarkt, waar nu niets te doen is, lopen we weer terug. Sorry hoor,  maar het moet toch even: wat een bende! Ondanks dat het water er langs loopt, wordt het visafval niet weggegooid. De houten snijtafels staan gewoon diep in het rottende visafval. En morgen gaan ze daar zo weer met de verse vis op aan de slag. Maar goed, we hebben ons laten vertellen dat mensen hier andere normen en waarden hebben, en dat we dat moeten respecteren. Moeilijk hoor. Maar wederom eten wij geen vis vandaag.

's Middags troffen we bij toeval ook Jan en Rosalie nog, één van de drie Nederlandse camperaars die we bij Djoudj hebben ontmoet. Ze staan iets buiten het dorp en zijn even op de fiets rond. De fietsen staan nog maar net even tegen de brug, of er komt al weer iemand: Donnez moi le velo (geef mij die fiets). Pfff, in Marokko vroegen ze tenminste nog om slechts een eurootje.

Oude koloniale gebouwen in St. Louis

Na een schitterende zonsondergang met de fraaiste kleuren, met op de voorgrond uitvliegende vleerhonden rijden we de stad uit richting Zebrabar. Dit is een relaxte camping gerund door een Zwitsers stel, aan de rand van een natuurgebied, zo'n twintig kilometer buiten St. Louis. Het is een erg bekende plek waar overlanders elkaar treffen. Het is al stikdonker als we over het smalle weggetje de Zebrabar bereiken. En natuurlijk is het helemaal leeg, geen gast te bekennen. Jammer, daar kwamen we toch een beetje voor. We zoeken een mooi plekje en gaan bijtijds naar bed.

De volgende dag pakken we een kajak van de Zebrabar en peddelen naar de overkant, het natuurgebied Parc National de la Langue de Barbarie in. We gaan aan land op een lange strook land tussen Senegal River en de oceaan. Leuk om even rond te struinen, maar echt spannend is het niet. Waarschijnlijk moeten de meeste trekvogels nog komen. We peddelen nog een eind de lagune op, steken weer terug over om via de andere oever weer terug te peddelen naar de Zebrabar. We lopen nog wat over de camping. Best groot, met mooie ruime plekken. Ze hebben ook een relaxte buitenbar met daarboven een heuse uitkijktoren. We kunnen ons voorstellen dat als er meer reizigers zijn het hier best een gezellige boel is. Wel prijzig overigens, we betaalden voor 1 nacht 18,- euro. En hier en daar heeft de camping best wat onderhoud nodig. Het fraaie kunstzinnige hekwerk van de uitkijktoren is al vrijwel geheel losgeroest, en ook zijn de meeste douchekoppen kapot. Uit de douche kwam alleen koud water.

Aan de andere zijde van de camping is nog een waterstroompje, met een brede strook slik erlangs. Het barst er van de modderkrabben, duizenden. Het type met 1 grote schaar. Geweldig om te zien. Het valt ons op dat er “linkshandige” en “rechtshandige” zijn. Er loopt een bruggetje naar de overkant waar je in een stuk bos komt waar onder andere neushoornvogels zitten. De camping ligt er wel schitterend mooi, zo midden in de natuur.

We blijven niet langer en zoeken ons een mooi plekje 10 kilometer terug naar St. Louis, vlakbij het dorpje Guembeul. Hier is ook het gelijknamige nationaalpark. Af en toe komen wat dorpelingen langs. Maar ook leden van de “donnez-moi-club”.

We blijven er nog lekker een dagje staan. Jan probeert zijn kapotte computer nog eens nieuw leven in te blazen, en Mariska werkt wat aan de website. Verder lekker luieren, beetje puzzelen, echt vakantie. Buiten verzamelen zich af en toe wat kinderen die nieuwsgierig toekijken. Toubab (blanke) roepen ze. Dat wisten we zelf natuurlijk al, hoewel we al lang niet meer zo blank zijn als thuis.

Af en toe zien we een behoorlijk grote mier door de keet rennen. Met flinke kaken, die wil je niet in je teen hebben. Ze kruipen bij de douchebak ergens onder de vloer, langs de plint. We schatten dat het er een stuk of vijftien zijn.

Redelijk op tijd vertrekken we de volgende ochtend weer naar St. Louis, om inkopen te doen voor de middagsluiting. Er is weinig keuze in groente, en het is best prijzig. Het fruit ziet er mooi uit, maar is ook aan de prijs. Toch vreemd, er moet hier genoeg kunnen groeien. Of hebben ze allemaal de motorpomp kapot, en willen die paar die er wel één hebben die in een week terug verdienen?

Jan koopt nog een simkaartje voor onze simlockvrije dongel. Na veel geouwehoer doet het ding het nog niet. Hij gaat met pc en al op pad naar een internetshopje. Daar lukt het ook niet. Ze bellen er nog een “specialist” bij. Voor 4000,- CFA (hij vroeg eerst 10.000,- CFA, wil ie het wel fiksen. Het duurt  een dikke 2 uur, maar het lukt hem ook niet.

Altijd hetzelfde. De hele wereld roept dat het allemaal zo gemakkelijk is, maar als wij dat willen, dan lukt het niet. Jan knoeit er zelf nog wat mee, en zowaar, na een half uur werkt het. Voor sommige providers moet er met een code ingelogd worden, maar wij weten die code niet. Jan typt er stomweg “internet” in, en het werkt.

We hangen nog wat rond en genieten van weer een schitterende zonsondergang. Ze hebben trouwens in St. Louis de beste bakker tot nu toe op onze hele reis. Wat een lekker brood. Niet dat ellendige stokbrood zonder enige vulling, maar wat kortere dikkere broden met een heerlijke dikke zachte vulling. En dat voor 250CFA, zo'n 40 eurocent. Na eentje zit je hartstikke vol en ze smaken super. Zo'n leeg stokbroodje kost bij dezelfde bakker 30 eurocent, ze smaken wel redelijk, maar na 3 ben je nog niet vol. Snap niet dat mensen die kopen.

We staan met de Daf op een parkeerplaats op het eilandje midden in St. Louis, vlak aan het water. Eigenlijk wel best zo, en blijven daar mooi overnachten. Het is rustig, we hebben van niemand last, en ook niemand van ons. Vlak bij ons ligt een oud schip, dat ze nieuw leven in hebben geblazen. Nu doen ze er tochtjes mee over de rivier voor toeristen.

De volgend ochtend als Jan net even buiten loopt komen er nog wel drie mannen langs, waarvan één aardig te keer gaat. “Waarom sta je hier, en niet op een camping, toeristen horen op een camping!” “En je staat helemaal scheef, die strepen staan er niets voor niets!”

Jan zegt in het Nederlands lachend: Ga weg joh gek!. Viel niet in goede aarde, de man dreigt met de politie. Jan legt uit dat we niet op een camping willen staan, maar dat we liever onze spullen kopen bij de plaatselijke middenstand, i.p.v. een Europese campingeigenaar te spekken. En dat hij beter vreemdelingen hartelijk kan verwelkomen met “Welcome to Senegal!” i.p.v ze uit te schelden. Dan begint de man te lachen, slaat een arm om Jan heen, geeft hem een dikke knuffel (brrr) en aait hem over de bol. Met zijn twee makkers loopt hij weer verder. Rare jongens, die Senegalezen.

We rijden vandaag verder naar Lac Rose, onder mensen die de Dakar rally volgen net zo heilig als de Alpe 'd Huez voor fans van de Tour de France. Als we de stad uitrijden is er eerst weer een politiepost, weer een fanatieke. Na alle controles op remlichten, hesjes, blussers, triangels etc. vraagt hij ook de papieren van de auto en de passavant. Oei, die hebben we niet, maar we laten hem het carnet de passage zien. Als het niet goed is komen we er nu achter, en zijn we óf zo weer het land uit, óf krijgen we een dikke prent en moeten we ons z.s.m. alsnog in Dakar melden. Maar hij vind het helemaal goed. Ha, mooi dan. Dan wil hij ook nog even Jan's rijbewijs zien. Hij wrijft er even over, en heeft in de gaten dat het een kopie is (we geven geen originelen af, maar hebben overal behoorlijk goede geplastificeerde kleurenkopieën van). Hij wil het origineel. Jan laat hem zien, maar houdt het goed vast. De agent vindt het nog goed ook, en we mogen verder.

Er volgen nog meer politieposten, maar we mogen telkens doorrijden. Een paar waren met een andere auto bezig, en hebben ons niet eens gezien. Het landschap onderweg is mooi. Op het moment wel aardig dor, maar behoorlijk wat bomen. Ook al aardig wat baobabs. Meestal nog klein, maar af en toe ook beste joekels. We stoppen ongeveer 2km voor Lac Rose, en rijden een stukje van de piste af, precies tussen twee mangoplantages in. Hier staan we mooi verdekt. We zitten vlakbij een dorpje, en willen graag een beetje rust om de tent. Het is hier telkens moeilijk een plekje te vinden. Veel bebouwing langs de weg, en hier bij Lac Rose in de buurt veel plantages die afgezet zijn met een muur. Behalve die waar we nu staan. We verwachten eigenlijk dat er nog wel iemand komt die zegt dat we op zijn land staan, maar er komt die avond niemand. Het is natuurlijk netter om zelf op zoek te gaan naar de eigenaar, als die er al is. Maar dat kennen we wel van Marokko. Je betaalt of krijgt toestemming bij de één voor de nacht, en dan komt er alsnog iemand anders die ook zegt dat het zijn grond is.

