Senegal na Gambia

 

ZONDAG 15 JANUARI 2012, grens Gambia - Senegal
De Senegalese grenspost is nog weer een paar kilometer hobbelen over kuilenpiste. Hier wel twee hokjes, politie en douane. De douane stempelt netjes ons carnet, maar wil ons ook een passavant aansmeren. Als het carnet gestempeld is, is dat volgens ons niet echt nodig. Volgens hen wel en we komen er niet onderuit. Het passavant kost hier slechts 2.500 CFA, en we hoeven hem alleen voor de Daf te kopen dus we doen niet al te moeilijk. Vreemd is wel dat ze hier andere prijzen en voorwaarden hanteren voor een passavant dan b.v. bij de grens bij Diama. Daar koste het formulier 5.000,- CFA en was het slechts 48 uur geldig. Alleen te verlengen in Dakar. Dat hebben we toen niet gedaan, en er heeft nooit geen haan naar gekraaid. Hier is het passavant tien dagen geldig. Verder geen gedoe. Hij wil alleen nog even de motor zien en dat is alles. De politie is een norse man maar hij stempelt onze paspoorten zonder gezeur. Na twintig minuten hebben we ook de grens van Senegal gehad. Veruit de makkelijkste grens tot nu toe.

We rijden een stuk verder tot voorbij Velingara. We horen steeds een sissend geluid. Niet aan één stuk door maar ritmisch onderbroken op de snelheid die we rijden. Rijden we sneller, dan sist het ook sneller. Is het een lekke band? Dat zou gek zijn want het sist sneller dan één omwenteling van een band. We slaan kamp op in een rustig zijpaadje. Jan checkt voor de zekerheid alle banden maar kan niets vinden. Maar wat is het dan wel?

We rijden verder tot Tambacounda, een grote plaats met PIN-mogelijkheden. De laatste in Senegal in dit gebied. In Mali kunnen we straks alleen geld krijgen via Visakaart, maar dat kost ons telkens teveel, dus pinnen we hier alvast beide ons daglimiet. Ze hebben in Mali ook CFA's. We praten wat met een man die vraagt waar we naar toe gaan. Jan ziet dat de man een paar blikjes bier in een doosje heeft, en dat wil hij ook. De man leidt Jan naar een vaag depot, een zeecontainer. Letterlijk van de vrachtwagen gevallen? De prijs voor het bier is goed dus Jan schaft gelijk een tray halve liters aan. De man blijkt een inspecteur van immigratie van Mali te zijn, en laat Jan zijn kaartje zien. Wat dat voor functie precies is weten we niet, maar het zag er officieel uit, en we vragen de man dus naar de veiligheidssituatie in Mali en hoe we aan een visum kunnen komen. Hij zegt dat er veel militairen het onveilige gebied in zijn gestuurd en zolang we niet verder gaan dan Mopti is het wel veilig. Net zoals de vage consul van Mali in Gambia ons al vertelde, zegt ook deze man dat we ons visum aan de grens kunnen kopen. Mooi, dat geloven we nu wel, en is natuurlijk erg handig. Mochten we problemen krijgen in Mali of aan de grens dan kunnen we hem altijd bellen, en hij geeft ons zijn nummer. Altijd handig, al was het maar om te vragen waar daar het bier het goedkoopst te krijgen is...

We eten in een lokaal restaurantje een bord rijst met saus en koeienmaagvlees. Je weet wel, van die stukjes borstelig leer dat er niet echt smakelijk uitziet. De rest smaakt best goed maar de koeiemaag verdwijnt in een plastic zakje. We voeren het later aan een paar straatkatten. We overnachten op een rustige plaats iets buiten Tambacounda. 's Morgen rijden we nog eerst weer de stad in om wederom allebei ons daglimiet te pinnen, zodat we voorlopig goed in de slappe was zitten, en in Mali geen geld aan Visatransacties kwijt zijn.

