ZONDAG 29 JANUARI 2012, grens Senegal - Mali
We zijn vanmorgen om 11:00 uur vertrokken, en het is nu 16:15 uur. In die tijd hebben we maar liefst 25 kilometer afgelegd. Ok, minus een uurtje lunch dan. Zo'n 6 km/uur gemiddeld dus, zo'n weg was het. De bestickering op de zijkant van de auto wordt er ook niet mooier op van alle takken die er langsschuren en afknappen. Ook is een kogelgewricht van de steun van de rechterspiegel afgeknapt door een dikke tak. Wie maakt zo'n ding dan ook van plastic? Geeft allemaal niets, hoort bij het avontuur. Volgens de Lying Planet is er in het eerste dorpje Satadougou een politie- en douanepost om in te stempelen in Mali. Als het dorpje de paar lemen hutjes met strodaken was waar we voorbij kwamen, dan was daar zeker geen douane- of politiepost. Hmm, verder dan maar, zonder  visum, zonder stempels, illegaal in Mali. Och, er zijn vast ook wel Malinezen illegaal in Nederland, dus zo erg is het nou ook weer niet. Als we maar niet met hen uitgewisseld worden... Het enige waar we bang voor zijn is dat dit een hoop pegels gaat kosten als we óf aangehouden worden, of als we ons netjes melden bij de eerste post. Eerst zoeken we maar een mooi rustig plekje in de bush om te overnachten.

We rijden de volgende ochtend door naar het plaatsje Kenieba. De piste is een mooie brede rode laterietweg. We hebben in onze gps staan dat er in Kenieba zelf een douanepost is om ons Carnet te laten stempelen. Maar eerst rijden we 16 kilometer verder via de splinternieuwe asfaltweg naar de grenspost zelf. We willen proberen om daar onze grensformaliteiten zo te laten doen zoals het hoort. Dus eerst netjes uitchecken uit Senegal, dan inchecken in Mali. Maar uiteraard komen we vanaf de Malinese kant bij de grens aan. We staan dus aan de verkeerde kant van de paal. Die paal bestaat uit een grote tak die op een paar oude oliedrums rust. Daarmee sluit die de toegang tot de brug over de rivier af. In en om een hutje hangen een vijftal mensen van de Malinese politie. Zoals altijd ligt er binnen één op een oud bed te maffen, en zit de rest buiten wat te dammen. We leggen ons verhaal uit en vragen of er aan de Senegalese zijde een douane- en politiepost is.

Ja die posten zijn er, maar van de vier die wakker zijn, is er maar één die ons verhaal begrijpt. De anderen willen dat we eerst naar de douanepost in Kenieba gaan. We proberen ze er van te overtuigen dat we daar nu niets aan hebben, maar dat we eerst onze officiële uitreisstempels van Senegal willen hebben. De rest doen we dan later wel. Als de ene die het snapt de anderen overtuigd heeft, wordt de man op het bed wakker. Hij blijkt de chef te zijn, maar is veel te moe om op te staan. Maar hij is het er niet mee eens, en het duurt weer een half uur voor de ene die het snapt, de chef ook overtuigd heeft. In plaats van dat ze ons zo het land uitsmijten omdat we er illegaal zijn, moeten we juist de auto aan de Malinese kant laten staan, en mogen we lopend even Senegal in om de papieren te regelen, en moeten dan weer terug komen. We zijn een beetje sceptisch of dat wel zal lukken, want normaal gesproken zal een douaneambtenaar een auto niet als uitgevoerd afstempelen als hij hem niet zelf gezien heeft. Maar dit is Afrika, dus wie weet.

We wandelen de brug over, en zien een hokje waarvan we denken dat het met politie of douane te doen heeft. De man uit het hokje komt ons al tegemoet. Het is inderdaad politie. We vragen naar het douanekantoor, maar dat blijkt vijftig kilometer landinwaarts te zitten. Shit, daar hebben we geen zin in, om voor één stempeltje honderd kilometer te rijden. Bovendien staat de Daf nog in Mali, en het is maar de vraag of ze ons met de auto willen laten gaan. Het is ons ook telkens een raadsel waarom we zoveel douanekantoortjes zien midden in het land. En aan de grens is er dan weer niet één.

We vragen of de agent bij uitzondering niet de carnets even wil stempelen. “Nee, geen denken aan. En het stempeltje in het paspoort krijg je ook pas als je een stempel van de douane hebt,” zegt ie er nog fijntjes bij. We proberen het nog een keer met een slijmerig “s'il vous plait”, maar hij is er niet vatbaar voor. Het is geen vriendelijke vent ook. Boos worden is nu ook niet het beste idee, want als hij moeilijk doet laat hij ons niet zomaar de grens terug over wandelen naar Mali, en dan zijn we letterlijk en figuurlijk verder van huis. We kijken elkaar aan, overleggen even vlug in het Nederlands, en zeggen dan gauw “au revoir” tegen oom agent en lopen weer triomfantelijk de grens over terug. We verwachten nog dat hij ons terug roept met de vraag waar dat naar toe gaat, maar we horen niets en stappen zonder om te kijken stevig door. Aan de Malinese grens zeggen we dat alles geregeld is, anders beginnen ze daar ook nog te zeiken. Ze zijn echter erg vriendelijk. Het lijkt Nederland wel, zo aardig als ze illegalen ontvangen. Ze zetten een mooie inreisstempel in ons paspoort. Over een visum wordt niet gerept. We hoeven niets te betalen, en ze zeuren niet om cadeaus. We mogen zo door naar de douane in Kenieba, waar ze ook erg vriendelijk zijn, beide carnets stempelen en ons vrolijk uitzwaaien. Ze kijken niet in de auto, en vragen ook niet af waar dat tweede carnet voor is.

Raar idee hoor. Die stempels van Senegal voor het carnet moeten we zelf maar wat op verzinnen. We snappen het nog niet helemaal. Normaal hoor je een visum te hebben, die ook nog eens 15.000 CFA p.p. kost, maar hier zwaait iedereen ons welkom, en wordt niet over geld of een visum gerept. We laten het er maar even bij. Via een mooie route over pistes willen we naar Bamako rijden. Eerst nog wat inkopen doen in Kenieba en dan zo gauw mogelijk een lunchplek zoeken, want we hebben behoorlijk honger.

We rijden na Kenieba een zanderige piste in. Gelijk een slagboom. Wat is dat nu weer? Er komt een behoorlijk gehumeurde politieagent naar Jan's raampje toegelopen. Papieren! Als Jan honger heeft is hij ook altijd behoorlijk gehumeurd, dus Jan begint te grijnzen en zegt: “Bonjour! Ca va? Bienvenue au Mali, je voudrais le carte gris, s'il vous plait?” Om de agent aan te geven hoe het ook kan. Hij reikt de agent de hand. Die weigert de hand en blijft chagrijnig roepen om de papieren. Jan vraagt waarom dit is, het is namelijk een stom landweggetje waar we staan. Weer snauwt de agent om de papieren. Jan laat de kopieën van de autopapieren zien. Hij wil ook het carnet zien. Daar heeft een politieagent helemaal niets mee te maken, dus daar hebben we geen zin in. We hebben er namelijk geen kopie van, dus als ze die achterhouden en moeilijk doen, dan hebben we een probleem. Jan laat het carnet zien, maar houdt hem stevig vast. De agent wil hem hebben, maar Jan weigert dit. Hij mag hem inzien, meer niet. Daarop wordt de agent boos en loopt terug zijn hokje in, met onze kopie papieren. Jan is het ook zat. Hij wil eten en heeft geen zin in die zinloze spelletjes. En ook geen zin om als een hondje achter de agent aan te lopen. Geïrriteerd pakt hij een buitenstoel uit de auto en gaat met een Marsreep en een fles koud water uitgebreid in het zicht buiten voor de auto zitten. Mariska is het gedoe ook zat en gaat achter de agent aan om de boel weer een beetje recht te slijmen. Ze verontschuldigt zich voor Jan's gedrag. De agent wil ook Jan's rijbewijs zien. Mariska geeft het kopie. Hij kijkt er naar en begint te zeuren dat dit geen internationaal rijbewijs is. Dat is het ook niet, dat vinden we zulke flauwekuldingen. Ooit één keer zo'n ding aangeschaft voor een idioot bedrag bij de ANWB. Het is een floddertje dat we zelf beter kunnen printen, en slechts 1 jaar geldig.
De illegale grensroute is best mooi

Mariska zegt dat het wel een internationaal rijbewijs is en na wat gezeur kunnen we gaan. De vent is blijkbaar gewoon op geld uit maar krijgt dit van Mariska niet, dat lukt namelijk niemand, zelfs Jan niet. Als Mariska terug komt bij de Daf, is Jan druk in gesprek met de bestuurder van een pick-up. Het is een goudzoeker. Zo'n gatengraver. Het gebied waar we ingaan is weer goudzoekersgebied. Misschien daarom de politiecontrole? Hoewel hij niets controleert, en onze schep is ook niet in beslag genomen. De piste is goed. Hier en daar is een kleine tafelberg te zien. We passeren een grote professionele goudmijn. Een enorm groot gebied, afgezet met een dubbel hekwerk.

Via deze piste willen we doorrijden tot Kayes, zo'n 250 kilometer verderop. Maar eerst wordt het tijd om te overnachten, en dat doen we bij de eerste de beste mogelijkheid. We rijden een eind het droge bos in, onzichtbaar vanaf de piste. Als we een tijdje staan zien we zo'n vijftig meter van de vrachtwagen vuur. Die gekken branden hier altijd alles plat, terwijl het kurkdroog is. We gaan maar even kijken, want voor je het weet staat onze auto ook in de fik. Het blijkt een grote bult te zijn met een brede laterietrand eromheen. Het vuur is grotendeels bedekt met gravel. Er is niemand te zien, het eerste dorpje is volgens ons nogal ver weg. Vanwege de brede rand van lateriet ziet het er wel veilig uit. Wat het voor moet stellen weten we niet zeker, maar waarschijnlijk is dit hun manier om houtskool te maken. Mariska oppert dat het wel lang geleden is dat ze een begraafplaats heeft gezien, en ze vraagt zich af wat ze hier met de doden doen. Luguber idee dat die hier zo verbrand worden en wij er vlakbij staan te kamperen. Maar het ruikt niet naar gegrild vlees, dus we houden het maar op houtskool maken. We zitten aan een rotsrand en hebben uitzicht over de vallei waar de grote goudmijn ook in ligt. 's Avonds is het volop verlicht.

We vervolgen de volgende ochtend onze route over de piste, die wel breed is, maar uit enorm veel diepe kuilen bestaat. Het zou een “scenic” route moeten zijn volgens de kaart, maar het valt ons nog een beetje tegen. Overal is de ondergroeiing weer platgebrand, en zijn vrijwel alle echte bomen al gekapt. Er zijn alleen nog wat lage struiken over, die in deze tijd van het jaar vanwege de droogte meer bruin dan groen zijn. We kijken nog eens op de verschillende gewone en digitale kaarten. Het is dus nog zo'n 250 kilometer naar Kayes, en vanaf daar ook nog weer een heel eind terug naar Bamako, waar we uiteindelijk naar toe moeten voor diverse visa. Er loopt ook een piste dwars door het gebied, zo'n 200 kilometer lang. Qua afstand scheelt dat veel rijden, maar er is weinig bekend over de kwaliteit van de piste. Op de kaarten wordt hij verschillend aangegeven. Ook is het niet helemaal duidelijk hoe we aan het eind van die piste een rivier moeten oversteken. We gokken het er op en nemen deze binnendoorweg via Koulouguidi naar Mahina en Bafoulabé. De weg is meteen een stuk smaller en rotsiger. Weer is het meer trucktrial dan rijden.Tien kilometer per uur, soms wat sneller.
We krijgen zelfs een soort van kleine bergpas. Slechts zo'n driehonderd meter hoog, maar smal, bochtig op rotsondergrond, met naast het pad toch een redelijke afgrond waar je niet in wilt rollen. Verderop is het pad wel weer laag, maar nog steeds smal en met veel uitgespoelde geulen, en veel overhangde bomen. We komen alleen af en toe wat fietsers en brommers tegen. We hebben ook het idee of we op een fietspad rijden. Af en toe vragen we maar even voor de zekerheid of de weg wel doorloopt en of het mogelijk is met onze vrachtwagen. Maar een Malinees wil je niet graag teleur stellen dus het antwoord is steeds: “Qui, c'est une bonne route!” Dat is dus het zinnetje dat door ons nogal eens herhaald wordt op dit pad, als het weer eens moeilijk wordt.

We passeren zo nu en dan een klein dorpje met een tiental ronde hutjes met strodaken. De inwoners kijken vreemd op als ze een vrachtwagen uit de struiken zien komen. De meeste zwaaien vriendelijk als ze ons zien, soms zelfs met twee handen in de lucht en een brede grijns. Maar we komen ook door dorpjes waar mensen ons nogal argwanend aankijken en er niet gezwaaid wordt. Vooral bij de dorpjes wordt het vaak erg smal vanwege de grote overhangende mangobomen die ze er hebben. We kunnen geen plekje uit het zicht van het pad vinden, dus ploffen de auto maar zo ergens naast het pad, er komt hier toch vrijwel niemand langs.

We blijven hier de dag er op ook staan. Het is er rustig. Ondanks de redelijke wind is het er toch nog best warm. Maar er zitten gelukkig geen ongedierte als muggen of tseetseevliegen. We lezen in de Bradt's Guide dat een 1-maands visum voor Mali tussen de 50 en 70 US dollar kost. Volgens de Lonely Planet kun je aan de grens een 5 daags visum kopen voor 15.000 CFA die je later in Bamako kunt verlengen. Vreemd, we zitten hier zonder visum, en geen haan die er naar kraait. In de Lonely Planet lezen we ook nog dat als je langer blijft dan dat je visum geldig is, je een boete van 15.000 CFA per dag kan opleveren. Slik! Gelukkig heeft de Lonely Planet het net zo vaak mis als goed, dus het zal wel meevallen.