We hebben een rustige nacht. Het is wel warm en vochtig. Alles klam en zweterig, bah. Jan heeft de auto al gestart als hij op het terrein ernaast een man met twee kleine kinderen ziet kijken. Hij loopt er even heen, en de man nodigt ons uit voor een rondleiding op zijn plantage. Het ziet er verzorgd uit. Vooral veel mangobomen, maar hij heeft ook een moestuintje. Daar verbouwt hij een soort peterselie. Op zijn erf is een grote diepe put. Gewoon open, terwijl zijn kleine kinderen er ook rondhangen. Vanuit de put haalt hij emmers water en kiept deze in een grote bak, vanwaar het met een buis naar zijn akkertje stroomt. Helaas loopt het moestuintje aan het eind op, zodat het water daar niet komt. Daar groeit de peterselie dan ook amper. Daar moet nog een beetje gegraven worden. We proberen te vragen waarom hij niet wat variatie op zijn land heeft. Maar vanwege ons gebrekkige Frans wordt dat niet duidelijk. Hij laat ons ook nog even de kippenren van zijn buurman zien. Die brengt heel netjes zo'n tweehonderd kuikens groot. Ze hebben veel ruimte, voldoende eten en water uit schone bakken, en zitten volledig in de schaduw. De ren is netjes aangeharkt. We zijn positief verbaasd. Menig kuiken of kip heeft het in Nederland slechter. We danken de man voor de rondleiding en geven zijn kinderen wat speelgoed.

Als we weg willen rijden graaft de Daf zich in in de zachte ondergrond. Shit, voor dat rotstukje moeten we dus nog even de banden aflaten, en dan weer oppompen. Met alleen achter er iets uit en dan 4x4 laag komt hij wel weer weg.

 


Zoutwinning Lac Rose

We rijden een rondje rond Lac Rose. Het meer is erg zout, en de bacterieën die daar van leven kleuren het water rose. 's Middags in de volle zon is dit het beste te zien. En inderdaad, als we aan komen rijden zien we een paars-roze meer. Er is een kleinschalige zoutwinning. Met kleine houten bootjes gaan ze het meer op en met een schop aan een lange steel schrapen ze het zout van de bodem. Dit kieperen ze zo in de boot, tot deze nog net een centimeter of tien boven het water ligt. Eenmaal aan de kant wordt het zout door de vrouwen met grote bakken aan land gebracht en opgestapeld. Iedere stapel krijgt het zelfde nummer als de boot. Het zout wordt hier gedroogd en er vindt sortering van kwaliteit plaats. Afhankelijk van die kwaliteit wordt het direct in zakken van 25kg verpakt, of door vrachtauto's in bulk afgevoerd. Het is enorm veel en zwaar werk, maar er kunnen blijkbaar wel aardig wat families van leven.

Voor ons is het interessant om te zien. We staan bij een hoopje wat grover zout van zo'n 1,5 meter hoog. “Dit gaat naar Europa voor op de wegen in de winter” vertelt de man die erbij staat. We kijken er naar en denken aan de afgelopen twee winters, en de enorme hallen van o.a. de Akzo, die zo goed als leeg waren. Dan zet dit beetje ook geen zoden aan de dijk.

We hobbelen verder rondom het meer. Het is een piste van aangestampte schelpen, met af en toe beste kuilen. Een de overzijde, aan de oceaankant, wordt er behoorlijk wat verbouwd. Keurige akkertjes met van alles en nog wat. Ook papayabomen. Mooi om te zien. Als we bijna rond zijn, loopt de weg een erf van een soort camping/recreatietoestand op. We kunnen dus niet verder. De enige optie is dan via de duinen over het strand. We zijn het banden aflaten een beetje zat. Maar van de andere kant hebben we ook wel weer zin om een paar daagjes op het strand te bivakkeren. Lucht van de banden af en de duinen in dus. Het is best mul, maar het gaat moeiteloos. Ook weer een paar steile stukjes. Dit is het gebied waar ook de rijders van de Dakar rally door hebben gecrost. Nu wordt het gebruikt voor dagtoeristen uit Dakar die achter een gidsje aan op een quad rondtuffen. We zitten dus met de Daf op de quad-baan, maar gelukkig zijn de meesten er net af. We zien nog een kameleon in de struikjes verdwijnen. De schutkleur is zo goed, dat als je hem even uit het oog verliest, je hem ook nauwelijks weer terug vind.

Eenmaal op het strand rijden we een flink eind weg van de drukte, tot we een mooi plekje vinden. We zetten de Daf hoog aan het strand, tegen het eerste duin. Het strand is niet zo heel breed, en we hebben geen zin aan natte voeten. Gelukkig kun je aan het vele afval zien hoe ver het water ongeveer komt.

Jan opent de deur en ziet dat door het gestuiter door de duinen het koffiezetapparaat op de vloer is gedonderd. Deze zit normaal stevig met een soort kleefstrip tegen de achterwand van het aanrecht aan. Op het aanrecht waar het ding stond ziet hij een groepje van de grote mieren versuft bij elkaar. Gauw een kopje erover om ze te vangen.

Mariska raapt het koffiezetapparaat op en er vallen wat mieren uit. Deze beestjes zijn nachtactief, en zijn nu duf. Ze hebben zich dus verschanst in de koffiezetter. Mariska schudt hem buiten nog eens goed uit, en tussen de vijftig en honderd dikke mieren komen er uit. Zo, we hadden dus al een paar dagen een hele kolonie aan boord. Eenmaal in het zand rennen ze als een gek naar de schaduw, onder de vrachtwagen dus. We vegen alles nog even goed uit, en rijden gauw een paar honderd meter verder, voor ze weer allemaal binnen zitten. Hopelijk zijn we er nu ook echt van af. Moet er niet aan denken wat er gebeurd was als dat koffiezetapparaat er niet afgevallen was, en we het gebruikt hadden. Dan rennen ze ineens massaal over je aanrecht. En het leken geen lieverdjes.


 Het leventje aan het strand hier bevalt verder goed. We vullen de komende dagen met vooral veel luieren, een beetje langs het strand slenteren, vissen, zwemmen, wat aan de website werken, puzzelen, lezen, films kijken, kleine klusjes doen zoals het repareren van de computermuis en Jan's computer weer aan de praat krijgen, wat nog lukt ook. De harde schijf is al maanden kapot, maar doet het nog heel langzaam, waar niet mee te werken valt. Maar gelukkig hadden we nog een oude harde schijf, die met  een beetje onbenul past in deze computer, en het werkt weer als een raket. Het dekseltje aan de onderkant van de computer staat wel helemaal bol, dus voorzichtig mee omgaan.

Dat vissen en zwemmen is een minder succes. Bij elke inworp heeft Jan beet, maar het is telkens een  stuk afval waar ie een gevecht mee levert. Meestal plastic zakken. Wat is die zee vervuild hier. De lol van het vissen is er heel snel af. Voor het zwemmen geldt hetzelfde, plus dat de branding wild is, met een sterke terugstroom. Oppassen dus.

Jan haalt 's morgens brood, en dat is geen straf. Met de motor crossen door de duinen op zoek naar een dorpje. Mooi werk. Met 6 stokbroden vol zand komt ie terug. Helaas zijn het weer van die holle  kwaliteitsloze stokbroden, dus de rest van de dagen bakt Mariska zelf brood. Lekker!

Het is er heerlijk rustig. Af en toe komt er een visser. Eén zit de hele nacht te vissen en 's morgens om half zeven staat hij voor de deur te roepen. Of we zijn vangst willen kopen. Mafkees. Bovendien hebben we zelf plastic zakken genoeg. Soms ligt er 's nachts een groepje van vijf kamelen voor de auto. 's Ochtends komt de eigenaar ze dan halen om met toeristen een eind verderop over het strand en door de duinen te hobbelen. Nee, het leven is hier zo zwaar niet. Voor ons dan. Wel is het hier behoorlijk vochtig, vooral 's nachts. Veel nevel van zee. Dat maakt wel dat de zonsondergangen geweldig zijn. Een grote bloedrode zon, en roze wolken aan de hemel.

