ZATERDAG 11 AUGUSTUS, Abomey

Na het bezoeken van de nodige hokjes aan de grens zijn we zijn dus in Benin aangekomen.

 

We reden door tot de stad Abomey, bekend om zijn koningspaleizen. Het is zoeken naar een geschikte plek om te overnachten, en het loopt al tegen schemer. Vlakbij een militaire oefenbaan vinden we een plek, mooi op een veldje tussen de bomen. Links en rechts zagen we wel bordjes privé, maar we gokken het er op. Het lijkt er zelfs op dat het stukje waar wij staan niet tot die privégrond behoort. Er loopt een pad door waar Jan en alleman langs loopt.

 

De volgende ochtend wordt er al vroeg op de deur geklopt. Ons te vroeg, we reageren er niet op. Een tijdje later stoppen er auto's en brommers en wordt er hard op de deur geklopt en geschreeuwd. Laten we dan maar eens gaan kijken wat de drukte is. Jan doet alleen de bovendeur open en wordt flink toegeschreeuwd. We staan op privégrond en of we soms blind zijn dat we de bordjes niet hebben gezien. Blind misschien, maar toch zeker niet doof, wat een herrie. Ze willen ons tien minuten geven om op te donderen. Jan zegt dat de man, mooi gekleed in een gewaad, niet zo moet schreeuwen, hij doet alsof de wereld aan het vergaan is. De man antwoord met: “Weet je wel wie ik ben?” “Al was je de president zelf” antwoordt Jan, “Je hoeft ons niet zo af te blaffen”. Er staat een agent of militair met groot machinepistool bij. Hij kan, net als de enorme schreeuwer, Engels, en probeert de boel een beetje te sussen. Jan laat zien dat langs het pad waar over wij zijn gekomen naar dit veldje de borden met privé niet zichtbaar zijn. Dat is alleen zichtbaar als je het hoofdpad verder rechtdoor rijdt. De schreeuwer heeft daar niets mee te maken. “Opdonderen” buldert hij.

 

 

Abomey Police Station
Hét politiebureau in Abomey
De agent of militair, daar zijn we nog niet achter, zegt dat de schreeuwende man de hoofdcommissaris van politie is, en dat we op zijn grond staan. Oeps, dat is natuurlijk niet zo handig in een land als dit, waar iedereen met een pet denkt dat ie veel meer is dan een ander. Mariska is al bezig binnen de boel op te ruimen zodat we kunnen vertrekken, maar dat duurt natuurlijk even. Ook moeten we eerst nog even lucht draaien. De schreeuwlelijk en de agent begrijpen dat niet en worden woest dat we niet wegrijden. Jan legt meermalen uit dat dat zo direct niet kan, maar ze snappen het niet. Ze worden alsmaar bozer en sommeren ons mee te gaan naar het bureau.

De agentmilitair wil persé bij ons instappen om mee te rijden. Wij zeggen dat dat niet kan, hij moet maar gaan lopen of mee in de Mercedes van zijn hoge baas. We rijden er heus niet vandoor. Ook dat vergt weer een hele discussie. Ze willen onze passen. We geven een kopie. Ze willen de echte. Die krijg je pas op het bureau, zeggen we. Dan willen ze ons Carnet de Passage zien. Mariska laat het zien, de agent wil hem pakken, maar Mariska laat niet los. Waarop de agent natuurlijk weer boos wordt. Hij zegt dat we geen respect hebben. Ja, dat is ook moeilijk met zulke schreeuwidioten waar niet mee te praten valt. En als je officiële papieren afgeeft hebben ze je helemaal in de tang.

 

 

Met veel geouwehoer kunnen we dus gewoon achter de Mercedes aanrijden naar het bureau, zonder agent in de auto. Bij het bureau legt Jan de dienstdoende agent uit waarom we geen officiële papieren afgeven. Hij is erg verontwaardigd te horen dat Afrikaanse agenten de papieren niet teruggeven zonder daarvoor eerst idiote bedragen te eisen. Het is best een aardige rustige vent. Hij zegt nogmaals voor onze eigen bestwil, dat we rustig moeten doen naar de grote baas toe, die dus nu de aanklager is. Maar eigenlijk zijn we de hele tijd al rustig, hij is de driftkikker. Maar gek genoeg is hij nu wat bedaard. Het is weer eens een armoeiige bedoening op het politiebureau. We worden in een van de vele ruimte binnen geleid. Er staat een houten tafeltje met bankje. Op de grond een vieze matras, en in een hoek, hoe kan het ook anders, staat een televisie aan. Aan het plafond brandt een TL-buis, waarvan de draden los in een stopcontact zijn geprutst. Op de tafel een groot boek. In onze passen bestuderen ze al onze visa. Ze willen kopieën maken van de ID-pagina en de stempels van Benin. En zoals ook altijd hebben ze dus wel een televisie, maar geen kopieerapparaat. Er wordt gevraagd voor geld om bij de copyshop om de hoek kopieën te maken. Van ons krijgen ze geen cent, ook al gaat het om dubbeltjes. Zij willen kopieën, wij  niet. Ze gaan met de pet rond onder de andere aanwezigen, en een ander hogere agent geeft wel wat. Wat een idiote vertoning weer. Meneer de politiechef rijdt Mercedes en heeft hectares met grond. Een TV vinden ze bij de politie belangrijker dan een kopieerapparaat. En daar moeten wij dan respect voor op zien te brengen. Wat een clowns.