Onderweg naar Tambacounda passeren we weer de Gambia River

Dan rijden we over de hoofdweg door Nationaal Park Niokolo-Koba. Via deze weg hoef je geen tickets voor het park aan te schaffen. Wel wilden we nog een weggetje binnendoor rijden om te kijken of we wat wild konden spotten, maar die bewuste weg was totaal overwoekerd. Zelfs met een gewone Land Rover kwam je dan nog aan het hakken. Veel wild hebben we dus ook niet gezien. Wel vier stuks grondneushoornvogels. Dat zijn behoorlijke vogels, zo groot als een kalkoen, met een enorme snavel. We dachten dat ze niet konden vliegen, maar dat konden ze duidelijk wel. De foto's zijn dus mislukt. Ook zien we nog twee keer een hertachtig iets en een stuk of drie bavianen. Het is er verder om deze tijd van het jaar behoorlijk droog. Hele stukken land zijn platgebrand. Andere stukken bestaan uit bamboebos. Dat hebben we hier nog niet eerder gezien. We zijn die dag gereden tot kort voor het plaatsje Mako en hebben daar in een laterietgroeve overnacht.

Bij controle ziet Jan de volgende ochtend dat de luchtinlaatslang wat slijtage vertoond. Het is na het luchtfilter, dus het is maar beter er preventief iets aan te doen. Hij wikkelt er als extra bescherming zolang een oude binnenband van een fiets omheen. Dat klusje blijkt door de moeilijke bereikbaarheid meer tijd in beslag te nemen dan verwacht, dus we blijven hier maar een dagje staan.

Volgens de Lonely Planet zitten er in de rivier bij Mako nijlpaarden, dus we rijden de volgende dag met de daf een stukje het zandpad in naast de rivier, die gelijk de grens van het Nationaal Park Niokolo-Koba is. We parkeren de auto niet ver van een lodge (Badian) en lopen een heel stuk langs de rivier. De enige nijlpaarden die we zien zijn de big mamma's die de was doen. Met zoveel mensen overal hebben die nijlpaarden al lang een rustiger plekje gezocht. Toch zien we dikke bulten poep en sporen van die typische drietenige poten van de nijlpaarden. Ook zien we nog twee soorten turaco's en een schitterende grote blauwe ijsvogel met een gele borst.

We komen uit op een stuk grond dat met buldozers vlak is gemaakt. Het lijkt alsof ze hier ook een resort of iets dergelijks willen beginnen. Het ligt direct aan het water, dus best een mooie plek. We lopen via het pad terug om te kijken of we er met de Daf kunnen komen. Dit blijkt het geval, dus staan we te kamperen op een mooi stukje langs de rivier, die hier ondiep is en het water kabbelt rustig over de stenen. We zitten heerlijk buiten. In de bomen naast ons wemelt het van de vogels en aan de andere kant zien we een stuk of tien vervetapen knoeien in de bosjes. We zijn stil en hebben net foto en filmcamera in de aanslag. Opeens rennen de apen weg. Er komen twee vrouwen aan die pal voor onze neus, op 4 meter afstand een gat beginnen te hakken in de grond. Dit doen ze met pre-historisch bijltje. De grote stenen gooien ze aan de kant, het rode zand doen ze in een grote schaal van een halve kalebas. Die zetten ze op hun hoofd om er mee naar de rand van het water te lopen, waar ze het zand uitspoelen op zoek naar...goud! Dat doen ze hier veel in de buurt, we zagen in het dorpje verderop ook al mannen die schuinaflopende houten goot bekleed hadden met vloerbedekking. Hier gieten ze het modderige water overheen in de hoop dat het goud in de vloerbedekking achterblijft.