Het strand wemelt van de krabben, die vooral 's avonds en 's morgens vroeg actief zijn. Veel kleine maar ook veel redelijk groten, van een centimeter of vijftien rond. Overal grote gaten in het zand van zo'n 6 à 8 centimeter doorsnede. Als we weer eens een kippetje uit de diepvries gehaald hebben (het is net de toverknapzak van Douwe Dabbert) leggen we het karkas buiten neer, op een papieren zak. Even kijken wat er op af komt. Even later horen we een geknisper van jewelste. We kijken uit het raam naar buiten, en de kip zit bedolven onder de grote krabben, die er om vechten. De hele avond gaat het geknisper door, en de volgende ochtend is er niets van de kip meer te bekennen. Hij is helemaal opgegaan, met botten en al. Zeer efficiënte opruimers, die krabben. Vanaf dan experimenteren we met wat ze allemaal lusten. De avond erop eten we vis (ja, ook uit de diepvries).  De koppen, staart en graten gaan naar buiten. Ook dit gaat helemaal op, niets blijft over.

Jan vindt op het strand zo'n grappige kogelvis, dood helaas. Het zijn die stekelige visjes met een papegaaienbek en kleine vinnetjes. Bij gevaar blazen ze zich op (bekend van tekenfilm Sharks). De vis heeft een harde stekelige huid rondom. Als het dezelfde zijn, zijn ze volgens het SAS-boek  giftig. Ook dit visje is voor de krabben. Ze krijgen de taaie, stekelige huid niet kapot, maar via de kieuwen lepelen ze de vis helemaal leeg. 's Morgens ligt er alleen nog een leeg vel. Theezakjes gaan ook helemaal op. Geweldige testjes met die krabben. Ze lusten echt alles en laten geen restjes over. Aardappelschillen, resten van de wortelen, olijven die wat zurig zijn geworden, alles. 's Avonds zitten we er met een zaklamp gefascineerd naar te kijken. En zo tikken de dagen voorbij.

 

MAANDAG 21 NOVEMBER 2011, Dakar
Sinterklaas is al weer in het land. Hier niet hoor, hooguit Zwarte Pieten. Tijd voor actie dus. Op naar Dakar, waar we eerst het e.e.a. moeten regelen. O.a. een verzekering voor de motor. Dan willen we ook nog naar Ile de Goree. Een eilandje vanwaar de slaven vroeger verscheept werden naar Amerika. De naam Goree zegt het al, een stukje Nederlandse historie om minder trots op te zijn. De wagen zit helemaal onder de zee-nevel. Door de ramen is amper nog naar buiten te kijken, en op de buitenzijde van de hele auto zetten zich grote zoutkristallen af. Goed voor roestvorming, zelfs op roestvaststaal.

We rijden een klein stukje door de duinen naar Lac Rose. Onder het oog van vele toeschouwers en straatverkopers pompen we onze banden weer op. De mannen zijn allemaal heel aardig, en begrijpen dat we geen souvenirs willen kopen. De meesten hadden ons al zien staan op het strand. Ze ouwehoeren wat en we geven ze les in hoe ze aan de afkortingen op de kentekenplaat kunnen herkennen uit welk Europees land een auto komt. De vrouwen zijn maar wat chagrijnig dat we geen sierraden van hen kopen.

Er komt een knaap op een forse quad langs. Of we ook even zijn banden willen oppompen. Natuurlijk, zo gebeurd zulke kleine bandjes. Als dit klaar is vraagt hij of Jan in ruil voor de dienst ook even met dat ding door de duinen wil scheuren. Tuurlijk, dat moet je Jan niet vragen... Hij scheurt volgas weg en komt er bovenop het eerste duin pas achter dat de knaap zelf nog achter op het bagagerek hangt. Zo... die heeft zich goed vast weten te houden. Terug gaat weer net zo onbenullig, maar blijkbaar is de knaap het gewend, want hij hangt er nog steeds. Misschien zit ie er met zijn broekriem aan vast.

We hebben ook nog zo'n 200 liter water nodig. Eén van de knapen zegt dat hij op het resort erachter werkt, en dat we daar wel water kunnen “krijgen”. Als Jan vraagt wat het kost, komt er weer zo'n enorm idioot bedrag naar voren. 10.000,- CFA, dat komt overeen met zo'n 15,- euro! Na weer wat gezeur, dat onderhandelen heet, wordt dit terug gebracht naar 2.000,- CFA, zo'n 3,- euro dus. Nog veel, maar we hebben geen zin om verder te moeten zoeken. Voor wie denkt dat 3,- euro voor 200 liter niet veel is: dit is gewoon water dat uit de tuinslang komt waar de prachtig aangelegde perken van het resort de hele dag mee bevloeid worden. De tuinman hangt die slang er bij ons even 10 minuten in en steekt 3,- euro in zijn eigen broekzak. In een land waar dit ongeveer een dagloon is. Dat is dus onze vorm van ontwikkelingshulp. Vandaar ook dat we ons niet bezwaard voelen om geen souvenirs te kopen.

De (tuin)mannen willen nog graag even bij ons binnen kijken, en dat laten we dan maar even toe. Ze vinden het geweldig. Wij mogen op onze beurt even een kijkje nemen op het resort. Wat mooi, en wat een luxe. Ineens zien we weer hele groepen toeristen. Hier zitten ze dus allemaal. In de dorpjes zie je er niet één. Op de muren van het half open restaurant schrijven veel bezoekers hun namen. Daaronder veel Nederlanders, zelfs met ware kunststukjes. Ook een groot aantal van zgn. Amsterdam-Dakar, of Brussel-Bamako etc. challenges. Stoere namen als de Stofhappers en de Zandhazen. Die rijden met 500,- euro brikkies van en naar de genoemde plaatsen, en laten de auto daar achter, als donatie. Ondertussen vertoeven ze dus in luxe resorts. We zijn erg benieuwd hoeveel zand ze onderweg nu daadwerkelijk happen... Maar vast ook een mooie belevenis. En altijd spannender dan tien dagen Salou.

We rijden verder naar Dakar. Een groot deel is erg slechte weg, vanwege de vele zandvrachtwagens die af en aan rijden. De hele asfaltweg is behoorlijk kapot gereden, één en al gaten en kuilen. We lezen in een reisgids dat er dagelijks meer dan 400 vrachtwagens met zand wordt verreden vanaf een duinengebied bij een klein dorpje naar bouwputten in Dakar. De afbraak van de beschermende duinen zorgt voor grootschalige kusterosie, terwijl het zand vaak van dubieuze kwaliteit is voor de bouw.

En weer worden we halverwege aangehouden door politie. Het gebruikelijke: papieren laten zien: kopieën geven. Dat lukt meestal goed, maar ook deze vertrouwt het rijbewijs niet. Het is ook verrekte lastig om zo'n pasje goed na te maken. Hij wil het origineel, en omdat het weer zo'n mannetje is, geven we hem dat. En dan begint het spelletje weer: nu zou onze verzekering een locale verzekering zijn. We laten hem de polis zien waarop staat dat dit niet zo is, maar hij loopt terug naar zijn collega, en begint te schrijven. Het duurt even. We zetten de auto uit en gaan kijken wat er loos is. Weer het spelletje met “the good guy and the bad guy”. De andere agent is heel aardig en begint over voetbal te praten. We laten ook hem zien dat we een geldige verzekering hebben. Hij praat met de ene agent. Dan roept de agent dat we ook het knipperlicht niet hebben gebruikt, dan is de bon daar voor. Zeer zeker hebben we het knipperlicht wel gebruikt, we letten er hier speciaal op. De agent schrijft toch verder de bekeuring uit en geeft deze aan Jan. Jan pakt hem aan en verfrommeld deze bekeuring en stopt hem bij de agent achter het bloesje, met de mededeling dat we het niet gaan betalen. De agent is helemaal verbouwereerd en zegt tegen de andere agent: “Zag je wat ie deed?”

Wij vragen de andere agent wat er loos is met zijn collega, en wijzen nog even op de zandauto's die langs rijden. De meesten hebben niet eens lampen, noch voor, noch achter. We lopen terug naar de vrachtwagen en Jan wijst op waarschuwende wijze met zijn vinger en zegt “dit is niet goed voor Senegal, helemaal niet goed” en dan willen we in de auto stappen. De  “good guy” komt ineens achter ons aan en geeft Jan's rijbewijs terug. Wegwezen dus. Altijd hetzelfde liedje. Het lijkt telkens een vooropgezet toneelspelletje. De ene dag is de ene de brave agent en de andere de “asshole”, en de andere dag misschien wel andersom. Die brave agent is hun uitvlucht als ze merken dat het uit de hand loopt, zonder gezichtsverlies van de strenge agent. Schijnbaar zijn ze ook een beetje bang dat een toerist er hulp van hoger hand bij roept, als ze het te gortig maken.

Eénmaal in Dakar aangekomen is het verkeer best een chaos. Nog niet zo erg als in Casablanca tijdens spitsuur, maar ook weer niet bepaald een zondagmiddag in de Dorpsstraat te Lonneker.

We gaan eerst naar een Casino supermarkt, een Franse keten. Vrijwel alleen geïmporteerde Franse producten te verkrijgen tegen absurde prijzen. Zo zien we 800ml yoghurtdrank staan voor omgerekend ruim 10,- euro, en 125 gram zout uit de Camargue voor ruim 5,- euro.  Wie koopt dit, en waarom doet zo'n Casino er niet meer aan om lokaal producten te betrekken? De zoutwinning bij Lac Rose zit nota bene slechts 20 kilometer verderop.

