Senegal deel 2

WOENSDAG 30 NOVEMBER 2011, Pointe Sarène  
We zitten de volgende dag voor de auto als Johan en Monique bij ons op bezoek komen. We drinken samen koffie en het is erg gezellig, dus we drinken er ook een lekker glaasje rum bij. De Fransman van het grondstuk naast ons komt er ook bij, samen met een medewerker van hem. Ondanks dat hij niets met de appartementen kan, betaald hij wel netjes de bewakers door, en één van hen woont zelfs zolang in één van de appartementen.

Tussendoor komen er nog twee vissers langs met twee grote zeeduivels. De beesten leven nog en hijgen het met veel geluid uit. Dat is het nadeel van zeeduivels, dat ze uit het water nog erg lang leven en dus lijden. Wij zijn gewend een beest snel dood te maken als we het willen eten, maar hier zijn ze juist blij dat ze zolang in leven blijven, dan blijven ze lekker vers. We zagen een paar dagen geleden een paar kleintjes op het strand die de vissers er een dag ervoor uit hun net hadden gegooid en voor oud vuil achter hadden gelaten omdat ze te klein waren. En nog leefden deze beestjes. Snap die vissers ook niet dat ze die kleintjes niet terug in zee gooien. De vissers vragen of we de grote zeeduivels willen kopen. Mariska ziet het niet zo zitten,  maar Johan en Monique kopen er wel eentje. We lenen de vissers een mes van ons zodat ze de vis schoon kunnen maken.

We zitten zo nog een tijdje gezellig te kletsen, en lopen daarna nog even met Johan en Monique mee om hun grondstuk te bekijken. Het is 5000m2. Er staat nog een zeecontainer van hen op, die ze destijds gebruikten als woning, in de periode dat ze met de grond bezig waren. Ook hadden ze al een waterput aangelegd. Zonde hoor, het ligt er mooi, direct aan het strand.

Johan en Monique lopen weer verder, naar het dorp waar ze in een appartement verblijven. Als wij twee weer even voor de auto zitten, komt er weer iemand langs. Het is André, een lokale toubabjager. We leggen hem uit dat we geen souvenirs kopen. Voorzichtig vertellen we hem ook dat de kettinkjes en armbandjes die hij heeft niet erg origineel zijn. Je ziet ze overal en zijn gemaakte van Chinese plastic kraaltjes. We kunnen ons niet voorstellen dat een toerist hier nog zin in heeft. We proberen dat aan André uit te leggen, en dat hij iets originelers moet verzinnen, om zich te onderscheiden van de rest. Hij snapt het maar half. Hij zegt dat we erg inhumaan zijn omdat we niets van hem kopen. Hij moet toch ook overleven? We zeggen hem dat als hij aan ons geld wil verdienen hij dan iets nuttigs moet doen, waar we iets aan hebben. Breng ons maar 200 liter drinkwater, zegt Jan.

André kijkt bedenkelijk, en zegt dan ok, voor 15.000,- CFA breng ik je morgen 200 liter drinkwater. Pfff, het moet weer een belachelijke prijs zijn. Alles is natuurlijk onderhandelbaar, maar als het begint met zo'n idioot bedrag, dan hebben wij er al geen zin meer in. Laat maar, zegt Jan, ik regel dat drinkwater zelf wel met de buren. Dat is met een ezelkar zo gebracht. We komen met André overeen dat hij morgen voor 4.000,- CFA een dag kan komen helpen wassen en poetsen aan de Daf. De zoutlaag van de zeenevel van vorige week moet er hoognodig af, want her en der beginnen al kleine roestplekjes te komen. Ineens is André erg blij dat hij wat kan verdienen, en zijn we zijn grootste vriend. In plaats van inhumaan zijn we nu ineens “tres gentile”. Huichelaar.


Met de ezelkar komen onze "buren" water brengen
Jan gaat naar de buren (het grondstuk van de Fransman) en regelt daar met de bewaker en een hulpje dat ze voor 2.500 CFA morgenvroeg om half negen 200 liter drinkwater komen brengen en 100 liter waswater. Dat komt uit twee verschillende putten. Het waswater komt uit een put die ze normaal gesproken voor het bevloeien van de tuin gebruiken.

De volgende ochtend om half negen is André er, netjes op tijd. Maar er is nog geen water. Jan en André lopen naar de buren om te kijken waar het water blijft. Ze zijn druk bezig om met emmers uit de vrij diepe put water in grote vaten te gooien. Het waswater gaat in een oude oliedrum, het drinkwater in een “schoon” plastic vat van zo'n 80 liter, en de rest in vaatjes van 20 liter.

Dit alles in twee keer rijden op de ezelkar naar onze vrachtwagen toe. Met ons boormachine aangedreven Gardena pompje is in een mum van tijd de 200 liter drinkwater via het pre-filter in onze watertank gepompt. De mannen kijken zeer geamuseerd hoe Jan een steen vastknoopt aan de tuinslang, deze onderin het vat gooit en met de accuboormachine het water overpompt. Ze vinden het geweldig. Het waswater gooien de mannen met emmers vanuit de oliedrum op de ezelkar over in een oliedrum die we op de grond hebben gezet. Dit is overigens ook bijna 200 liter.

Dan begint het wassen. Jan begint op het dak, eerst de zonnepanelen en de ramen, dan verder naar beneden. André begint bij de cabine. Tegen het middaguur is alles zo goed als gewassen, en gaan we eerst gezamenlijk lunchen. Daarna verder met poetsen. Dat heeft André nog nooit gedaan, en Jan moet het ieder tien minuten opnieuw uitleggen. Alléén de bruinige plekjes, verder niet! En uitpoetsen. André bakt er niet veel van. Hij poetst niet maar aait zachtjes, en overal, ook waar het niet nodig is. En het wordt een vlekkerige bende, omdat hij niets uitpoetst. Toch ziet de Daf er aan het eind van de dag er een stuk beter uit. 

Mariska is intussen naar het dorp gelopen om in de winkel van Francois brood te kopen en een briefje van 10.000 CFA klein te maken. We moeten de mannen straks betalen, maar ze hebben hier nooit wisselgeld, en wij hebben uit de geldautomaat alleen maar briefjes van 10.000,- Dat is slechts 18,- euro, maar zelfs bij veel winkeltjes een groot probleem. Francois is er zelf niet, maar zijn vrouw staat in de winkel, met haar baby aan de borst. Telkens als ze een klant helpt, legt ze de baby even weg, maar laat ze haar ene borst gewoon over de rand van haar jurk bungelen. Hier misschien heel normaal, maar voor ons toch een raar gezicht.

Helaas is ons kleine tweekops koffiezetapparaatje kapot gegaan. Jan heeft nog geprobeerd hem te maken, maar het verwarmingselement was compleet weggeteerd. Mariska houdt het thermoskannetje en de filterhouder zodat ze nog koffie kan opgieten. De rest zet ze even buiten neer. De mannen buiten vinden het heel interessant. Ze denken dat het een lamp is, en willen hem graag meenemen. Dit terwijl in het dorp alleen de mensen met geld stroom hebben.

We leggen uit dat het een koffiezetapparaat is, en dat het stuk is, maar dat ze hem gerust mogen hebben. Ze hangen hem maar in de boom bij ons voor de deur en gaan weg. Toch is het apparaat de volgende dag verdwenen. Heeft er toch iemand in het dorp een mooie lamp!

De dag erop lopen we met onze vuile was naar het dorp. We hebben met de zus van Jules, een jonge moeder, afgesproken dat ze voor 2.000,- CFA onze was doet. Drie plastic zakken vol, inclusief beddegoed. Voor haar is het een mooie bijverdienste, en wij zitten niet met die ellende. Wel moeten we eerst even zeep voor haar kopen in de winkel van Francois. Ze besteld een dik stuk schrobzeep, waspoeder in een klein zakje, een soort soda en een zakje met blauw poeder dat voor de witte was bestemd is. We halen onze schouders op, we zien wel wat het wordt.

We gaan nog even kijken of de Belgen, Johan en Monique in hun appartement zijn. Ze zitten in een appartement bij het enorme huis van Bonifas, een rijke prof-basketbalspeler uit het dorp, die o.a. in Amerika heeft gespeeld, en nu bij een club in Spanje zit. Margot, de zus van Bonifas, zegt ons dat ze er niet zijn, maar zo zullen komen. Ze geeft ons twee stoelen en we moeten maar even wachten. En inderdaad, na een tijdje komen Johan en Monique er aan. We spreken af dat we vanavond samen bij Margot gaan eten. Margot heeft een klein restaurantje. Normaal moet ze ruim van te voren weten dat er eters komen, dan kan ze eerst even genoeg inkopen doen. Johan en Monique hadden voor henzelf al gereserveerd. Even overleggen met Margot, maar ze vind het geen probleem dat we mee komen. We bekijken het mooie en ruime appartement van Johan en Monique en drinken op hun dakterras een biertje, met uitzicht op zee en de vissers die hun pirogues het land op trekken.

Dan samen naar het restaurantje van Margot. Het is piepklein, maar heel gezellig. En de open keuken is ook erg schoon. Margot is een geweldig mens. Ze is groot en fors, is heel vriendelijk en zeer vrolijk. Ze staat te zingen in de keuken en werkt hard. Met een grote smile dient ze het eten op. Het is zeeduivelfilet, hier lotte genoemd, in een heerlijk roomsausje met groenten en gebakken aardappeltjes erbij. Het smaakt voortreffelijk en het is beslist niet duur. Wel denken we nog even aan de knorrende, naar lucht happende zeeduivels bij ons voor de deur eergisteren. Emile schuift ook aan. Emile is een weesjongen waar Johan en Monique zich min of meer over ontfermd hebben. Ze kennen hem van jongs af aan, en steunen hem financieel een beetje. Emile heeft het inmiddels geschopt tot vrachtwagenchauffeur, maar baalt nu een beetje. De vrachtwagen, een Mercedes Actros, is kapot, en als hij niet kan rijden, verdiend hij ook geen geld. Zijn baas laat de wagen zo snel mogelijk maken in Dakar, maar het is wachten op de juiste onderdelen. Na het eten schuift er nog een man aan. Hij is onderwijzer op de school in het dorp. Ook een erg aardige vent, en het is een gezellige avond. Als we tegen half twaalf naar onze auto willen lopen, ongeveer een kwartiertje door het donker, biedt Emile aan om ons te brengen met de Peugeot van zijn baas. Erg aardig.

Het is alweer 3 December. Weer niks in de schoen, behalve een boel zand. Al om tien uur 's morgens staat André bij ons voor de deur, blijft de hele dag hangen en zeuren en pas om 17:30 uur vertrekt hij weer. We zijn hem en Der Moussa al goed zat. Je komt er niet van af. Moussa, die al 42 blijkt te zijn, heeft zich twee dagen geleden al flink laten kennen. Hij had ons door Pointe Sarene zien lopen met Jules, en kwam later als een klein kind bij onze auto verhaal halen. Hij vroeg zich af waarom Jules onze “beste vriend” is en niet hij. We kenden hem toch langer en hij is toch heel aardig? We leggen hem uit dat het woord vriend wel wat meer betekent dan de kennissen die je hier opdoet. Hoe kun je iemand die je even gesproken hebt al direct een vriend noemen? En dat we toch zelf mogen beslissen met wie wij even door het dorp lopen. Hier noemt men iedereen die ze een keer gedag hebben gezegd al direct een vriend, en ze zijn ook allemaal “sisters and brothers”, ook al is er geen enkele familieband.


De vrouwen van Jules familie zijn alweer bezig met de voorbereiding van de
couscous voor morgen.

Moussa was het er niet mee eens, wilde ons daarover eens goed de wacht aanzeggen, maar liep helemaal vast in zijn verhaal en ging er halverwege vandoor, zonder dat we ook maar iets terug konden zeggen. En we zagen hem nooit meer terug. Mooi, dat had zich vanzelf opgelost. Bij André is dit lastiger. Hij zat weer de hele dag te klagen dat hij geen geld heeft, maar steekt ondertussen wel de ene sigaret met de ander aan. We leggen hem uit dat ie dan niet bij ons moet blijven rondhangen, want daar wordt hij niets rijker van. Maar het is tegen dovemansoren. We doen die dag, net als de voorgaande dagen, verder niet veel.

We halen de was op bij de wasvrouw in het dorp. Ondanks dat de was erg vuil was (niet moeilijk hier met al dat stof) lacht ze nog heel blij. We rekenen met haar af en ze zegt dat we morgen wel weer zo'n vrachtje mogen brengen. We lopen ook nog even langs de winkel van Francois om wat brood te halen. Als blijkt dat ze geen wisselgeld heeft geeft ze onze 5.000,- CFA terug en zegt ze dat we morgen ook wel mogen betalen. Wat een vertrouwen, echt super. Ook de dag erop gaat helemaal op aan luieren en boekje lezen. En er komt helemaal niemand langs. Wat een rust, ongekend in Afrika.

's Avonds als we al binnen zitten staat er iemand voor de deur onze namen te roepen. Het is Jules. Hij had de avond ervoor een feestje gehad en was de hele dag lam geweest. Hij schaamde zich een beetje dat hij helemaal niet even bij ons langs was geweest, dus op de valreep alsnog. Hij hijgt het uit, want hij is door het donker komen hardlopen. We nodigen hem binnen uit. Zoiets heeft hij nog nooit gezien, en hij vindt het prachtig. We laten op de computer foto's zien van thuis en van onderweg. En van de bouw van de auto. Jules is een aardige vent. Hij blijft niet overdreven lang hangen, vraagt niet om allerlei gunsten, maar wil gewoon een beetje kletsen.

Het is vijf december 2011. Geen Sinterklaas gezien, wel veel zwarte Pieten. We lopen naar het dorp om Jules gedag te zeggen, want we willen morgen bijtijds weer vertrekken. Het wordt tijd voor weer wat leven in de brouwerij. Een weekje niksen is mooi, maar het moet niet te saai worden. Ook lopen we even langs bij Jules “sister”, die voor ons de was heeft gedaan, maar weer eens helemaal geen echte zus blijkt te zijn. We bedanken haar dat de was zo mooi schoon en fris is geworden. Echt verbazend hoe ze dat hier allemaal met het handje voor elkaar krijgen.