De man komt terug met de kopieën, er wordt een flink verhaal van het gebeurde in het dikke boek geschreven. Na zo'n anderhalf uur is alles klaar en... kunnen we gaan. We snappen er niets van. Er wordt geen boete gegevens wegens parkeren op privé grond. Ze geven onze papieren terug en wensen ons prettige reis. Waar was dit nu allemaal om te doen? We rijden naar het centrum en parkeren daar de auto om eerst maar eens te ontbijten, wat dat was er bij ingeschoten.

Dan naar het Museé Historique, waar we een rondleiding krijgen door twee “paleizen” van de Fon stam. Vroeger hadden die een rieten dak, tegenwoordig van golfplaat. Het zijn sowieso geen paleizen zoals je daar in je hoofd een voorstelling van maakt. De ruime terreinen waar de gebouwen op staan zijn nogal rommelig. De gebouwen opgetrokken uit leem en zandsteen eenvoudig. Het interessantste aan de gebouwen en de reden waarom ze op de werelderfgoedlijst van Unesco staan zijn de, vrij simpele, bas-reliëfs in de muren. Hier staan afbeeldingen in uitgehakt over hun veldslagen en martelmethoden. Eén van de martel-afbeeldingen is wel erg apart, en we krijgen er nader uitleg over. Een man krijgt een flinke bol klei in zijn achterste gedrukt, zodat zijn “schijtkanaal” geblokkeerd is.

Ook de symbolen van de koningen, de ene een leeuw, de ander een buffel staan veelvuldig in de muren afgedrukt. Binnen staan nog wat bijzondere artefacten, waaronder twee tronen van houtsnijwerk, die rusten op vier schedels van de grootste vijanden van de koningen. Helaas is het overal verboden foto’s te maken, zowel van de buitenzijde van de gebouwen, als van de binnen tentoongestelde voorwerpen.
Artefacts of former kings of Abomey
Stiekem snel een foto gemaakt van wat troontjes, waar de koninklijke familie vroeger op zat.

 

Verder staan op het terrein nog hutjes waar veel dierenbeenderen liggen, als restanten van offers. In die hutten liggen de koningen niet begraven, maar rust hun ziel. Ook zijn er 41 vrouwen “vrijwillig” levend begraven, na het innemen van een slaapdrankje. Dit om de koning in het hiernamaals te dienen. Waren ze gek of waren ze gek?

In het museumdeel staan allerlei giften tentoongesteld die de koningen ontvangen hebben van andere machthebbers. De Portugezen gaven whiskey-karaffen, vazen en een zijden kleed. Nederland  heeft een mooi bewerkt kanon geschonken, gemaakt door ene Coenraedt Weagevaert uit Dordrecht. Verder nog de hele historie aan de muur over de overmeestering door de Fransen. Niet alles is even duidelijk, want van de 20 lampen in het gebouw doen het er nog maar drie. Al met al best interessant. Hieronder een paar plaatjes van internet geplukt, om een idee te geven hoe een koninklijk paleis in Benin er uit ziet en welke bas reliëfs er onder andere op Unesco staan.

Marteling:  het inbrengen van een bol klei Bas reliëf van o.a. de leeuw, het symbool van
één van de koningen
Buitenzijde van het paleis, met aan de
voorzijde de bas reliëfs

 

We rijden verder en zo'n 100 kilometer voor Parakou slaan we kamp op bij een opslag voor hardhout, ergens op een open plek aan het eind van een klein paadje. Binnen tien minuten staat de chef de village er. We hebben geen village gezien, maar ok. Na een lang en moeilijk gesprek blijkt dat we zijn toestemming hebben om er te blijven staan. Hij had liever gehad dat we naast de school in het dorp gingen staan, want daar is bewaking. Nou nee, liever niet. Hier is het lekker rustig. 's morgens zijn er al mensen aan het werk met het hout. Er staat een prachtige antieke Unimog, waar werkelijk alles zo'n beetje af is wat niet perse nodig is om het ding draaiende te houden. De mensen zijn natuurlijk ook nieuwsgierig naar onze auto en lopen er rondjes omheen. Maar geen vervelende kloppers.