Met veel gezoek vinden we een aantal producten die binnen ons budget vallen en op de lokale marktjes slecht te verkrijgen zijn.

Helaas mogen we niet op de parkeerplaats van de supermarkt blijven staan voor de nacht. We moeten dus op zoek naar een veilige plek.

Het is al in de namiddag als we bij de haven een bewaakte parkeerplaats zien. We vragen of we er ook mogen overnachten. Ja hoor. Wat kost dat dan? “Slechts 30.000,- CFA”. Zo, dat hakt er in alsof het euro's zijn. In Marokko waren de startbedragen bij het onderhandelen altijd zodanig, dat je uiteindelijk ongeveer op de helft uitkomt. En als je dan een tegenbod deed dat erg laag was, waren ze beledigd. Hier is dat heel anders. Elkaar beledigen bij onderhandelen kan hier blijkbaar niet. 30.000,- CFA is zo ongeveer 45,- euro. En ze lachen er vriendelijk bij. We bieden 1.000,- CFA, zo'n 1,50 euro, en lachen vriendelijk terug. Na wat geklets en gedreig dat we dan wel ergens anders heen gaan, komen we op 3.000,- CFA uit. Nog altijd 4,50 euro, voor hier veel te veel, maar op een gegeven moment is het mooi geweest. En we moeten ook voor tien uur 's ochtends opgedonderd zijn.

We vragen de parkeerwacht of er een restaurantje in de buurt is, want zelf koken hebben we geen zin meer in. Ja, hoor, loop de kustweg om de hoek af en daar zit een hotel met een restaurant. Niet te duur? Nee, niet duur. Dat doen we dus. We lopen een hotel aan zeezijde voorbij, en zien dan een restaurant. Een mooie setting, met een soort pier een stukje in zee. Op het bord aan de straat staan beste bedragen, maar er staat met een speciale sticker ook een menu tussen met een Franse benaming, dat wij niet kennen. Het gaat om vlees met friet, voor een zeer geschikte prijs. Zal wel het dagmenu zijn. Dat nemen we.

Als we het pad richting het restaurant oplopen, een soort promenade, zien we links en rechts allerlei gegraveerde koperen platen met namen van mensen die hier gegeten hebben. Hoe verder we komen, hoe “belangrijker” ze zijn. Van bekenden uit de Dakarrally, komen we bij Stevie Wonder en Bono van U2, tot aan Kofi Anan, Chaque Chirac, Willy Brandt, de presidenten van Senegal, Gambia, Ivoorkust, en meer van dat soort gabbers (of zijn dat gappers?).

Chique boel dus. De aankleding is maritiem, alsof we op een schip zitten, met veel antiquiteiten uit de scheepswereld. Net een museum. Ook veel enorme hengels staan tentoongesteld, waarmee vissen tot een meter of vijf in lengte worden gevangen. En zelfs de bediening loopt in een matrozenpak. Zelf lopen we in ons door de zon vervaalde kloffie, met slippers aan de voeten. Als een ober in Donald Duck-kostuum resoluut op ons af komt denken we even dat we er zo weer uit gebonjourd worden. We nemen buiten plaats, op de grote veranda boven zee. Een schitterend uitzicht en de zon gaat al langzaam onder.

De ober brengt de kaart. We bestellen een sapje en een biertje en checken nog even de kaart. En ja, ook hier zit de sticker met het “dagmenu” op, voor dezelfde prijs. We vragen even voor de zekerheid wat dat rare Franse woord nu betekend. Dat is het kindermenu, zegt de ober... Slik...wat nu? Het drinken is al besteld. Ach wat kan het ook schelen. We kijken nog even op de kaart en bestellen een lekker biefstukje. En dat in een restaurant dat blijkbaar bekend is om zijn visspecialiteiten, maar het is zo lang geleden dat we biefstuk hebben gehad. Eigenlijk is het niet eens extreem duur, maar het is gek genoeg ook niet de haute cuisine die je na het zien van al die naamplaten zou verwachten. De biefstuk is lekker mals, de patatjes precies goed, en de groente erg karig, maar lekker. Maar het wordt opgediend op één bord als een tien-euro-menu in een toeristische badplaats. En de hoeveelheid is evenzo. Maar het smaakt heerlijk. Ondertussen genieten we van de ondergaande zon en het fantastische uitzicht.

Boven de stad verzamelen zich werkelijk zonder te overdrijven duizenden grote roofvogels. Maatje ergens tussen een kraai en een buizerd in. De lucht ziet er zowaar zwart van. Allemaal cirkelen ze rond, schijnbaar zonder tegen elkaar op te botsen. Vlak voor het echt donker wordt hebben ze allemaal een plekje voor de nacht gevonden. Dakranden van kantoorgebouwen en antennemasten, alles zit vol met toch best forse roofvogels. Jammer dat we geen fototoestel bij ons hebben.

We lopen in het donker weer terug. Volgens de Lonely Planet is dit niet de beste wijk om 's avonds te lopen. Het is maar een klein stukje en we komen veilig aan bij de vrachtwagen. 's Nachts horen we een opstootje vlak naast de parkeerplaats. We horen een groep mannen schreeuwen, sommige woorden in het Engels. En er vallen klappen, er wordt gevochten. Als we de volgende ochtend aan de bewakers vragen wat er loos was, vertellen ze dat het daklozen uit Guinnee zijn, één van de nog armere buurlanden. Ze komen naar Senegal voor werk, wat vaak niet lukt, en belanden dan in de criminaliteit. Volgens de bewakers wilden ze het terrein op. We vroegen of de bewakers gevochten hadden, maar dat was niet het geval. Volgens de bewakers kregen ze onderling onenigheid.

We willen met de vrachtauto het terrein af, op zoek naar een bedrijf dat onze scheur in de band kan repareren. Dan komt er één van de bewakers naar ons toe, en die wil 1.000,- CFA per persoon extra, omdat we ook op het terrein hebben geslapen. Tjonge, houdt het dan nooit op? Dat hebben we toch duidelijk van te voren aangegeven? Na een pittige discussie geven de bewakers ons allemaal netjes een hand en hoeven we niet bij te lappen.

Per toeval komen we terecht in een straat waar allemaal professionele reparatiebedrijven en gereedschap- en onderdelenhandelaren zitten. We gaan een shop binnen waarvan we dan nog denken dat het een officieële Michelindealer is. Het ziet er voor zo'n groot merk wel wat shabby uit, maar hey, this is Africa. De echte Michelindealer blijkt later een stukje verderop te zitten. Bij de nepperd kunnen ze onze band wel laten repareren. Na wat onderhandelen krijgen we met moeite de prijs van 30.000,- CFA naar 20.000,- CFA en een kadootje. De band wordt zo naar het shopje aan de overkant van de straat gerold, dat er nog belabberder uitziet. We drukken de man nogmaals op het hart dat hij er geen knoeiboel van maakt, en houden ondertussen ons eigen hart vast. Het zijn dure banden, we hebben geen zin een nieuwe te moeten kopen. Dat kan hier zomaar 1.000,- euro kosten.

De prijzen zijn hier echt beroerd. Toen we gekanteld zijn in Marokko is één van de afsluitbare tankdoppen gesneuveld. We kopen hier een nieuwe voor maar liefst 27,- euro. Precies dezelfde dop kost in Nederland 8,- euro. Onderhandelen is bij zo'n officiële zaak niet mogelijk. Ze gooien het er hier telkens op dat alles zo duur is omdat het geïmporteerd moet worden, maar het is vooral ook hun eigen inefficentie die zorgt voor de hoge prijzen. Zo zijn er 5 man nodig voordat we eindelijk na een half uur met de tankdop de winkel uit kunnen. De details over bonnetjes, nummertjes en hokjes zullen we jullie maar besparen.

We gaan nog even de stad in om een verzekering voor de motor af te sluiten. We sluiten een verzekering af voor drie maanden, geldig in alle CIMA en CDEAO-landen (is ongeveer heel West Afrika). Hoeven we niet telkens bij elke grensovergang een te dure kortlopende verzekering te kopen. We denken er sterk over om de verzekeringpapieren te scannen, en onze volgende verzekeringen zelf af te drukken. We sluiten een verzekering  vooral af om geen boetes bij verkeerscontroles op te lopen. We hoorden van andere reizigers dat deze verzekeringen veelal nooit uitbetalen, en dat dat een heel gedoe is hier. In vrijwel alle gevallen is het beter gelijk zelf de schade af te kopen. En gezien wat hier zoal rondrijdt, kan dat nooit zo'n heel hoog bedrag zijn. Ook bedragen voor lichamelijk letsel of erger liggen heel anders dan in Europa, hoewel je dan natuurlijk nog wel stevig je knip moet trekken.