Twee februari alweer. Mariska's pa is jarig. Wij kachelen weer een stukje verder, kijken of we wat in de bewoonde wereld kunnen komen om eens naar huis te Skypen op zijn verjaardag. Skype is geweldig, alleen is hier de internetverbinding er vaak te traag voor, heel jammer. Het eerste stuk van de route is weer vrij slecht. Zijn er eens dikke bomen, dan staan ze alleen erg dicht langs het pad. Smal dus met veel laaghangende takken en diepe watergeulen in de ondergrond.  Als een dikke tak weer eens te laag hangt rijdt Mariska langzaam en probeert Jan op het dak de tak hoog te houden. Deze is wel heel zwaar en halverwege houdt Jan de tak niet meer, en zakt deze precies met een uitstekende stomp op één van de zonnepanelen. Het glas van het paneel houdt het gelukkig, pfff. Wat is dat spul sterk zeg. Langzaam trekt Mariska de Daf er onderdoor, maar de tak stuitert ook nog net op de zonnecollector voor warm water. Daar zit nu dus een deukje in. Niet zo heel erg, daar werkt ie wel om. Maar de volgende keer nemen we dit risico niet, dan wordt het zagen.

Het is “nog maar” 67 kilometer naar Bafoulabé. We zijn vandaag in ongeveer vijf uur rijden maar dertig kilometer opgeschoten. Waarschijnlijk was het dus sneller geweest om via de gewone piste zo'n 200 kilometer om te rijden. Het begint hier nu wel een stuk mooier te worden. Overal vreemde rotspieken in het verder vlakke landschap, en af en toe een tafelbergje. We kamperen bij zo'n aparte rotsformatie. We klimmen er op en hebben een fantastisch uitzicht. De rotsen vormen natuurlijke bogen en grotten. Ook staan er staan er veel te grote rotsblokken te balanceren op een veel te klein pilaartje. Mooi om te zien. Er vliegt links en rechts een kleine hoendersoort weg. Te vlug voor de foto. Ook vinden we veel verse cavia-achtige poepjes, maar de dader vinden we nergens. Is het van de eekhoorns of zitten hier misschien klipdassies?

Behalve de hoenders zien we verder geen dieren, zelfs geen hagedissen of insecten. Waarschijnlijk allemaal verbrand. Het is sowieso treurig gesteld met het wild in dit deel van Afrika. Vrijwel alles is afgeschoten (gevlucht naar Oost Afrika, zoals ze het zelf noemen). Zie je in Nederland op het platte land in het schemer altijd wel reeën en hazen lopen, hier niets van dat spul, terwijl er in het verleden toch heel wat antilope-achtigen hebben gezeten. Wildbeheer kennen ze niet. Gewoon schieten wat je raken kan. Wild beheer is dat. Als we 3.800,- CFA moeten betalen bij een winkeltje, en we geven een biljet van 5.000,- CFA, dan moet het wisselgeld met een rekenmachine worden uitgeteld, dus het tellen van wild kun je hier ook wel vergeten.Omdat we dus een geweldige dertig kilometer zijn opgeschoten en dus nog steeds in de bush zitten, kan pa dat Skypen wel op zijn buik schrijven. Morgen misschien.

's Morgens beklimmen we eerst nog weer de rotspartij voor onze deur. Eens kijken of we nu nog wat wild kunnen spotten. Dat lukt niet, maar het zicht is wel wat beter dan gisteren. Herhaaldelijk steekt de laatste weken de harmattanwind op, die enorm veel stof de lucht in blaast, waardoor het zicht soms behoorlijk beperkt is. Het lijkt dan of het heiig is. We rijden pas weer tegen half twee, en stoppen er om drie uur al weer mee als we aankomen bij de Bafing rivier.

Een mooie brede rivier, en we vinden en prachtig kampeerplekje direct aan het water. We installeren onze stoelen en tafel maar weer voor de deur om wat relaxen. Jan pakt de hengel er bij, want hij heeft wel zin in vis vanavond. Het duurt niet zo heel lang of hij heeft een kijker. Zo eentje die niets zegt, alleen kijkt. Na een kwartiertje is Jan het vissen met twee priemende ogen in zijn nek wel zat. Hij draait zich om en vraagt de man wat er aan scheelt (vragen of je soms iets van ze aan hebt moet je hier niet doen, dat denken ze namelijk al). De man antwoord dat er hier geen vis zit in de rivier. ??? Zo'n brede rivier en dan geen vis. Knap werk weer. Had ie trouwens ook een kwartier geleden al kunnen vertellen. Er is inderdaad geen kringetje van vis in het water te zien, en ook aan de kant zie je geen kleintjes zwemmen.

Jan schuift het hengeltje dus maar weer in en gaat naast Mariska een boekje zitten lezen. De vent blijft ons op een afstand van drie meter aan staren. Weer zonder wat te zeggen. Na weer een klein kwartiertje zijn we dat ook wel zat. Jan vraagt of ie geen werk heeft. Jawel zegt de man. “Mooi, werk ze dan, au revoir!” Hoe is het mogelijk? Hij begrijpt het en gaat weg. Het klinkt allemaal niet zo vriendelijk van onze kant, maar ons een beetje gaan aanstaren vinden wij ook niet zo vriendelijk. Verder blijft het lekker rustig. Als het al schemer is, horen we zware knorrende en snuivende geluiden vanachter de begroeide waterkant. We zien echter niets, maar we weten zeker dat dit nijlpaarden moeten zijn. We houden voor de zekerheid de zaklamp er maar bij en schijnen af en toe eens in de struiken, om niet onverwacht door zo'n mastodont onder de voet te worden gelopen. We merken dat we weer wat dichter bij de bewoonde wereld zijn, want 's avonds worden we gebeld door het thuisfront. We feliciteren Mariska's pa met zijn verjaardag van gisteren, en haar ma met die van haar morgen.

Ons overnachtingsplekje met uitzicht over de Bafing River

ZATERDAG 4 FEBRUARI 2012, de oversteek
We zijn heel benieuwd wat we vandaag gaan aantreffen. Kunnen we de route rijden die we willen, of moeten we toch nog helemaal omrijden naar Kayes? We hebben drie kaarten die allemaal iets anders aangeven. De Michelinkaart geeft een “Improved road” weer vanaf Mahina naar Kita. Daar moet dus een brug of zo zijn. Vanaf Bafing gaat er volgens de kaart een twintig-tons ferry naar de “scenic” route die we willen rijden. Deze route is aangegeven als piste met een “dangerous section”. De GPS-kaarten geven slechts één overtochtmogelijkheid aan, een doorwading of een brug. De Bafing rivier is echter zo breed en diep, dat een doorwading echt niet mogelijk is. De straat die aangegeven wordt ligt volgens de GPS precies tussen Mahina en Bafoulabé in, maar sluit op de overkant van de rivier nergens op aan. Dit zal waarschijnlijk de spoorlijn zijn. De derde kaart staat in de wereldatlas. Deze geeft een wat betere kwaliteit weg aan vanaf Bafoulabé langs het spoor, en vanaf Mahina een kleinere weg.

Het wordt nog een grote verrassing dus. De afgelopen honderd kilometer hebben we geen auto gezien, en we hebben dus geen idee of de weg überhaupt doorloopt. De kaarten zitten er nog wel eens naast en zijn het in dit geval niet echt eens, en als je de mensen vraagt is het altijd: “Oui, c'est une bonne route!” Het pad loopt wel door, en wordt in Mahina zelfs een heuse piste. In Mahina blijkt er wel een brug te zijn, maar dat is een spoorbrug. Hij wordt ook gebruikt door brommertjes, maar met de Daf zien we dit niet zitten. De rijplaten links en rechts naast de rails zijn al helemaal doorgerot. Dan liggen we straks met beide differentiëlen op het spoor hangend boven de Bafing rivier. Ook spannend,maar daar hebben we toch even geen zin in.

Het wordt dus heel hard hopen dat er verderop inderdaad een ferry is die ons over kan zetten. En ja hoor, we hebben geluk. Er is een ferry, en ook groot genoeg om ons over te zetten. Voor het korte stukje vragen ze maar liefst 7.000,- CFA, wat zo'n elf euro is. Er is natuurlijk geen prijslijst, en je krijgt ook geen bonnetje. We zeuren wat met de “kapitein”. Hij zegt dat het wel voor minder kan, als we een kadootje voor hem hebben. We hebben nog een mooie plastic pennenset in een luxe doosje. Hij haalt er zijn schouders voor op. Een mooie muts dan? Nee, dan wil hij liever een t-shirt, en voor de driekoppige bemanning ook één. Ja, hallo, we krijgen dus korting als we een kado geven dat drie keer de overtocht waard is. Boos flikkert Jan hem de 7.000,- CFA neer. Dan maar voor meer dan het volle pond naar de overkant! (Later in Bamako treffen we Joop en Adrie (http://joopenadriewaarheen.blogspot.com) met hun dikke Daf, die na ons dit pontje hebben genomen. Joop moest nog veel meer betalen, en toen hij zijn beklag deed, kreeg hij van “de kapitein” te horen: “Je bent zeker weer zo'n Nederlander, of niet?”)

Aan de overkant gaat een brede maar best slechte onverharde weg weer verder. Hij heeft veel diepe, enorm stoffige gaten. We besluiten de spoorlijn op te zoeken om te kijken of daar een weg parallel aan loopt. We zien vanaf Bafoulabé wel een klein weinig bereden weggetje rechtdoor lopen. We denken achteraf dat dit het “scenic” weggetje moet zijn geweest die we hadden willen volgen. Vanaf de spoorlijn loopt geen weg parallel, zoals één van onze kaarten aangeeft. Wel loopt er een goede piste parallel aan de rivier, en die volgen we. Ineens kunnen we sinds lange tijd weer gewoon tachtig rijden over een gladde, goede laterietweg. Wat een lekker gevoel. Op een gegeven moment komen we bij een heel mooi stukje waar de rivier flink breed is met een groot dichtbegroeid eiland erin met hoge palmen. We besluiten hier aan de rivier te gaan staan. Het is even ploeteren door de begroeiing, maar dan staan we ook prachtig aan het water, vrijwel uit het zicht van de weg. Er liggen een aantal grote stenen in het water. Jan loopt via de stenen naar een wat dieper helder plekje net na een stroomversnellinkje. Daar gaat hij zichzelf eens grondig wassen. Mariska doet bij die stenen aan de kant de was in de rivier. Dan horen we aan de andere kant van de stenen een luide plons in het water. Jan kijkt op en ziet nog net iets groot groen-grijzig iets onder water schieten. Was het een dikke vis, of toch een krokodil? We weten het niet, maar het badderen wordt toch iets dichter bij de kant voort gezet. Het blijft verder rustig in het water.

We blijven de dag erop hier staan. Het is zo'n mooi relaxed plekkie aan het water, met uitzicht op het groene eiland, en de weelderige begroeiing er achter. Het eiland blijkt uit twee eilandjes te bestaan. Het wemelt er van de vogels, ook rondom onze auto trouwens. O.a. een zeer mooie en grote ijsvogelsoort, verschillende soorten turaco's, veel kleine piepvogletjes in de bontste kleuren, kieviten, een soort steltenlopers, verschillende reigersoorten en nog meer van dat vliegend gespuis. Het is een gezellige gekwek en gepiep om ons heen. Jan probeert nog een visje te vangen. Hij praat wat met een wat oudere lokale visser. Het mannetje verteld dat er hier nijlpaarden en kaaimannen zitten. Kaaimannen? Wij dachten nijlkrokodillen. Bij kaaimannen denken wij aan The Everglades in Florida, niet aan Afrika. Moeten we nog even opzoeken op internet, of dat mannetje dat wel goed heeft. Die “dikke vis” van gisteren kan dus zomaar wat anders geweest zijn. Jan vangt in ieder geval geen dikke vis, en ook geen kleintje. En ook geen kaaiman, dus we eten maar weer eens vegetarisch. Als het donker is horen we op meerdere plekken voor ons in de rivier zwaar geplons, en af en toe slaan de kieviten ook alarm. Er zit dus wel iets, maar we zien niets.

Als we de volgende ochtend wakker worden en uit het raam kijken is er bijna geen uitzicht. Het lijkt enorm mistig. De ramen zijn echter niet vochtig. Het blijkt weer één en al stof, van de harmattan wind, te zijn. Zo erg hebben we het lang niet gehad. We kunnen amper honderd meter ver kijken. Omdat we alle ramen wagenwijd open hebben staan ligt binnen ook een laagje stof. Het aanrecht is helemaal grijs, met twee zwarte afdrukken waar onze mokken hebben gestaan. Bah. Af en toe zie je het stof gewoon door het horgaas naar binnen waaien, en het heeft ook zo'n typische geur van muf droog stofzand. We doen de ramen op de ventilatiestand en stoffen de boel een beetje af.

Ondanks, of juist dankzij de best stevige wind verdwijnt het stof niet uit de lucht die dag, en komt de zon er de hele dag niet door. Dit zorgt er ook voor dat het deze dag best koel is, ongeveer 25 graden. We hebben het zelfs een beetje fris. Ook wel lekker om even buiten te zitten zonder helemaal weg te branden. Alleen jammer van het uitzicht. We knoeien die dag wat. Mariska doet wat verstelwerk, Jan werkt wat aan het verslag. 's Avonds is het echt fris en begint het harder te waaien. Sinds lange tijd eten we weer eens binnen. Middenin de nacht schrikt Mariska wakker. Druppels...het regent! Dat hebben we lang niet meer gehad. De laatste echte bui was in Marokko, zo'n half jaar geleden. In Mauritanië midden in de woestijn hebben we ook nog wat druppels gehad, maar dat kon je amper regen noemen. Echt een flinke bui wordt dit ook niet. En dat is maar goed ook. We staan erg dicht aan het water, nog iets schuin op de kant ook. Als dat zompig wordt knikkeren we er misschien zo in.