Dan nog even langs de winkel van Francois. We zouden eigenlijk al gisteren onze openstaande rekening betalen, maar het was zo lekker rustig op het strand, dat we geen zin hadden om naar het dorp te gaan. Het is helemaal geen probleem. We praten nog even, en onze wasvrouw is er ook bij, ze woont pal naast de winkel. Ze verteld dat het vanavond een feestavond is voor de moslims, maar dat hier het hele dorp er aan mee doet. Toch nog een heilig avondje dus. Ze noemen dit het couscousfeest. En dan wordt er, heel toepasselijk, couscous gegeten. Je zou zeggen, wanneer eigenlijk niet? We worden van harte uitgenodigd door onze wasvrouw en haar enorme schoonmoeder om bij hen vanavond mee te komen eten. We nemen dit aanbod aan en spreken af dat we er om acht uur zullen zijn. Jules komt ook. En dat is wel zo handig, want daarmee kunnen we tenminste goed communiceren. Veel lokalen hier spreken veelal alleen hun eigen taal, Fula, Wolof, Mandinka, Sererer etc. Wij kunnen maar een paar woordjes Wolof, en telkens als we dat spreken lacht iedereen het altijd uit. Dat gaat dan zo: Dieredief, njokkebok, bam, wauw! Dat betekent letterlijk: bedankt, heel erg bedankt, ezel, ja! Vooral dat gewauw hier is steeds erg grappig. Het betekent gewoon ja, en als mensen met elkaar praten, zegt degene die luistert telkens net als bij ons nogal herhaaldelijk ja, dus in het Wolof: wauw. Dus de één verteld, en de ander zit maar: wauw, wauw, wauw, wauw!

Als we ons melden om acht uur 's avonds bij de wasvrouw en haar grootmoeder, blijkt de hele familie al gegeten te hebben. Vreemd, je nodigt gasten uit maar eet niet samen met ze? Nu is het ook zo dat ze hier moeite hebben met de 12 uurs klok en de 24 uursklok, dus misschien bedoelde ze wel 18 uur, zes uur dus i.p.v. acht uur. We weten het niet. Wel krijgen we op de grond een flinke schotel couscous. Er zit aardig wat kip bij. En een lepel, en das wel zo fijn. Dat gesmeer met dat met de handen eten bevalt ons niet zo. Jules eet ook mee. Het smaakt goed.

We hebben een fles limo meegenomen en een zak met pennen en balonnen voor de kinderen. Oma, de forse schoonmoeder dus, neemt de zak met kadootjes aan en geeft ieder kind, en dat zijn er een stuk of acht, een ballon en een pen. De zak legt de naast haar neer en bewaakt deze goed. De limo wordt ingeschonken op de Afrikaanse manier, met veel soppen dus. De glaasjes staan op een blad op de grond. Big oma schenkt ze nonchalant vanaf haar zitpositie met een los handje in, de lichte wankele glaasjes niet met de andere hand vasthoudend. Dan kan namelijk niet, die moet te  regelmatig haar neus in.

De TV staat ook aan, met daar op een Senegalese soap. Zal wel iets van “Onderweg naar zorgen” of “Mooie meiden, dikke meiden” zijn. Wat een verbazingwekkend amateuristisch gebeuren. Het is allemaal gefilmd met één camera, waarschijnlijk ook nog een behoorlijk hobbyding. Het beeld beweegt, er wordt vreemd ingezoomd en rare manoeuvres met de camera uitgehaald. Dan is het toneelspel ook nog eens erg slecht. Met elkaar best lachwekkend, en we vermaken ons er nog mee ook. De anderen vinden het geweldig. Totdat het beeld meer weg heeft van de sneeuwberichten uit Tirol. Sinterklaas bij ons is toch wel een iets gezelliger feestje. Op straat horen we telkens een hoop kabaal en getrommel. Dat klinkt een stuk gezelliger. We hebben zin om daar even te kijken, maar vinden het vervelend om direct na het eten al weer te vertrekken, dus blijven nog even.

Dan komen er plotseling in de grote, dubbele deuropening, die uitzicht geeft op het compound van de familie, een stel flink uitgedoste kinderen de kamer in. Ze trommelen en doen gekke dansjes. Vervolgens bieden ze een oud boterkuipje of een dergelijk bakje aan de dikke oma aan, die deze dan vult met ongekookte coucous uit een grote schaal. Dit is dus wat ze bedoelen met couscousfeest. De kinderen gaan de huizen langs met maffe optredens om couscous te verzamelen.

Nu wordt het wel leuk. Er zitten groepjes bij waar opgeschoten jongens verkleed zijn als vrouwen. Ze lopen op hoge hakken en al. Vaak ook hebben ze hun gezicht wit gemaakt met één of ander poeder of meel. Bij ons dus op 5 december zwart gemaakte blanken, hier blank gemaakte zwarten. Dit is overigens niet altijd strak op 5 december. Alle moslimfeesten worden gehouden volgens de moslimkalender, die verschilt van die van ons, en jaarlijks zo'n 11 dagen verschuift, afhankelijk van de stand van de maan.

Sommige groepjes die binnenkomen vallen, schrikken als ze twee toubabs zien zitten, en maken er dan een bedeesd optreden van, anderen doen dan juist nog gekker. Het duurt telkens heel kort, misschien amper een minuut. Maar het is erg leuk vermaak en we genieten er van. Wel krijg je een zere kont van dat zitten op de grond. Het hele huis heeft geen meubelen, alleen een los kleed op de vloer en een tv in de kamer er naast waar op gekeken wordt door een deuropening. Schoongemaakt wordt hier nooit, hooguit een keer de vloer aangeveegd. Bij iedere deuropening grote zwarte plakaten waar iedereen altijd met hun handen langsgaat. Zo ook op de deur en de deurklink. De muren zo vies dat je je afvraagt hoe ze het voor elkaar krijgen. Ook de lichtknop is zo'n smerig ding dat van origine wit was, maar waar helemaal een zwarte korst op zit, en er omheen in een cirkel van dertig centimeter een zwarte kring op de muur van het zoeken naar de knop in het donker. Wat wij dan altijd niet begrijpen is hoe het kan dat de mensen er vaak van kleding onberispelijk uitzien. Schoon, heel en erg fleurig, vooral de vrouwen. Maar hoe het er in huis uitziet maakt ze niets uit, en de troep op straat waar ze tussen moeten leven ook niet. De keuken waar onze couscous bereid is bekijken we maar niet. Waarschijnlijk is dit ook gewoon buiten gebeurd, wat maar beter is ook.


In het midden, met rode bakje, staat een jongen van een jaar of 14 met
wikkelrokje, damestasje, hoge hakken en witte poeder in het gezicht.

Als er geen groepen kinderen meer komen nemen we afscheid, en bedanken we ze hartelijk voor de gastvrijheid. Op straat horen we nog steeds getrommel. We gaan er kijken en het blijkt een groepje van een man of twintig te zijn die in een kringetje op het kruispunt (behalve ezelkarren is er hier geen verkeer) staan te trommelen en te dansen. Het zijn de zgn. Baye-falls. Rasta-achtige mensen waarvan de jongens meestal wat rondhangen, of zich artiest noemen of op de toeristische plekken toubabs lastig vallen als “gids”.

Het is wel even leuk, maar een spektakel is het niet. We lopen maar eens heinig an naar het strand, naar ons rijdende huis. Jules loopt nog even voor de gezelligheid mee tot we aan de rand van het dorp zijn. Het laatste stuk door het bos lopen we romantisch met zijn tweeën. Vijf december, en de maan schijnt inderdaad fel door de bomen, zodat we het pad goed kunnen zien. Het is nog een heerlijk temperatuurtje en het was een geslaagde Sinterklaasavond, compleet met kadootjes, kindergezang en gezelligheid. Wel misten we de warme chocolademelk en speculaas.

We denken er aan hoe het thuis zal zijn verlopen. Neefje Casper flink bedolven onder de kadootjes en de bende van vijf uit Lonneker en de boef uit Oldenzaal dito. Hier doen ze het met een kommetje couscous.

 WOENSDAG 6 DECEMBER 2011 
Ha! 6 December alweer. Hoewel sommigen vinden dat die ouwe Sint nu jarig is vinden wij van niet, en hoeven we ons wild geraas dus niet langer te staken. Sterker nog, we gaan vandaag flink wild razen, we trappen de Daf weer aan en verkassen naar een stuk verderop. Eerst nog even 100 liter water door de buren met de ezel laten brengen en in onze tank pompen, dan nog even het dorp in voor vers brood en alle bekenden even gedag zeggen. De wasvrouw vraagt nog of we vannacht niet ziek waren in de maag, van de couscous van gisteren. Nee, helemaal niet. Maar ze weet dus wel dat de magen van de toubabs niet zo sterk zijn als die van hen.

Jules loopt, zoals altijd, werk of geen werk, met ons mee tot aan de vrachtwagen. De laatste dingen nog even inpakken en vastzetten, afscheid nemen en hup, gaan met die banaan!. Eerst weer even banjeren door het mulle strandzand, dan het laterietpad op en de banden op spanning brengen. Dat duurt altijd even, dus we combineren het gelijk even met een goede lunch.

We rijden vandaag tot Joal-Fadiout, niet zo heel erg ver. En onderweg niet één politiecontrole, geweldig! Joal is een eilandje midden in de rivierdelta, geheel van schelpen. De totale ondergrond is van schelpen, en zo ook vele huizen die er op staan. Als we in Fadiout een goede parkeerplek voor de daf hebben gevonden, wat weer vlug gepiept is, lopen we naar de grote houten brug die het eiland met het vaste land verbind. Door meerdere mensen worden we toegeschreeuwd dat we ons moeten melden bij een toeristenbureautje links. Vreemd, in de Lonely Planet stond dat we er zo op konden wandelen. Dit willen we dus ook doen, als we al door iemand van het toeristenbureautje geroepen worden om te komen. We gaan maar even naar de overkant van de straat om te kijken wat er aan de hand is. Ze leggen uit dat we een gids moeten nemen, kost slechts 5.000,- CFA. We hebben helemaal geen zin in een gids, we willen gewoon lekker even over ons gemakje over het eiland struinen. Ja, maar een gids is nodig. Hij verteld je veel over de historie. Ja, dat zal wel, maar ook daar hebben we lang niet altijd zin in. Hier in Afrika zijn ze er namelijk zeer goed in als iets niet interessant genoeg is er zelf een mooie historie voor te verzinnen. En we hoeven ook niet alles voorgekauwd te krijgen. Soms is het juist heel leuk om samen ergens over te piekeren wat het zijn kan. En dan is er uiteindelijk altijd wel een local die het verklapt. Ook lezen we altijd wel even het stukje historie en over de bezienswaardigheden in een plaatsje in de Lonely Planet.

Dat vertellen we het mannetje niet, we hebben er gewoon geen zin in. Maar stribbelt hij tegen: je steunt er de hele gemeenschap mee. Vooral voor betere kansen voor onze jongeren. Hij wijst daarbij naar het groepje hangjongeren  aan de overkant. Baggy trousers, fake-Nikes, real Bolex horloges en Ray-Banaan zonnebrillen op. Druk sms-end of bellend met hun mobieltje, maar liever nog lekker  slapend onder een parasolletje met een reggea-deuntje er op. Nee, nu weten we het zeker, dit willen we niet sponsoren. Wat is dat toch altijd hier? Welke mafkees heeft bedacht dat toeristische dingen altijd gepaard moet gaan met een te dure gids zodat de hele gemeenschap er van meegenieten kan, zodat de enige drive om zelf ook eens wat te gaan doen ook verloren gaat. 5.000 CFA is hier een heel royaal dagloon (gemiddeld dagloon rond de CFA 2000,-), maar wij moeten dat betalen voor een uurtje gids. Dacht het niet. Kan hulp aan Afrika niet gewoon beperkt blijven tot het slaan van waterputten, het opzetten van schooltjes en hospitalen en noodhulp waar een ramp dreigt? En die schooltjes, hospitalen en waterpompen pas vervangen of oplappen als de normale Europese technische levensduur verlopen is, en niet eerder. Misschien, heel misschien dat ze dan ook nog eens leren zuinig met dingen om te gaan.

Grrrlmbrrr...al weer bijna pissig over die eeuwige goedbedoelde door geitenwollensokken van achter een bureau bedachte maar vrijwel nooit op langere termijn functionerende, uiteindelijk altijd mislukkende en in puinhoop eindigende  geldverslindende projecten. Gewoon een toeristenbureautje met lokale gidsen tegen een tarief van 2 à 3 keer een normaal uurtarief is niet mogelijk. Een hardwerkende lokale visser wat laten bijverdienen door met zijn pirogje mee te gaan kan ook niet. Mag meestal niet van de organisaties hier. Stel je voor dat alle toubabs dat gaan doen. Dan blijft er geen geld over voor de mobieltjes van onze hangjeugd.

Sorry hoor, als we met bovenstaand verhaaltje tere zieltjes hebben geraakt van mensen die misschien al wel jaren een goed doel sponsoren in Afrika. Misschien is dat van u wel iets dat zinvol is, in ieder geval “for the time being”. We hopen dan ook van harte, voor onszelf en voor de mensen hier, dat onze mening over hulp aan Afrika nog zal veranderen tijdens deze reis.

Halverwege de brug kunnen we alweer genieten van het zicht over het water en de plasticzakken die onder ons doordrijven. Je hebt een mooi zicht op het eilandje. Vanaf hier kun je ook de brug zien naar het eilandje ernaast, dat als een unieke begraafplaats dient. Ook dit eiland, alsmede de graven zijn geheel van schelpen (de graven met af en toe een beetje beton dan). Moslims en Christenen liggen hier samen op één begraafplaats, wel ieder op hun eigen deel. Zo kan het dus ook.

Aangekomen op het wooneiland, zien we eerst wat er een troep langs de waterkant ligt. Verschrikkelijk. We zouden nog zo die lapzwansen aan hun nepgouden kettingen er bij willen trekken om die zooi eens op te ruimen, en het toeristenbureau om de mensen eens te leren dat dit ook anders kan. En de omgeving maar presenteren als natuurgebied met kwetsbare mangroven. Maar hey, This Is Africa...(T.I.A. Zoals je hier veel hoort, ook onder reizigers) Gaan wij ook al zo denken? Nee zeker niet, we gaan het niet als normaal beschouwen en doen het dan af met het smoesje T.I.A. Wij denken L.O.I. Nee, geen Leidse Onderwijs Instellingen, maar Lack Of Interest, gebrek aan interesse. Het kan ze gewoon allemaal niet schelen.

Wat wel erg leuk is, is dat overal tussen het afval in de blubber varkens rond schungelen. Vooral voor Mariska, want het zijn nog steeds haar lievelingsdieren. Zouden we het daarom al zo lang met elkaar volhouden?

Op het eiland zijn veel leuke smalle steegjes, waarbij zowel de straatjes als de muren van schelpen zijn. In de muren zijn ze uiteraard door het beton gewerkt. Wel is het een beetje een grauwe bedoening. Er staat ook een grote kerk midden op het eiland. Ze vieren het 130 jarige bestaan ervan. Het is een zogezegd apart ding. De toren is bekleed met gekleurde badkamertegels, en heeft een groot kruis op de zijkant, geheel voorzien van kerstverlichting. Het is een kitsch gebeuren, maar erg grappig om te zien. We lopen door naar nogal een grote moskee. Dat is een triest gebeuren. Het is in slechte staat van onderhoud, alle verf bladdert er af. In het midden van het gebouw zit een grote zilverkleurige koepel op het dak, waarvoor volgens ons de hele moslimgemeenschap chocoladewikkels of chipszakken heeft verzameld. Het is een lelijk zilverkleurig plakwerk, wat al niet wat geweest is toen het nieuw was. We hopen dat het niet al te veel de zegens van Allah weerkaatst heeft. De regens zal het in ieder geval niet weerkaatst hebben.