Wij rijden verder richting Pendjari Nationaalpark. Tussen Parakou en Wéwé is de asfaltweg één grote gatenkaas. Wat beroerd rijden. Hoe voorzichtig je ook bent, regelmatig schat je een gat verkeerd in, of zie je er één over het hoofd en maak je een flinke klap. En dan telkens dat remmen en optrekken, gek wordt je er van. En dat zo'n 100km. Uiteindelijk resulteert dat dan ook in een lekke achterband. De band is eerder gerepareerd en precies gescheurd op de plakker. We repareren hem niet ter plekke opnieuw, maar zetten er een reserveband op.  Daarbij gadegeslagen door een man of twintig. In de reserveband hebben we nog allerlei dingen liggen die bedoeld waren op een goed moment aan de juiste personen uit te delen. Nieuwsgierig ziet iedereen ons met de spullen pakken. Er staat een man naast ons met blote voeten op het asfalt. Hij heeft ook geholpen de zware band uit de auto te halen. We hebben nog een paar leren slippers liggen en geven die aan hem. Ze passen perfect, en trots loopt hij een ererondje. Ze helpen ook nog even de lekke band weer in de auto te stoppen, en we delen nog wat dingen uit voor hun kinderen. Als alles klaar is rijden we nog ongeveer een half uurtje en zoeken dan een slaapplaats. En natuurlijk veranderd dan de weg in goed asfalt. Op één van de laatste gaten hebben we dus nog lek gereden. We vinden een mooi plekje in een laterietafgraving, uit het zicht. Als we de trap pakken zien we dat een jerrycan met olie is gaan lekken, en we hebben al een mooie bende op de vloer in de opbergruimte. Jan wil het schoon gaan maken en dan begint het ook nog te stortregenen. We staan alle twee onder de klep, maar het regent zo hard dat we daar ook zeiknat worden. Met de handen vol olie en nat tot op de onderbroek gaan we dus naar binnen. Douchen, eten en ontspannen een filmpje kijken.

 


Kob
DINSDAG 14 AUGUSTUS 2012, Nationaal park Pendjari
De ochtend begint weer met regen. Pas tegen 12 à 13:00 uur is het droog. In de namiddag komen we aan bij Pendjari Nationaalpark. Voor 10.000 CFA per persoon en 3.000 CFA voor de auto mogen we het park binnen. We rijden over de goede laterietweg tot aan de eerste waterplas, Mare Bali. Omdat het regenseizoen is, is het moeilijk wild spotten. Bij droogte trekken de meeste dieren naar de waterplassen waar je ze makkelijk kunt zien, maar dat is nu niet nodig. Ook is het gras nu hoog en de boel dichtgegroeid. Bij het watergat is een observatie hut met flink achterstallig onderhoud. We zien een kleine antilope, een roofvogel, twee visarenden en drie krokodillen. Wel een mooi plekje voor de nacht.

We rijden de dag erop verder het park in. We hebben een kaart van het park en verlaten de rode all-seasonroute en gaan via de bruine dry-season route richting uitkijkpost bij Mare Tiabiga, dertien kilometer verderop. De route word al snel smaller en is misschien toch niet zo geschikt voor een vrachtwagen. We passeren een slecht stuk waarbij we de wagen zwaar voelen trekken vanwege zachte ondergrond. Dan komen we bij een plek waar een boom half over de weg ligt. We rijden er langs met twee banden buiten het pad, en ook daar zachte grond, maar de Daf trekt hem er net door. Als we kort voorbij Mare Fogou een mogelijkheid zien om te draaien doen we dat maar, want we hebben geen zin in fratsen.

 

We komen weer bij de ongevallen boom, en zien wat een diepe sporen we zojuist al getrokken hebben. We hebben geen zin daar nog eens door te gaan, en besluiten de boom met de lier een eind weg te trekken. Jan loopt met het liertouw door het hoge gras. Af en toe horen we wat gesnurk en gegrom, niet ver weg, maar we zien niets. Mariska heeft de pepperspray paraat. We trekken de boom aan de kant en kunnen veilig verder. Dan komen we bij het eerste lastige stuk. Het randje langs het gat waar we zojuist hebben gereden is daardoor behoorlijk weggezakt. We vertrouwen het niet om daar nog eens overheen te rijden. Als het wegzakt zitten we diep in de blubber.