Voor de harmattan wind, 5 februari 2012, 10:12 uur

Tijdens de harmattan wind, 6 februari 2012, 9:03 uur

Het is de dag erop als we verder rijden ook nog zo stoffig in de lucht. Dit is dus de échte harmattan. De waas die we tot nu toe hebben gehad was nog maar een voorproefje. We komen bij een stuwmeer. We missen vlak voor de dam de juiste afslag, en staan nu dus boven op de dam bij het stuwmeer. We stappen uit om een kijkje te nemen, maar meteen komen er twee soldaten aangelopen. Je mag hier niet stoppen, en al helemaal niet naar de dam om over het water kijken. Moeite als we altijd hebben met zulke idiote autoriteit lachen we ze een beetje uit en kijken we over het muurtje naar het stuwmeer, voor zover de stofwaas het toelaat. Er zijn langs de kant gewoon wat vrouwen de was aan het doen, en een paar mannen met bootjes, dus zo interessant is het nu ook weer niet, en waarom zou een buitenlander daar niet naar mogen kijken. En waarom mogen zij hier wel gewoon zijn? De militairen worden een beetje driftig en sommeren ons te gaan. We praten luid tegen elkaar in ons halfbakken Frans dat die militairen zich beter kunnen bezig houden met het aanpakken van de terroristen in het noorden van Mali, in plaats van onschuldige toeristen weg te sturen. Triest gedoe altijd met die militairen. Zo'n dammetje bewaken alsof wij die willen opblazen of kopieëren. In wat voor tijdperk leven deze landen toch? Kijken ze soms teveel James Bond?

We rijden terug en nemen nu de goede weg. Deze is zelfs geasfalteerd en gaat met een paar slingers over een heuvelrug. Vanaf daar is de weg dan weer een stuk asfalt van dubieuze kwaliteit, dan weer lateriet met af en toe diepe kuilen, dit elkaar continu afwisselend. En dat is best irritant. Heb je net de vaart er een beetje in, en dan stuiter je flink hard in zo'n kuil. Na het plaatsje Tambaga veranderd de weg ineens in strak asfalt. Dat schiet lekker op. In Kita kopen we brood (tapalapa), wat internettegoed en een paar vers gebakken oliebolletjes. We vervolgen de strakke asfaltweg richting Bamako. We komen bij een slagboom waar we 1.000 CFA betalen voor voor één of andere gemeente-belasting. Nog geen tien meter verderop is er weer een slagboom. Daar moeten we 1.000 CFA betalen als tol voor de weg. Typisch Afrika. Je kunt beide heffingen ook doen bij één slagboom, maar daar hebben ze nog niet over nagedacht. Misschien krijgen die verschillende instanties dan wel ruzie wie er vaker de slagboom heeft opengedaan. Dat is namelijk best zwaar werk en je bent helemaal uit je damspel. Die zogenaamde gemeente-belasting zie je vaker. Is er toevallig iets in zo'n dorpje, als een tolpoortje of een douane, dan grijpen ze dat direct aan om ook  maar belasting te heffen. Maar wel met hun eigen slagboom natuurlijk. We overnachten weer ergens in de bush, een eindje van de weg af.

De dag erop rijden we verder en komen door Kati (origineel: het vorige plaatsje heette Kita). In Kati is het een enorme drukte. Er staat een rij van honderden vrachtwagens, zoals bijvoorbeeld bij ons aan de grens met Duitsland, op drie oktober, Tag der Deutsche Einheit. Alleen is het hier nog veel chaotischer, want dit is Afrika. Zo te zien staan er ook al een tijdje. Overal onder en achter de vrachtwagens liggen mensen te slapen op matjes of veldbedjes en eten te koken e.d. Wij rijden de hele rij voorbij. We zijn wel vrachtwagen, maar niet gek. Het is vast weer zo'n vage douanepost die altijd om onbegrijpelijke redenen midden in het land zitten. Hebben wij als toerist niets mee te doen, vinden we. Er lopen aardig wat politie en militairen rond. Als we een slagboom in zicht krijgen worden we door een politieagent naar de linkerkant gesommeerd, en staan we pal achter een grote lijndienstbus. Shit, we hebben helemaal geen zin in één of andere onnodige controle, want we hebben nog steeds geen visum. Het is jammer dat bij dergelijke chaotische controleposten altijd zoveel agenten en militairen rondlopen. We willen er graag foto’s van maken, maar dat mag absoluut niet en we hebben geen zin in onnodig trammelant.

Ondertussen komt rechts van ons een grote zandwagen staan. En de agenten hebben het veel te druk om het nog chaotischer te maken. De weg ligt verhoogd, als het ware op een soort dijkje. Links en rechts ernaast lijkt het een groot marktplein. Allemaal kraampjes. Er haalt ons links over de markt een personenauto in, die blijkbaar ook niet hoeft te wachten voor de slagboom. De grote bus voor ons zet hem ineens in zijn achteruit, zonder ook maar om te kijken. Jan geeft een flinke loei op de luchthoorn. De bus stopt en iedereen is nu wel wakker, dachten we zo. We kijken nog even de situatie aan, en besluiten dan met een beetje steken de weg te verlaten het dijkje af en rijden ook links langs de weg, langs de marktkraampjes zo de slagboom voorbij. Niemand kijkt er raar van op. Het is zo'n drukte en chaos dat we ons afvragen of ze het in de gaten hebben. Na de slagboom wijst een agent naar ons, en hij wijst dat we naar de overkant van de weg moeten. Shit. Moeten we daar nu gaan staan? We doen net of we gek zijn, wat voor ons niet zo heel moeilijk is, en we rijden de weg dwars over, en zo aan de andere kant er weer af. En hup, aan die kant hobbeldehobbel over het zand verder, parallel aan de weg. De weg zelf staat hier ook vol met vrachtauto's, maar één rijbaan is vrij. We horen nog een keer een schril fluitje. Was dat voor ons? We weten het niet, maar we kijken ook niet om, gewoon doortuffen. Na een paar honderd meter gaan we weer het asfalt op. Nog steeds veel vrachtwagens van de tegemoetkomende kant te wachten op één rijstrook. Ook nog veel politie en militairen, die we allemaal vrolijk toezwaaien. Niemand houdt ons tegen, dus redelijk bijtijds bereiken we zo Bamako.

Vee op bergen vuil midden in de stad blijft een schokkend gezicht
We dachten dat we wel wat vuiligheid gewend waren, maar hier is het toch ook weer een schok. Over honderden meters lengte niets dan grote hopen afval. Meters hoog direct langs de weg. Er bovenop koeien, schapen en geiten die hun maaltje bij elkaar moeten scharrelen. De weg is gewoon tweebaans, één voor elke rijrichting. We zien op de tegengestelde rijbaan een vrachtwagen met trailer stilstaan met de voorbanden tegen een verkeersdrempel. We grappen nog dat hij de kracht niet heeft om over de drempel te komen, en inderdaad is hij daar overleden. Het complete motorblok en versnellingsbak zijn er terplekke uitgesleuteld en liggen onder de vrachtwagen. Ze zullen aan het wachten zijn op onderdelen of een reparatie. Voordat het ding weer rijdt... als dat al ooit lukt. Maar de moeite nemen om de wagen eerst aan de kant te slepen van het wegdek af, ach waarom? Al het tegemoetkomende verkeer moet zich er omheen zien te wringen. Het is hier best druk, dus achter de vrachtwagen staat een flinke file. Wat een mafkezen!

De stad is ook lekker druk en chaotisch, met veel brommertjes links en rechts voorbij schietend. Maar het is nog niets vergeleken met Casablanca in de spits. We rijden eerst naar de Sleeping Camel, een “auberge” met kampeermogelijkheden, inmiddels een begrip onder overlanders en backpackers. Het is een gezellige tent en er zijn aardig wat reizigers, zoveel witte gezichten hebben we lang niet gezien. Helaas staat de tuin wat te vol met andere auto's dus we besluiten een ander waypoint voor een overnachtingplek te checken. Het is een heel net hotel met een schitterend uitzicht over de rivier de Niger. Vroeger heette het hotel Djoliba, sinds kort is het eigendom van een Italiaan, en heet het Hotel Bamako Plage. Vroeger mocht je op het gras aan de Niger kamperen, nu alleen op de parkeerplaats. Voor een fors bedrag, 9.000 CFA, en dat is 3.000,- CFA duurder dan de Sleeping Camel. Toch besluiten we er te gaan staan. We hebben geen zin om in deze drukke stad met de Daf op zoek te gaan naar een betere en/of goedkopere plek, dat doen we morgen wel op de motor.

Er staat nog een stoere dikke Unimog met Spaans kenteken op de parkeerplaats. Het zijn Xavier en Ignasi, twee mannen die er samen een tijdje op uit zijn. We kletsen er met hen heel wat af, onder het genot van een biertje. Beiden hebben ze gewerkt als reisbegeleider. Ignasi is ook beroepsfotograaf en heeft als zodanig tien jaar voor Unesco gewerkt. Hij laat ons schitterende foto's zien. Daarnaast maakt hij ook prachtige karikaturen. Ze zijn flink genaaid bij de grensovergang van Mauritanië naar Senegal. Ze hebben daar 200,- euro moeten lappen, terwijl wij er voor 14,- euro over waren. Ignasi heeft er een mooi karikatuur van getekend met zij tweeën in een grote kookpot en de douane er met een koksmuts op naast.

Xavier is de eigenaar van de Unimog en heeft in zijn leven al heel wat afgereisd. Onder andere in zijn jonge jaren met een Volkswagen T2 busje met Nederlands kenteken naar India (in de tijd van Franco konden ze in Spanje niet makkelijk aan zo'n busje komen, vandaar het NL kenteken). Xavier zijn vrouw reisde nu ook een stukje mee, maar is vanwege werk weer terug naar Spanje. En dus vult Ignasi nu haar plek in. Xavier was zo handig om met een vol paspoort te vertrekken, en dus moet hij nu een nieuwe hebben, wat via de Spaanse ambassade ruim twee weken duurt. Dus Ignasi liep wat te balen dat ze al twee weken op die klote parkeerplaats in Bamako hingen, begrijpelijk. Xavier had in Barcelona een café in reisstijl. Je kon er wat drinken terwijl je in één van de honderden reisgidsen bladert of in één van de vele internationale kranten. De hele tent was sfeervol aangekleed met souvenirs van al zijn reizen. Met al dat kletsen en drinken is de dag zo voorbij. Het is al flink laat als we naar bed gaan.

De volgende dag gaan we er met de motor op uit. Eerst naar de ambassade van Burkina Faso. Dit wordt ons volgende land en daar hebben we dus een visum voor nodig. De vrouw achter de bali was  niet vriendelijk, en enorm sloom. Zonder dat ze wat egt duwt ze ons twee formulieren in de hand. We vullen deze in (weer dezelfde onbenullige vragen als wie is je vader, wie is je moeder etc.) en we geven ze aan haar terug. Ze commandeert dat we per persoon twee pasfoto's moeten inleveren. Mariska heeft ze paraat, ze moet ze alleen even uit haar tas pakken. Ondanks dat dit een paar seconden in beslag nam was ze al te laat. De vrouw is pardoes in slaap gevallen. Verbaasd staan we met zijn tweeën naar de slapende vrouw achter de balie te kijken. Het is tien uur 's ochtends. Jan wil graag hard in zijn handen klappen, maar Mariska maakt haar voorzichtig wakker. Waar waren we ook al weer? Oh ja, twee pasfoto's...  We geven onze paspoorten ook af en vragen wanneer we de paspoorten met visa weer op kunnen halen. Schijnbaar heeft ze zulke zware lippen dat praten moeilijk is, en we halen er uit dat we ze dezelfde dag na drie uur op kunnen halen. De vrouw valt al weer bijna in slaap, als we vragen of we niet een formulier krijgen waarop staat dat ons paspoort bij de ambassade van Burkina ligt, mocht de politie ons intussen nog aanhouden. Je ziet de vrouw denken: “Ook dat nog, wat een werk”. De formulieren liggen gewoon in haar laatje, ze stempelt ze schuift ze onder het raampje door en zegt verder geen boe of ba. Nou, Burkina Faso betekent letterlijk “Land van de vriendelijke mensen”. En die niet vriendelijk zijn hebben ze kennelijk maar een ambassadepostje gegeven in het buitenland. Leuke behandeling zo, na het betalen van maar liefst 47.000 CFA p.p. (ca 72,- euro).

We gaan hierna direct door naar de ambassade van Ghana. We hebben gehoord van andere reizigers dat de voorwaarden voor een visum voor Ghana veranderd zijn. Vanaf nu moet je die in je eigen land halen. Ook op internet hebben we in andere reisverslagen gelezen dat het soms moeilijk was om aan dit visum te komen. We vragen de zeer vriendelijke en opgewekte vrouw aan de balie naar de voorwaarden. Een aanvraagformulier met pasfoto in viervoud inleveren, 30.000,- CFA achterlaten en twee dagen wachten en het zou in orde moeten komen volgens de vrouw. Ze vraagt nog even waarom we hem niet in ons eigen land aanvragen en als we dat uitleggen zegt ze: “Geen probleem, betaal je gewoon een beetje meer.” Dat verbaast ons dan weer wel, maar we zijn allang blij dat het dus wel mogelijk is. Wel zegt ze erbij dat we een geldig visum van Mali in ons paspoort moeten hebben. Ai, dan moeten we daar ook nog eerst achteraan. We nemen de aanvraagformulieren vast mee, zodat we die aankomend weekend eens rustig kunnen gaan invullen.