De omgeving rondom de moskee is één grote afvalberg. Vooral langs het water. De kwetsbare en belangrijke mangroven zijn hier compleet dood en afgekapt. We zien op dit deel van het eiland ineens ook geen toerist meer. Die worden hier vakkundig door de gidsen weggehouden. Wat wel weer mooi is, is dat er rond de moskee ook gewoon weer een heleboel varkentjes vrij rondlopen.

Uniek! Graven van schelpen.

We lopen via de andere brug naar het eilandje dat als begraafplaats dienst doet. Leuk om te zien hoe dat hier gaat. Alle graven zijn een grote berg schelpen, met een groot wit betonnen kruis erboven waar ze wat op hebben gekrabbeld. De begraafplaatsen van de moslims hebben natuurlijk geen kruizen. Ze liggen allemaal relaxed op hun zij met het gezicht naar Mekka. De graven zijn soberder en minder goed verzorgd. Dat geeft niks. Hun ziel rust op hun lauweren in de tuinen waar de rivieren onderdoor stromen, en ze doen zich tegoed aan minstens zeventig maagden elk. Terwijl de Christenen aan brandende kettingen de hel in zijn gesleept en kokend water te drinken krijgen wegens hun geloof als Jezus zijnde de zoon van God. Sorry voor dit gruwelijke verhaal weer tussendoor,  maar dit is gewoon een stukje eeuwenoude cultuur dat erbij hoort, gewoon een stukje uit de Koran. Moraal van het verhaal is natuurlijk: welk kruis heb je na je dood het liefst goed verzorgd..?

Maar we vinden het prachtig dat deze twee religies, die elders in de wereld voor zoveel geweld zorgen, hier zo vredig samen liggen. En niet alleen dood kunnen ze het hier samen goed vinden, ook levend gaat het verbazingwekkend goed. Een voorbeeld voor de rest van de wereld, zelfs voor Nederland. Misschien moet Wilders hier eens naar toe op studiereis. En een heleboel radicale moslims natuurlijk ook!

We lopen weer terug naar de Daf en parkeren hem op een rustig plekje aan de rand van het centrum van Fadiout. Via een paadje zijn we zo aan zee. Er staan wat luxere huizen rondom. Allen van Europeanen, meestal Fransen, want het praat hier voor hun zo lekker weg.

's middags komen er wat brutale kinderen langs. Ze willen weer van alles. We zitten binnen en ze stormen zo de trap op. Opdonderen! Daar hebben we geen zin in, brutale kinderen. Ze blijven schreeuwen en jengelen, en op een gegeven moment beginnen ze zelfs steentjes te gooien tegen het zijraam. We zijn het zat. Jan sluipt aan de andere zijde naar buiten zonder dat ze het merken, en grijpt er dan gauw één in zijn nek en tilt hem daarna even met de pootjes in de lucht. Die schreeuwt het tot jankens toe uit en de rest van de groep stuift weg. Jan laat het jongetje zakken en ook die rent er vandoor. Het deed hem helemaal geen pijn, maar het was gewoon schrik, precies wat de bedoeling was. Het heeft gewerkt, want we hebben ze niet weer gezien, en we genieten van een rustige namiddag. Een langslopende opa knikt en moet lachen om het schouwspel.

De volgende dag werken we nog wat op de computer. We hebben een vrije wifi opgepikt. Wel traag maar ok. Jan praat wat met een oude buurman. Het oude manneke woont hier niet maar heeft op de compound achter de muren naast ons een moestuin. Vol trots laat hij Jan alles zien. Het ziet er best goed uit. Hij vraagt of we wat knolletjes willen kopen die hij net geoogst heeft. Het heet patatas en ze zien er uit als wat grote radijsjes, maar dan minder fel van kleur. Meer de kleur van rode aardappelen. Volgens het mannetje moet je ze ook als aardappelen bereiden en eten. Ze zijn lekker zoet zegt ie. Ok, dat proberen we. Hij doet ons er nog een paar, het is bij elkaar nog geen kilo. Jan wil hem er 1.000 CFA voor geven, als hij dan morgen ook even af en toe een oogje in het zeil wil houden, als wij met de motor op pad gaan. De man neemt de 1.000 CFA aan, maar zegt dat het wel erg weinig is. Normaal kost zo'n partijtje knollen volgens hem 2.000,- CFA. Das bijna 4,- euro, voor nog geen kilo. We betalen voor gewone aardappels hier altijd ongeveer een euro per kilo, dus we dachten al heel genereus te zijn. Maar daar gaan we weer: dan krijg je ze terug, dat is een idiote prijs, maar als jij het er op de markt voor kunt krijgen, willen we je het brood uit de mond niet nemen. We halen dan morgen wel aardappelen op de markt. De man stribbelt tegen, hij geeft de knollen weer terug en zegt dat we ze voor deze speciale prijs mogen hebben omdat we zijn vrienden zijn. En morgen wil hij wel even een oogje in het zeil houden. Nou goed dan, maar blij worden we van zulke acties nooit. De charme van de aardige bejaarde buurman die zijn knolletjes vanaf het land verkoopt is er dan wel van af. En het kon zo mooi zijn. Voor het oppassen morgen wil hij nog wel graag een kado van ons. Dat is goed, maar dat doen we dan morgen achteraf wel. 's Avonds Skypen we nog even met Mariska's ouders. Dat is dan weer het voordeel van grotere plaatsjes. Het internet is dan af en toe net snel genoeg om te kunnen Skypen.

Het is acht december. Maria is op deze dag geheel onbevlekt ontvangen, zien we in onze agenda. Dat zal dan wel niet in Afrika zijn geweest. Wij vieren dit met een mooi motortochtje naar Palmarin en Djifer. Dat voert over een redelijk goede, af en toe wat hobbelige laterietweg over een schiereiland. Zo'n dertig kilometer heen, en weer zo'n dertig kilometer over dezelfde weg terug.

Heerlijk, weer zo'n stukje crossen over stoffige rode paadjes. We komen eerst langs de dikste baobab van Senegal. Het is een enorm gevaarte. Van binnen is hij hol, er passen zo een man of vijftien in. Via een klein gat aan de zijkant klauteren we naar binnen. Het klinkt allemaal idyllisch, maar hey: T.I.A. Rondom de boom is het natuurlijk helemaal volgepakt met artiestenstalletjes. Die allemaal weer dezelfde kunst hebben die we overal zien. En allemaal zeuren dat je moet kijken. Er komt direct een “gids” naar ons toe. Stel je voor dat we de boom over het hoofd zien... of binnen in de holle boom verdwalen... Hij leidt ons naar het gat in de boom, wurmt zich erdoor, en wij doen hetzelfde. Binnen ratelt hij aan één stuk door. Wat hij zegt weten we niet. Het interesseert ons ook niet. L.O.I. Zullen we maar zeggen. Wat ons wel interesseert zijn de vele vleermuizen in de boom. Maar doordat de ratelaar maar doorgaat, kunnen we ze amper horen, en zijn de beestjes in paniek. Pfff, we gaan er maar weer eens uit, voor we helemaal onder de vleermuisschijt zitten.

Buiten vraagt de man natuurlijk geld. We drukken hem een grijpstuiver in de hand en gaan maar weer eens. Hij ratelt door, het zal wel niet genoeg zijn. Van een afstand maken we nog een foto. Het is een prachtige boom, maar wordt verpest met de toubabmarkt die eronder zit. In Australië bezoek je zo'n boom geheel vrij van gehassel. In de meeste gevallen ben je daar dan ook heerlijk helemaal alleen, maar dat gaat hier niet op.

Grootste baobab van Senegal

Een upside down kwal.

We trappen de BMW weer aan en knallen verder de vlaktes van de Siné Saloumdelta over. Deels zijn dit opgedroogde zoutpannen. Een mooi gezicht, met af en toe grote eenzame baobabs er tussen. Er zitten veel vogels. O.a. Meeuwen, sterntjes, verschillende reigersoorten, pelikanen, zwart/witte ijsvogels, mooi gekleurde bijeneters, zwarte ooievaars (die brengen zeker de zwarte kindjes..?) darters etc. etc.

Bij de mangroves zien we heel aparte kwallen. Groot en klein, ze liggen allemaal op de kop op de bodem van het ondiepe stuk water, hun tentakels zachtjes wuivend omhoog gericht. Het is een prachtig gezicht. Allerlei verschillende kleuren en maten, het lijkt net een mooi bloemenveldje onder water. We proberen nog of er iets mis met ze is door ze om te draaien, maar ze draaien zich zo weer op hun rug. Het zal wel zo horen. Ook barst het er van de kleine visjes en je ziet grote blauwe krabben elkaar intimideren. Een prachtig gebied, en tamelijk rustig ook. De plaatsjes Palmarin en Djifer zelf stellen niet zo heel veel voor.

 

Als we terugrijden staat er op het pad voor ons een schitterende speciaal geprepareerde gloednieuwe Land Rover, kleur racing green. Nou laat dat racing er maar af. Hij staat op een gammele sleepwagen. Dus “green” is de Laro nu wel. Van de dubbellucht van de sleepwagen zijn beide rechter achterbanden lek. We stoppen even om te kijken wat er aan de hand is. De eigenaar van de Land Rover, een wat oudere vriendelijke Fransman staat ernaast, zijn vrouw zit nog boven in de Land Rover. Ze wilden ergens een stukje zo'n zoutpan over rijden, maar kwamen goed vast te zitten in de klei. Ze hebben een goede Ramsey lier, maar ja, bomen staan hier ver weg. En voor een baobab heb je nogal een lang boomlint nodig.

Op zich allemaal niet zo heel erg, maar het water kwam op. De delta staat uiteraard in directe verbinding met zee, dus na een tijdje stond de Laro in ruim een meter zout water. En Robin Crusoë met zijn vrouw op het dak in de daktent. Niet zo fijn als het eiland je eigen peperdure expeditiekar is. Vroeger kon zo'n Landrover nog wel tegen een beetje water, hoewel zout water zeker niet fijn is. Maar tegenwoordig schijnt er in zo'n ding ook al elektronica te zitten, en niets werkt meer. En nu heeft de sleepkar ook nog panne. Het moet sowieso een hele gewaarwording zijn. Ze passen namelijk zelf niet bij in de cabine van het truckje, dus zitten gewoon achter het stuur hoog boven op de sleepkar. Dat hebben wij in Noorwegen ook wel eens gehad, maar niet over zo'n weg met diepe kuilen als dit. Af en toe moet het wagentje vervaarlijk scheef gehangen hebben.

Uiteindelijk laten ze de Laro naar Dakar brengen om hem daar na te laten kijken. De plaatselijke monteurs vertrouwt hij er niet aan. Verstandig. De Fransen zitten er behoorlijk doorheen, maar hulp is onderweg. We kunnen zo met de motor niets voor hun betekenen, dus wensen we ze veel succes en vervolgen we onze weg. Gelukkig kan de Daf een metertje water wel aan, maar fijn is zout water zeker niet, en zie een vrachtwagen van 12 ton maar eens uit zo'n klei te krijgen. Moet er voorlopig nog even niet aan denken. We stoppen nog bij een mooi plekje en gaan daar wat wandelen. Het is prachtig hier. Weer terug bij de motor zien we de Franse Landrover voorbij komen. Hoog bovenop hobbelen ze heen en weer.

We nemen met de motor nog wat paadjes binnendoor. Het zijn ezelspaadjes, en die zijn lastig te berijden. Het zijn drie sporen, twee van de achterbanden van de kar en het midden van de vier hoeven. Ertussen graspollen. Het zand is erg mul, maar je kunt weinig stuurcorrecties maken omdat je in één van de drie sporen rijdt. Het middelste spoor is met zijn tweeën op de motor het minst comfortabel, vanwege het gestuiter. De beide buitenste sporen hebben als groot nadeel dat ze telkens vlak langs doornstruiken gaan. En met je korte broek, slippertjes en t-shirtje is dat ook niet echt fijn. Ga je hard over het middelste spoor, dan is het wel te doen, maar gaat het mis, dan ga je ook hard op je bek. En dat zonder beschermde kleding. Geen optie dus, want Jan heeft Mariska's ouders beloofd haar weer heel thuis te brengen. Dan maar rustig slingerend en glijdend over de buitensporen. Wel is het een mooie route. We komen langs een plas waar hamerkoppen zitten. Robuuste vogels met een kop als...een hamer. De vorm dan, als een klauwhamer. Niet over dwars, zoals de hamerkophaai, maar in de lengte. En natuurlijk heeft Mariska dan de batterij van haar camera leeg. Dan maar wat foto's maken met de filmcamera van Jan. En een stukje film uiteraard.

We komen via het paadje weer op de weg terug naar Fadiout uit, en rijden terug naar de auto. Het is nog vroeg in de middag. We pakken de motor in, en zien dat onze “bewaker”, de buurman er helemaal niet is. En vanmorgen toen we vertrokken was hij er ook al niet. Nou, mooi oogje in het zeil dan. Hij zal wel ergens onder zeil zijn. We lopen nog even het dorp in. Al gelijk om de hoek zit een vrouwtje die op straat viskoekjes bakt. Het ziet er hetzelfde uit zoals we ze ook in Mauritanië gehad hebben. Als het smaakt, dan doen we er een vracht van bij het avondeten. We proberen er allebei één. Smaakt mooi. We zeggen dat we zo terug komen en er twintig willen, met saus. We halen twee schalen uit de auto en laten ze vollepelen. Het vrouwtje is helemaal blij. We vragen of er nog wat kwantumkorting afkan, maar daar hebben ze hier nog nooit van gehoord. Het wordt hooguit duurder, omdat ze er ineens zoveel werk mee heeft. Toch heeft ook zij ons bij de poot. Ze vraagt 0,50 CFA per koekje, zo'n 8 eurocent, inclusief de heerlijke ui-tomaatsaus. Als we willen afrekenen roept een bijdehante tante ernaast dat ze 0,25 CFA per stuk kosten. Het is een bedrag van niks, en we vinden het al prachtig dat zo'n mensje hier op de stoep deze koekjes bakt, dus we geven de 0,50 CFA/stuk.