We parkeren die avond bij de een grote bewaakte parkeerplaats op de plek waar de boot naar Ile de Goree vertrekt. Natuurlijk niet zonder de nodige discussie over de prijs. We zullen je deze discussie ook maar besparen, maar het komt er op neer dat we 1000 CFA meer moeten betalen dan een Senegalese touringcar, omdat we een andere kentekenplaat hebben. Hoezo discriminatie?Ook moet er eerst toestemming van de chef op kantoor gevraagd worden, en moeten we ons met ons paspoort inschrijven, om 2x 24 uur te kunnen parkeren. Hoezo bureaucratie? Zoals elke avond in Dakar verzamelen zich weer duizenden roofvogels boven de stad, wat een indrukwekkend schouwspel is.

's Morgens om 10:00 uur nemen we de boot naar Ile de Goree. Het is een kort boottochtje, en het eilandje ziet er pittoresque uit vanaf het water. En dat is het ook als we aan land gaan. Behalve dan natuurlijk de aanhoudende wannabee-gidsen die je graag voor een leuk bedrag rondleiden. We lopen liever alleen, en ontdekken het eilandje op ons eigen gemak, zonder continue het onverstaanbare gebrabbel in het Frans of halfbakken Engels er tussendoor. Ook lopen we voorbij aan het loketje waar nog eens apart toeristenbelasting betaald moet worden. We willen niet eens weten hoeveel het is, we vinden het Nederland al een belachelijk fenomeen, en hier net zo. We betalen al een leuk bedrag voor de boot naar het eiland, kopen op het eiland onze lunch en wat drankjes en dat moet voldoende zijn. Belast een toerist dan niet ook nog eens met extra belasting. Een nare gewoonte om een gast te verwelkomen. Dat het voor de ontwikkeling van het eiland is, is voor ons ook geen reden om die belasting te betalen. Het eiland valt onder Unesco, en daar hebben we middels onze belastingcenten in Nederland al een bijdrage aan geleverd.
Ok, genoeg negatief geklets over de (mini)financiën. Het is dus een mooi eiland met een oud fort, koloniale huizen en nog een tweede fortificatie met resten van kanonnen uit de tweede wereld oorlog. We struinen eerst wat door de mooi straatje met fleurige huizen en weelderige bougainvilles in allerlei bonte kleuren. Prachtig om te zien. Ook hier moet je niet zomaar ergens een straatje helemaal uitlopen tot aan het water, want dan kom je weer op een geweldige afvalberg terecht. Als je van de boot af komt staat er speciaal voor de toeristen een groot bord dat er op het eiland 81 vuilnisbakken zijn waar het afval in gedeponeerd moet worden. We zullen niet weer uit de doeken doen hoe we daar over denken.

We komen bij de fortificatie uit de tweede wereldoorlog aan. De meeste kanonnen zijn weggehaald, en in het betonnen gat dat ze achterlaten hebben mensen nu hun beschutte “achtertuin”. Een aantal kanonnen staat er nog, waaronder twee forse. Volgens het mannetje wat er rondhangt zijn dit dezelfde kanonnen als die van Navarone, en zijn er zelfs delen uit de beroemde film met Gregory Peck hier opgenomen.

Ook verteld hij dat de kanonnen slechts één keer daadwerkelijk zijn gebruikt in WO II, en dat de Fransen er een Nederlands schip mee naar de kelder hebben geholpen. Dit verhaal lijkt ons wat vreemd. Wat doet een Nederlands schip daar in WO II, en waarom haalt een geallieerde partij dat naar Neptunus? Maar dat zal ons gebrek aan historische kennis wel zijn. Tot iemand ons het tegendeel bewijst, nemen we het voor waar aan.

De man neem Jan mee naar de ruimten onder de kanonnen. Er is nog verrassend veel intact. De kannonnen zijn in 1960 onklaar gemaakt, maar veel is er achter gebleven. Zo is het hele draai en kantelmechanisme nog intact, alleen geblokkeerd. Ook het munititie-laadsysteem is nog aanwezig, en ook delen van het koelsysteem.

Het blijkt dat alle ruimten onder het kanon door verschillende bewoners in gebruik zijn als huizen, met als centraal ondergronds plein de ruimte direct onder de kanonskoepel. Erg apart om te zien. Via wat gangen en ruimtes lopen we weer naar buiten, waar de man zijn naai-ateliertje laat zien. Dat meet nog geen twee bij twee meter, en hij slaapt er ook nog. Jan geeft de man wat geld voor zijn rondleiding, en zoekt Mariska maar weer eens op, die niet zoveel zin aan dat geklauter over de kanonnen had.

Na het bezoek aan de kanonnen eten we eerst nog een lokale dis ergens op een terrasje. Thieboudienne, pittige rijst met groenten en vis. Smaakte erg goed, alleen werden we zelf ook bijna opgevreten door de vliegen. Honderden zaten er, en als we beter opgelet hadden waren we er niet eens gaan zitten. Er liggen speciale rieten waaiers om ze weg te wapperen. De vrouw van het eettentje baalt er ook van en bied haar verontschuldigingen aan. We wilden bijna zeggen dat ze er ook niets aan kan doen, maar gezien al die rotzooi die ze overal dumpen kan men hier zeker wel wat aan het vliegenprobleem doen. We worden nog aangesproken door de man aan het tafeltje naast ons. Hij zat naast ons bij de grensovergang bij Diama, toen we de verzekering afsloten. Erg toevallig dat we dan zo'n anderhalve week later op hetzelfde tijdstip bij het zelfde restaurantje 400 kilometer verderop zitten te eten.

Na de heerlijke lunch met vliegen bezoeken we nog La maison des enclaves, het Slavenhuis. Hier werden slaven gevangen gehouden, alvorens ze op transport gingen naar Amerika, om daar onder erbarmelijke omstandigheden te werken. In totaal zijn er naar schatting zo'n 10 miljoen slaven afgevoerd, waarvan velen al omkwamen in gevangenissen, of misschien beter gezegd opslagplaatsen als dit, en ook velen door de verschrikkelijke manier van transport. We zien schetsen hangen hoe de boten letterlijk volgestapeld werden met slaven. Vanuit dit slavenhuis werden “slechts” zo'n driehonderd slaven per jaar afgevoerd. Het heeft vooral een symbolische waarde als herinnering aan deze verschrikkelijke toestanden. We zien kleine erkertjes die overvol gepropt werden met slaven. Mannen, vrouwen en kinderen apart van elkaar. Moeilijk voor te stellen hoe  mensen het konden om kinderen apart van hun moeders in donker hokjes te stoppen en ze vervolgens te verhandelen en te verschepen.

Beroemd is de deur gericht op het water, waardoor volgens de verhalen de slaven aan boord werden gebracht en een laatste blik op Afrika konden werpen. In werkelijkheid is deze deur geheel symbolisch. Het is niet mogelijk om daar een schip aan te leggen en te bevoorraden. De slaven gingen op een andere plek op het eiland aan boord. Toch is het de meest gefotografeerde deuropening van Senegal, en wij doen plechtig mee.

Voordat de Fransen de boel hier koloniseerden, waren eerst de Portugezen de bezetters van het eiland, daarna werden deze verjaagd door de Nederlanders, die ook de huidige naam aan het eiland gaven. Ook zij werden verjaagd door de Engelsen, die dus weer plaats maakten voor de Fransen. Allen hebben ze zich druk bezig gehouden met slavenhandel. De Engelsen maakten er een einde aan, maar de Fransen gingen nog even door, wat de Engelsen weer een goede reden gaf om de Franse boten aan te vallen, en de slaven vrij te laten en waardevolle spullen in beslag te nemen. Genoeg historie nu, terug naar de moderne tijd.

Het is namelijk zo dat slavernij in Mauritanië pas in 1981 bij wet verboden werd, maar dat nog steeds heden ten dage naar schatting zo'n 100.000 mensen als slaven in Mauritanië worden gehouden. En ook hier gaat het dan om negroïde bevolking dat zonder tegenprestatie moet werken voor mensen van Arabische afkomst. Dat mag ook van de Koran. Daar staat wel in dat je goed moet zijn voor je slaven. Net als voor je vrouwen en je ezels...

Jaarlijks worden er in Mauritanië zo'n 800 mensen door westerse mensenrechtenorganisaties bevrijd uit slavernij.

 

 

We struinen weer wat verder over het eiland en praten een tijdje met één van de vele artiesten. Hij is schilder en heeft een relatie met een meisje uit Amsterdam. Dat zeggen er hier veel, maar bij deze blijkt het echt zo te zijn. Hij is al meerder keren in Amsterdam geweest, en laat ons zijn Amsterdamse visitekaartje zien. Ook laat hij zijn studieboeken voor de inburgeringcursus zien. Hij is druk bezig met zijn verblijfsvergunning, en samen bladeren we door de twee boeken die de Nederlandse regering verkoopt als verplicht studiemateriaal voor het examen dat bij deze verblijfsvergunning hoort. Voor ons is het grappig om de boeken door te bladeren. We vinden het nuttig en belangrijk dat mensen die naar Nederland komen wat van de Nederlandse geschiedenis, het hedendaagse leven en de normen en waarden kennen, maar op sommige vlakken is dit boekje toch wel erg kinderachtig. Net of men denkt dat mensen die de taal niet spreken en uit een onderontwikkeld land komen de hersens van een vierjarige hebben.