In een hamburgertentje eten we een redelijke hamburger, terwijl we naar het nieuws kijken op het grote flatscreen. Er zijn beelden te zien van Amsterdam, waar op het moment mensen door de grachten schaatsen. Mooie beelden, en een raar idee voor ons, zo bij 35 graden hitte. Buiten op de smalle middenberm zien we een moeder die van alles verkoopt aan auto's die voor het stoplicht aan het wachten zijn. Ze heeft haar kroost bij zich. Zo nu en dan staat ze met een tiet uit het hemd bij het verkeerslicht. Moet je in Nederland eens doen! Hier kijkt niemand er raar van op. Haar hele leven speelt op die middenberm van nog geen meter breed af, elke dag opnieuw. We zullen de poepverhalen van haar en de kinderen en de bijgaande hygiëne richting haar klanten in de auto's maar verder niet uit de doeken doen, maar het was een interessant tafereeltje waarbij menigeen zijn hamburgertje even terzijde zou schuiven, maar we zijn inmiddels wat gewend.

We tokkelen nog wat rond op de motor op zoek naar een betere en/of goedkopere kampeerplek. We hadden gehoord dat je bij het Maison des Jeunes (jeugdherberg) kunt kamperen. Dat is inderdaad mogelijk en goedkoop ook. Veel plek is er echter niet, en er is veel hangvolk en lui die je van alles willen aansmeren. Dat gezeur hebben we geen zin in. We rijden nog naar een camping buiten de stad, campement Kangaba. Ook prijzig, met name het eten en drinken. Maar wel heel mooi met relaxte zitplekken onder palmenbladeren en zelfs een zwembad, waar je kinderachtig genoeg weer extra voor moet betalen. Voor het regelen van alle visa is de 18 kilometer die deze camping van Bamako ligt gewoon onhandig ver. We besluiten dus de volgende dag maar bij The Sleeping Camel te gaan staan, als daar inmiddels plek is.

Het is al zo goed als drie uur, dus snel scheuren we naar de ambassade van Burkina, waar ons paspoort met visum inderdaad al klaar is. Wat een snelle service! Niet iedereen ligt hier dus de hele dag te slapen. 's Avonds eten we een lekker pizzaatje en lasagne in het restaurant van de camping, en hebben verder een lange en gezellige avond met de twee Spanjaarden.

De volgende ochtend nemen we afscheid van de Spanjaarden en gaan naar The Sleeping Camel toe. Daar wordt een bus van henzelf naar buiten gemanoeuvreerd en zo krijgen we een mooi plekje in de hoek. Geen zon op de panelen, maar dat maakt niets uit, stroom is inclusief. En nog 3.000,- CFA per dag goedkoper ook. Het is een gezellige boel in The Sleeping Camel. We maken kennis met een aantal andere reizigers, de meeste wachten net  als ons op diverse visa om verder te reizen. Dat neemt zo een weekje in beslag. Er staat een oranje overlandtruck, zo'n vrachtwagen waar een man of twintig achterin kunnen zitten en waar dan gedeelten van Afrika mee rond gecrossed wordt. Marcell, een Zuid-Afrikaan met verre roots in Tilburg, heeft de truck zonder klanten vanuit Zimbabwe naar Mali gereden. Vanuit hier gaat de truck naar Dakar om daar een groep reizigers op te pikken. Marcell geeft de auto wat broodnodig onderhoud, en Jan helpt hem er een beetje mee. Van Marcell krijgen we veel info over wat ons nog te wachten staat op de route door Nigeria, de Congo's en Angola. Marcell is een gezellige kerel en de hele avond kijken we foto's, zowel van de route met de slechte stukken weg en dergelijke, maar ook van zijn hobby, het fotograferen van vogels, reptielen en insecten. Hij heeft zeer mooi foto's op Flickr staan, het is een compleet naslagwerk, veelal met de Engelse en Latijnse benaming erbij. Handig voor als we eens niet weten wat voor beest we hebben gezien of gefotografeerd.

Ook vragen we her en der naar de veiligheid in Mali, gezien de ontvoering van o.a. het Nederlandse stel, en de dood van de Duitser, afgelopen november. Het blijkt dat al deze mensen daarvoor ook bij The Sleeping Camel hebben gestaan, en dat ze erna de Nederlandse vrouw van de ontvoerde man hier ook hebben opgevangen, en er voor hebben gezorgd dat hun auto in Dakar kwam en vanaf daar verscheept kon worden. We horen wat verschillende berichten qua veiligheid. Afgelopen week zou er een kleine opstand in Bamako geweest zijn van vrouwen die klaagden over de grote verliezen die het leger lijdt in het noorden in de strijd tegen de rebellen. Ook hoorden we dat er zo'n 3000 Franse en Amerikaanse militairen zijn ingevlogen, en dat de situatie nu stabiel zou zijn. Verder noordelijk dan Mopti wordt ons afgeraden. Dogonland zou wel veilig zijn. We hebben enkele mensen gesproken die in Dogon geweest zijn, maar niets van spanning gemerkt hebben. Wel is het er erg rustig nu qua toeristen. Alleen enkele individuele reizigers zijn nog in Mali, alle georganiseerde reizen zijn geannuleerd.

We troffen gisteren zelfs nog een Engels stel op Kangaba Camp, die met hun Unimog-achtige Renault wel afreizen naar Timbuktu, wat nu toch wel heel erg sterk afgeraden wordt. Waarschijnlijk waren deze mensen een beetje levensmoe. Om er heen te kunnen moesten ze eerst een soort vergunning bij de politie halen, anders wordt je door de verschillende checkposten onderweg sowieso terug gestuurd. Ze hebben de vergunning wel gekregen, maar de politie raadde het hen ten zeerste af. Hun excuus om er heen te gaan was dat ze er een “auberge” hebben. Nou, daar zitten nu toch geen gasten, dus waarom zul je er juist nu heen gaan?

Timbuktu stond toch al niet op ons programma. Donald Duck komt er ook telkens van terug omdat het er te saai is. Wel hadden we graag nog naar Le Main de Fatima gewild, een aparte rotsformatie, en naar Porte des Elephantes, om hopelijk daar in de regio de laatste woestijnolifanten te zien. Dat zit er nu dus helaas niet in. Waarschijnlijk gaan we wel naar Dogonland, maar we hebben nog even bedenktijd. Hier zitten we wel veilig, en anders springen we gauw over de muur. Hiernaast zit de Duitse ambassade. Als de poort daar opengaat speelt het bekende deuntje uit “Für Elise” van Beethoven. Dat deuntje krijg je gewoon niet meer uit je kop en neurie je dus de hele dag door. Het wachten op visa duurt lang. Eerst nog het weekend afwachten voor we ons Mali-visum aanvragen. Dat duurt twee dagen, dan het Ghana-visum, dat dus ook twee dagen duurt. We zijn wel een weekje onder de pannen.

We treffen bij The Sleeping Camel ook nog Tony (www.tony-roundafrica.blogspot.com/), een Belg die op zijn motor door Afrika rond toert. Of beter gezegd, toerde. Hij zit hier alweer een week of drie. Hij nam wat foto's op ongeveer twee kilometer afstand van het vliegveld, maar blijkbaar was dat nog te dichtbij. Militairen hielden hem aan, en confisqueerden zijn motor en toebehoren. Hij is er vrijwel alle dagen druk mee, met hulp van de Belgische consul, om zijn spullen weer terug te krijgen. Er zit nog geen schot in.

Ook staat er nog een witte Landrover, die duidelijk zijn beste jaren al een tijdje achter zich heeft liggen. De Landrover is van Anita, een vrolijke Zuid-Afrikaanse meid van begin twintig. Ze heeft twee jaar in Engeland gewerkt, daarna de Landrover gekocht en is op weg naar huis. Al teveel voorbereiding is er niet. De Landrover heeft al de nodige nukken gehad (nieuwe koppeling en versnellingsbak) en nu moet de werkcilinder van de koppeling vervangen worden, en valt de uitlaat er zo'n beetje onderweg. Ook heeft ze geen Carnet de Passage, wat nog een probleem kan worden. Naïef, of gewoon stoer? We weten het niet. We hopen dat ze het haalt, en als ze het haalt is het dus gewoon stoer. We zitten inmiddels al zo lang bij The Sleeping Camel dat we een hele romance zien ontstaan tussen Tony en Anita. Het is een leuk stel samen, en de bedoeling is dat ze samen verder reizen, mits Tony zijn wheels weer krijgt. 

Ondertussen komt ook Zwitserse Thomas (Tömu voor insiders) binnen met zijn mooie in regenboogkleuren gespoten 4x4 Mercedes busje. Ook Thomas is begin twintig, en is van plan om in zijn eentje met de bus naar Tanzania te rijden, dwars door Congo en de Centraal Afrikaanse Republiek. Dat is niet een route die veel gereden wordt, en ook niet geheel zonder gevaren. Naïef, of gewoon stoer, we weten het weer niet. In ieder geval is zijn voorbereiding wel erg goed. Het is een erg handige jongen, monteur van landbouwwerktuigen geweest. Hij heeft de bus compleet gestript en zowel mechanisch als interieurtechnisch geheel opnieuw opgebouwd, en ieder dingetje dat ook maar iets gesleten leek is vervangen.

Bij The Sleeping Camel staat het aardig vol

Dat betekent niet dat Tömu vrij is van sleutelen op deze reis. In Nouadhibou in Mauritanië was hij al zes dagen druk met een reparatie aan een witte Mercedes bus van een Servisch stel, dat een paar maanden door West-Afrika reist, en een stukje samen met Tömu opreist. Ze komen een dag na hem ook The Sleeping Camel opgereden. Ook aardige lui. Nu is Tömu druk bezig om de Landrover van Anita wat op te lappen. Waarschijnlijk heeft hij er gewoon plezier aan, en mist hij zijn werk een beetje.

Als iedereen zo druk is met nietsdoen en onderhoud, doen wij daar ook maar aan mee. Mariska doet de was en ruimt binnen wat op. Jan controleert de klepspelingen, die allemaal nog in orde blijken te zijn, en vervangt de luchtinlaatslang. Omdat de luchtinlaat gewijzigd is van origineel, is er een stukje flexibele slang tussen gekomen. Dat is zo'n spiraalbuis met relatief dun rubber ertussen. Deze heeft blijkbaar wat liggen schuren en is van de buitenkant wat beschadigd. Gelukkig nog niet door, want het is na het filter, dus stof en zand zou dan in de motor terecht kunnen komen. Om dit te voorkomen vervangt Jan de slang door een voorgevormde slang met een halve centimeter dikke wand. Dat blijkt nog een lastige klus, want de slang is erg stug en daardoor moeilijk te monteren. De overige dagen vullen we met bier drinken, eten bij het goede restaurant van The Sleeping Camel en veel kletsen met de andere reizigers. Wel eens tegelijkertijd een gesprek gehad met een Belg die Vlaams spreekt, en een Zuid-Afrikaanse die Zuid-Afrikaans spreekt? En wij Twents. Erg grappig. Gelukkig spreken ze beide ook erg goed Engels. Er zijn ook nog drie Polen binnen gekomen die op weg zijn naar een bruiloft. En verder hangt er nog veel volk rond, en iedereen praat met iedereen. Gezellig dus.

We hebben ook nog een avond afgesproken met Willem. Willem is van origine een aardige Brabo die alweer een aantal jaren expat is voor Maersk. We troffen hem bij een tankstation in Nouakchott in Mauritanië, en toevalligerwijs is hij nu overgeplaatst naar Bamako, Mali. We hebben afgesproken in de Blabla bar, wat een goede keuze bleek te zijn. Het is een gezellige tent en ze hebben er koud bier van de tap. Lang niet meer gehad. Blijkbaar dacht Willem er ook zo over, na lange tijd verkeerd te hebben in een Islamitisch land. De biertjes gingen achterover alsof het Brandt en Grolsch was, en ook de gegrilde koteletjes smaakten prima. Het was al laat in de nacht toen we opmerkten dat iedereen al naar huis was gegaan, inclusief het personeel. Wij zaten buiten, achter het café, waar nog licht brandde, maar binnen was alles al donker. Alleen de nachtwaker was er, die ons vriendelijk door de donkere keuken naar het personeelstoilet leidde, omdat het gewone toilet ook al dicht zat. Het was al dik drie uur, dus wij vonden het ook wel tijd om te gaan. De nachtwaker opende de deur voor ons en zwaaide ons uitbundig uit. Willem bood aan om ons met zijn dikke SUV naar huis te jakkeren. We twijfelen nog even, vanwege het bier dat hij op heeft. Maar alles in Afrika moet je relatief zien. Je kunt hier altijd nog beter bij een aangeschoten Nederlander in zijn dikke SUV met airbags stappen, dan bij zo'n plaatselijke brokkenpiloot in zijn gammele Benz, waarvan je ook niet weet wat hij deze avond al gerookt of gedronken heeft. Terug lopen is ook te ver. De straten van Bamako zijn zo goed als leeg om dit uur, en met een vaartje zoeven we naar huis. De vele drempels strijkt de wagen met dit gangetje aardig glad. Politie in een pick-upje voor ons gebaart dat we aan de kant moeten, maar Willem denkt al net als ons: “gewoon doorjakkeren”. Met een boogje haalt hij de politie in, die niet eens de moeite neemt om achter ons aan te gaan. En das maar goed ook, want wij hebben beide geen identificatiebewijs bij ons, en we hoorden van andere reizigers die daar voor opgepakt zijn, en flink hebben moeten lappen. Ongedeerd komen we bij The Sleeping Camel aan, waar iedereen al ligt te snurken. De avond was een traktatie van Willem. We vonden het erg gezellig. Willem, nogmaals bedankt.