We lopen nog even over het marktje, kopen wat zoete aardappelen, fruit en een kilo pindakaas uit het vat. We kunnen het niet laten nog even bij de groenteboertjes te vragen wat de knolletjes van opa buurman nu werkelijk kosten. 300,- CFA per kilo. Zie je wel, de ouwe oplichter. Als we later bij de auto terug zijn, komt de buurman er wat later ook aan. We vroegen hem waar hij vanmiddag was. Hij beweert er gewoon te zijn geweest. Dan vertellen we hem over de prijs van de knolletjes op de markt. Oh, zegt ie. Die zijn niet vers, maar al maanden oud. Ja dat zal wel. Ook zegt ie dat we meer hadden dan een kilo. We zeggen van niet, dus we pakken onze keukenweegschaal er even bij. De knolletjes hebben we nog niet opgegeten, dus we gooien ze in de bak. Net 800 gram. Dan komt ie met het smoesje dat ze bij hem altijd per volle zak verkocht worden, en dan is de prijs 2.000,- CFA. En hoeveel kilo er in een zak gaan weet hij niet. Ja, mooie praatjes opa, maar je kadootje heb je wel verknald zo.

De dag erop rijden we maar eens verder. Mariska ruimt eerst binnen e.e.a. op en Jan gaat nog even het dorp in om brood te kopen voor de lunch. Gisteren had hij met meerdere Fransen gesproken die hier telkens een half jaar wonen. Deze hadden net brood gehaald, dat er kwalitatief beter uitzag. Het was een wat zwaarder en kort stokbrood. Ze hebben uitgelegd waar het te verkrijgen is, dus Jan gaat er achteraan. Hij kan het bakkertje echter niet vinden en vraagt de lokalen. Die sturen hem van het kastje naar de muur. Verschillende winkeltjes en bakkertjes doet hij aan, maar overal tevergeefs. En telkens krijgt hij te horen dat zulk brood in dit dorp niet bestaat. Krijg toch wat, gisteren zag ik toch zelf de tachtigjarige Fransoos van hierachter met het brood lopen, dus het kan nooit ver zijn. Als Jan het eigenlijk al weer heeft opgegeven en gewoon beroerd stokbrood wil gaan kopen, wordt hij op straat nageschreeuwd: hey, hallo toubab, stop! Dat geschreeuw doen we al niets meer op uit dus Jan loopt zonder op te kijken stevig door. Dan hoort hij: Hey, its me, from Pointe Sarene! Toch maar even stoppen en kijken. Oh nee, het is André, de klagende toubabjager. Wat doet hij nou hier, en waarom loop ik hem nog net tegen het lijf? Na even gepraat te hebben, zegt André dat hij wel weet waar het brood te halen is. Natuurlijk weer een kilometer de andere kant op lopen. Maar proberen dan. Ook daar weer gewoon waardeloos hol stokbrood. Bedankt André! Met zes shitbroden maar snel terug naar de Daf, want het wordt tijd om te vertrekken. Gelukkig weet Jan André nog af te schudden, anders heb je die er ook nog bij zitten te kwaken.

VRIJDAG 9 DECEMBER 2011, Fatick
We zijn weer op pad, lekker. Na een schitterende laterietweg door mooie natuur gaat de weg na een dorpje plotseling over in asfalt. Ook wel even lekker, maar we zijn er niet snel genoeg op verdacht dat er ineens behoorlijke diepe vierkant uitgehakte gaten in de weg zitten. We klapperen er dus met een vaart in. Gelukkig geen schade, de Daf kan wel wat hebben. Rustig rijden en flink slalommend vervolgen we de weg. Na een paar kilometer zien we wat er aan de hand is. De weg wordt gerepareerd. Althans, er staat een vrachtwagen met teer en grind op de weg, en een twintigtal mannen liggen verspreid onder twee bomen. Nergens een waarschuwingsbord of iets dergelijks. Gewoon overal diepe vierkante gaten in het asfalt, en wie weet, komt het dit jaar nog af.

Zo'n tien kilometer voor het plaatsje Fatick gaan we de hoofdweg af, en slaan we een mooi zandpaadje in. Het zijn weer van die ezelkarsporen, en we volgen ze een eindje de Saloum delta in. We komen langs waterplassen met vogels en af en toe wat plantages, pindavelden.

We zetten de auto neer op een mooi plekje met uitzicht op zo'n waterplas. Stoeltjes naar buiten en alvast beginnen met het schillen van de zoete aardappelen. Dan komen er twee knapen langs die op een afstand van zo'n vijf meter gaan zitten. We praten wat over en weer. Niet echt vervelend, maar rustig een boekje lezen is er niet meer bij. Als ze na een uur of twee weggaan komen er wat jongere kinderen, en het worden er steeds meer. Zeker een stuk of dertig. Eerst gaat het nog en kunnen we best leuk met ze praten, maar ze worden steeds brutaler. Gaan op onze buitentafel hangen en eisen dat ze binnen mogen kijken. Dat gaat echt niet gebeuren, waarop ze een grote mond opzetten. De sfeer is niet prettig en we hebben er zo geen zin in. We pakken onze spullen in, en gaan binnen ons eten afmaken en opeten. De kinderen blijven nog zo'n 1,5 uur hangen, onder luid gebonk op de auto en een hoop geschreeuw. Gezellig plekje... We kijken naar buiten naar de mooie ondergaande zon en de vissers die met netten nog wat proberen te vangen in de waterplas. Wat hadden we hier een mooie avond kunnen hebben. Maar met deze ellende zijn we morgen in ieder geval zeker snel vertrokken.
Als we de volgende morgen binnen aan ons ontbijt zitten, hebben zich rond de auto alweer een stuk of tien kinderen verzameld. “Goodmorning, how are you?” en ze roepen telkens “Mariska” “Mariska”. Die naam hebben ze goed onthouden. Die van Jan niet, gek hè? Omdat we nergens op reageren beginnen ze op de zijkant te roffelen. Ritmisch, dus het klonk nog grappig ook. We hebben het maar even opgenomen met de filmcamera.

Maar na een tijdje gingen ze met stokken op en neer langs het horgaas bij het grote openstaande raam achter de bank. Dat moeten we niet hebben. Tijd voor actie dus! Met een ruk doen we het gordijn open. Ze schrikken ervan en rennen een vijftien meter naar achteren. We leggen ze goed uit dat dit niet kan. Het helpt allemaal niets, ze doen er niets op uit. Jan gaat naar buiten en Mariska ruimt binnen alles op, zodat we rap kunnen vertrekken. Ineens gaat de deur weer open en schuift Jan een grote blauwe plastic teil met wat spullen naar binnen.

Die heeft hij van één van die etterbakjes van het hoofd geplukt. Schreeuwen! “Donnez moi du panne!” Mooi niet. Gaan jullie maar eerst even rustig doen. Jan maakt ze nog een keer goed aan het schrikken, en ze stuiven tot dertig meter verderop. Zo, dat is al wat rustiger. Mariska heeft intussen de boel aan de kant, en Jan start de motor om alvast een beetje lucht te draaien. De kinderen denken dat we er met hun teil vandoor gaan. Maar ze durven niet dichterbij te komen. Als we echt weg willen pakt Jan de teil en reikt ze die aan. Ze blijven op een afstandje, maar één meisje loopt op Jan af om hem in ontvangst te nemen. Maar als ze vlakbij is roepen de ander kinderen in het Wolof iets naar haar. Waarschijnlijk iets van: “Pas op! Hij pakt je!” Ze rent weer terug naar de groep en roept dat Jan de teil op de grond moet zetten. Jan doet dat en stapt weer in de auto. Dan rent ze naar de teil om hem op te halen. Wat een irritante blagen.

Na een keertje flink schrikken, gaan ze op een afstandje staan schreeuwen.

We rijden een prachtig stuk door het Sine-Saloum deltagebied. Als we een opgedroogde plas over willen steken, merken we dat de Daf steeds zwaarder moet gaan trekken. Jan kijkt uit zijn raampje en ziet dat we al behoorlijk diepe sporen aan het trekken zijn. Shit, omdraaien, als we hier vast komen te zitten hebben we het niet best voor elkaar. We zijn al zo'n tweehonderd meter van de vaste grond verwijderd. Stoppen en keren is tricky, want de kans bestaat dat als je stilstaat, je al vast zit. Maar met een ruime boog omdraaien is ook geen optie. We rijden nu nog op een soort pad, ernaast kan het nog wel zachter zijn. Snel stoppen, omdraaien en flink gas. De Daf spurt er weer vandoor naar steviger grond. Geluk gehad. Toch vreemd, we hebben al meer van zulke stukken overgestoken, en dan is het gewoon droog en zanderig.


vrouwen op het land, bezig met de pinda oogst
We vinden een ander mooi plekje en slaan daar kamp op. En hier is het echt rustig. Af en toe komt er iemand langs lopen en maakt een praatje, maar ze zijn met vijf minuten allemaal weer weg. Ook komen er soms vrouwen langs die vanaf de pindaplantages komen. Ze hebben grote manden met pinda's op hun hoofd. Sommigen stoppen even en geven er ons ook een paar. Best lekker, verse pinda's. We genieten weer van de namiddag en avond. Weer een mooi plekje om nog een dag te blijven staan. Een beetje buiten genieten van het zonnetje en het uitzicht. Een beetje luieren en wat werken op de computer. Heerlijk. En niet één keer lastig gevallen.

MAANDAG 12 DECEMBER 2012, weer vast
We vertrekken bijtijds. In de verte zagen we een telefoonmast, dus een dorp. Dat betekent dat we de hele route door de bush niet terug hoeven te rijden. Als het een beetje klopt kunnen we vanaf dat dorp zo weer de hoofdweg op. We zijn nog maar net op weg als we voor de zoveelste keer een drooggevallen stuk over willen rijden. De grond ziet er goed droog en stevig uit. We rijden er nog maar net een paar meter op, als het linker achterwiel er half in verdwijnt. De Daf trekt het niet meer verder, ook niet in 4x4 lage gearing. De wielen graven alleen maar rond, en het linker achterwiel is al verder dan de helft, ook de stootbalk achter zit daar al in het zand. Shit! En hij hangt vervaarlijk scheef. Wat nu? Hoeveel zou ie verder zakken? Gaat ie dan omvallen? We denken dat het beter is daar maar niet op te wachten, en graven onder het rechter achterwiel de grond ook weg.

Vast zitten we toch al, dan maar liever rechtop. We snappen niet waarom, maar ondanks dat hij achter nog maar op een smal pilaartje zand staat (echt eronder graven lukt niet) zakt hij aan die kant maar niet. Jan zet, met behulp van twee mannen die er net aan komen met een paardenkar, de lier van de voorkant naar de achterkant en bevestigd de haak met een boomlint om de dichtstbijzijnde boom, die zo'n dertig meter verderop redelijk in het verlengde van de vrachtwagen staat.

Met volle lierkracht trekt hij de wagen naar achteren, en zowaar, hij komt rechtop te staan. Dan wil het niet verder. De wagen zit muurvast en rust met de opbergbakken en de stalen bakken die tussen het chassis hangen op de ondergrond. Het differentieel is nog amper zichtbaar. Het gevaar is geweken, het lijkt aardig stabiel zo. Maar hoe komen we hier weer uit? Graven dan maar, en proberen onze zandplaten onder de wielen te steken. Dan weer met rustig gas geven en flink lieren er uit proberen te komen. Af en toe komt ie een centimeter, maar erg voorspoedig ziet het er niet uit. Nog eens flink doorlieren, en pats! Het liertouw is geknapt. Hoe is dit nu mogelijk? De lier kan maximaal 7,5 ton trekken, en het speciale, knetterdure liertouw zou twaalf ton moeten kunnen hebben. Het was wel wat beschadigd door de lompe Marokkanen bij het recht opzetten toen we gekanteld waren, maar dat was vlakbij de haak, en daar is het touw nu niet geknapt. Het knapte gewoon in het midden. Met een bijzondere knoop uit ons SAS-survivalhandboek knopen we het touw weer aan elkaar. En bij volle kracht weer: pats! Niet bij de knoop, die heeft het prima gehouden. Maar op een ander plek. Grrrr!

Het ziet er naar uit dat er veel gegraven moet gaan worden, en dat we een fatsoenlijke trekker moeten hebben die, wellicht in combinatie met de lier, de Daf weer uit de klei trekt. Het is hele vaste, zuigende klei, met daarop een centimeter of dertig stevig zand. Steek je je schep erin, dan krijg je hem er amper weer uit.

De twee Senegalesen hebben een paardenkar bij zich en bieden aan om samen met ons naar het dorp te gaan om een trekker te halen, of wellicht een andere vrachtwagen. Jammer dat we al zo diep in de klei zitten dat we niet bij de motor kunnen komen, anders konden we daar zo even mee naar het dorp rijden. We gaan op het aanbod in, maar willen de Daf hier zo niet alleen achter laten. Mariska blijft achter in de Daf, en Jan gaat met de mannen mee. Mariska zit angstvallig stil binnen op de bank. Af en toe kraakt de auto. Hoever zal die nog nazakken?

Jan springt achterop de paardenkar. Het is ongeveer negen kilometer door de bush naar een klein dorpje, vanwaar er met ander vervoer verder gereisd moet worden naar een wat groter dorp, of misschien is het wel een stad: Fatick. Het is best een mooi tochtje achterop de kar. We passeren kleine dorpjes en dikke baobabs. Onderweg stoppen we bij een waterput om het paard te verzorgen. Hij krijgt flink te drinken, en ze gooien ook wat emmers water over hem heen. Dan weer verder. Je krijgt wel een zere kont op zo'n ongeveerd tweewielig houten karretje. En de mannen hebben geen haast. Overal onderweg kennen ze de mensen en maken ze een praatje. Af en toe rijdt er één een stukje mee. Best irritant, want Jan wil zo snel mogelijk in de stad zijn.

Als kinderen een toubab achterop de kar zien zitten rennen ze er allemaal massaal achteraan, en proberen ze de kar vast te grijpen. De mannen kijken er van op, want dit gebeurt hen natuurlijk nooit. Na een lange rit komen we bij het kleine dorpje langs de grote weg aan. Het paard wordt losgemaakt van de wagen, en mag in de schaduw uitrusten. De ene man blijft er bij om hem in de gaten te houden, de andere, ze noemen hem Ngorom, gaat met Jan verder.

De Daf zonk aan de linkerkant met een rap tempo, waardoor we aan de rechterkant
 snel onder het wiel zijn gaan graven om de boel een beetje recht te houden.