Ile de Goree is dus zeker het bezoeken waard, en we hebben ons er dan ook prima vermaakt. We nemen om 16:00 uur de boot terug, en springen dan op de motor om te gaan kijken hoe de reparatie van de band is verlopen.

Dat ziet er goed en professioneel uit. Het is aan de binnenzijde koud gevulcaniseerd met een speciale met staal versterkte plakker van Rema TipTop. We kregen al eerder de tip van Carlos in Mauritanië om te proberen aan dat spul van Rema TipTop te komen, om gaten en scheuren in tubeless banden zelf te kunnen repareren onderweg, maar hier hebben ze het dus blijkbaar. Daar gaan we morgen naar op zoek.

Voor het donker scheuren we nog wat door de stad om nog wat bezienswaardigheden te bekijken. O.a. het presidentieel paleis. Dat was nog niet zo heel bijzonder. We rijden weer terug naar de Daf, pakken de motor in, en gaan te voet nog even de stad in. Bij een soort cafetaria eten we een hamburgertje en een broodje shoarma. Smaakt best, maar haalt het niet met zoals we dat in Nederland gewend zijn.


In de verte Pointe des Almadies, het meest westelijke punt van Afrika
Op de terugweg proberen we een koffie bij één van de vele grappige koffiestalletjes die je hier overal op straat ziet. Kleine ronde tonnetjes op wielen, helemaal opgeschilderd in de kleur van Nescafé, en dat verkopen ze dan ook. Omgerekend zo'n 15 cent voor een klein kopje, en 30 cent voor een wat groter bekertje. Het lijkt er allemaal best hygiënisch aan toe te gaan. Schone bekertjes uit een plastic zakje, heet water uit een thermosfles, veel suiker en wat melk er bij. Maar om het geheel te mengen haalt hij onder uit de ton een vies bekertje dat nog nooit is schoongemaakt, waarin het spul een paar keer op en neer gegoten wordt. Das nou jammer. Toch smaakt het best goed, en doen we dit dus vaker. Soms verkopen ze bij zulke stalletjes “Cafe Touba”. Dat is koffie van gemalen koffiebonen, met 10% Diar. Wat dat is weten we tot op heden niet, maar het ruikt scherp en geeft een beetje een branderig gevoel in de keel. Rare bijsmaak. Deze koffie moeten we dus niet hebben.

De volgende dag halen we eerst de gerepareerde band op, en zoeken dan nog bij wat bedrijfjes langs dezelfde straat naar een setje verschillende plakkers en solutie van Rema TipTop. Dat lukt ook nog, dus we zijn blij, alle zaken afgehandeld. Lopend langs de straat stopt er een touringcar, en de chauffeur schreeuwt naar ons: Hey, ken je me nog? We hebben elkaar ontmoet bij Lac Rose, bij het water halen. Verhip, inderdaad, wij hadden hem niet zo gauw herkend, maar andersom vallen wij natuurlijk wel behoorlijk op. Toeval toch weer. Lac Rose ligt zo'n 20 km verderop, en we lopen zomaar wat op een industrieterrein in een stad van 2,5 miljoen inwoners.

We parkeren de Daf op een ander, goedkoper plekje. Daar kunnen we hem 24 uur laten staan voor 1000 CFA, de ander plek koste voor 24 uur 5000 CFA. Op deze nieuwe plek zijn ze niet racistisch en letten ze niet op de kleur van de kentekenplaat.

Met de motor maken we nog een mooie tocht rondom Dakar. We bezoeken het meest westelijke punt van Afrika, zo'n 15 - 20 kilometer boven Dakar. In zee staat daar een kleine vuurtoren. De rest zijn toeristenstalletjes, dus we zijn er zo weer weg. We eten een hamburgertje bij een shoppingmall in een buitenwijk van Dakar. Er komt een blanke man op ons toegelopen die ons vraagt of wij van Travel2survive zijn. Verbaasd kijken we op. Jazeker, maar onze Daf staat zeker 15 kilometer verderop, hoe kan hij dat weten? Weer puur toeval. Hij had ons vanmorgen gezien in Dakar in de straat waar wij de band hebben laten repareren. Hij had inmiddels ook onze website al bezocht. Toevallig komt hij hier zijn boodschappen doen. We maken een praatje. Martin is erg in onze reis geïnteresseerd, en geeft zijn kaartje. Mochten we nog in de problemen komen ergens in Afrika, dan konden we hem rustig bellen. Hij is directeur en aandeelhouder van een Zuid-Afrikaanse onderneming die materieel levert voor de grote mijnen. In die hoedanigheid kan hij dan vast iets voor ons betekenen. We melden dat dit heel genereus is, en dat we ook al een soortgelijk aanbod kregen van een Nederlander die voor Maersk werkt in Nouakchott, Mauritanië. “Oh”, zegt ie, “Willem?” Ja juist Willem, ken je die? Die kent hij heel goed zelfs. En zo hangt het van toevalligheden aan elkaar.

We praten nog wat over en weer en Martin geeft te kennen dat er in zijn sector genoeg werk is, dat er goed geld in te verdienen is dat ze altijd op zoek zijn naar gekwalificeerde technische mensen. Altijd handig om in het achterhoofd te houden.

We rijden met de motor verder naar Les Mamelles. Dat is Frans voor De Borsten. En als je de twee heuvels ziet, hoef je daar niet al te veel fantasie voor te hebben. Op de ene borst staat zelfs een vuurtoren, dus met recht de grootste borsten die Jan deze reis gezien heeft. Alhoewel de big mama's hier ook een beste bos hout voor de deur hebben.



Zo ongeveer vanaf net boven de navel rijden we met de motor de borst op omhoog naar de vuurtoren. Helemaal gratis (en dat is ongekend in Afrika, meestal heeft een blanke weldoener uitgevonden dat je een dusdanig forse prijs moet betalen zodat er het hele dorp van kan worden onderhouden) krijgen we een rondleiding naar de lamp van de vuurtoren. Altijd mooi om even te zien, en er is een fantastisch uitzicht over de baai en Dakar. Het binnenwerk van de vuurtoren is natuurlijk van Franse makelij en stamt ergens uit 1860. Hetzelfde binnenwerk hadden we in Cuba ook al eens bekeken. Het draaien van de grote lenzen gebeurd door het optakelen van een gewicht aan een staalkabel, dat dan net als bij een klok weer langzaam naar beneden zakt, om zo het draaimechanisme aan te drijven. Dit moet elke twee uur opnieuw gedaan worden. Hier is dit mechanisme inmiddels elektrisch aangedreven, maar in Cuba gebeurde dit optakelen nog wel elke twee uur.

Op de andere borst hebben Zuid-Koreanen om voor ons onduidelijke redenen een mega groot standbeeld van een vrouw en een man met een kind op de arm neergezet. Zo ongeveer formaatje vrijheidsbeeld, compleet met restaurant bovenin het hoofd. We weten niet hoeveel rijstwijn die oosterse vrienden ophadden bij het bedenken van dit plan, want het hele zaakje kostte ze toch mooi 25 miljoen euro. En wat kun je allemaal niet bedenken in een land als Senegal waar dit geld beter aan besteed had kunnen worden? Gelukkig hebben we weer een goede reden om hier dus geen entree-geld voor te hoeven betalen. We bekijken het wel van een afstandje. Of het mooi is? Laten we zeggen imposant.

Uitzicht vanaf de "vuurtoren mamelle" op de "standbeeld mamelle"

 

We rijden nog langs twee aparte moskeeën. Eén met vier minaretten in een aparte stijl. Helaas op niet zo'n mooi punt, en verval is al ingetreden, dus hij is zeker een jaar of vijf oud. De andere is best apart om te zien. Op een mooie vrije ligging aan het water, met twee grote vierkante symmetrische minaretten in een moderne stijl.

Tegen donker maar weer terug naar de Daf en weer even te voet Dakar in, op zoek naar wat te snaaien. En weer worden we ergens op straat herkend door iemand die we de dag ervoor op Ile de Goree getroffen hadden. Het is een Senegalees die goed Engels kan, dus we maken een praatje over het wel en wee in Dakar. Via zulke lui kom je vaak veel te weten over land en stad, omdat we het Engels veel beter machtig zijn dan het Frans. Goh, drie keer “herkend” op één dag in een miljoenenstad. We voelen ons haast beroemd. We hebben al onze dingen hier gedaan en hebben zeker genoeg van de drukte van de grote stad. Tijd om op een rustig plekje weer een beetje te luieren.

VRIJDAG 25 NOVEMBER 2011, Pointe Sarène
We rijden via de kustweg de stad uit. Het eerste stuk tot voorbij Rufisque is druk en volgebouwd. Eigenlijk één grote verkeersopstopping. En vooral de lokale kleine witte busjes die als openbaar vervoer dienen (hier gelli-gelli genoemd, in Tanzania dala-dala en in Kenia matatu) zijn irritant. Telkens vlak voor je optrekken, om amper 50 meter verderop weer stil te gaan staan. Lopen gaat sneller.