De vrouwen zijn er de rest van de dag mee druk. Jan biedt ze onze schep met lange steel aan, maar ze staan liever krom gebogen met hun ouderwetse graafbijltjes. Best grappig om te zien, maar zo pal voor onze neus is dat wel een beetje ongemakkelijk. Ook van wild is natuurlijk niets meer te spotten. Even later komt er ook nog een vent van een jaar of twintig aan. Hij zegt “Ca va?”. Wij zeggen: “Ca va bien, et vous?” Hij zegt weer Ca va. Dan is het stil. Hij zegt weer “Ca va?” “Oui,  ca va!” En weer zegt hij: “Ca va?” En zo gaat dat nog twintig keer door. Geweldig gesprek. Jan is het ge-cava wel zat en pakt zijn hengeltje en gaat in de rivier staan vissen. Vangt natuurlijk niets, maar je hebt in ieder geval je rust. De vent houdt zich nu koest, maar blijft van twee meter afstand Mariska aanstaren, die een boekje probeert te lezen. Telkens als ze opkijkt, kijkt hij gauw de andere kant op. Dat duurt zo'n veertig minuten, en dan is Mariska het geloer ook goed zat. Ze pakt haar stoel en gaat achter hem zitten, zodat hij zich moet omdraaien om te kunnen loeren. Dan geeft ie het op en gaat eindelijk weg. Denk nu niet: “Ah wat zielig, dat is vast de dorpsgek.” Nou nee, dat gebeurt hier vaker zo. Gewoon pal voor je gaan staan, niets zeggen, en maar loeren. We snappen wel dat het interessant is zo'n witte wagen met nog wittere mensen ervoor. Maar uit fatsoen zou je wel een normaal praatje kunnen proberen te maken, even kijken en dan de mensen weer met rust kunnen laten. Maar nee, een paar uur ongefatsoeneerd loeren is veel leuker. En dat het onfatsoenlijk is weten ze best hier, daar ligt het niet aan. En als je terug kijkt, voelen ze zich ook ongemakkelijk en kijken weg, dus ze moeten weten hoe het voelt.

VRIJDAG 20 JANUARI 2012, hippo’s
De volgende ochtend zijn we wat laat op gang. Het is redelijk koel, maar het ziet er heiig uit buiten. Waarschijnlijk de harmattan wind die zorgt voor veel stof in de lucht. Het lijkt op mist, maar het is kurkdroge lucht. We lopen nog wat verder langs de rivier en komen langs een hele mooie plek. Het is prachtig groen en ligt wat hoger. De rivier maakt hier iets een bocht en je kunt honderden meters beide kanten de rivier afkijken. We besluiten om hier met de Daf te gaan staan, dat zou wel één van de mooiste kampeerplekjes op deze reis worden.

Er lopen we nog een klein stukje verder. We staan bij een rotsig gedeelte. Jan kijkt in de rivier en vraagt aan Mariska of die stenen wel echt stenen zijn. “Ja” zegt Mariska, want ze ziet alleen maar stenen. Maar Jan kijkt daar net overheen en ziet toch echt drie nijlpaarden. Geweldig, een mooie verrassing. Niet gevonden in een natuurpark met behulp van een gids die je aan het handje neemt, maar gewoon zo, spontaan tijdens het wandelen. Ze kunnen op dit gedeelte ook aan land, dus we kijken eerst even goed of we niet tussen een paar nijlpaarden en het water inzitten. Dit is gelukkig niet het geval. We gaan op een wat hogere rots langs het water zitten en genieten van het tafereeltje. Af en aan duiken ze naar de bodem en soms briezen ze luid uit als ze weer boven komen. Schitterend gezicht. Wel kunnen we merken dat ze wat zenuwachtig zijn van onze aanwezigheid, op zo'n twintig meter afstand.

We lopen weer via het pad terug en verplaatsen de Daf naar het mooie hoger gelegen plekje direct aan het water in de bocht van de rivier. Tsjonge, vandaag een dag-etappe van maar liefst 1 km! Ondanks dat we helaas wel vanaf het pad te zien zijn is het behoorlijk rustig. Af en toe komt er iemand op de fiets of brommer langs. Ze blijven heel even loeren en gaan dan weer verder. Aan de overkant lopen ook twee mannen die wat onverstaanbaars naar ons schreeuwen. We reageren er niet op. Eén van hen heeft een jachtgeweer bij zich. Dat gedeelte valt onder het Nationaal Park. Na een half uurtje zijn zij ook weg. Jan vist wat, Mariska leest in de reisboeken ter voorbereiding op Burkina Faso. Tegen de avond koelt het behoorlijk af en 's nachts is het zelfs lekker koel.