We willen een gelli-gelli nemen naar het dorp, want taxi's staan hier niet. Een gelli-gelli is een soort openbaar vervoer busje. Meestal een kleine omgebouwde Mercedes bestelbus en meestal in belabberde staat. We vragen aan een vrouwtje langs de weg hoe lang het nog duurt voor het busje komt. Busje komt zo, zegt ze. Nog 29 minuten. Ha, 29 minuten. In Afrika. Alsof het er hier zo stipt aan toegaat. Waarom zegt ze niet gewoon ongeveer een half uur? Jan bestelt bij een shopje twee koude colaatjes en rustig in de schaduw op een bankje wachten we zo op het busje. Als het komt blijkt het een verschrikkelijk brik te zijn, dat al helemaal vol zit. Daar passen we nooit bij in! Oh jawel hoor. Voorin wordt er wat geschoven, want de toubab moet voorin zitten. Jan zit tussen de bestuurder en een medepassagier in, met de versnellingspook ergens in zijn knieholte. Het bankje waar hij en de medepassagier opzitten, zit alleen met een scharniertje aan de voorzijde vast, en kan zo dus vrij naar voren kantelen, zonder vergrendeling. Dat kan hier waarschijnlijk omdat de remmen zo belabberd zijn dat het bankje toch niet naar voren scharniert bij een noodstop.

Jan’s hulp, Ngorom, zit een rij of drie naar achteren. Als het busje nog voller is gepropt en op het dak nog van alles is bijgeknoopt, kan de rit beginnen. Een beetje schokkend komt het busje op gang. Kijken in de spiegel of de weg vrij is hoeft niet. Gewoon erop draaien. Met luid getoeter haalt een auto ons met een slinger in. De spiegels, die in oppervlak gehalveerd zijn door de mooie roze bontjes die er om hangen, geven sowieso hooguit de stand van de zon weer. Zo goed zijn ze afgesteld. De hele carrosserie van de bus beweegt tijdens het rijden. Zo ook de op vele plaatsen gebarsten voorruit. Door de roestgaten in het dak kijk je zo naar buiten. Op het dashboard werkt geen lampje of metertje meer. Ook niet die de luchtdruk van het remsysteem moeten aangeven. De vooruit is voor meer dan de helft met vrolijke kleurtjes dicht geschilderd en de zonnekleppen hangen naar beneden omdat ze vol zijn geplakt met de idolen van de bestuurder. Een paar schaars geklede dames en een paar glimmende gespierde worstelaars.

De bestuurder is een jonge knaap. Hij zet vanaf zijn MP3 speler (dat hebben ze dan wel weer voor elkaar) een knetterharde monotone drum op van zo'n 120 beats per second. Om gek van te worden. Hij komt er helemaal van in extase en denkt dat ie zo Michael Schumacher is. Vrijwel alle acties die voor hem op de weg gebeuren schat ie verkeerd in. Bij een langzamere auto voor hem durft ie niet in te halen, blijft er even heel dicht achter plakken om vervolgens in te halen waar het eigenlijk niet kan. Achterin zit iedereen wat te keuvelen, zij het met een flinke stemverheffing om boven de muziek uit te komen. Veel te vaak moeten we stoppen om er mensen in en uit te laten. Vaak moeten die via ons klapbankje naar binnen. De vent naast Jan aan de deurzijde is dan te lui om uit te stappen, waardoor Jan er ook niet langs kan. Met het gezicht helemaal tegen de vooruit geplakt zodat het bankje dan toch naar voren kan scharnieren hangt Jan dan over het dashboard.

Het stuk met de gelli-gelli duurt een eeuwigheid. Als we eindelijk in het stadje aankomen moeten we nog een stuk met een taxi naar het huis van de zwager van Ngorom. Hij zou de tractorbestuurder zijn. De taxi is ook een verschrikkelijk aftands ding. Een oude Renault 21, aan de binnenzijde geen bekleding meer op de deuren en plafond. Alle schokbrekers lek, en Jan hoopt dat ie straks de kracht nog heeft om zich weer van de achterbank los te trekken. Wat een smeerbende. En dan te bedenken dat er nog heel wat Europeanen deze vervoermiddelen gebruiken om Afrika rond te trekken, en ze vinden het nog prachtig ook. Scharen ze allemaal onder het kopje “avontuur” en “integreren met de lokale bevolking”. Hoeft om ons dan niet zo.

Eenmaal bij de zwager “John” aangekomen blijkt hij helemaal de tractor niet te besturen, maar iemand te kennen die dat doet. Kan hier dan nooit iets direct? Gewoon direct naar de eigenaar van de tractor toe gaan? Maar John kan wel goed Engels en dat maakt het er wel iets makkelijker op.

Met zijn twee hulpen loopt Jan allerlei achterbuurtjes door tot we bij een huis komen waar de tractorchauffeur zou moeten zijn. Maar hij is er niet. We krijgen van de man die er wel is een tip waar hij zou kunnen zijn. Dan daar maar weer naar toe lopen. Is de man ook niet. Maar nu krijgen we een telefoonnummer. Dan komt Jan er achter dat hij helemaal geen telefoon op zak heeft. Niet erg handig. En ook geen GPS, dus alleen terug gaat niet lukken. John heeft een telefoon maar geen beltegoed, dus Jan koopt gauw een kraskaartje van 1000 CFA voor hem. Die dingen kun je hier overal krijgen, makkelijker dan brood. Ze vinden het ook belangrijker dan brood. Na heel wat gebel heeft John hem aan de telefoon. Ze spreken af om vast naar de tractor te lopen, daar komt de bestuurder dan ook naar toe.

De tractor staat vlak in de buurt. Het is een gloednieuwe New Holland. Hmm, de naam is goed, maar Jan had hem graag nog iets groter gehad. Er staat ook een bulldozer en Jan vraagt of het daar niet mee kan. Nee, is al maanden, misschien wel jaren kapot. Dat wordt dus ook niet meer wat. Het duurt lang voor de bestuurder er is. Het wordt al donker. Mariska zal zich misschien wel zorgen maken. Maar Jan heeft geen telefoon, dus kan haar niet bellen. Met de telefoon van John zou het kunnen, maar dan moet je maar net ons Senegalese nummer uit het hoofd weten.

Eindelijk komt de chauffeur opdagen. Het is geen vlugge. In het Frans leggen de mannen uit wat het probleem is. Dan volgt er een prijs: 50.000,- CFA (75,- euro). Zo, dat hakt er weer in. Nu Moet Jan nog in het Frans verder, want van zijn hulpjes hoeft ie het ook niet te hebben. Waarom zoveel geld? De man zegt dat het hem veertig liter diesel kost om er te komen. En de dieselprijs per liter die hij noemt klopt ook voor geen meter. Ha, zegt Jan, voor 15 kilometer heen, en 15 terug? Dus die gloednieuwe tractor rijdt meer dan 1:1? Jan is het zat dat ze altijd denken toubabs voor de gek te kunnen houden. Hij zegt dat hij thuis net zo'n tractor heeft (niet waar natuurlijk) en dat ie 1:6 loopt. En dat we zelf al zo'n 15.000 km tot hier zijn gereden met een truck van twaalf ton, die dus ook slechts 1:4 loopt, en dat we dus ook drommels goed weten wat de diesel hier kost. Jan biedt de helft, 25.000 CFA. De man is arrogant. Hij loopt wat rond en ineens is ie verdwenen. Jan vraagt aan John en Ngorom waar de man naartoe is. Weg, antwoorden ze. Hij gaat niet akkoord met de prijs en moet 50.000,- CFA voor de klus hebben. Goed pissig over de arrogantie en onbeleefdheid om zo weg te lopen zegt Jan dat hij morgen wel terugkomt om met de eigenaar van de tractor te praten. Immers was de man slechts de bestuurder, en zou dit een klandestien klusje worden. Dat maakt de gevraagde prijs nog belachelijker.

John gaat naar huis. Jan bedankt hem en zegt dat ie het beltegoed mag houden voor de moeite. Hij is er blij mee. Jan en Ngorom willen een taxi direct naar de Daf pakken. Eerst even een koud colaatje drinken. Ondertussen praten ze met een taxichauffeur over het hele voorval, en die zegt dat hij ook een grote tractor bestuurt, en morgen het klusje wel wil doen. Ah, mooi. Wat kost dat? Dat kan hij niet zeggen,dat moet ie eerst met zijn baas overleggen. Maar hij zal ons naar de Daf toe brengen om de situatie even te bekijken.

Helemaal goed. Jan zegt nog duidelijk tegen Ngorom dat we eerst langs de Daf moeten rijden, dan hem er uit gooien en dan verder naar het dorpje aan de grote weg, waar de vriend nog bij de paardenkar wacht. Komt goed zegt, Ngorom. Dus we rijden eerst naar het dorpje en lossen de vriend af. Ngororm gaat verder met de paardenkar, en zijn vriend stapt voorin de taxi om de weg te wijzen. Voor Jan is het slecht inschatten waar ze precies langs moeten. Het is inmiddels stikdonker en er lopen vele paadjes. De dorpjes hebben geen stroom, dus zijn moeilijk te herkennen.

Op een gegeven moment weet de vriend van Ngorom het ook niet meer. Er wordt getwijfeld. Een keer linksaf geprobeerd. Weer terug rijden. Dan herkent Jan nog ergens een punt, maar daarna niets meer. Het is zoeken, en we hebben geen benul of we er al voorbij zijn via een ander pad. Jan kan zichzelf wel voor de kop slaan dat ie de GPS niet mee heeft. Dan was het een eitje. Gewoon trackback naar het laatste waypoint. En waarom heeft Ngorom niet geluisterd en zijn we niet eerst naar de Daf gereden? Hij weet de weg hier wel goed. Dan zien we in de verte een lichtje. Jan stapt uit en roept een paar keer heel hard Mariska's naam. Maar het is iemand anders met een zaklampje. Na lang zoeken komen we toch nog bij de Daf aan, via een heel ander pad.

Mariska heeft al die tijd behoorlijk stil gezeten binnen op de bank. Bang dat als ze teveel zou bewegen de Daf dan verder in de klei zou zakken. Af en toe kraakte de Daf aan de onderzijde, waarschijnlijk de vering. We zijn blij elkaar eindelijk weer te zien. Met een zaklamp loopt Jan samen met de taxichauffeur om de auto. Geen probleem zegt ie, gaan we morgen oplossen. We spreken af dat Jan morgen voor negen uur met John belt om de prijs van de tractor af te stemmen. Jan wil de taxichauffeur de afgesproken 4.000 CFA voor de rit betalen, wat eigenlijk wel teveel geld is voor het korte stukje. Dan vindt de chauffeur het nog niet genoeg en wil 5.000,- CFA hebben.

Zucht....en waarom nu ineens 1.000,- CFA meer? Omdat ie 4.000,- CFA rekende naar de Daf en nu ook nog “extra” langs het dorpje moest rijden om de vriend af te zetten. Dat dit al in de goede richting was, we kwamen er langs, maakt hem niet uit. Nou hier dan, 5.000,- CFA. We houden ons hart vast waar ie morgen mee komt, voor de tractor. We hebben gezien dat de Daf niet verder in de modder is gezakt, dus zullen we binnen wel vrij kunnen bewegen. We nodigen de vriend van Ngorom binnen uit voor de thee, en het duurt niet lang voor Ngorom er zelf ook is met zijn paardenkar. Als ze de thee op hebben, gaan ze er van door. Ze zullen er morgen weer zijn. Aardige kerels.

Ondanks onze vervelende, scheve positie, slapen we goed. Jan belt om 9:00 uur John, en die zegt dat Jan naar de stad moet komen om te onderhandelen voor de prijs. Ja lekker, en weer de halve dag kwijt. Waar hebben we een telefoon voor John? Jan blijft bij de Daf en John belooft hem later terug te bellen over de prijs voor de tractor. Dat duurt lang, en als Jan voor de derde keer met John belt, krijgt hij de prijs te horen: 60.000,- CFA. Wat? Dat is nog duurder dan die ander tractor, en we weten niet eens wat voor tractor we dan krijgen. John is dus duidelijk geen onderhandelaar. Ook met de eigenaar valt weinig te onderhandelen. Uiteindelijk komt Jan uit op 40.000,- voor vier uur werk. Elk uur extra beloven we bij te betalen.

Dan is het wachten, wachten en nog eens wachten. 's Nachts was Jan te binnen geschoten dat we nog een klapblok hebben waarmee we de kracht van de lier kunnen verdubbelen, naar vijftien ton dus. En de kracht op het liertouw blijft slecht 7,5 ton, omdat je hem een keer inscheert.

Als hij het nu maar wel houdt, en dat we de lengte kunnen overbruggen. Immers een keer inscheren betekent ook de helft van de beschikbare lierlengte. Met ons 20 meter lange 20 tons sleeplint erbij en het boom lint lukt het net niet. Ook omdat we lengte kwijt zijn vanwege de geknapte stukken.

Jan knoopt er nog een paar sjorbanden bij aan. Die kunnen enkel 5 ton hebben, maar met 4 stuks zou dit in theorie 20 ton moeten zijn. Het is alleen moeilijk ze goed gelijk te maken, zodat de kracht ook goed gelijk verdeeld wordt. De sjorbanden knappen nu ook. Ook die poging werkt niet, en we worden nog pissiger op de kwaliteit van het liertouw. Had die het gewoon gehouden, dan hadden we het ook net gehaald met dubbel inscheren. En wie weet, waren we dan al los. Jan probeert nog een trucje, want de tractor laat maar op zich wachten, hij heeft er al meerdere keren achteraan gebeld. Ze zijn inmiddels onderweg.

Jan zet de lier aan de voorzijde van de Daf, en graaft met de andere mannen een groot diep gat. Hij knoopt de lier aan één van de zandplaten en gooit deze over dwars onder in het gat. Dan alle klei en zand er boven op en flink aanstampen. En nu lieren. Maar de lier is krachtig en we zitten goed vast. Zonder moeite lepelt de lier de 25kg zware zandplaat met de vracht zand er bovenop uit het gat. Werkt dus ook niet.

 

Dan komt er een taxi aangereden. Het is de taxichauffeur van gisteren met John aan boord en nog een vreemde vent die zich niet voorstelt. Waar is de tractor? De taxichauffeur vertelt dat de tractor niet komt. Volgens hem kan die hier niet rijden, die zakt er ook door. Ga toch weg man! Zo'n tractor kan hier zat rijden. Die weegt nog niet de helft van onze vrachtwagen, en heeft enorme banden achterop. Als we onze banden aflaten tot twee bar kunnen we hier ook gewoon rijden. Je hebt de situatie gisteren zelf gezien en toen kon het nog makkelijk. Simpel word je hier van. De helft van de dag is al verkloot. En nu?