Met onze visa gaat het deze week ook goed, hoewel het natuurlijk wel typisch op zijn Afrikaans verloopt. Op maandag melden we ons bij het hoofdkantoor van de politie, waar we een visum voor Mali kunnen bemachtigen. Schijnbaar is dat hier een gewone zaak, want het gangetje met aan beide zijden banken zit aardig vol. De anderen hebben een tijdelijk inreisvisum dat verlengt moet worden. Wij hebben helemaal niets, en zijn al twee weken illegaal in Mali. We zijn benieuwd. De drie Polen zitten er ook. Aan het eind van de gang zit een niet zo vriendelijke dame achter een grote tafel. Het blijkt dat daar formulieren liggen die we moeten invullen. Dat doen we, en vervolgens wachten we bijna een uur. Dan blijkt dat dit niet alles is wat we nodig zijn. Er zitten nog een paar Canadezen die ons een handgeschreven kladje laten zien met een soort postzegel er op. Die moet je eerst ergens buiten de poort halen bij een ventje op een brommer. Op het briefje staat in hanenpoten Frans simpelweg het verzoek een visum af te geven. We denken nog dat die Canadezen genaaid zijn door één of ander gastje op straat, maar het blijkt echt nodig te zijn. Daar zit je dan een uur voor niets. Samen met de Polen gaan we naar buiten en er hangen inderdaad meer van die knaapjes rond, die voor 500 CFA zo'n dom briefje verkopen en voor 200 CFA zo'n postzegel, dat een belastingzegel blijkt te zijn. Die briefjes schrijven ze “muy rapido” 's avonds achter elkaar over. Terplekke wordt gauw je naam nog ingevuld, en moet je je handtekening er onder zetten, allemaal op het zadel van een brommertje. Wat een grote flauwekul. Dat briefje slaat nergens op, het is logisch dat als je een officieel aanvraagformulier invult, je dan een visum ook daadwerkelijk aanvraagt. En die belastingzegel kan dat mens binnen toch ook verkopen? Maar nee, T.I.A. Maar goed, de mannetjes buiten hebben er een mooi handeltje aan, en wij hebben toch niets beters te doen. We gaan dus maar weer een uurtje op het bankje zitten. Als we eindelijk aan de beurt zijn, moeten we net als iedereen voor ons, plaats nemen op twee stoelen voor de tafel, recht tegenover het chagrijnige mens. Onze beide aanvraagformulieren liggen voor haar neus, en ze wil de juiste pasfoto aan het juiste formulier nieten, maar weet natuurlijk niet wat bij welke hoort. Ze vraagt simpelweg: “Wie is de man? Waarop Jan heel snugger zegt: “Ik natuurlijk!” Iedereen in het gangetje heeft zitten meeluisteren, en ze moeten allemaal hard lachen. En zelfs nu moet ook de chagrijnige vrouw mee lachen. Het ijs lijkt wat gebroken. We krijgen geen lastige vragen verder, betalen 15.000 CFA p.p. en kunnen de volgende dag zonder problemen onze paspoorten met visa ophalen.


Tankstation zoals je overal ziet in Mali. Benzine in glazen flessen en wat jerrycans diesel.
Bij de visumaanvraag voor Ghana ging het ook erg makkelijk. Vier keer hetzelfde formulier invullen en een foto er op plakken, geld aftikken en klaar. De vrouw hier is erg vriendelijk. Wel vreemd dat ze vorige week zei dat we extra moesten betalen omdat we niet in ons eigen land aanvragen, maar dat ze nu gewoon het standaard tarief, dat op het lijstje aan het loket staat, in rekening brengt. 30.000 CFA p.p. voor drie maanden, single entry. Nou mooi toch? Totdat we de volgende dag de paspoorten met de visa op komen halen. Inderdaad netjes drie maanden geldig, maar die gaan al in vanaf afgifte! En we moeten binnen een maand in Ghana zijn anders is het hele visum ongeldig! En dat terwijl we op het aanvraagformulier duidelijk de gewenste ingangsdatum hebben ingevuld. Daar doen ze dus niets op uit. Waarom vragen ze het dan? We willen nog een deel van Mali en daarna Burkina Faso bekijken, dus mooi krap met de tijd.

We vragen de vrouw of het visum herzien kan worden. Ze overlegt even met een hoge piet achter de deur, en komt dan terug. Het kan, maar dan moeten we per persoon 20.000,- CFA bij betalen. Ze legt uit dat ze dan met de pen van de 30.000,- CFA op de kwitantie in het paspoort 80.000,- CFA maakt, en dan maakt ze van de 1 een 2, zodat we twee maanden de tijd hebben om in Ghana te zijn. Wat is dit voor rare koehandel? 20.000,- CFA bijbetalen om haar met de pen wat nummertjes in ons visum te laten wijzigen? We kijken elkaar aan en denken allebei hetzelfde: “Dat kunnen we zelf ook wel, geheel gratis”. Bovendien lopen we de kans dat als zij het slordig doet, de grenswacht ons straks niet vertrouwt en wij Ghana helemaal niet meer binnenkomen. “Bedankt, maar we gaan maar weer mevrouw!” Wat een mafkezen!

We sluiten in deze dagen in Bamako ook nog een nieuwe verzekering voor de auto en de motor af. Gelijk één die drie maanden geldig is en in vrijwel alle landen van West-Afrika. We informeren bij twee grotere kantoren. Beetje te duur. Dan zien we een klein kantoortje van dezelfde maatschappij waar we zojuist bij waarschijnlijk het hoofdkantoor zijn geweest. Toch even vragen. En weer komen we in een lachwekkende Afrikaanse situatie terecht dat ons de rest van de dag bezig houdt. Het is een kantoortje met twee werkplekken, waarvan er één nu bezet is door wat de baas van het kantoortje blijkt te zijn. Net als vrouwen kunnen Afrikaanse mannen ook multitasken. Terwijl hij ons een verzekering probeert af te sluiten, bedient hij de televisie, zoekt hij naar plaatjes van Nederland op internet, eet hij een banaan, belt hij met één van zijn drie mobiele telefoons, heeft hij een gesprek met zijn dochter en weten wij wie allemaal nog meer komen binnenvallen, en wij maar wachten.

Het komt er in het kort op neer dat de beste man geen enkele sjoege had van het computerprogramma waarmee hij de polissen moest voorbereiden. Wijsneuzerig zitten we mee te kijken, en geven aan wat hij zoal moet invullen. Zo wordt de vrachtwagen voor een beetje minder vermogen ingevuld, en kiezen we onder de button “reduction” voor 35%, de hoogste optie aan korting die mogelijk is. Zo rolt er best een leuke premie voor drie maanden uit. Een half jaar blijkt in verhouding nog goedkoper, dus gaan we daar voor. De rekening kan hij zo uitprinten, maar we zeggen hem dat we op de verzekeringspapieren zelf het lagere vermogen niet vermeld willen hebben, om geen problemen met de politie te krijgen. Dan kan hij het dus niet printen, maar hij geeft de blanco papieren mee aan een vent op een scooter, om ze ergens anders met een ouderwetse typemachine te laten invullen, zoals wij dat wensen.

Ondertussen komt er een man binnen die hij blijkbaar gebeld heeft, en die geeft ons allebei een flesje koude cola. Das aardig, maar we zitten er ook al een tijdje, We hebben al een complete film en een soapserie op tv gezien. Intussen gaat hij verder met het invullen van de gegevens van de motor, dat in een ander scherm gebeurt. Ook daar snapt hij geen snars van, en we helpen hem maar weer een handje. Het blijkt dat het programma geen grotere cilinderinhoud dan 235 cc aan kan. Vul je groter in, dan is het eindbedrag telkens nul. Dat dit niet goed is snapt zelfs deze man, dus maakt hij van onze 652 cc motor een 235 cc motor. We zeggen hem dat als het dan toch niet klopt, hij er ook gelijk wel een 125 cc van kan maken. Tsja, waarom ook niet zegt de man, dus vult hij dat in. “Oh, en maak van de korting direct even het maximale.” Ook dat doet hij netjes, en er rolt weer een mooie prijs uit. We geven aan dat we op de polis die 125cc niet vermeld willen hebben, maar 652 cc, dus hij stuurt weer iemand op pad om de blanco formulieren te laten typen. Het is lang wachten, minimaal nog twee soapseries, voordat de scooterboys terug zijn met de polissen. Ze barsten van de typefouten, maar het kan er wat ons betreft mee door. Het is inmiddels al donker en we krijgen honger. We hebben nu voor de auto en de motor een verzekering. Voor wat het waard is, maar beide samen een stuk goedkoper dan bij een ander kantoor voor alleen al de Daf.

We krijgen nog een mailtje van Joop en Adrie. Joop en Adrie zijn een Nederlands stel dat al lange tijd met verschillende campers rond de wereld heeft gereisd, en nu met een mooie Daf 4x4 truck toevallig ook in Bamako zijn. Zie ook http://joopenadriewaarheen.blogspot.com/. We hebben al een tijdje e-mail contact met elkaar, en ontvangen van Joop veel goede tips. Ze staan op de camping een eindje buiten Bamako, Kangaba, en omdat we toch net al onze visa binnen hebben, en de camping op weg ligt naar Segou, waar we naartoe willen, besluiten we een nachtje bij Joop en Adrie op de camping te gaan staan. Leuk om elkaar eens live te treffen.

We kennen de truck nog toen deze in het bezit was van Hugo van www.expeditievoertuigen.nl. Een erg stoere kar. Toen zat er geen interieur in, dus we zijn benieuwd hoe het geworden is. En dat ziet er werkelijk schitterend uit. Hun wooncel is een meter langer dan de onze, en iets breder. Tevens is hun bed een stuk smaller, waardoor de overige ruimte heel ruim aandoet. Kwalitatief steekt het ook goed in elkaar. Het is gezellig met Joop en Adrie, en we wisselen veel gegevens uit, o.a. kaarten, films, boeken en coördinaten. We beschikken ineens over een bibliotheek van zo'n 2.500 boeken! Wij, die voorheen nauwelijks een boek lazen. Maar nu lezen we de ene na de andere uit. Allemaal digitaal natuurlijk, zo groot is een vrachtwagen nu ook weer niet. De tijd vliegt voorbij. We waren pas laat op de camping, en we willen de volgende dag weer verder. We hebben al iets te lang in Bamako rond gehangen. Het kriebelt om weer verder te reizen. Ook was de afgelopen week een erg dure. De dure visa natuurlijk, maar ook elke dag de overnachtingkosten, de drankjes en de etentjes. M.u.v. de doorzakavond met Willem dan, die hij zeer genereus geheel voor zijn rekening nam.


Kangaba camp heeft een leuke zithoek met bar boven het zwembad

We willen dus ook graag weer ergens wild kamperen, i.p.v. nog een nacht op een dure camping te staan. Pas om vijf uur de volgende middag rijden we de camping af, afscheid genomen van Joop en Adrie, die we wellicht nog wel een keer treffen op onze reis, en dat we hopelijk dan wat minder op hete kolen zitten.

Joop gaf ons nog te kennen dat hij veel moest betalen bij het veerpontje en toen hij protesteerde de vraag toegeschreeuwd kreeg of hij soms weer zo'n Nederlander was. Dit omdat wij een paar dagen voor hem ook al hebben zitten bakkeleien over de absurde prijs voor de pont. We bieden hiervoor onze welgemeende excuses aan Joop aan, en beloven hem dat we bij de volgende tolpost gewoon zullen zeggen dat de baas later komt met een grote witte Daf, en dat die voor ons afrekent... En verdorie, gelijk buiten Bamako is er een tolpost die lastig doet. Hij wil ons voor teveel geld aanslaan. Alle tolposten tot nu toe in Mali rekenen ons als een privé-auto en slaan 500 CFA aan, deze heer vind dat we een commerciële vrachtwagen zijn en rekent ons 1.500 CFA. Dat gaat bij ons niet zonder slag of stoot, principekwestie. Sorry Joop, als we het weer voor je verpest hebben...

Leuke wetenswaardigheid: de tolposten in Mali zijn gesponsord door de E.U.! Weet je weer waar een deel van je belastinggeld naartoe gaat. Hoort allemaal bij hulp aan de derde wereld.

We rijden die dag nog zo'n anderhalf uur tot het schemer wordt. We vinden een goede plek ergens in de bush, niet ver van Segou af.

ZONDAG 19 FEBRUARI 2012, Segou
We rijden naar Segou. Het is best een leuk stadje aan de Niger. We slenteren er wat doorheen. Het is vandaag de laatste dag van het bekende “Festival sur Niger”. Dit is een driedaags muziekfestival met verschillende vooraanstaande artiesten uit West-Afrika. Er lopen aardig wat “toubabs” rond. We kijken of we nog bekenden van The Sleeping Camel zien, de meeste zijn er vrijdag en zaterdag al naar toegegaan. We treffen geen van allen, waarschijnlijk zijn ze vanmorgen al weer verder gereden.

Het festivalterrein is eigenlijk niet eens zo heel groot. Er is een drijvend ponton op de Niger dat dienst doet als hoofdpodium, verder is er nog een klein podiumpje aan wal. Er hangen twee grote vlaggen van de hoofdsponsors. Eén van Orange, één van de grootste telecomproviders van West-Afrika en een grote vlag van: de Nederlandse ambassade! We verbazen ons er weer eens over. In plaats van trots te zijn op ons land, dat zoiets mede mogelijk maakt, zetten we onze vraagtekens erbij. Dit is gewoon een redelijk groot opgezet commercieel muziekfestival. Voor drie dagen betaalt een lokale omgerekend 16,- euro entree, een toubab 80,- euro, wat voor beide veel geld is. De optredende artiesten genieten al naam en faam. Waarom moet hier Nederlands belastinggeld naar toe? Zijn er dan geen betere doelen die ze kunnen steunen? Staat ook een beetje in contrast met het huidige beleid in Nederland zelf, waar men subsidies op cultureel vlak schrapt en het b.t.w.-tarief voor culturele evenementen en muziekfestivals van 6% naar 19% verhoogd heeft.