Zaterdag 21 januari: werkdag! Jan wast alle horren uit in de rivier en Mariska impregneert ze met een anti-muggen middel: KO-tab. We leggen de horren op een stuk plastic en met een brede schilderskwast die we ergens op een marktje gekocht hebben smeren we de horren goed in aan beide zijden. We leggen ze in de schaduw te drogen. Als het goed is moet een mug nu dood neervallen als ie tegen het gaas gaat zitten. Niet dat we hier last hebben van muggen, maar vast ter voorbereiding op het regenseizoen straks.

Jan maakt de raamkozijnen van de binnenkant schoon en Mariska doet het toilet en de wasbak. Ondertussen bakt ze nog twee flinke broden van een kilo per stuk. Ook is er weer yoghurt in de maak. Van het laatste beetje yoghurt maakt Mariska regelmatig weer nieuwe. Lekker. Jan gaat nog wat vissen en Mariska klopt nog even beide dekbedden uit. Samen doen we de afwas en Mariska maakt het avondeten klaar: kipfilet in limoensaus met aardappel en pompoen. Het is de afgelopen dagen heerlijk weer. Rond de 25 graden met wind.

We blijven nog even op dit mooie stekje staan. De volgende ochtend zien we vanuit ons bed aan de overkant van de rivier twee drukke vosmangoesten die de hele kant af lopen te struinen. Prachtige beestjes om te zien, en mooi te spotten vanaf je luie nest. Ook zien we wat dikke grondeekhoorns scharrelen, een stuk of twintig vervetapen en een paar hamerkoppen, wat frankolins en een hadah-ibis. Wie ziet dat allemaal uit zijn slaapkamerraam? (Nou ja, pa en ma W. misschien, maar dan de Europese varianten: 8 reeen, 3 hazen, 4 fazanten, 2 eekhoorns en dan nog heel veel soorten vliegend spul) We besluiten een flinke wandeling te maken. Eerst nog even kijken bij de plek waar we de nijlpaarden hebben gezien. Nog steeds zitten daar de zelfde drie. We lopen nog iets verder en zien er dan nog twee dobberen. Alleen hun neusgaten, ogen en wapperende oortjes zijn te zien.

We lopen langs de rivier tot aan een dorpje. Vanaf daar nemen we een mooi smal pad de heuvels in. Het loopt tussen hoge grassen en struiken door en bied prachtige vergezichten op de heuvels. Af en toe komen we langs een kleine plantage. We treffen bijna geen mensen, en degenen die we treffen kunnen geen Frans, maar zijn wel erg vriendelijk. Als we terug zijn bij de Daf maakt Mariska een heerlijke smoothie van verse papaya's en we genieten van het prachtige uitzicht vanaf ons terras. Muggen zitten hier nu niet, maar wel af en toe tsee-tsee-vliegen en wat bloedzuigende zandvliegen. Gelukkig is het niet te warm om een lange broek en lange mouwen te dragen. Jan heeft zijn rug al behoorlijk vol zitten met dikke bulten van de tseetseevliegen. Die krengen steken tussen de mazen in de rugleuning van de stoel zo door je t-shirt.

Met een beetje tegenzin verlaten we de volgende dag dit mooie plekje. We hadden het er nog wel een week kunnen uithouden, maar we willen ook tegelijkertijd wel weer wat nieuws zien. We rijden tot de stad Kedougou. Niet omdat het daar zo mooi is, maar om op de markt weer nieuwe voorraden in te slaan en om weer eens via Skype contact met thuis proberen te leggen. Dat inkopen op de markt is zo gebeurd maar het internet is net zo traag als dikke pindakaas in een trechter. (Mariska's nichtje Monique kan niet zo goed tegen vieze verhalen, dus houden we het verder netjes). We blijven die nacht midden in de stad staan in de hoop op beter internet laat in de avond of vroeg in de ochtend. Helaas voor niets.


Geweldige overnachtingplek aan de Gambia River met wazige zon door harmattan wind

We verplaatsen de auto wat dichterbij een communicatiemast en het internet is iets sneller. We weten zelfs nog een paar goedkope vliegtickets te boeken voor een vakantie naar Nederland. Dan pikken we ook nog een vrije en redelijk snelle wifi op, dus wordt het internetten de rest van de dag. Webpagina updaten, Skypen naar huis, nog wat reisinfo opzoeken, wat vrienden en familie mailen, en weblogs van collegareizigers lezen. Just another boring day at the office...