Ze leggen uit dat de man die ze meegenomen hebben de Daf gaat optakelen met een grote krik, zodat er rijplaten of gewoon zand onder de banden gelegd kan worden. De man haalt een vracht oud ijzer achteruit de taxi, en een grote verroeste dommekracht uit 1964. Hij drukt iedereen brutaal aan de kant. Normaal praten kan die niet, hij schreeuwt gewoon hard wat ie hebben wil: “Een moersleutel” (in het Frans). Omdat dat standaard nog niet in onze vocabulaire voorkomt, begrijpen we niet direct wat hij bedoeld. Nog harder schreeuwt ie hetzelfde. Ja, je kunt nog harder schreeuwen, maar daar leer ik geen Frans van. De anderen leggen met gebaren uit wat de man wil. Oh zeg dat dan, een moersleutel. Jan geeft hem de grote momentsleutel met de juiste dopmoer erop. De man draait een wielmoer er af, en wil zijn dommekracht direct onder de wielbout plaatsen. Ho, zegt Jan, dat gaat niet gebeuren. Wij straks zeker de hele schroefdraad naar de klote. De man kijkt Jan aan met een gezicht van: Waar bemoei jij je mee? Jan zegt dat ie dan de krik maar gewoon onder de wielbout moet plaatsen, of als het even kan, in de velgrand.

De man doet dit, maar stuntelt verder. Terwijl wij ons afvragen of één wielmoer een kwart van het gewicht van de vrachtwagen kan houden, zien we de man de bovenzijde van de grote dommekracht achteloos tegen het polyester aangooien. Hee, zegt Jan, let een beetje op! Hij pakt er gauw een flap rubber bij, die de man zolang er tussen kan houden. De man vindt het maar onzin, maar doet het met tegenzin. Dan begint hij te takelen. De bovenzijde van de dommekracht komt steeds verder naar de polyester plaat toe. De man houdt mooi het rubber er tussen en takelt vrolijk verder. Weer moet Jan ingrijpen en zegt dat de bak die kracht zijdelings niet kan hebben. Volgens de man kan dit wel. Er volgt een hevige discussie. De man is zeer onbeleefd en kan alleen maar schreeuwen. Jan is hem al aardig zat. Hij zegt dat de man normaal moet praten, en naar ons moet luisteren. Wij zijn degene die betalen, en de wagen is van ons. Ook legt Jan uit dat hij de wagen zelf gebouwd heeft, dus heel goed weet wat wel en niet kan. De man is verontwaardigd en sputtert dat dit zijn vak is en dat wij ons er niet mee moeten bemoeien. Vervolgens plaatst hij zijn krik direct onder de rand van de opbouw en begint te krikken. Dit onderstreept nog eens zijn beperkte technisch inzicht, want daarmee takel je alleen de Daf maar uit de veren. De wielen blijven gewoon staan. Maar hier is de opbouw niet op berekend. Als Jan ziet dat er al een klein knikje in de RVS rand komt is hij het echt zat en zegt ie dat de man op moet donderen. Hij zegt dat de man een prutser is, onze auto vernield en dat ie geen respect voor ons heeft. Jan zegt tegen hem dat ie liever de hele week zelf graaft dan dat de man nog één poging doet. En dat ie morgen met zijn baas gaat praten. Wat in het Frans niet lukt, vraagt hij John te vertalen, maar die durft het niet uit te spreken. Wel krijgen we nog als antwoord dat de man eigen baas is. Nog erger.

Kantelen van de cabine, om te voorkomen dat de krik hier ook alles indeukt.
We zeggen dat John de New Holland tractor voor 50.000,- CFA er bij moet halen, want met deze vent komt het niet goed. Dit kan weer niet met een simpel telefoontje, John zegt dat hij dan met de taxi, die er aldoor nog staat, naar Fatick moet, en dat we een aanbetaling mee moeten geven. Toe maar dan. We geven 20.000,- CFA mee en hopen dat John te vertrouwen is. De domme man van de dommekracht gaat ook mee. Mooi, opgehoepeld. Wel laat ie al zijn spullen bij de Daf liggen. Helaas komt hij dus nog terug. Jan kijkt eens naar de krik. Pakt wat blokken hout uit de auto, en probeert eens wat met dat ding. Het blijkt dat je met beleid er best wat mee kunt. Een haak aan een ketting haakt hij aan een iets uitgedraaide wielmoer, de ketting gaat over de bovenzijde van de dommekracht. De blokken hout zitten tussen RVS rand en dommekracht, en zorgen voor voldoende afstand tussen dommekracht en polyester wand.

De dommekracht is antiek en draait zwaar. Er zit ook maar een klein slingertje aan. Jan zet onze hydraulische potkrik onder de dommekracht om hem zo extra steun te geven. Dit gaat goed. De mannen slingeren om de beurt de dommekracht omhoog, terwijl Jan met de potkrik mee krikt.Het achterwiel komt zo een flink eind uit het gat. De mannen gooien er fijn zand in dat ze gehaald hebben met een opengescheurde rijstzak. Het is een heel werk, maar we boeken behoorlijk resultaat.

Het rechter achterwiel is nu aardig op hoogte, we gaan verder met het linker achterwiel. Dan komt de taxi terug met John en de dommekrachtman. Gelijk een geschreeuw van jewelste: “wie heeft jullie toestemming gegeven om mijn spullen te gebruiken?” De mannen die er mee bezig zijn staken verschrikt het werk. Joh, zegt Jan, maak je niet zo druk, dat ouwe ijzer lag ons in de weg en we dachten, laten we het ook eens proberen. Als je goed kijkt zie je hoe het moet. Als de man een beetje uit getierd is, kijkt hij inderdaad hoe de mannen bezig zijn. En hij begint weer opnieuw: zo kan dat helemaal niet, de dommekracht mag niet meer dan twee centimeter uit het lood staan.! Hij snapt niet dat we daarom de hydraulisch krik gebruiken die extra ondersteuning geeft.

Jan vraagt of hij niet gewoon weer op kan hoepelen, dan brengen we hem de spullen wel als we er mee klaar zijn. Dat is absoluut niet mogelijk, hij wil zelf aan de slag. Dat is prima, maar dan doe je het zoals wij het nu ook doen, en je praat normaal en gaat niet schreeuwen. Morrend gaat de man aan het werk, en hij ruziet nog wat verder met de andere mannen, die hem ook al goed zat zijn. Sinds hij terug is, heeft het werk al weer bijna een uur stilgelegen. Hij gebruikt de hydraulische krik niet als hulp, maar wil het met de dommekracht alleen doen. Gelukkig gebruikt hij wel de ketting en de blokken hout zoals Jan dat voor heeft gedaan. Hij draait zich een ongeluk aan het kleine slingertje, en voor het eerst kunnen we een beetje genieten van hoe hij zich afpeigert zonder onze auto te beschadigen. Bij ons is het “wie niet sterk is moet slim zijn”. Hier is het: “wie dom is moet sterk zijn”. Helaas zijn het bij deze vent meer sterke verhalen en een sterke geur. Wel mooi om te zien, twee dommekrachten aan het werk.

Omdat het niet opschiet pakt Jan onze meter lange momentsleutel. Het vierkant dat daarin in zit past precies op het vierkant van het slingertje op de dommekracht. Jan doet de man voor hoe je met een flinke arm vrij licht de dommekracht omhoog krijgt. Door het ratelmechanisme in de momentsleutel ratel je de arm zo weer terug voor de volgende haal. De man kijkt er naar, gromt een keer en gaat met de momentsleutel aan de slag. De helft van zijn slagen zetten geen zoden aan de dijk, omdat hij te vaak te korte halen maakt, waardoor het ratelmechanisme zijn werk niet kan doen. De andere mannen snappen het wel en zo wordt ook deze kant opgetakeld en met zand ondervuld. De achterkant van de Daf staat al weer een stuk hoger. De trekker is inmiddels ook gearriveerd. Nu nog het rechter voorwiel, dat inmiddels ook al een stuk in de klei is gezakt. Het linker voorwiel hebben we nog tijdig een zandplaat onder kunnen gooien.

Als we bijna zover zijn, komt de taxichauffeur naar Jan toe. Hij wil er vandoor, en we moeten nog even afrekenen. Wat moet het gaan kosten, vraagt Jan. Oh, slechts 25.000,- CFA. Waarom zo belachelijk veel? Hij heeft de hele dag niets uitgevoerd, alleen 's morgen een paar ritjes. Een schep heeft ie niet in de handen gehad, daar heeft ie veel te mooie kleertjes voor aan. Hij zegt dat hij de hele dag hier moest zijn, en daardoor veel werk in de stad is misgelopen, en daar moeten we hem nu voor vergoeden. Jan legt hem nog even heel duidelijk uit dat we met hem hebben afgesproken dat hij er 's morgen zou zijn met een grote tractor, maar dat ie komt opdagen met een irritante vent. Vervolgens hebben we hem niet gevraagd om de hele dag hier rond te hangen, en daar komt nog eens bij, een taxichauffeur verdient hier op een dag zeker geen 25.000,- CFA. Al zou ie de hele dag ritjes hebben. Als Jan hem dit uitgelegd heeft, staan de andere mannen achter ons en zijn het met ons eens. We bieden de taxichauffeur aan de drie ritten die hij die dag gemaakt heeft te vergoeden, tegen het veel te forse, oorspronkelijke, tarief van de dag ervoor. Drie keer 4.000,- CFA dus, totaal 12.000 CFA. Dat is fors, bijna twintig euro. Dat verdient hij normaal amper in een week. Hij weigert dit en is boos. Een ander man probeert hem nog tot rede te brengen. Jan is er klaar mee, dan krijgt ie gewoon niets. De man rijdt er vandoor in zijn taxi. Hij schijnt tegen de andere man gezegd te hebben dat hij de politie er bij haalt.

We gaan verder om het rechter voorwiel ook op te krikken. Daarvoor moet eerst de cabine gekanteld worden, zodat deze niet door de dommekracht beschadigd wordt. Dat gaat goed. Dan komt de taxi er weer aan rijden. Hij is in het gezelschap van een dikke norse agent die ons doet denken aan Idi Amin, en een lieftallig meiske strak in leger uniform. Ze kon zo een achtergrondzangeresje van Captain Jack zijn.

Idi vraagt wat er aan de hand is, en wij leggen het verhaal uit. Dan zegt Idi dat we mee moeten komen naar het bureau. Nee, zegt Jan, absoluut niet. De auto staat nu nog niet veilig, het wordt over niet al te lange tijd donker, dus we gaan niet mee. We komen morgen wel even langs op het bureau, of we praten de kwestie nu uit. Idi wordt boos en zegt dat we mee moeten, en hij wil nu direct onze papieren zien. Jan zegt dat ie dat kan vergeten. De kwestie heeft niets met onze papieren te doen, en ze liggen in de auto die momenteel op een krik staat met een gekantelde cabine, dus we kunnen niet bij de papieren. Hij zegt erbij dat een agent met enig inzicht dat ook snapt en ons gewoon op het bureau zou laten komen. Ons Frans wordt steeds beter zo! Het zal er wel als enorm steenkolen Frans uitkomen, maar ze snappen het. Jan voegt er nog aan toe dat hij er een rapport van op zal maken aan de commandant. Dan springt Idi zowat uit zijn vel, dat toch al te krap zit. Als er rapporten opgemaakt worden dan doet hij dat wel, en niet één of andere toerist.

We zijn er klaar mee en gaan verder met het werk. Twee  mannen proberen de agent nog wat te sussen. Als Idi ook eindelijk inziet dat we niet meegaan, vraagt hij om onze paspoorten en zegt dat we ons morgen om tien uur bij de commandant moeten melden in Fatick. Wel moet ie onze paspoorten hebben. We geven hem goede kleurkopieën van onze paspoorten, waar hij ook al niet blij mee is.

Hij wil de originele. Die krijg je niet. Je mag er even naar kijken om te zien dat ze gelijk zijn aan de kopieën, maar dat is alles. Jan houdt de paspoorten goed vast. Idi kijkt ernaar en gaat er dan met de kopieën vandoor, samen met zijn lieftallige assistente, die geen boe of bah heeft gezegd. Iedereen hield zijn adem in wat er zou gaan gebeuren maar nu is het ondertussen een drukte van jewelste tussen alle aanwezige mannen, een stuk of twintig in totaal. De ene helft beweert dat we het volledige bedrag moeten betalen aan de taxichauffeur omdat we anders ernstig in de problemen komen, de andere helft zegt dat we zeker niet meer dan de 12.000,- CFA moeten betalen, omdat we in ons recht staan. Deze mensen feliciteren ons dat we voet bij stuk hebben gehouden en niet met de politie zijn meegegaan. Voor Idi Amin zal het nu al een behoorlijk gezichtsverlies zijn, want meestal krijgen ze hier van de bevolking niet zoveel tegengas.

We zien het morgen wel, eerst de auto los zien te krijgen. Omdat er aan de achterkant nog een dikke barrière van klei achter het differentieel ligt, en de voorkant iets vrijer ligt, besluiten we om het vooruit te proberen. Dat lijkt onlogisch, omdat je dan nog verder de drooggevallen plas opgaat, terwijl we aan de achterzijde maar een meter of vijf van de vaste grond verwijderd zijn. Jan ziet het echter niet zitten om het differentieel achteruit door een dikke kuub zware klei te drukken. Mariska heeft inmiddels alle banden naar 2 bar afgelaten, wat voor voldoende draagvlak op het kleimeer moet geven.

De trekker gaat ervoor als extra hulp, hoewel de Daf aan de voorkant al zo vrij ligt dat het haast overbodig lijkt. Maar hij is er toch, dus trekken maar! Met weinig moeite komt de Daf los uit de klei. De trekker gaat niet hard genoeg, Jan wil niet weer vast komen te zitten, dus hij gebaart dat ze meer gas moeten geven, het sleeplint hangt al slap. Ze snappen het niet en stoppen de trekker, midden op het kleimeer. Lekker dan. De Daf moet dus ook stilgezet worden, maar het gaat goed. Zo snel mogelijk het lint er af. Nota bene de irritante domme kracht is op de bijrijdersstoel gesprongen. Jan wil met een ruime boog omdraaien, zodat we dezelfde weg terug kunnen rijden. De mannen hebben gezegd dat aan de overkant van het drooggevallen meer geen weg verder gaat. De domme kracht zegt dat het niet verstandig is om te draaien, omdat in de draai er meer gewicht op de buitenste wielen komt, waardoor er grote kans is dat ie er weer inzakt. Verhip, misschien is dit wel het eerste zinnige wat hij deze dag gezegd heeft, hoewel Jan niet van plan was zo'n korte abrupte draai te maken, maar een grote geleidelijke.


Eindelijk los uit de klei...
Toch luistert hij naar de domme kracht en steekt zonder problemen het hele meer over tot steviger grond aan de overkant. De mannen met de trekker komen er ook aan. Jan vraagt nog voor de zekerheid of hij niet via de paadjes hier naar de grote weg kan rijden, maar volgens de mannen is dat onmogelijk, en moeten we terug het drooggevallen meer oversteken. Met zoveel mogelijk vaart (dat is in 4x4 lage gearing niet harder dan 45km/h) rijdt hij over de vlakte weer terug, net naast het eerder getrokken spoor, omdat de ondergrond daar stevig genoeg is gebleken. Aangekomen bij de plek waar we vast zaten staat nog steeds de groep mensen te kijken naar ons en het gat. Jan vraagt aan de domme kracht: Links er langs, of rechts er langs, wat is beter? De domme kracht zegt links, dus dat doen we dan maar. En we zijn nog maar een paar meter van de kant verwijderd of flop, links achter zakt de Daf in de klei. Heel snel terugschakelen en volgas wil net niet meer. Op slechts twee meter met de voorwielen van harde ondergrond verwijderd zitten we weer vast. Nu gelukkig maar met één wiel.