Zo zien we vaker dubieuze Nederlandse hulp. Langs de drukke toeristische kust in Gambia reden auto's met bewakers in uniform. Volgens het opschrift op de auto was het toeristenbewaking, gesponsord door Nederland. Ten eerste is daar helemaal geen toeristenbewaking nodig. Het is er zo veilig als wat, en er is al lokale politie. Ten tweede, laat die enorme hoeveelheid grote hotels zoiets betalen, als er behoefte aan zoiets is. En ten derde, er is daar helemaal geen behoefte aan, het is gewoon een projectje “baantje creëren”. Laat ze verdorie die troep overal gaan opruimen! Doneer ze desnoods een paar bakfietsen, verzamel die rotzooi, hang waarschuwingsbordjes ter preventie, en laat ze de rotzooi buiten de stad fietsen en daar verbranden. En dat betaald door de grote hotels en resorts, indirect door de gasten. Niet door de Nederlandse belastingbetaler of mensen die denken een donatie te doen voor het goede doel.

Oh, sorry, we dwalen weer af. Helaas zijn onze gedachten over hulp aan Afrika nog niet ten positieve veranderd, en zodra we dus weer van die vage dingen zien kunnen we er maar niet over ophouden. In Segou treffen we nog wel twee Nederlandse zusjes, die we ook in Bamako al hadden getroffen. Het ene zusje is hier voor een project waarbij ze mensen leren om op een efficiënte manier houtskool te maken. De traditionele manier is het graven van een grote kuil, het hout in de fik steken, zand er over gooien en het ongecontroleerd laten smeulen. Hierbij gaat veel houtskool verloren omdat het te ver doorbrandt. En gezien de overbevolking hier, en vrijwel iedereen die de hele dag op hout(skool) kookt en thee zet, zal het wat bos kunnen sparen als dit efficiënter gebeurt. Het idee daarop is een soort oven van klei, met inspectiegaten. Hierbij kan het proces nauwkeuriger gevolgd worden, waarbij minder houtskool verloren gaat. Het idee is best goed, maar weer zijn wij helaas sceptisch. Zolang deze hulpverleners er zijn zal het best goed gaan en vinden de dorpelingen het allemaal wel ok. Maar zodra de hulpverlening weg is, gaat het hier meestal op zijn oude gangetje voort. Zo'n oven moet eerst gemaakt worden. Dat is extra werk waar ze hier al niet zo kapot van zijn. Dan moet zoiets ook nog onderhouden worden. Het woord “onderhoud” komt in de plaatselijke vocabulaire niet voor. Dan moet het proces ook nog in de gaten worden gehouden, wat niet lukt met je ogen dicht. En mocht het in dit ene dorp wel een succes worden, dan zullen de lokalen het goede nieuws niet zelf verder verspreiden, zodat in meerdere dorpen zoiets opgepakt wordt. Daar zijn weer nieuwe hulpverleners voor nodig. Het is maar de vraag of ze het zelf aan de volgende generatie zullen doorgeven. Het is vaak ook onduidelijk of ze uitleg over iets begrijpen. Uit beleefdheid knikken ze maar ja, maar ze snappen er meestal geen jota van. Ook zullen ze uit beleefdheid niet tegen een blanke zeggen dat ze geen zin in een andere werkwijze hebben. Ze laten die toubabs hun gang maar gaan. En daarna doen ze het weer zoals ze het al vijfhonderd jaar deden.

Segou

Wij slenteren verder door Segou. Aan de overkant van de Niger is een dorpje waar allerlei aardewerk wordt gebakken, vooral grote ronde potten. Met pinasses worden deze over de Niger naar Segou geroeid. Een mooi gezicht. De pinasses (grote traditionele houten boten) zijn helemaal afgeladen met de potten, en ertussen zit ook nog allerlei volk dat graag naar de overkant wil meeliften. Op de kant doen vrouwen de was, en het ligt er vol met kleurige gewaden. Ook hebben ze mooi nette groene moestuinen langs de Niger. En er omheen barst het natuurlijk van het afval.

Segou is een behoorlijk toeristische stad. Je hebt er straatjes met meer van hetzelfde, de zogenaamde all-you-don't-need-shops. Veelal halskoordjes van nylon met goedkope Chinese plastic kraaltjes erom. Driehonderd jaar geleden werden ze door de westerse wereld verleid met kraaltjes en spiegeltjes, en nu proberen ze die prullaria weer aan ons terug te verkopen. Mocht je iets leuks willen, dan is het echt zoeken naar iets origineels. Er is ook een straatje waar veel Dogon-spullen verkocht worden. Veelal nagemaakt, maar ook wat origineel spul. Dat is echter onbetaalbaar. En misschien maar goed ook. Ze verkopen de mooie authentieke houten Dogondeurtjes, en in de Dogon zelf hangen ze er weer een paar simpele onbewerkte planken in. En das jammer.

Na een paar uurtjes in Segou te hebben rondgesjokt vertrekken we verder richting Djenné. Kort na het plaatsje Bla parkeren we in de bush voor de nacht. De omgeving tot aan Segou was niet erg interessant. Het is nog steeds sahel-landschap. Kaal, met wat lage struikjes. En zoals we het nu telkens meemaken in West-Afrika zitten de mooie dorpjes niet aan de grotere weg, maar moet je daarvoor echt de pistes en de kleine paden op. De dorpen langs de doorgaande asfaltwegen zijn vrijwel allemaal lelijke grauwe betonnen huizen met veel afval er omheen. Ook de bevolking in de kleine dorpjes van leem en stro zien er gelukkiger uit, met meestal een brede grijns op hun gezicht en zijn doorgaans ook een stuk vriendelijker. Stop je in een dorpje langs zo'n asfaltweg, dan is het al vaak dat er iemand naar je toekomt: “Hey toubab, what do you want?” Of de Franse variant daarop. In de kleine dorpjes langs de pistes gaat dat wat vriendelijker. Wel veel nieuwsgierige mensen die komen kijken als je stopt, en kinderen die van alles willen hebben, maar vrijwel altijd met een brede lach.

We vertrekken de volgende ochtend vrij vroeg. Het is maandag, en dan is er altijd een grote markt voor de imposante moskee van Djenné, en dat willen we wel graag zien. Volgens de Lying Planet is de markt nog net als honderden jaren geleden, toen de zoutkaravanen nog door Djenné trokken.

Nou, ook dat is behoorlijk door een roze bril bekeken. Die bril moet dan wel alle bussen en vrachtwagens, alle plastic zeiltjes, alle Chinese zaklantarens, 2e hands radio's, badslippers en waterschoenen wegfilteren. Voor ons is het een markt zoals vele andere in Afrika. Druk, chaotisch maar wel sfeervol en een schitterende locatie zo voor de grote moskee. Wat ons opviel is dat ze op de markt grote klemmen verkochten, iets kleiner dan een berenklem. We zijn vergeten te vragen wat ze daarmee vangen, maar zijn er wel benieuwd naar. 99% kans dat er een geit, schaap of koe in vangen, die hier allemaal los lopen.

De moskee is het grootste moddergebouw ter wereld, en staat op de lijst van Unesco. Het ding is eeuwenoud, en wordt jaarlijks na de regens weer door een team van wel 4000 vrijwilligers weer opnieuw met modder aangesmeerd. Het is inderdaad een indrukwekkend en mooi gebouw om te zien. Heel Djenné is overigens gebouwd van modder, er is geen modern huis te zien. De straten zijn niet geplaveid, overal zijn gewoon open riolen. Het is een soort vestingstadje aan de Bani rivier, met er omheen grote vlaktes. Erg mooi om te zien.

Wel wordt je er aardig lastig gevallen door zogenaamde gidsen die je de stad willen laten zien. Waarschijnlijk is het vooral nu erg, omdat er zo weinig toeristen komen vanwege het geweld in het noorden. We zijn prima in staat om zelf een rondje door de stad te lopen. We hoeven niet te weten wanneer welk huis gebouwd is, en wie er gewoond heeft. Daar klopt hier overigens ook vaak niet veel van.

Ook worden we herhaaldelijk gevraagd of we even in de moskee willen kijken. Die is net als alle moskees eigenlijk verboden voor niet-moslims en het getuigt niet van veel respect als je er dan toch in gaat. Het feit dat diezelfde moslims je voor geld het interieur wel willen laten zien en je daarvoor constant aan de kop zeuren getuigt ook niet van veel respect hunner zijds, en Allah ziet toch niets met die harmattanwind, dus Jan heeft er wel oren naar. Mariska is bang dat ze bekeerd wordt en houdt het bij de buitenkant. Ze vragen voor zo'n spoedbezoek maar liefst 5.000,- CFA, wat Jan omlaag zeurt naar 3.000,- CFA. Jan wordt door een gastje stiekem langs het bordje “verboden voor niet-moslims” geleid, en moet dan alleen de poort door naar een mannetje toe dat van een afstandje gewenkt is. Die moet hij het geld in de hand drukken dat snel uit het zicht onder de jurk verdwijnt. En dan hop met zijn tweeën naar binnen. Pet af, slippers uit. Het is donker binnen, en Jan heeft alleen zijn zonnebril bij zich. Zijn gewone bril ligt nog in de auto. Niet handig dus. Er is een kleine binnenplaats, eromheen loopt een gang wat volgens de “gids” de gebedsruimte voor de vrouwen is. Het grootste gedeelte van de moskee binnen staat helemaal vol met grote vierkante modderzuilen die de hele constructie dragen. Ertussen lopen paden van amper een meter breed. Op de vloeren geweven tapijten. Er hangen een man of drie binnen rond, die niets zeggen van Jan's aanwezigheid. Ook de binnenkant is interessant en indrukwekkend. Met een paar minuten staat Jan al weer op straat, en moet hij zelf weer een beetje ongezien het voor hem illegale poortje door.

Het is een enorme drukte op straat, vooral vanwege de markt. Van heinde en verre komen de mensen hier naar toe om hun waren te verkopen. We hadden in eerste instantie met de vrachtwagen Djenné in gewild om daar bij een auberge te gaan staan. Toen we bij het pontje over de Bani aankwamen hebben we besloten om de auto daar aan de oever te laten staan. Het is een mooi plekje, we hebben zelfs groen gras voor de deur. Het pontje is maar gemaakt voor tien ton, en de prijs om een vrachtwagen over te zetten was te hoog. We hebben dus de motor gepakt om Djenné in te gaan, en dat is maar goed ook. We hebben de lui van de pont nog gevraagd of we Djenné wel in konden met de vrachtwagen, en ja hoor, dat zou geen probleem zijn. Nou, echt wel. Met de vrachtwagen hadden we bij het eerste straatje al vast gestaan, op marktdag. Blij dat we de motor genomen hebben. Redelijk bijtijds pakken we het pontje weer terug naar de Daf. Mariska is niet zo goed te pas. Vroeg naar bed dus.

De volgende dag gaan we weer Djenné in. Het is er nu een stuk rustiger, en om een paar mooie foto's te maken van moskee is dat handiger. Helaas is het weer aardig nevelig vanwege de harmattan. We lopen weer wat rond door het stadje, waarbij je op moet passen dat je niet ergens in het open riool stapt. Het stinkt hier en daar ook behoorlijk. We zien een ezel staan met een grote rottende wond aan zijn poot. We zeggen tegen de mensen dat ze daar wat aan moeten doen, en we vragen of er een veearts is in het dorp. Anders is er grote kans dat het beest er aan onderdoor gaat. Ze staan alleen wat dom te lachen, het interesseert hen niets. We lopen verder en worden vergezeld door twee meisjes van een jaar of tien. De ene heeft ook behoorlijke open wonden aan haar enkels. Diep, en het ziet er niet fris uit. Die waren niet van gister... Met die open riolen en al die troep op straat heb je daarmee ook zo een flinke ontsteking te pakken. De wonden lijken niet behandeld, ze moet van haar ouders halskettinkjes verkopen op straat. Als ze hun kinderen al niet behandelen, dan kun je het bij een ezel wel helemaal vergeten.

Niet ver van Djenné af moet nog een dorpje liggen met een mooie moddermoskee. We rijden een paar gravelpaden af, maar kunnen het dorpje niet vinden. Mariska is nog steeds niet helemaal goed te pas en wil graag naar de Daf. Jan zet haar af bij het pontje en rijdt zelf nog wat in de omgeving rond. Mooie paadjes, kleine dorpjes, maar verder geen mooie moskee gezien. Op de terugweg drinkt hij nog even een colaatje bij auberge “Chez Baba”. Hij maakt er kennis met Mart (http://md2w.reismee.nl) die in zijn eentje op de fiets onderweg is in Afrika. Knap werk bij deze temperaturen en het idiote rijgedrag van de Afrikanen. Ook maakt Jan kennis met Shelly en Luke, een Australisch/Engels stel van onze leeftijd dat in een jaar een rondje Afrika wil rijden met hun fraaie en stoere Landrover. Zie www.afrikerr.co.uk.

De grote moddermoskee van Djenné

De volgende ochtend om tien uur, wij zijn nog maar net wakker, staan Shelly en Luke bij ons voor de deur. Ze zijn net met het pontje over gekomen en rijden verder naar Burkina Faso. Dogonland zijn ze al geweest. Ze zijn benieuwd naar onze auto, en we kletsen er op de vroege ochtend met elkaar wat af. Shelly komt uit Australië, een dorpje valk in de buurt waar Mariska ook ongeveer een jaar gewoond heeft. Erg leuke lui, en we spreken af om contact te houden via e-mail.