Na zo hard gewerkt te hebben vonden we wel dat we het verdiend hadden om decadent uit eten te gaan. We zijn naar een luxe lodge, Le Bedik, gereden. Het restaurant van deze lodge kijkt mooi uit over de rivier, precies op een plek waar veel mensen de rivier doorwaden op weg of komende van de dorpjes aan de overkant. Het eten en drinken is er goed en niet te duur. We treffen ook een gezelschap van Duitsers en Oostenrijkers. Natuurvrienden op reis, allemaal 60-plussers. Gezellig om even een beetje mee bij te kletsen na al weer lange tijd op ons zelf in de bush. We besluiten om voor de nacht de Daf onder aan het water te parkeren, op een veldje vlakbij de oversteekplaats van de lokalen. Het weggetje gaat vrij steil naar beneden. Als we telkens flink moeten remmen, blijken we heel snel lucht te verliezen. Mooi beroerd, want daardoor gaat de Daf automatisch op de handrem staan. En zonder te remmen gaat het wel erg hard naar beneden, dus dat is ook geen optie. Het is al donker en we zien zou gauw niks. Wat is er nu aan de hand? Met veel gedoe komen we beneden aan en hebben we een goede nachtrust.

De volgende ochtend kijkt Jan de auto na, en het blijkt dat onverlaten de kranen en koppelingen voor de aanhangwagen hebben losgezet, toen wij zaten te eten. Daardoor verloor de Daf zoveel lucht tijdens het remmen. Omdat Jan er toch vroeg uit is, kijkt hij bij de oversteek door de rivier. Prachtig om te zien. Mensen komen aan op de fiets. Iedereen loopt hier op slippers of waterschoenen, maar als ze het water moeten oversteken, een best wild stromend stukje, zo'n halve meter diep, trekken ze hun slippers of waterschoenen uit en hangen die aan het stuur van de fiets (???). Met de fiets aan de hand of op de nek zoeken ze dan hun weg tussen de keien door naar de overkant. Af en toe passeren er ook oude kereltjes met een flinke bos hout achterop de fiets. Best een sneu gezicht. Eerst knopen ze het hout los van de fiets. Dan gaat de jurk een flink eind omhoog en duwen ze moeizaam hun krakkemikkige fiets door het stevig stromende water. Dan moeten ze weer terug klunen om hun bos hout op te halen. Samen met een andere vent helpt Jan een paar van die oude rakkers hun hout weer op de fiets te knopen en om ze een flinke duw te geven zodat ze het eerste heuveltje opkomen. De rest zullen ze weer moeten lopen omdat het te steil is. Veel mannen die naar de andere kant van de rivier gaan zijn goudzoekers. Op de vraag of er veel goud gevonden wordt antwoorden ze: “Ja zeker!” Maar we zagen er geen één in een Hummer de rivier oversteken. Allemaal zo arm als een moskeerat.

Als we later aan ons ontbijt zitten zien we dat de rivier hier ook gebruikt wordt als wasplek voor auto's, bussen en vrachtwagens. Dat zie je wel vaker bij goed bereikbare stroompjes, maar hier is het wel erg druk. Na een tijdje tellen we meer dan 15 auto's. De personenauto's half in het water aan de oever, de vrachtwagens en bussen kriskras geparkeerd midden in de rivier. Het is een drukte van belang, en mooi om naar te kijken. En niemand die zich iets van ons aan trekt.

WOENSDAG 25 JANUARI 2012
We zijn al weer 301 dagen op reis. Vandaag gaan we naar een mooi gebied aan de grens met Guinea, Basari Country. We rijden tot het dorpje Salémata. We lopen er wat over het marktje. Het is een klein dorpje en niet echt interessant. We rijden verder naar Ethiolo. Volgens de Lonely Planet moet de weg door dicht bos lopen en zitten er chimpansees. De weg, of liever het ezelpad liep echter continu tussen akkers en strohut-dorpjes door. Wel mooi, maar het bos is hier inmiddels wel gekapt. Chimpansees zien we hier dus ook niet. We overnachten ergens tussen het hoge gras, waar het helaas niet erg rustig is. Meteen een man of acht rond de deur. Maar na een duidelijk “au revoir” gaan ze er nog wel een keer vandoor.