We rijden tot Pointe Sarène, waar eindelijk de bebouwing is opgehouden. We pakken dan ook het eerste onverharde weggetje en komen via het met dikke baobabs omgeven donkerrode laterite pad bij zee uit. Ook hier is het rustig. Een zeer kalme branding en geen zeenevel. Prima om even een tijdje rond  te hangen. We gokken of we met knetterharde banden over het strand kunnen rijden op zoek naar een mooi plekje, maar na 30 meter zitten we al muurvast. Banden weer aflaten dus en graven. En hop, daar komen al weer een man of vijf zo ergens uit het zand gekropen, met schep en al, om ons te helpen. We hebben er even geen zin in. Het kan best goed bedoeld zijn, maar voor hetzelfde geld haal je je weer verplichtingen op de hals, en daar hebben we geen zin in. Gelukkig hebben we de Daf vlot weer los en met de zachte banden rijden we vrij eenvoudig in lage gearing een eind het strand op. We vinden een mooi plekje net achter het strand op verdroogd gras met een rij bomen ernaast waar we schaduw van hebben. Vanuit ons slaapkamerraam kijken we zo uit over zee waar mannen in pirogues bezig de laatste visjes binnen te halen. Heerlijk rustig, dachten we...

Maar de jongens van  daarnet komen ook aangelopen, en van de andere kant nog een paar. Gezellig gaan ze een meter of vijf van ons af zitten. Op zich wel op zichzelf, en ze zijn vriendelijk, maar we wilden lekker even alleen zijn en een beetje van de rust genieten. De mannen maken een vuurtje en er wordt thee gezet. Een radiootje met jengelmuziek er bij, en genieten maar. Dat houden ze zo wel een paar uur vol. Dan komen er twee knapen met schoffels, die het dorre gras om ons heen weg gaan schoffelen. Dit land is niet van hen, het is namelijk een stukje land van niemand, net tussen twee percelen in. We vragen of ze het gras zo willen laten, want er onder licht zwart zand, en we hebben geen zin daar steeds door heen te moeten sloffen. Ze zeggen dat ze dit juist graag speciaal voor ons even netjes maken, en gaan rustig door met schoffelen. We denken bij ons zelf dat ze dan beter al die rotzooi op het strand kunnen gaan opruimen. Wij blijven mooi zitten en de jongens schoffelen door, onder onze tafel, en op een gegeven moment zakt zelfs Jan met stoel en al achterover omdat ze zijn achterpoten aan het onderschoffelen zijn.

Gelukkig zeggen de jongens dan dat ze even pauze gaan houden, en dat gaat op een dusdanige Afrikaanse manier, dat ze het werk tot onze opluchting niet meer hervatten. Pas tegen de avond gaan ze naar huis, nadat ze ons allemaal een hand gegeven hebben. Vriendelijk zwaaien ze: Tot morgen!  Oh nee hè, dat zal toch niet?

's Nacht hebben we beiden last van wat buikloop en zijn we wat slapjes. We wijden het aan het water dat we gisteren gedronken hebben in Dakar, in een eettentje, omdat we ieder een ander menu hadden. Normaal drinken we niet zomaar water in zulke tentjes, maar hier zat een lichte chloorsmaak aan, dus we dachten dat het gezuiverd was.

Mariska voelt zich de volgende dag nog niet echt beter, maar Jan al wel. Jan smeert de auto door, en Mariska het toilet. Ook stelt Jan de uitgaande slag van de schokbrekers wat strakker. We vonden dat de Daf op slechte wegen  met diepe kuilen nogal waggelde, en ook na een drempel deinde hij nog wat na. Jan wist dat ze af te stellen waren maar niet hoe. Via een tip van een andere reiziger is het nu wel gelukt. Het is een raar foefje. De schokbreker aan één zijde loshalen. Dan helemaal indrukken, en dan er aan draaien om hem af te stellen. Alle vier stonden ze inderdaad op hun slapst, dus dit zal veel schelen.

Daarna gooit Jan nog even een hengeltje uit om te kijken of het hier beter lukt, maar bij de eerste keer binnenhalen knapt de hengel spontaan door het midden vanwege de enorme vracht zeewier die er aan hangt. Het sterke snoer waar Jan dacht een enorme zeebaars mee te kunnen vangen heeft het wel gehouden. Ik denk dat we het vissen maar beperken tot de (wat schonere) meertjes.

De manier waarop de lokalen hier vissen, staat ons ook niet erg aan. Ze gaan met een bootje iets de zee op en spannen een net naar twee kanten naar de kust. Daar staan aan beide kanten een stuk of 5 mannen die het net het strand op trekken. Een fijnmazig net, waarbij heel veel kleine visjes gevangen worden. De vele kleine visjes laten ze allemaal dood gaan op het strand. Ze nemen alleen mee wat zij de moeite waard vinden. Het zijn zelfs zoveel kleine visjes, dat de zwerfhonden, meeuwen, reigers en overige visetende dieren het niet eens allemaal op kunnen eten. Later horen we dat deze manier van vissen officieel verboden is, maar er is natuurlijk weer eens geen controle. Wij zien elke dag op veel verschillende plaatsen dat ze op deze manier vissen en als we langs het strand wandelen, zie je overal de plekken met dode kleine visjes. En dan kun je wel denken dat het kleinschalig is, maar Senegal telt duizenden pirogues die op alles vissen wat ze te pakken kunnen krijgen... Het stelt in verhouding tot de bijvangst van de grote westerse schepen waarschijnlijk niet veel voor. En ook zal in de westerse wereld heel wat meer in de afvalbak verdwijnen dan hier, maar het blijft wel een triest gezicht, al die "baby" visjes op het strand.

Ondertussen verzamelen zich al weer heel wat van onze “vrienden” om de auto. Allen zijn ze nog wel een keer weer weg, behalve Moussa. Moussa heeft, heel knap, middels oud boekje zichzelf behoorlijk wat Duits aangeleerd. Hij vind zichzelf alleen daarom al geweldig en komt ons dat mededelen. Hij blijkt een echte toubabjager te zijn (Toubab is een blanke). Hij laat je niet met rust. We willen niet al te ruw zijn, en geven herhaaldelijk hints dat ie wel weer mag gaan. Als dit niet werkt pakken we het boeltje buiten maar in, en gaan binnen zitten. Dan gaat hij ook eindelijk.

Er komen nog twee kleine knaapjes van een jaar of 10 langs. Ze brengen ons maniokwortels. Maniok wordt veel gegeten in Afrika (en op meer plekken in de wereld). Het is een houtachtige wortel die goed gekookt moet worden. Volgens ons SAS-boek (bedankt nog, Jos & Gwenn, het is een handig boek) is hij rauw of slecht gekookt zelfs giftig en tast dan op den duur je gezichtsvermogen aan. We geven de jongetjes in ruil hiervoor allebei een pen. We zien nog net hoe het ene jongetje de pen van de andere opeist. Het ander jongetje staat de pen met een beteuterd gezicht braaf af. We vragen waar dit voor nodig is, en zeggen dat de eerste de pen terug moet geven. Deze antwoord doodleuk dat het ander jongetje toch niet naar school gaat, en hij wel. En als je niet kan schrijven, wat heb je dan aan een pen? We leggen uit dat hij er ook mee kan tekenen. Het is tegen dovemansoren, ze gaan er vandoor, de één met twee pennen, de ander zonder.

 Het is 27 november. We staan nog steeds op het strand bij Pointe Sarène. Mariska voelt zich al wat beter. Na een lang ontbijt op bed zetten we pas tegen 12:30 uur de stoelen buiten. Het duurt niet lang of er verzamelen zich vijf kinderen om ons heen. Jan zegt wat woorden in het Wolof uit de Lonely Planet tegen ze, en ze verstaan het nog ook. Hun moeder wacht een eind verderop op het strand. Ze gaan weg maar komen na een uurtje al weer terug, allen hun truitje ophoudend vol met schelpen. Speciaal voor ons uitgezocht. Als dank geven we ze frisbee's waar ze zich prima mee vermaken. Ze zijn er blij mee.

En aardig eind verderop zijn een aantal resorts waar toeristen zitten. Af en toe komt er één langs gewandeld. Ook komt er zo nu en  dan een quad met een blanke erop voorbij gescheurd of soms een groepje van een stuk of tien crossmotoren. Op een gegeven moment zelfs een ultra light vliegtuigje dat een paar meter boven het strand langs scheert. Vertier genoeg dus voor de toerist. Niet erg eco, maar och, dat zijn we zelf ook niet.

Ook krijgen we nog bezoek van Jules. Een aardige rustige jongen die een beetje Engels kan. Hij verteld dat ie kledingmaker is in het dorp. We laten hem onze gescheurde tarp zien en vragen of hij die kan maken. Hij verteld dat hij drie machines heeft en het vast wel moet lukken. We spreken met hem af dat we de volgende morgen met de tarp bij hem langs komen. Het dorp is niet groot en we hoeven alleen maar te vragen naar “Jules de Tailleur”. Ook Moussa de Duitssprekende Toubabjager komt weer langs vertellen hoe goed hij is. Een vervelend kereltje waar je moeilijk van af komt.