Shelly en Luke zijn nog maar net weer weg, of er komen een stuk of vijf/zes Toyota Landcruisers met het pontje onze kant op. Ze stoppen bij ons voor de deur. Het blijkt een Malinees/Amerikaanse professor/documentairemaker van het Carlton College uit Minnesota, USA, te zijn die samen met een groep studenten een studiereis maakt langs de sporen van een Malinees boek dat ze bestuderen. Er is een professionele cameraman mee om de reis vast te leggen. Ze zijn geïnteresseerd wat wij zoal doen, en de cameraman loopt met een kanon van een camera om onze auto te filmen, en neemt ook ons hele gesprek op. Dat zal een mooi filmpje worden. Wij net uit bed, haren niet gekamd, een baard van een week, slobberbroek aan, blote voeten.

De documentairemaker heet Cheik M. Cherif Keita, en is een neef van de beroemde muzikant Keita, die afgelopen zaterdag nog heeft opgetreden op het Festival sur Niger in Segou.Ook Cheik Keita heeft schijnbaar al wat interessante documentaires gemaakt, waarvan er ook één op het filmfestival van Cannes gedraaid heeft. Het is een aardige vent, verteld over zijn werk en de studenten en geeft ons wat leesvoer over zijn werk mee. De cameraman is geïnteresseerd in de vrachtauto en beloofd Jan per e-mail wat tips te geven over het bewerken van filmmateriaal. Als de karavaan weer vertrokken is wordt het voor ons ook tijd om wat te eten en gauw op pad te gaan, anders komt het er vandaag niet meer van.

Er komen nog weer wat kinderen langs die zeuren om onze “poubelle”, ons afval. Ze wijzen daarbij op onze afvalbak die tegen de binnenkant van de openstaande deur hangt. Ze herkennen dus duidelijk wel een afvalbak, en weten ook wel waar die voor dient. Waarom gebruiken ze zelf dan geen afvalbak maar gooien ze alle plastic zo overal van zich af? Ons afval krijgen ze uiteraard niet. Dat gaan ze anders hier voor de deur helemaal uit elkaar trekken op zoek naar iets bruikbaars, en dan ligt de troep nog overal. Als we afval weg gooien, op een daarvoor bestemde plek, dan zie je vaak ook direct volwassenen of kinderen er naar toe gaan en er in snuffelen.

We verlaten ons mooie plekje aan de Bani rivier en rijden verder richting Dogon. We nemen de piste richting Bankass en komen tussen een mooi stukje rotskloof door. Daarna splitst de weg zich en nemen wij de afslag naar links, die niet op onze gps of op onze kaart staat, maar naar onze verwachting een binnendoorweg naar Bandiagara is, vanwaar we naar de Dogon kunnen. Langs dit pad is het rustig. We komen geen enkel ander verkeer tegen, geen dorpjes, alleen natuur. Dat zijn dan wel het meest kale bosjes op een afwisselend rotsig en zanderige ondergrond. We overnachten hier langs dit pad, en ook 's avonds of 's nachts horen of zien we niets. Heerlijk!

's Morgens vroeg komt er toch uit het niets een man aan gelopen. Waarschijnlijk hebben ze hier ook van die luikjes in de grond waar ze zo uitkomen. Natuurlijk vraagt hij of we een kado voor hem hebben. Nee, dat hebben we niet, maar we geven hem wat kokos- en volkorenkoekjes. Oprecht blij bedankt hij ons enthousiast en vervolgt zijn weg.

Wij vervolgen ons binnendoorweggetje. Het pad is op stukken best ruw en smal, slingerend omhoog tussen boompjes, struiken en rotsblokken door. Het is dus inderdaad een binnendoorweg, maar of het op deze manier ook sneller is betwijfelen we. Helemaal als we uiteindelijk op de weg naar Bandiagara komen, wat gewoon een asfaltweg is. In no time zijn we dan ook in Bandiagara, waar we wat inkopen doen. We worden links en rechts bestormd door jonge mannen die allemaal onze gids willen zijn in Dogon. Maar weer hebben we besloten om zonder gids te gaan. We houden teveel van onze privacy, en we willen ook langer dan één of twee dagen gaan. We hebben natuurlijk geen behoefte aan een gids die knus tussen ons in komt liggen slapen. Ook lazen we dat gidsen best prijzig zijn. Een gemiddeld dagloon in Mali is zo'n 4.000,- CFA. Een gids in Dogon kost tussen de 20.000,- en 30.000 CFA per persoon per dag. Voor ons beiden dus maar zo tussen de 60,- en 90,- euro per dag. En dan moet je hem ook nog van eten voorzien. Daarbij komen nog je overnachtingen en het eten in de auberges, waar de gids je heen brengt. Voor de taxi van Bandiagara naar de rand van de "falaise" (rotsplateau) vragen ze ook nog even 15.000,- CFA. Wil je een maskerceremonie zien, die uitsluitend even voor de toeristen wordt opgevoerd, (voor henzelf, de werkelijke traditie, doen ze dat maar eens in de ongeveer zestig jaar, en dan mogen er geen vrouwen of bezoekers bij zijn) dan kost je dat, afhankelijk van het dorp, ook nog eens tussen de 40.000,- en 70.000 CFA! Voor een dag of drie met twee personen kost je dat dus maar zo ergens tussen de 250,- en 350,- euro! Nu ligt het toerisme hier op zijn gat, maar in toptijden moet er toch veel geld verdiend zijn. Elke Dogonchief moet haast een Porsche Cayenne in zijn leemhut hebben staan!

Wel moet zo'n trektocht door Dogon beslist de moeite waard zijn, lopen en klimmend langs de rotswand. Maar ook daar zit een minder leuke zijde aan. Het is vroeg op om een stuk te lopen, dan een uur of vijf rondhangen bij een auberge vanwege de hitte, en dan weer tegen de avond een paar uur lopen, om op een dun matrasje op een dak van een auberge te overnachten. Wij nemen hotel Daf wel mee, en doen Dogon gemotoriseerd. Minder romantisch misschien, maar alle tijd aan ons zelf, en de mogelijkheid om de hele rotswand langs te tuffen, en meer dorpjes te zien. Lopend zie je slechts een paar dorpjes.


Het pad door de "rivierbedding" langs de Dogon rotswand

Het is in Bandiagara weer even zoeken naar brood. Eerst bij een stuk of tien winkeltjes vragen, die je telkens van het kastje in het riet sturen. Dan komen we ergens bij iemand achterthuis terecht die een kleioven heeft en nog wat verse langwerpige tapalapa's heeft liggen. We slaan er vijftien in en rijden verder via een goede piste naar de rand van de “escarpment”. We staan dus op het rotsplateau en hebben een schitterend uitzicht over de vallei voor ons, dat zo'n 200 meter lager ligt. Vanaf hier veranderd de piste in een wat smaller weggetje dat met een paar slingers naar beneden duikelt. We zien borden staan met “maximaal 10 ton” en hellingspercentages tot 16%. We besluiten eerst maar een stukje te lopen om te kijken of het met de Daf wel mogelijk is. Nou, met die percentages bedoelden ze waarschijnlijk de hoeveelheid alcohol in hun drank toen ze de weg aanlegden. Het is naar schatting maximaal een keer 6% en overal breed genoeg. Ook zien we een mooi stukje halverwege waar we er even met de Daf vanaf kunnen voor de lunch. De rest van het pad heeft namelijk een muurtje van een centimeter of dertig aan beide zijden, of de weg ligt op een soort dijkje van een halve meter hoog.

We staan met de Daf op een schitterende plek aan de rand van de “falaise” met uitzicht over de vlakke Dogonvallei. Helaas wel weer wat troebel vanwege de harmattan, maar toch prachtig. Na de lunch twijfelen we nog even of we hier niet voor de nacht zullen blijven staan, maar we vervolgen toch de mooie route verder de Dogonvallei in. Onderaan komen we bij een politiepost. De weg is, zoals meestal bij de politieposten hier, gebarricadeerd met drie lege oliedrums. De agent vraagt waar we naar toe gaan, “Teli” is het antwoord. Het eerst dorpje op de route. Hij wil onze paspoortgegevens. We geven hem een fiche met al onze gegevens zoals we die ook veelvuldig in Mauritanië hebben gebruikt. Dat vind hij helemaal ok. Wel vraagt hij nog waar onze gids is. We zeggen dat we geen gids hebben. Hij kijkt wat bedenkelijk. Vrijwel iedere toubab komt hier met een gids. Maar hij laat ons gelukkig toch door. We slaan linksaf een zandpad in richting Teli.Het pad is één voertuig breed en loopt kort langs de voet van de rotswand langs allerlei Dogondorpjes.

Naast het pad akkers waar op dit moment niets op groeit, en af en toe wat bomen. Die af en toe bomen staan dan ook af en toe direct langs de weg, waardoor het dan even manoeuvreren is om er langs te komen. Soms iets over de lege akkers, maar vaak is dit niet mogelijk omdat de weg op veel stukken tot een halve meter lager ligt dan de akkers ernaast. De torsievrijheid van de Daf wordt af en toe weer flink op de proef gesteld, met schuine richels waarachter dan weer een diepe geul ligt. Op sommige stukken is het zand echt mul en we laten de banden iets af tot zo'n 4 bar.

Maar het gaat allemaal prima en we genieten van de mooie omgeving en de adembenemende dorpjes met hun bouwsels op de meest onmogelijke plaatsen in de rotswand. Die bouwsels zijn gemaakt door de Telem, een volk dat voor het Dogon volk de vallei bewoonde. Op deze manier konden vijanden hen niet bereiken, en het is ook werkelijk een raadsel hoe ze sommige bouwsel, die soms best groot zijn, hebben kunnen maken. Dat hebben ze hangend aan touwen tegen de rotswand moeten doen. En op sommige plekken is de steile rotswand 500 meter hoog. De Dogon zijn naar de vallei getrokken om te ontsnappen aan de moslims, en vestigden zich in dorpjes direct aan de voet van de rotswand. Toen de Dogon zijn begonnen met het omhakken van de bomen voor landbouwgrond, zijn de Telem weer vertrokken. Veel van de gebouwen in de rotsen beschouwen de Dogon als heilig en worden gebruikt voor ceremonies en voor het herbergen van doden. Deze stukken zijn niet toegankelijk voor bezoekers. Helaas is het de Dogon niet gelukt om hun eigen geloof en traditie geheel te handhaven. De dorpjes bevatten nu ook kleine moskeen en kerken.

We stoppen vaak om de boel wat beter te bekijken en om foto's te nemen. Doordat het dorpje aan dorpje is, is het lastig om een rustige overnachtingsplek te vinden. Langs de rotswand is de vallei vlak, ongeveer een kilometer breed parallel aan de wand, vol met akkers. Dan loopt er parallel aan de akkers een duinenrij met mul zand, variërend in hoogte. We willen voor de nacht de duinen in rijden om daar rustig te kunnen staan. Er loopt een soort van zijpad in. We nemen het pad, maar het wordt aardig steil en we graven ons vast in het mulle zand. Er is niemand om ons heen en het eerste dorp is een kleine kilometer van ons vandaan. We stappen uit om de banden verder af te laten. In de verte zien we een zwarte menigte op ons af komen rennen. Mijn hemel, hoeveel kinderen produceren die Afrikaanse dames hier?

We proberen vlug nog weer verder te kunnen rijden maar het lukt niet. We hebben geen zin om de bandenspanning erg ver af te laten alleen voor één overnachting, dus we zetten hem in de achteruit. Vanwege zwaartekracht kom je op zo'n steil zandduin altijd zo weer los. Nog net voor de menigte kinderen ons bereikt rijden we alweer de andere kant op, tussen de akkers door. Een eindje verderop is er een heuvelig stuk zonder akkers. We parkeren daar de Daf, maar we zien nog net de daken van de huisjes van het dorpje in de verte. Hopelijk laten ze ons met rust. Het gaat goed. Er komen vier knaapjes langs, die even een tijdje blijven loeren, maar niet vervelend zijn. We schenken er geen aandacht aan. Lezen wat in een boekje, en genieten van het uitzicht op de rotswand.

We rijden de dag erop verder langs de falaise. Het pad is goed te doen, maar af en toe, vooral bij de dorpjes wordt het smal. Hutjes, stenen, geulen en bomen zorgen ervoor dat we soms tussen de akkers door er omheen moeten rijden.

Bij Dourou/Yawa hebben we een stuk gelopen. Op dat punt gaat er een smal weggetje, verhard met beton, tussen de falaise door omhoog, tot bovenop het rotsplateau. Het is een mooie wandeling en geeft een schitterend uitzicht over de vallei en de prachtige roze zandduinen. De duinen zijn hier best hoog. Via die duinen rijden we verder richting het volgende dorpje, Nombori. Ook hier zijn de duinen flink hoog en roze-oranje. Behalve één, die is opvallend wit. Het dorpje wordt aan de ene kant ingesloten door de rotswand, en aan de andere kant door de hoge duinen, die hier dichter op de rotswand liggen, en net naast het dorp de rotswand zelfs raken. We hebben bovenaf van de duinen een prachtig uitzicht.

Met de Daf rijden we duinen af naar beneden. Met slechts twee bar in de banden lukt dit goed en zo bereiken we het dorpje Nombori, dat in onze reisgids staat aangegeven als één van de mooiste Dogondorpjes. Alleen al vanwege zijn ligging, zo ingesloten tussen rots en zandduinen, zal dat best kunnen. Aan de rand van het dorpje zijn twee grote groene stukken waar water vloeit en groenten worden geteeld. We hebben de Daf nog niet uitgezet of we worden belaagd door zo'n 40 kinderen en wat jongemannen die onze gids willen zijn. Zonder gids mag je zo'n dorpje niet in. We kiezen er één uit, een aardige vent van een jaar of twintig. Nadat de prijs is afgesproken, (2.000 CFA toeristtax, en 2.000 CFA voor de gids) neemt hij ons mee het dorp in, en hebben we van de rest van de wannabee gidsen en kinderen geen last meer.