We rijden de volgende dag nog een stuk verder naar Ethiolo, maar het landschap, eerder lage struiken met daartussen veel akkers, dan dichtbegroeid bos, blijft hetzelfde. Doordat alles nu kurkdroog en erg dor en bruin is, is het niet echt top. Wellicht dat het hier in en net na het regenseizoen wel prachtig is. Hoewel we ons afvragen of het weggetje dan nog begaanbaar is. Het is nu al, zelfs met een gewone 4x4 op sommige stukken behoorlijk pittig, met diepe langsgeulen en weggespoelde stukken. De Daf ploegt er wel door, maar comfortabel is anders. En af en toe is het even uitstappen om de situatie goed te bekijken. Mooi om te zien hoe de torsievrije opbouw zich beweegt ten opzichte van het chassis en de cabine. De assen staan soms maximaal kruislings ten opzichte van elkaar, de opbouw steekt dan bovenaan wel dertig centimeter voorbij de cabine. Een gewone camper was hier dan al spontaan doormidden gescheurd.

We besluiten niet te gaan wandelen bij Ethiolo. Het landschap veranderd niet, we verwachten hier geen chimps meer. De natuur heeft plaatsgemaakt voor akkers. Er is geen andere weg om bijvoorbeeld een rondje te rijden, dus direct bij Ethiolo keren we om en rijden terug tot de piste. Die volgen we weer zo'n zestig kilometer terug richting Kedougou. Bij het plaatsje Bandafassi vullen we bij een handpomp de watertank nog even af, en dan nemen we de afslag naar Segou, waar verschillende watervallen zijn. Dit is een goede piste.

Redelijk bijtijds vinden we via een pad, een eind van de piste af, een mooie plek voor de nacht. Hier blijken een mannetje en vrouwtje van de “nightjar” te zitten. Dit zijn nachtvogels, waarvan het mannetje hele lange veerpennen aan het eind van de vleugels heeft, met aan het uiterste einde nog een veer. Vooral in vlucht een apart gezicht. Nu hebben we ook even de gelegenheid zowel het mannetje als het vrouwtje, op de grond zittend, goed te bekijken.


De nightjar, met lange vleugelpennen en aan het einde grote zwarte veren, prachtig om te zien als de vogel vliegt

Als we buiten voor de auto zitten hebben we een mooi uitzicht op een prachtige rustige plek, maar veel last van heel vervelende kleine bijtjes. Ze blijven met grote aantallen continu om je hoofd vliegen en kruipen in je neus, oren, ogen en waarschijnlijk alle andere lichaamsopeningen die je blootstelt. Zeer irritant. Het duurt niet lang of Mariska heeft haar imkernet over haar hoofd getrokken. Ziet er niet uit, en zelf ziet ze ook niet meer zoveel, maar het schijnt te helpen. Een burka zou hier ook zijn net, pardon, nut bewijzen.

Tegen het schemer gaan de bijtjes naar bed, en is het nog heerlijk buiten. We blijven nog tot laat op en genieten van een onbedorven sterrenhemel met een duidelijk zichtbare melkweg. We zien een schitterende vallende ster met een enorme vuurstaart achter zich aan. Dit duurde zolang dat we elkaar konden aanstoten en “kijk dan” zeggen, zonder dat de ster al verdwenen was. Of heeft André Kuiper soms iets laten vallen waar de rest van de wereld nog niets vanaf weet?