Als Moussa verschwunden ist, eten wij tegen het schemer nog lekker buiten. Helaas blijken er 's avonds erg veel kleine kevertjes te zitten. Bij Mariska was er één in de soep gevallen. En van de al aanwezige bospaddestoeltjes in de soep was die niet te onderscheiden. Het kevertje smaakte erg vies en bitter, waarop subiet besloten werd de maaltijd binnen verder te nuttigen. De kevertjes stonken ook behoorlijk als ze zo geplet werden.

Zoals afgesproken gaan we de volgende ochtend met de tarp op zoek naar Jules de Tailleur. Hij is niet bij zijn shopje, maar word al snel opgetrommeld. Met een voetaangedreven naaimachine weet hij met moeite door de dikke stof heen te stampen. Maar het ziet er uiteindelijk weer goed uit.

Ook loopt hij met ons mee naar een winkeltje waar we goed brood kunnen kopen, en niet van dat Franse luchtbrood. Na de onafhankelijkheid was dat het eerste Franse waar ze afstand van hadden moeten nemen.

Jules is katholiek en laat ons met trots ook nog de kerk in het dorp zien. Het is een niet al te groot rechthoekig gebouw, met twee panlatten als kruis er boven op. Buiten staat voor het gebouw een grote stalen zeeboei die als kerkklok dient. Voor aanvang van de mis word hier hard met een steen op geslagen zodat iedereen het hoort. Het is een uniek gezicht, en een goed idee. Binnen is het erg eenvoudig, maar aan de djembees te zien gaat het er hier een stuk gezelliger aan toe dan bij onze kerken. Achter de kerk liggen al veel stenen, want er zal een grotere kerk worden gebouwd. Katholiek en moslim gaat hier in het dorp goed samen. Er staan ook twee moskeeën en de gemeenschap mengt zich goed op. Ze vieren ook elkaars feestdagen.

We kijken ook nog even bij het hospitaal. Dat is er neergezet door Belgen. Wel weer iets wat we niet helemaal snappen. De gemeenschap zelf hier is in staat om twee moskeeën en een kerk neer te zetten, maar een eenvoudig hospitaaltje moet uit Europa komen. We vragen hoe ze de bouw van de nieuwe kerk financieren. “Oh we houden gewoon een inzamelingsactie in het dorp en iedereen draagt zijn steentje bij...” Tja, heel begrijpelijk. Een kerk of moskee is natuurlijk belangrijker dan een schooltje of hospitaal of waterput. Die dingen moeten allemaal door de wereldbank of andere projecten gefinancierd worden. De Belgen hebben bij het hospitaaltje ook een heuse ambulance bij gedaan, maar de eens zo fraaie volledig ingerichte VW T3 doet nu dienst als plantenbak. Jammer. Hij kon nog wel eens van een later bouwjaar zijn als onze Daf. Op dit moment zijn er vijf patiënten. Het hospitaal is vooral ingericht op het baren van kinderen, een bezigheid die hier veel voorkomt.

 Jules heeft het blijkbaar niet zo druk in zijn shopje, want hij neemt ons ook nog mee naar een plantage iets buiten het dorp. Het ligt in een mooi gebied aan een klein stuwmeertje. Op het meertje veel vogels, o.a. flamingo's. Er groeit van alles op de plantage en het ziet er redelijk verzorgd uit. We krijgen van de oppasser (die natuurlijk lag te slapen) wat limoenen mee. Samen met Jules lopen we terug naar de Daf waar we gezamenlijk brood eten. Natuurlijk komt “Der Moussa” ook weer langs, en ook hij eet mee. Daarna gaan we gezamenlijk terug naar het dorp, waar Jules laat zien waar hij woont. Het is een omheind stuk grond met daarop zo'n 8 kleine strohutten waar de hele familie inclusief zo'n twintig kinderen woont. De vrouwen stampen een soort granen met een mooie grote stamper in een houten trog. Best zwaar werk. Het blijkt couscous te zijn. Een neef van Jules is visser en zit zijn netten te boeten. We geven iedereen een hand, en dat zijn er best veel.

Dan wordt ons een grote schaal eten aangeboden. Het is thieboudienne. Pikante rijst met vis. Inclusief vel, kop, vinnen, graat etc. We zijn net allebei aan de dunne geweest, dus we houden ons hart vast. Gelukkig krijgt wel iedereen een eigen lepel. Het smaakt best. Dan één beker water waar iedereen een slok uitneemt. Die slaan we dan toch maar over. Na het eten lopen we gezamenlijk naar het strand. Elke dag vangen ze hier enorme zeeslakken, die op het strand van hun schelp worden ontdaan. Er liggen dan ook twee enorme bergen lege schelpen. We maken nog even kort kennis met de familie van “Der Moussa”, en dan staat de zon alweer zo laag dat we naar huis gaan.

De dag erop doen we weer niet veel. We lopen naar het dorp en ontmoeten daar twee toffe Belgen, Johan en Monique. Ze hebben in Knokke-Heist een bed and breakfast, “Charlatan”. Het zijn twee aardige lui en we praten over en weer. Een jaar of zes terug hebben ze hier een mooi stukje grond aan zee gekocht, vlak naast de plek waar onze vrachtwagen staat. Ze wilden er een kleinschalig toeristen resort van maken, maar werden gedwarsboomd door de regering. Die wilde op hun plek, tezamen met de kavels die ernaast liggen een groot hotelcomplex neerzetten. Alle grondeigenaren werd het verboden hun activiteiten voort te zetten, vergunningen werden geweigerd. Voor het grote hotelcomplex waren buitenlandse investeerders nodig, maar dat heeft de regering tot op de dag van vandaag niet voor elkaar gekregen. De huidige grondeigenaren, waaronder dus ook Johan en Monique kunnen nu dus niets met hun mooie stukje grond, en ze worden ook niet uitgekocht door de regering. Veel procederen heeft hen helaas niets opgeleverd, behalve koppijn en een lege portemonnee. Toch houden ze van het dorpje en komen ze er veelvuldig terug. Ze doen veel voor de gemeenschap. We vinden het knap dat ze ondanks hun tegenslagen toch steeds terug komen om de mensen te helpen.

Hun verhaal verklaart waarom er zoveel lege, omheinde grondstukken en ongebruikte maar al vervallen resorts hier rondom onze vrachtwagen liggen. Allemaal grondeigenaren die hetzelfde is overkomen. Het grondstuk direct naast ons is van een Fransman. Hij heeft zijn goedlopende camping in Frankrijk verkocht om hier een klein resort te beginnen. Het grondstuk is nog vele malen groter dan dat van Johan en Monique, en er staan ook al compleet afgebouwde appartementen op. Maar ook hij mag het niet exploiteren, en kan het evenmin verkopen. Doordat nagenoeg al zijn geld er in zit heeft hij geen mogelijkheden om terug te gaan naar Frankrijk om daar opnieuw te beginnen. Triest verhaal. Zijn er eindelijk mensen die hier mogelijkheden zien, en die willen investeren in dit land, worden ze zo gedwarsboomd door de regering. En jammer voor de lokale bevolking. Het had hen behoorlijk wat voorspoed opgeleverd. Ze hadden wat extra inkomsten gehad van de toeristen die hun dorpje bezoeken, en een behoorlijk aantal had kunnen werken op de resorts als schoonmaker, kok, tuinman, nachtwaker, klusjesman etc.

We lopen nog wat verder naar de ander zijde van het dorp en treffen daar twee aardige Fransen. Ja, die zijn er ook... De ene was met zijn mooie gele, tot camper omgebouwde Mercedes Sprinter, samen met zijn forse rottweiler op pad door West-Afrika, en heeft de ander daarbij een lift gegeven. Dit klikte dusdanig goed dat ze besloten samen verder te reizen. Als je de camper instapt is het net of je in een Oostenrijkse berghut stapt. Erg gezellig. En de rottweiler heeft zelfs zijn eigen slaapplekje aan de achterzijde, met eigen ingang!
Ze zijn van plan door te reizen door de Casamance naar Guinee-Bissau, Sierra Leone en Liberia. Landen waarbij je direct aan oorlog denkt, maar dat is al weer een flinke tijd terug. Toch trekt het ons nog niks. In de Casamance in Senegal is het nog steeds onrustig. Een groepering wil onafhankelijkheid van Senegal. Ook dit deel slaan we over, hoewel men zegt dat dit het mooiste deel van Senegal is. De één zegt het is er voor toeristen wel veilig en de ander spreekt dit weer tegen. We kletsen nog wat met elkaar en dan lopen wij nog even een stukje verder, langs een mooie lagune met veel vogels. Door het dorp lopen we weer terug. Kopen bij het winkeltje van Francois brood, en zeggen Jules nog even gedag.

Senegal deel 2