Hij laat ons veel van het dorp zien en legt ons van alles uit waar we het meeste al weer van vergeten zijn. We zien wat van het dagelijkse leven van de Dogon, die op het eerste gezicht niet echt afwijkt van dat van andere Malinezen op het platte land. Wat echt afwijkt is de architectuur. Typische hutjes uit natuursteen en leem. Hij laat ons de karakteristieke voorraadhuisjes met mooie bewerkte deurtjes zien waar het graan in wordt bewaart. Iets hoger op de rots bij de eerste volgebouwde richel zien we hutjes waarin jongens in de pubertijd met elkaar een maand opgesloten zitten. Als ze eruit komen zijn ze een volwaardig man.

Wat ook mooie en grappige bouwsels om te zien zijn, zijn de zogenaamde “togu-na”. Dit zijn lage afdaken op meestal negen vaak mooi versierde palen met een dik dak van takken en gras. Het dient als een ontmoetingsplek voor de oudere mannen, die de “problemen” in het dorp bespreken. Het dak is speciaal zo laag, zodat wanneer de gemoederen hoog oplopen tussen de mannen en iemand boos opstaat om een ander op zijn donder te geven, hij direct zijn hoofd hard stoot tegen het dak.

Onze moslimgids laat ons nog de plaatselijke kerk zien. Het is gebouwd uit natuursteen met een metalen golfplaten dak. Binnen een rij rechte betonnen banken, een altaar met Mariabeeld en een boel trommels. Hij verteld dat de meeste mensen in het dorp moslim zijn, maar dat er ook protestanten, katholieken en animisten wonen. Tussen de religies zijn er geen problemen. Prachtig.


Nombori, oude bouwsels direct aan de falaise

Als we de kerk uitwillen komt er een mannetje met een ingewikkeld verhaal dat we niet helemaal begrijpen. Iets over dynamiet en dat we beter even binnen kunnen blijven. Vanuit de deuropening van de kerk kijken we wat er aan de hand is. Ze proberen nieuwe bouwstenen te maken door met dynamiet een stuk rots naast de kerk op te blazen. Er volgen een stuk of vijf doffe klappen die meer weg hebben van sloffe rotjes dan van dynamiet. Er vliegt een hoop stof in de lucht en wat kleine stenen. Als de lucht geklaard is en het sein veilig is gegeven, bekijken we het resultaat. Het valt ons tegen, en aan de gezichten van de mannen zien we dat zij er net zo over denken. Jan vraagt waarom ze de stenen van de vervallen huizen, waar er veel van zijn, niet hergebruiken. Er zit geen cement tussen, alleen wat leem en het meeste is al in elkaar gedonderd. Volgens de mannen is dat teveel werk. We snappen er weer niets van. Dat ligt zo voor het oprapen, en kost geen dynamiet. Weer een onbegrijpelijk Afrikaans verhaal.

We reken af met de gids. Normaal gesproken is het hier de gewoonte om ook nog colanoten te schenken aan het stamhoofd, of dorpsoudste. Die is er nu niet, en dat is maar goed ook, want wij zijn vergeten colanoten te halen. Hier is dat een lekkernij en in ieder dorp kun je ze wel krijgen. Wij vinden er zelf niet zoveel aan. Het is een gummi-achtige roze noot, en hij bevat veel caffeïne. Ergens in 1800 was er een Amerikaan die colanoten en cocabladeren nam, daar een aftreksel van maakte, er veel suiker door deed, en zo ontstond Coca-Cola. Over de beroemdste merknaam ter wereld is dus niet zo heel lang nagedacht.


Typische bouwstijl van de Dogon (Nombori)

Nu moeten we met de Daf nog weer uit dit ingesloten gedeelte weg zien te komen. We vragen de gids wat de beste route is. Kleine auto's kunnen langs de droge rivierbedding rijden onderlangs de rotsrand, grote auto's moeten over het duin. En hij wijst ons het pad aan dat we dan moeten volgen. Slik, dat zijn echt wel hoge duinen met mul zand, en het “pad” loopt vrij steil. We proberen het en komen tot bijna bovenaan en dan graven de wielen zich weer in. Stukje achteruit en opnieuw proberen. Weer niet. Wat nu? We gaan het hele stuk achteruit terug en proberen het pad voor kleine auto's. Poeh, dat valt ook niet mee. Het eerste stuk gaat goed. Wel een paar diepe richels, maar in de lage gearing trekt Daffie ons er wel door. Dan wordt het steeds smaller en ook behoorlijk schuin in onze lengterichting, met naast ons 1,5 meter dieper de droge rivierbedding. In zoiets hebben we al op de zijkant gelegen, en dat willen we niet weer meemaken.

Het wordt dus lastig om uit dit ingesloten stuk weg te komen. Wat zijn de opties? Sjouwend in deze hitte met zandplaten de laatste 50 meter zandduin over zien te komen? We herinneren ons dat vanaf het zandduin vanwaar we naar beneden zijn gekomen er ook wat sporen rechtuit liepen verder de zandduinen in. We proberen via dit duin weer terug te komen. Ook dit traject is vrij steil, en er zit een bocht in, die de snelheid eruit haalt. Direct na de bocht trekt de Daf het niet meer. Opnieuw optrekken vanuit een lagere versnelling lukt ook niet, dan graaft hij zich weer in. In de achteruit dus, en het hele stuk in een versnelling lager proberen. Dat gaat, we komen over het hoge duin. Bovenop het duin ploffen we de wagen neer en gaan we eerst uitgebreid lunchen, met wederom een prachtig uitzicht.

En daarna kachelen we eerst weer een stuk door de zandduinen terug op zoek naar de sporen die verder de Dogon in leiden. Die vinden we en we rijden een mooi stuk over mul zand, slingerend tussen de duinen door. Daarna rijden we weer de duinen omlaag vlak langs de falaise, tot het dorp Ireli. We gaan een flink eind van het dorp afstaan voor de nacht, hopend dat de bevolking ons met rust laat. We gaan binnen zitten en na een half uurtje staan er al zo'n 25 kinderen voor de deur. Ze schreeuwen niet, maar staren alleen. Ze kunnen ons ook niet zien, en wij houden ons rustig. Als de schemering valt gaan ze er vandoor.

's Morgens nog voor we wakker zijn verzamelen zich alweer een aantal mannen en kinderen voor de deur. Sommigen komen zelfs met de brommer en stallen op lakens hun souvenirs uit, vlak voor onze trap. Daar hebben we geen zin in en we doen langzaam over ons ontbijt. Er komt ook nog een man met een jachtgeweer bij staan. Is jagen ook een Dogontraditie? We hebben gisteren en afgelopen nacht wel een paar schoten gehoord, maar we vragen ons af waar ze op jagen. Wij zien hier nergens wild. Het kan ook zijn dat ze voor hun fetish roofvogels uit de lucht schieten. Wij weten het niet.

Tegen de tijd dat wij eindelijk het ontbijt op hebben is iedereen al weer verdwenen. We rijden verder tot Ibi. De weg wordt nu telkens wel heel erg smal voor de vrachtwagen. We vinden het ook wel goed zo. We hebben nu zo'n vijftig kilometer langs de rotswand gereden. Vanaf hier is de falaise niet meer één hoge doorlopende rotswand, maar meerdere afgeronde heuveltjes. Als we hier nog een stukje verder noord rijden zijn we Dogon uit en komen we bij Douentza, en echt veilig is het daar misschien nu niet. We laten de vrachtwagen staan en pakken de motor. We willen kijken of we vanaf hier bij het dorpje Arou kunnen komen, dat op of tegen de falaise ligt. In Arou schijnt de hoogste “baas” van de Dogon te wonen, en er moet een indrukwekkende tempel zijn. We rijden een stukje en vragen een paar keer naar de route, maar het blijkt dat je er vanaf hier alleen lopend kunt komen. Dat is drie uur omhoog klimmen in de hitte. Hmmm, laat maar even.

We rijden terug naar Ibi, vanwaar er een weg omhoog de falaise opgaat, naar Sanga. Het is een slecht en erg ruw pad met veel dikke losse keien. Ook behoorlijk steil, een bordje van 16% of meer zouden we hier zeker wel geloven, maar nu staat er niets. Mariska houdt zich goed vast achterop en zo scheuren we met de motor omhoog. Weer hebben we een ontzettend mooi uitzicht vanaf het plateau over de vallei. Ook weer veel mooie gebouwtjes in de rotswand. Na een tijdje van het uitzicht genoten te hebben rijden we het paadje weer terug tot ongeveer halverwege, waar een soort afslag is. We vermoeden dat dit pad bij Arou uitkomt en rijden er in. Dat is echt een mooi bergpad, zo over de rotsen. Het traject is met kleine keien afgebakend zodat je weet waar je heen moet. We rijden er een heel eind in, tot we bij een soort dwarskloof komen. Ook weer een mooie kleine vallei met wat akkertjes. We zien geen mensen. In de verte zien we het pad met een hele grote boog om de vallei heen verder lopen. We vinden dat het gehobbel weer genoeg is geweest en laten Arou voor wat het is. Weer terug bij de Daf zet Jan onder nieuwsgierige blikken van het halve dorp de motor weer achterin de garage.

We rijden weer een stukje terug om een pad door de duinen te vinden dat uiteindelijk bij de plaats Koro uit moet komen, vanwaar we de grens met Burkina Faso over gaan. In een Dogondorpje vlak voor Ibi halen we water bij de tank. Ook dit is weer een heel dorpsfeest. Als dit klaar is vraagt een man of we bij hem in de auberge nog wat willen drinken en zijn souvenirshopje willen bekijken. Onder de voorwaarde dat we dan niet weer toeristentax hoeven te betalen doen we dit, en we genieten vanaf zijn mooie dakterras van een koude cola en een mooi uitzicht. Het is een gezellige auberge, nu zonder gasten. Het souvenirwinkeltje heeft mooie maskers en ander houtsnijwerk. De man van de auberge legt ons de betekenis van de figuren op de typische Dogondeurtjes uit. Daar zit nog meer achter dan je denkt, en het ontbreekt de mensen hier duidelijk niet aan fantasie.

Nabij Ibi ook vele oude, niet meer gebruikte woningen in de rostwand van Telem en Dogon.

Na verschillende paden geprobeerd te hebben komen we eindelijk uit op het goed pad. Hier zijn bijna geen zandduinen meer, maar is het een wirwar van zandpaden en bomen. We zijn dat gezoek en gedraai om de bomen en gehobbel over de lege akkers al wel aardig zat. Eindelijk bereiken we een grote vlakte waar we over het zandpad een beetje door kunnen rijden. Op deze vlakte zetten we kamp op, met een grote leegte om ons heen en wazig in de verte de steile rotswand van Dogonland nog net zichtbaar. We zitten nog tot laat buiten en genieten van het uitzicht. Dogonland was echt schitterend en hadden we niet willen missen.

Na het ontbijt hobbelen we weer verder over een wirwar van zandpaden. Soms staat er een dun lijntje op onze navi, maar die houdt dan ineens weer op. Meestal kiezen we het pad dat ons het meest geschikt, meest bereden en in ieder geval in de richting van Koro leidt. Vaak komen we dwars door dorpjes, waar het soms zo smal wordt dat we over de lege akkers eromheen moeten. De mensen lijken hier nog primitiever te leven dan in Dogon, en toeristen zien ze ook nauwelijks. In Dogon rennen de kinderen achter je aan, hier rennen ze hard weg als ze de truck aan zien komen, en kijken ons voorzichtig na vanachter muurtjes. De dorpjes bestaan uit lemen hutjes met strooien daken. Stroom hebben ze niet, en water wordt met emmers uit ruim vijftig meter diepe putten gehaald. Hiervoor hebben ze een flinke emmer met een lang touw aan een ezel of een dromedaris geknoopt, die ze flink de sporen geven als de emmer onder water is, om zo het water de lange weg naar boven te takelen. Auto's zie je hier niet, heel af en toe en brommer.

Uiteindelijk gaat het goed en komen we in Koro aan. Hier pompen we de banden wat verder op en doen we wat inkopen. Onder andere voor 2.000,- CFA internettegoed, dat er binnen een half uur door is, en we hebben alleen een paar textmailtjes binnen kunnen halen. Oplichters!

Ook laten we in Koro bij de douane onze Carnets afstempelen. Dit gaat zonder problemen. Ze bekijken de auto of de motor niet eens, en vragen ook geen geld. We bedanken de man voor de gastvrijheid in Mali en zeggen dat het een prachtig land is en dat we erg hebben genoten. Hij straalt het uit en geeft ons lachend de hand en wenst ons verder een goede reis. Super vriendelijk.

Een stukje buiten Koro parkeren we net van de weg af achter een vier meter hoge haag van vetplanten, voor de laatste nacht in Mali. En dat is jammer, we hadden hier nog wel veel meer willen bekijken, maar die %$#@-terroristen met hun prehistorische idealen maken het hier onmogelijk. Ook erg jammer voor de mensen hier die veel inkomsten uit het toerisme haalden.

MAANDAG 27 FEBRUARI 2012, laatste uurtjes Mali
Het uitstempelen uit Mali is een eitje. We naderen de slagboom aan de grens, die zoals overal hier, bestaat uit drie oude oliedrums met daar overheen een grote tak. We willen de auto op de verhoogde weg laten staan, maar de mannen gebaren dat we er vanaf moeten en de auto vlak voor hun gebouwtje moeten parkeren. Shit, we hebben liever dat de auto wat verder weg staat, dan zijn ze misschien te lui om te controleren. Maar ze controleren helemaal niets. Ze zijn supervriendelijk en stempelen netjes onze vertrekstempels in het paspoort. We moeten nog 500,- CFA voor één of ander districtsbelasting betalen, waar netjes een bonnetje van is, en dat was het.

 

Burkina Faso