We rijden verder richting een soort van kleine “auberge” vanwaar een pad van zo'n zeven kilomter leidt tot een waterval. Het weggetje naar de auberge toe wordt steeds smaller, zit vol met behoorlijke keien en geulen, en is hier en daar best ongelijk, waardoor we nogal eens scheef hangen. En aan dat laatste is vooral Mariska nog steeds niet zo aan gewend. Zonder problemen bereiken we de auberge. Het is eigenlijk een grote overkapping met een grasdak, en ze verhuren een aantal hutjes als gastenverblijf. Het ligt mooi vrij in de natuur. We parkeren er voor de deur, en maken kennis met twee Amerikanen. Het is Rachel en haar broer, waar we de ingewikkelde naam helaas van zijn vergeten. Rachel werkt al weer 2 jaar in Senegal voor het Amerikaanse Peace Corps, een NGO dat hulpprojecten beheert in heel Afrika. Rachel praat verrassende goed Pular, de lokale taal hier. Haar broer is twee weken bij haar op bezoek. We besluiten met zijn vieren de wandeling naar de waterval te maken. Het is een schitterende wandeling. Het pad loopt voortdurend langs en over het riviertje dat van de waterval komt. Hierdoor is de begroeiing erg groen en het klimaat koel. Er staan zelfs forse bomen en het is er jungle-achtig (ja ja, alleen langs de rivier, verderop is het al weer dor en droog). Langzaam lopen we een smalle kloof in en komen uiteindelijk bij een prachtige waterval. Hier zwemmen we wat in de kleine poel onderaan de waterval, en dan lopen we de mooie wandeling weer terug. We horen en zien een grote groep apen op enige afstand. Chimpansees? Nee, helaas. Na lang turen en goed luisteren blijken het bavianen te zijn, uiteindelijk goed herkenbaar aan hun bruine vacht en lange staart, die bij chimps ontbreekt.

Het is een mooie wandeltocht door een schitterende omgeving, totaal anders dan we tot nu toe gezien hebben in Senegal. Als we terug zijn bij de auberge staat de zon al aardig laag en besluiten we daar voor de deur in onze eigen auto, tegen een kleine vergoeding te overnachten. Samen met de Amerikanen en een paar Senegalezen eten en drinken we wat bij de auberge, onder de overkapping. Het is erg gezellig en ook al gauw weer erg laat.

Op weg naar de watervallen bij Segou

We worden de volgende ochtend ook al behoorlijk vroeg wakker van een hoop gekrijs in de bossen op de heuvel tegenover onze auto. Het is nog maar net licht. Als we vanuit ons bed door het slaapkamerraam kijken zien we met de verrekijker een redelijk grote groep chimpansees rondstruinen. Grote mannetjes, maar ook vrouwtjes met jongen. Dat is nog eens wakker worden! Ze zijn wel aardig ver weg, maar met de verrekijker goed te bekijken. Prachtig. De eerste mensapen die we zien in het wild. En we hadden ze hier eigenlijk al helemaal niet meer verwacht.

We ontbijten samen met de Amerikanen bij de auberge. Tapalapa (zo heten hier de kleine stokbroodjes) met een koude bonen-uiensaus. Smaakt best goed. Kopje koffie er bij en genieten van het mooie uitzicht, heerlijk.

De Amerikanen vertrekken per fiets naar Kedougou, vanwaar ze terug reizen naar Dakar. Wij rijden ook terug naar Kedougou waar we voor de lunch lekkere melkbroodjes kopen, nog wat internetten en dan verder trekken naar de Malinese grens. We willen vanaf hier via pistes de grens over. Er gaat een eind verderop ook een nieuwe asfaltweg de grens over, maar we willen wel weer een beetje avontuur.

Bij een rustig stuk nog voor de Malinese grens duiken we voor de nacht ergens in de bosjes. Weer veel van die ellendige bijtjes buiten, dus we blijven nu maar binnen. Het blijkt één of ander smokkelpad te zijn van Mali naar Senegal. Er komen 's avonds laat misschien wel honderd brommertjes langs. Waarschijnlijk smokkelen ze benzine van Mali naar Senegal, want ze hebben allemaal jerrycans achterop. Nog best een onderneming zo in het donker, want het is nog helemaal niet zo'n makkelijk pad op de brommer. Veel kuilen en soms wat mulle stukken. Na een uur of twee ‘s nachts is het er wel heerlijk rustig.

ZONDAG 29 JANUARI 2012, grens Senegal - Mali
We vervolgen onze weg richting Mali. Het is nogal een piste. Hij wordt steeds smaller. Soms lijkt het meer op trucktrial.  Dan komen we bij een droge rivier die we moeten oversteken. De oevers zijn best steil. Een smal pad leidt tot de rivierbedding, dan een paar rotsen en mul zand, en via een nog smaller uitgesleten en stijl pad de rivierbedding weer omhoog. Mariska stapt uit om het stukje te filmen, of was dat een smoesje om zo lopend over te gaan? Het is verbazingwekkend wat zo'n lompe Daf in de eerste versnelling in de lage gearing allemaal nog kan. Heel rustig en gedoseerd kruipt hij over alle obstakels heen en klimt de steile oever omhoog.