We schreeuwen naar de man met de trekker dat ie snel moet komen. Misschien dat hij ons er nog uit kan trekken. Met de draf van een zieke schildpad strompelt hij naar de trekker en heel iets sneller dan die draf komt hij met de trekker voor ons op de stevige ondergrond staan. We gooien nog snel het sleeplint om de haak en doen een poging. Maar het is al te laat, het linker achterwiel zit al bijna geheel in de klei, en de wielen van de trekker slippen door. De domme kracht gaat weer aan zijn gang met de dommekracht, en de mannen slepen weer zakken zand aan. Nu zegt één van de mannen dat we wel aan de andere kant verder hadden kunnen rijden. Lekker dan. Je krijgt hier ook nooit een éénduidig goed antwoord. Allemaal komen ze hier uit de buurt en zeggen ze de omgeving goed te kennen. Het is nu toch al te laat, dus een discussie hierover gaan we maar uit de weg. Dat ene wiel is nu nog aardig rap opgekrikt, nu iedereen weet hoe het moet, en na een uurtje staan we met de Daf op steviger grond. Zo, dat voelt lekker.

En dan komt het afrekenen natuurlijk. De man met de trekker is 50.000,- beloofd. Veel te veel geld, en de man heeft behalve trekker besturen ook geen hand uitgestoken. Maar afspraak is afspraak, dus we geven hem de aanvullende 30.000,- CFA. 20.000 CFA had hij immers al via John vooraf gehad. Hij is ineens erg vriendelijk en zichtbaar blij met zijn erg goede dag. Dan komt de domme kracht naar ons toe. We vragen wat we hem verschuldigd zijn, want er was immers helemaal niets met hem afgesproken. Hij vraagt een luttele 50.000,- CFA. Dat zijn we natuurlijk absoluut niet van plan te gaan betalen en we kunnen ons zelf wel voor de kop slaan dat we niet vooraf een prijs met hem hebben afgesproken. Een heftige discussie ontstaat. Met het mannetje valt sowieso niet normaal te praten maar nu helemaal niet meer. Jan legt uit dat het zonder hem eigenlijk veel beter ging, maar dat we hem een redelijk bedrag willen betalen voor zijn oude ijzer en antieke dommekracht, en een redelijk loon voor het werk. Voor beide bieden we 10.000 CFA, dus 20.000,- totaal. Daar is hij het absoluut niet mee eens, hij blijft bij 50.000,- CFA. We leggen hem nogmaals uit dat we dat een belachelijk onredelijk bedrag vinden, en dat we dan ook alle ander helpers zoveel moeten betalen, wat gewoon onmogelijk is. We willen hem iets meer loon betalen dan de andere werkers, omdat het zijn beroep is. Hij zegt letterlijk dat hij met die ander helpers niets te maken heeft en dat het zonder zijn spullen gewoon niet was gelukt en het 50.000,- moet gaan kosten. Met zijn uitspraak over de andere werkers haalt hij de menigte nog eens over zich heen, die het met ons eens zijn. Jan voegt er nog even aan toe dat het zonder trekker, zonder onze rijplaten, zonder onze houtblokken, zonder onze momentsleutel en zonder de hulp van alle anderen ook niet gelukt was. Als hij het klusje nu helemaal alleen gedaan had... We zijn er klaar mee en gaan opruimen. De anderen kafferen de domme kracht nog even uit, die bezig is zijn spullen op de tractor te knopen, zodat hij met hem mee terug kan naar Fatick. Want die taxichauffeur kan hij beter ook niet bellen.

Er ontstaat nog net geen lynchpartij, maar op dat moment had het van ons gemogen. Dan komt de domme kracht naar ons toe en vraagt alsnog om de geboden 20.000,- CFA, maar geeft erbij aan dat dit niet genoeg is. En hij wil er een bonnetje bij met het bewijs dat we hem dat geld hebben gegeven. We lachen hem een beetje uit en zeggen dat je als zelfstandig ondernemer zelf de bonnetjes moet uitschrijven, niet de klant. Het riekt er een beetje naar dat John de taxichauffeur en dit mannetje 50.000,- CFA beloofd heeft voor het loskrijgen van de Daf. Nu de taxichauffeur zijn helft niet heeft gehad, probeert de domme kracht het volle pond te krijgen. En nu dat niet lukt moet hij een bewijsje van wat hij wel heeft gehad om geen trammelant met de taxichauffeur te krijgen.

Maar John trekt zijn bek niet open. Hij geeft niet aan dat hij de mannen een bedrag beloofd heeft. En als hij dat wel heeft gedaan, dan mag hij dat zelf gaan betalen. Het enige dat wij beloofd hebben is 40.000,- CFA voor de trekker van de taxichauffeur, die dus nooit gekomen is. Het enige dat John, die erg gelovig is, die middag gezegd heeft was: “Dat mag je niet zeggen”. Dat was toen Jan zo kwaad was op die lamme zak met zijn krik, dat hij het diepe langwerpige gat dat hij die ochtend had gegraven aan de domme kracht liet zien en zei dat zijn graf al gegraven is.

We maken een mooi bonnetje waarop we zetten dat we 20.000,- CFA hebben betaald en dat het daar ook bij blijft. Om het officieel te laten lijken ondertekenen we hem en maken we er ook nog een foto van. De man pakt het bonnetje en het geld, en zegt dat hij ook naar de politie gaat. Mariska maakt ook nog gauw een foto van de man, zodat we deze nog weer kunnen herkennen, mocht het ooit nodig zijn. Dan gaat hij achterop de trekker er vandoor.

Eén van de mannen die vandaag een beetje het voortouw nam vragen we of hij precies weet wie er echt gewerkt heeft, en wie er alleen maar gekeken heeft, want wij zijn dat een beetje kwijt. Hij zegt het precies te weten en we geven hem 30.000,-, die hij moet verdelen onder die mannen. Dan hebben wij er geen ruzie van. Ze zijn er allemaal echter heel blij mee en bedanken ons heel hartelijk en wensen ons veel succes morgen bij de politie.

Dan hebben we alleen John nog, die nog terug moet naar Fatick. Jan biedt aan om hem met de motor weg te brengen. Dan kan Mariska inmiddels nog wat kleine dingen opruimen. Jan rijdt nog eerst even de Daf op de vier rijplaten. Niet omdat we bang zijn de we weer wegzakken, maar omdat we bang zijn dat ze anders morgen weg zijn. Ze moeten namelijk nog eerst schoongemaakt en rechtgebogen worden, voor ze weer opgeborgen kunnen worden.

Het is inmiddels al donker. John is een klein kereltje en stapt bij Jan achterop, zonder helm. Mariska is er niet gek op om haar helm uit te lenen, en hier kijkt er toch geen agent naar. Het merendeel rijdt hier zonder helm. Bovendien is John zo kaal als een biljartbal, dus het lijkt net of hij een zwarte helm op heeft.


Daar gaat de arrogante vent met z'n bonnetje

Nu pas merkt Jan hoe mul het zand op de paadjes is. Met iemand achterop is het moeilijk sturen over de drielaans ezelpaadjes. Ook heeft hij nog een korte broek en slippers aan, en dan voel je die prikkelbosjes wel heel erg goed. Ze zijn nog maar net op weg als hij vrij laat in het licht van de koplamp aan de rechterzijde, langs het spoor waar ze in rijden een nogal uitstekend acacia struikje ziet. Met de nadruk op stekend! (die hebben echt enorme stekels) Jan wil nog gauw in het middenspoor zien te raken, wat niet makkelijk is in het mulle zand met graspollen erlangs. Een flinke slinger, en plof daar gaan ze onderuit, zo de bosjes in. Gelukkig hadden die geen stekels. Het leek op een scene uit Cool Runnings. Jan die vraagt aan John zonder hem te zien: “are you allright? Antw: “Yah man!” Met zijn tweeën weer onder de motor uit gekropen en hem samen weer uit de bosjes overeind zien te krijgen. Het ging niet hard, misschien maar 30km/h, dus er is niets aan de hand.

Jan vraagt of John nog wel verder achterop durft, maar John is geen bang mannetje. Dus daar gaat het weer verder. Af en toe maken ze nog wel een flinke slinger, maar de motor blijft rechtovereind. Omdat ze beiden de weg niet zo goed weten, volgens ze het verse tractorspoor, wat in het donker nog best lastig is. Met verkrampte armen van het sturen rijdt Jan na negen kilometer afzien eindelijk het gladde asfalt op. Nu  maar hopen dat er niet zo'n vervelende politiepost komt. Maar het gaat goed. Jan zet John voor de deur van zijn compound af. Wel moet Jan nog even kennis maken met de hele familie, waarvan de helft al nieuwsgierig naar buiten is komen lopen om te kijken waar John nu mee aankomt. Na iedereen vlug een hand te hebben gegeven en John nog een beetje geld, scheurt Jan weer terug. Het paadje is zonder iemand achterop een stuk makkelijker te berijden. De snelheid kan iets hoger en je kunt je gewicht wat beter verplaatsen, wat het nemen van hindernissen, zoals van het ene diepe spoor in het ander, een stuk gemakkelijker maakt. Af en toe schiet er een beest weg. Moeilijk te herkennen. Wel herkent Jan een paar jackhalzen. Nu wel zo wijs om de navi mee te nemen, dus de weg terug was zo gevonden. Wat een avontuur. Alle lof voor de dorpelingen hier, maar de “professionele” helpers, daar valt gewoon niet mee te werken. We eten nog wat, wat er de afgelopen dagen flink bij in geschoten is, en duiken dan direct het bed in.

Vergeten we nog een stukje te melden over de vele kinderen die zich ook om de auto verzameld hadden vandaag. Eén jochie van een jaar of acht had een klein vogeltje met één pootje aan een touwtje, en hij slingerde daar wat achteloos mee rond. Het vogeltje was al behoorlijk uitgeput. Het was een zielig gezicht, maar helaas is dat hun vermaak, ze hebben hier geen Nintendo. Mariska kon het op een gegeven moment niet langer aanzien, en wilde het vogeltje bevrijden. Maar pak een kind zijn speelgoed maar eens af.

Jan knoopt het kind een sjorband om één van zijn enkels, en begint daar aan te trekken, waardoor het jochie telkens bijna omvalt. De andere kinderen moeten er enorm om lachen, en ook wat volwassenen snappen wat we bedoelen. Het knaapje moest er van huilen, wat natuurlijk ook weer niet de bedoeling was. Maar na hem getroost te hebben snapte ook hij dat het voor zo'n vogeltje ook niet leuk moet zijn om aan zo'n touwtje rondgeslingerd te worden, en mocht Mariska het vogeltje vrijlaten. Het bleek nog een erg jong vogeltje te zijn dat nog niet kon vliegen. Het zal het dus wel niet overleven, maar nog altijd beter zo, dan aan een touwtje rondgeslingerd te worden.

WOENSDAG 14 DECEMBER 2011, op bezoek bij de politie
Dat was een goede nachtrust. We waren allebei behoorlijk uitgeput. Niet zo zeer van het harde werken, maar van het gezeur de hele dag door. Nu gauw ontbijten en dan met de motor naar meneer de commandant. We overwegen nog even om niet te gaan en gewoon verder te rijden, maar om bij elke politiepost (en dat zijn er hier heel wat) met samengeknepen billen te zitten hebben we ook geen zin in. We laten de Daf hier staan, want we willen de rest van de dag rustig benutten om de boel weer een beetje op te ruimen. Als we naar buiten kijken, zien we twee knaapjes in de grote kuil zitten, waar we de Daf hebben uitgegraven. Ze moeten waarschijnlijk eten brengen naar iemand die op het land aan het werk is, want de couscousschaal staat naast hen in het zand. Zo’n kuil is natuurlijk reuze interessant en ze konden de verleiding niet weerstaan er even in te gaan zitten. We zien alleen twee zwarte koppies, zo diep is de kuil. Na een tijdje vertrekken ze weer en wij gaan ook maar eens op pad. Eerst dus met de motor over de mulle paadjes. Met daglicht gaat dat een stuk beter. We zien de mooie slingeringen van Jan van gisteravond. En af en toe slingeren we nu ook nog wel wat.

Het politiebureau in Fatick blijkt een behoorlijk gebouwencomplex te zijn. Het is het hoofdbureau van de hele omgeving. Als we binnenkomen menen we de lieftallige assistente te zien, maar even later blijkt het er van te wemelen. Het konden wel allemaal zusjes zijn. De vrouwen hier zijn erg selectief uitgekozen. Laten we hier vooral niets seksistisch achter zoeken, waarschijnlijk hadden ze maar één maat vrouwenoveralls, alleen maatje 36. Het is een arm land, weet je... We moeten even wachten en mogen dan op het grote vieze kantoor op audiëntie komen. Net als in de film is de deur van dit chique vertrek bekleed met geruit leer à la Chesterfield, maar dan op zijn Afrikaans. Scheef, vies en kapot. Midden in het kantoor een groot bureau met amper een vrij plekje. We stellen ons voor aan de commandant en nemen plaats. Hij blijkt goed Engels te spreken, en verteld ons dat behalve de taxichauffeur vanmorgen ook een man met een verhaal over een krik is langs geweest. Dat had hij ons ook beloofd, dus toch een betrouwbare man.

Omdat de commandant zo goed Engels kan mogen we ons verhaal in het Engels doen. Dat scheelt al een heel stuk. Hij onderbreekt ons niet in het verhaal, maar fronst wel af ten toe zijn wenkbrauwen bij het horen van de forse bedragen. Hij geeft ook aan dat alleen al de enkele taxirit van 4.000,- CFA veel te veel is. Nadat we ons verhaal gedaan te hebben zegt hij dat het duidelijk is. We hoeven de domme kracht niets bij te betalen, dit is meer dan voldoende. We moeten aangeven wat we de taxichauffeur nog willen betalen, omdat deze nog niets gehad heeft. We zeggen dat we het bij de eerder geboden 12.000,- CFA houden. Hij neem het geld in ontvangst en noteert het in een boekje. Hij zal zorg dragen dat het bij de taxichauffeur komt. Voor ons part steekt hij het in zijn eigen zak. Hij probeert de taxichauffeur en de domme kracht nog te bellen, maar beide nemen ze niet op. De schijterds.