Onderweg rijden we nog bijna met ons linker voorwiel in een metersdiep gat van een goede meter doorsnede. In dit gebied wordt ook weer veel goud gezocht, en dat doen de lokalen door erg diepe verticale mijnschachten te graven, die ze dan weer onbeheerd achterlaten. Twintig, dertig meter diep. Met een touw laten mannen zich in het gat afzakken. Bovenaan staat dan iemand, meestal zijn vrouw die een ezel bediend om hem er weer uit te trekken, of emmers vol zand (nee, niet vol goud) weer omhoog moet takelen.

En in dit geval vond een idioot het nodig dit midden op het pad te doen! Mooi gevaarlijk, want ze markeren de gaten niet fatsoenlijk, je denkt dat je gewoon de zoveelste pothole nadert. Ik zou hier ook maar niet zo even in het bos gaan rondlopen, tenzij je lichaamsdiameter zo'n 1,5 meter bedraagt. Lijkt wel wat op de grote ronde schachten die je vindt bij Coober Pedi in Australië, waar ze op deze manier naar opaal zoeken.

We komen aan bij het dorpje Nafadji, waar volgens de Lonely Planet (Lying Planet) een Senegalese grenspost zou moeten zijn. We zien niets, en volgens de bewoners is die er ook niet. Shit, wat nu? Het uitreisstempel in ons paspoort zal ons worst wezen, maar we willen ons Carnet graag uitgestempeld hebben, in verband met teruggave van  de borg. Maar dat betekent dat we twee dagen terug moeten hobbelen over een niet al te makkelijk pad. We kijken eens op de kaart, en hopen dat we die stempels wel bij een Senegalese grenspost een eind verderop kunnen krijgen. De piste, of liever gezegd het pad, leidt in Mali nog een tijdje parallel aan de grens, dus dat is dan niet echt veel omrijden. We gaan dus verder zonder uitreisstempels. Na weer een mooi smal paadje staan we tenslotte voor een ongeveer vijftig meter brede rivier, de Falémé, die later overgaat in de Senegal rivier. Eentje waar wel water in staat dus. Deze rivier is de grens met Mali. Wat nu? Er gaat een smal pad redelijk steil de oever af, en een eindje verder, dus niet er recht tegenover, gaat een smal pad behoorlijk steil de oever weer op, met bovenaan een haakse bocht. Hmmm. Jan loopt naar de overkant voor een bodem en diepte-check. Qua diepte valt het wel mee, een halve meter, misschien zestig centimeter diep. En als we met een bocht rijden door de rivier om een paar rotsen heen moet het qua ondergrond ook wel kunnen. Dat is rotsig met grind. De steile oevers, met name die aan de overkant met de haakse bocht, worden nog het lastigst. Dat pad aan de overkant is vooral een pad waar ze met brommertjes op en neer gaan, dus veel te smal voor de Daf. Maar met de banden door de bush ernaast zou het moeten kunnen.

Gaan met die banaan dus! Met piepende remmen de eerste oever naar beneden, gadegeslagen door een paar kleine ventjes. Mariska staat aan de overkant te filmen. Dan voor de zekerheid in 4x4 lage gearing in de eerste versnelling door de rivier manoeuvreren. Dat is te voorzichtig. In de 1e laag graaft de Daf teveel in het grind. Snel opschakelen naar de drie en gas erop. Moeiteloos waadt de Daf er doorheen. En gelijk de velgen weer mooi schoon. Bij de helling weer terug in één laag en ook daar tokkelt hij moeiteloos tegenop. Geweldig wagentje eigenlijk. De 100cc brommertjes moeten ze hier de bult op drukken.

We zijn in Mali! Ok, wel illegaal, maar we zijn er.


Grensovergang van Senegal naar Mali, door de Falémé rivier

 

Mali