We krijgen ons kopie paspoort terug en mogen gaan. Zo, viel dat even mee. Ze zijn dus niet allemaal zoals Idi Amin. Die hebben we trouwens niet terug gezien en we kregen van de commandant ook geen uitbrander vanwege onze ongehoorzaamheid jegens de sterke, of in dit geval dikke arm.

Veel sneller dan verwacht staan we weer buiten, en we rijden nog even langs het huis van John. Hij zit al tegenover zijn compound op een krakkemikkig stoeltje onder een boom. Daar waar hij elke dag, de hele dag zit. We vertellen hem hoe het is gegaan bij de commandant en hij is blij voor ons dat het goed is afgelopen. We kopen nog wat brood en crossen weer terug naar de Daf. Het duurt niet lang of ook de twee mannen die ons vanaf het begin hebben geholpen en de man die een beetje het voortouw nam van de helpers komen ook langs. Ze zijn erg nieuwsgierig hoe het bij de politie gegaan is in vinden het prachtig dat we niets extra hoefden te betalen. We drinken samen koffie en we geven de mannen nog een beetje geld extra, omdat zij degenen zijn die er vanaf het begin bij waren en het meeste werk hebben verricht. We krijgen van ze nog een enorme maniokwortel en dan gaan ze er ook nog wel vlot een keer vandoor.

Jan buigt de rijplaten recht en maakt ze schoon, onder het toeziend oog van een paar knaapjes van een jaar of twaalf die langs kwamen lopen. Eerst met de Daf langzaam over de platen rijden zodat de ergste kromming er uit is, dan verder met de platen op twee houtklossen en springen. De jongens beginnen spontaan mee te helpen, al schiet dan juist niet harder op. Er komen ook nog een paar meisjes bij kijken. Jan heeft er harde muziek op staan en staat als een gek te springen op de platen om ze recht te buigen. De kinderen hebben er wel lol aan, zo'n maffe toubab te zien springen. Eén plaat is te krom om nog fatsoenlijk te krijgen. Jan pakt de haakse slijper erbij en slijpt een andere plaat doormidden zodat we nu twee lange platen en twee korte platen hebben. Wel net zo handig, twee korte platen. De krengen zijn namelijk best zwaar en meestal is de volledige lengte helemaal niet nodig. Ook passen ze nu makkelijker op de opbergplek.

De ogen van de knapen gaan flink open als ze zien hoe makkelijk Jan de platen doorhaalt met de slijper. En dat midden in de bush. Zelf hebben ze geen stroom in het dorp. En een haakse slijper hebben ze misschien ook nog nooit gezien. Het is voor hun een hele happening. Als Jan klaar is vraagt hij de knapen of ze de kromme rijplaat willen hebben. Maar al te graag. Ze doen er hier van alles mee. Ze worden voor erfafscheidingen gebruikt, of als zitbank. Of om op te koken. Een welkom cadeautje dus. Jan gaat even naar binnen om handen te wassen en als hij weer buiten is zijn de jongens er al met de plaat vandoor. Nergens meer te bekennen. Knap werk, met zo'n grote zware plaat er zo snel vandoor. Ze zullen wel hebben gedacht, snel weg voordat de toubab zich bedenkt. Mariska heeft ondertussen ook binnen de boel weer aan de kant en de rest van de dag doen we niet veel meer, maar genieten we van de rust. Nog een nachtje op deze onheilsplek blijven staan, en morgen weer op pad.

De volgende morgen vertrekken we bijtijds. Dat is bij ons tegen een uur of tien. We willen dezelfde route terugrijden zoals we hier ook met de auto zijn gekomen. De route met de paardenkar en de motor heeft namelijk nogal wat lastige stukken voor een vrachtwagen. Wat laaghangende takken en in de dorpjes wat krap langs de huizen en er zit een haakse hoek in de route die met de vrachtwagen lastig is. Van de route zoals we gekomen zijn weten we zeker dat het kan.

Maar, als het er op aan komt hebben we weer ruzie met de gps. De eerder gereden route krijgen we alleen van heel grote afstand in beeld. Als we in willen zoomen voor detail, dan is de route ineens weg. Wat we ook proberen, het lukt niet. Grrr. *&**^%#@-ding! Dan de route die we met de motor gereden hebben maar proberen, anders komen we misschien aan het dwalen. Dat gaat eerst een heel stuk langs het drooggevallen meertje. Met de motor rijden we er gewoon overheen, maar met de Daf rijden we helemaal scheef langs de kant, om maar zeker te weten dat we er niet weer inzakken. Verder ernaast kunnen we niet, omdat er bomen staan. Het gaat goed. Dan nog twee keer door een dip waar ook ooit water in heeft gestaan. Gokje: zakken we er in of niet. Ook dit gaat goed. Bij laaghangende takken rijden we een stuk over een akker, waar op dit moment toch niets opstaat. De cacahuetes (pinda’s) zijn reeds geoogst. En de haakse bocht lukt met een paar keer steken ook. Het gaat dus helemaal goed.

Bij één van de laatste dorpjes zien we mensen water uit een put halen. De put staat op een omheind stukje land. We vragen of het drinkwater is en of we ook wat water mogen, eventueel tegen een kleine vergoeding. Het is drinkwater en twee knapen van een jaar of achttien halen wel even de eigenaar. Na een tijdje komen ze terug en zeggen dat we wel tegen een vergoeding water uit de put naast het omheinde grondstuk mogen halen. We lopen er gezamenlijk naar toe. Niemand haalt hier water, en het ziet er een beetje groezelig uit. Jan vraagt of het wel drinkwater is. Zeker, antwoorden de knapen. Drink er dan eens uit, vraagt Jan. Ze halen een volle emmer naar boven, en één van de knapen drinkt er gretig van. Wat moet het kosten, vraagt Jan. Hoeveel ben je nodig, vragen de jongens. Ongeveer honderd liter, liegt Jan. het is waarschijnlijk zo'n tweehonderd liter, maar ze weten hier toch niets van hoeveelheden. Behalve als het om geld gaat dan. Honderd liter kost 10.000 CFA, zeggen de jongens. Wat? 100 CFA per liter putwater? Ben je niet goed of zo? Het is geen gebotteld bronwater. De jongens zakken al ras naar 5.000,- CFA. Maar wij hebben er al geen zin meer in. De putten zijn geslagen door Europeanen, in dit geval door Belgen. Gratis en voor niks. Maar als je als Europeaan er water uit wilt, moet je er flink voor dokken? Dacht het niet. We geven ze een uitbrander dat ze niet altijd moeten proberen een toubab een poot uit te draaien, en dat ze nu niets hebben verdiend in plaats van een beetje, of zoals zij dachten, heel veel. Wij vinden wel een andere put. En dat lukt, zelfs in het zelfde dorp. Ook wel iets voor Belgen, om er gelijk drie in het zelfde dorp te slaan, terwijl je er ook drie dorpen blij mee kunt maken. Misschien was het aanvraagformulier in drievoud of zo?

Aan een wat oudere baas vragen we nog even voor de zekerheid of het drinkwater is, en hij bevestigd dat. Hij zegt dat alleen de put naast de omheining geen goed water heeft. Ha, en daar heeft die oplichter zonet behoorlijk wat van gedronken. We hopen dat ie er flink van aan de dunne raakt. De oude baas wijst een jongen aan die ons moet helpen en die ons met de vrachtwagen de route naar de put wijst. We geven de knaap 500,- CFA voor de moeite, en we klaren het klusje verder zelf. Jan haalt telkens met een emmer aan één van onze lange spanbanden het water omhoog en giet het over in een andere emmer, van waaruit Mariska het met de boormachinepomp via het voorfilter in de tank pompt. Goede fitness, dat water omhoog halen. De put is namelijk best diep, zo een meter of twintig.

We rijden verder tot we de geasfalteerde hoofdweg hebben bereikt. Hier moeten we eerst de banden weer op spanning brengen, dus stoppen we vlak voor het asfalt en pakken de luchtslang en spanningsmeter. Er zit nog maar net een bar of wat lucht bij, in de eerste band, of we horen in de verte geschreeuw en gejengel. We kijken om en zien een grote zwarte menigte op ons afkomen. Het blijkt dus dat we in het zicht van een schooltje staan en gezien de strakke lesschema’s mogen alle kinderen van de school naar de toubab gaan kijken. Ook leraren en de schooldirecteur komen eraan. Tja, we hebben verder toch niets te doen op school... Het oppompen van de banden duurt, zoals altijd, een eeuwigheid. Alle kinderen zitten met hun vieze handjes aan ons en gezichtjes vol snottebellen staren ons aan. De volgende keer pas buiten het dorp banden oppompen.

We rijden verder naar Kaolack. Dat is een wat grotere plaats en daar willen we onze verzekering voor de Daf verlengen. Die was namelijk gisteren afgelopen, dus vandaag rijden we zonder. Hopelijk geen politiecontrole. Het gaat goed, en al meteen als we Kaolack binnen rijden zien we een groot bord dat verwijst naar een verzekeringskantoor. We vragen daar eerst de prijs op, voor drie maanden en voor alle aangesloten West-Afrikaanse landen. De prijs staat ons erg aan, en voor dit bedrag gaan we niet eens ergens anders kijken. Het blijkt dat de vrouw achter het bureau een foutje heeft gemaakt. Ze vroeg ons naar de “puissance” van de motor. Ons technisch Frans is ook nog niet op peil, maar de ene keer is de “puissance” de cilinderinhoud, de ander keer het vermogen. Jan antwoordde dus 148kW, zoals ook op het kenteken vermeld staat, terwijl de vrouw waarschijnlijk de cilinderinhoud bedoelde. En dan zijn we weer blij met vrouwen en hun a-technische kant. Ondanks dat de cilinderinhoud op onze papieren staat die ze in de hand heeft, neemt ze de 148kW aan, waarbij ze kW verwisseld met cc. Ze kijkt er dus ook niet raar van op dat we met een vrachtwagen komen voorrijden met een cilinderinhoud van 148cc. Goed, hij is traag, maar zo erg is het ook niet. Dan “vertaalt” het computerprogramma van de verzekering de 148cc naar 10pk, want je moet natuurlijk wel in een hokje passen. Dus nu hebben we verzekeringspapieren met daarop het gewicht van de vrachtwagen, 10.400 kg leeg, en het vermogen, 10pk. Heel mooi, want er is geen agent die daar naar kijkt, want ze willen alleen de “carte brun” van de verzekering zien, en daar staat dit niet op. En voor ons is het lekker goedkoop zo. Of de verzekering dan wel dekt bij een ongeval? Dekt een koe een stier? Nee. Dekt een Afrikaanse verzekering schade? Nee. Het is alleen een melkkoe. (Overigens, voor de technici die dit lezen: de Daf heeft geen 148kW, maar 148pk. Het blijkt dat de Nederlandse RDW net zo technisch is als een slaperige doos van in de vijftig op een gemiddeld verzekeringskantoor in Senegal. Ze hebben de pk's bij het omzetten naar kW niet gedeeld door 1,36)

We rijden nog maar net aan de andere kant het stadje weer uit, of we worden staande gehouden door een agent. Zo, zijn wij blij dat we net een verzekering hebben afgesloten! Maar natuurlijk, dan wordt er niet naar gevraagd. Hij is zelfs heel vriendelijk en vraagt ons alleen waar we naar toe willen. Heel apart, dat hebben we in Senegal nog niet meegemaakt. Hij wijst ons netjes de weg zonder te vragen naar papieren en zwaait ons na. Zo kan het dus ook! We vinden een paar kilometer voorbij het dorpje Passy een mooi plekje voor de nacht. Onder een grote boom, midden tussen de pindavelden. Het is er heerlijk rustig en we kunnen zonder gezeur lekker buiten zitten. Als het 's avonds donker is zien we in de verte de kampvuren in de kleine dorpjes om ons heen, en horen we getrommel en gezang. Mariska krijgt er een Indiana-Jones rimboe-bush gevoel van, met mensen die dansen en zingen om een spit boven het vuur. Aan dat spit zal dan wel een toubab zitten... Het plekje bevalt ons goed, dus we blijven er heerlijk drie dagen staan. Er is zelfs internet, ongelofelijk. Die dagen doen we dus niet veel. Beetje hangen, luieren, wat op het internet struinen etc.

ZONDAG 18 DECEMBER 2011
We rijden verder naar Toubakouta. Volgens de Lonely Planet gaat er vanaf daar een piste naar Missirah en vanaf Missirah een track naar Santhiou. Deze staan helaas niet in onze gps. We vinden de piste en rijden tot Missirah. Het is een klein dorpje omgeven door water en mangroven. Als we even willen kijken naar de grote maar trieste moskee, krijgen we het nog aan de stok met een vent uit het dorp. De man heeft ons de hele tijd al achterna gelopen om ons, tegen vergoeding natuurlijk, door het kleine dorp te gidsen. Hij heeft ook aangeboden dat we naar de kapokboom (gewoon een grote, dikke boom) mochten kijken, voor slechts CFA 2000,- per persoon. We slaan alles wat hij te “bieden” heeft af en daardoor zal hij wel pissig zijn. We kijken naar de moskee, maar volgens hem mogen we zelfs niet eens kijken naar de moskee, als ongelovigen. Hij gaat als een klein kind tekeer. Dat gaat ons te ver. Dat we er niet in mogen respecteren we, maar met dichte ogen langs een moskee moeten lopen gaat te ver. Om hem te jennen maken we er dan maar een foto van. Een trieste moskee, met een trieste bezoeker. Andere omstanders moeten er ook om lachen.

We worden nog door een andere man uitgenodigd om naar de erg grote kapokboom te kijken. Maar deze wil daar CFA 1.000,- per persoon voor hebben. Ja, we zijn gek zeker. We hebben nog nooit een boom voor 1,50 euro per persoon bekeken, dus nu ook niet. Afrika is niet goedkoop, blijkt wel weer. We hebben hem al van een afstandje bekeken, en  misschien is dat met een grote boom wel net zo interessant als dat je met je neus tegen de schors geplakt staat.

Na nog aardig wat rond gevraagd te hebben vinden we de track naar Santhiou. Het is erg smal en we rijden door metershoog bush en riet. Eigenlijk is deze route alleen voor gewone 4x4's geschikt, en niet voor vrachtauto's. We komen aan bij Gite de Bandiala, een klein resort. Vanaf hier is het nog ongeveer vijf kilometer tot de grote weg, maar de track is verder helemaal dichtgegroeid. Dan moet je eerst met het kapmes voorop om opnieuw een pad te maken.

We draaien om en we rijden weer twintig kilometer terug naar Toubacouta. Vlak voor Toubacouta vinden we een mooi kampeerplekje tussen de pindaplantages. Morgen rijden we Gambia in, Senegal zit er voorlopig even op voor ons. We komen er nog wel terug, want anders kom je Gambia niet uit.

Missirah, met op de achtergrond de grote kapokboom


Gambia