 

We kijken nog even of we niet gewoon helemaal rechtdoor kunnen. Jan stapt uit en gaat op een eilandje in de geul staan, maar zakt er tot bijna aan zijn knieën in. Gelukkig zit zijn sandaal goed aan zijn voet vast, want het was behoorlijk zuigende klei. Geen optie dus. Mariska stelt voor om de zandplaten op de weggezakte rand te leggen. Maar op zo'n zachte ondergrond gaan die helemaal rond staan. En het is altijd weer een heel klerewerkje om ze weer recht te walsen met de banden zodat ze weer op hun plek passen. Jan wil proberen iets ruimer om het weggezakte deel aan de rechterkant te rijden. Daardoor komen we ook dicht in de buurt van de zomp aan de linkerkant. We zakken er flink in, zeker een halve meter diep. Dat trekt de Daf niet meer, we hebben gewoon geen grip in die drek, beide linker wielen draaien doelloos rond. En dwars sperren hebben we niet, dus de andere banden met grip doen niets.

 

Rondom zijn bomen, bosjes en hoog gras, met wederom knorrende nijlpaarden, die we niet kunnen zien. We gaan de auto uit om een plek te vinden waar we de lier aan kunnen maken. Mariska weer gewapend met pepperspray en de stungun (elektrische schokapparaat met 750.000V). Dat is meer voor het idee dan dat het je werkelijk helpt als je aangevallen wordt. We lieren de auto een eind vooruit, dan weer achteruit, dan weer vooruit, zandplaten eronder, graven en uiteindelijk kunnen we hem op het lateriet lieren. Hij staat weer veilig, maar dwars op het pad, en nog altijd zijn we niet over of langs de brede geul met zachte ondergrond. We zijn bekaf. Het is al half zeven 's avonds. We douchen de drek eraf en eten brood, want we hebben geen zin meer om te koken. Morgen maar weer zien hoe we verder kunnen.

 

Na het ontbijt pakken we allebei een schop en beginnen de diepste en breedste geul aan het begin bij de weg dicht te gooien. Met hout, met stenen en met lateriet. Dat lateriet steken we af van het stuk gelijk achter de geul, waar we toch niet zullen rijden. Dat spul zit best vast, en we hebben al gauw de blaren op de handen. Er komen toeristen, een gezin met een normale 4wd. Ze vinden het erg dat ze ons niet kunnen helpen, en wij vinden het erg dat we de weg blokkeren voor hen, want met hun auto kunnen ze het pad wel verder rijden. Ze maken er geen probleem van en vinden iets terug een plekje om te keren. Tegen de middag hebben we de geul vol en stevig aangestampt. Daaroverheen de rijplaten en met veel gemanoeuvreer krijgen we zo de Daf aan de andere kant. Pfff, dat hadden we gisteren dus meteen zo moeten doen. Maar ja, je probeert eerst de makkelijke manier. We hebben er in ieder geval van geleerd dat we ons hier in het natte seizoen strikt moeten houden aan de rode paden op de kaart, die “all year round” begaanbaar zijn.


Pendjari, de eerste keer in de penarie...

Eerst nog de platen weer recht walsen door er overheen te rijden. Dan die kleverige klei van de platen af zien te krijgen zodat ze weer op hun lek passen. De twee korte platen passen er niet meer tussen, en die binden we dus maar op het dak van de rijcabine. We hebben allebei flinke blaren op onze handen, tot bloeden toe, van het uitgraven. Tegen +/- 14:30 uur rijden we weer en willen we bij het parkeerplaatsje bij Mare Diwouni wat gaan eten en eventueel overnachten. We rijden langs Pendjari Lodge en slaan rechtsaf de all-season road in. Ook die word al weer gauw smaller, en er staan flinke plassen op de weg. Gras in het midden, en hoog gras aan de zijkanten. Ondanks dat deze volgens de kaart in het natte seizoen berijdbaar is vertrouwen we het niet, en zetten we de Daf in de achteruit. Maar dat is op zo'n smal pad makkelijker gezegd dan gedaan. Het pad is net aan beide zijden misschien tien centimeter breder dan de auto. Bij achteruitrijden heb je aan de voorzijde van de auto wat manoeuvreerruimte nodig, en die is er niet. Door het hoge gras dat tegen de zijwand van de vrachtwagen komt en het water op de weg is de rand van het pad ook niet te zien. Daarom staat Mariska voorop de bumper en hangt half aan de spiegel en deur om langs de wagen te kunnen kijken, om zo Jan aanwijzingen te kunnen geven. Toch rijden we met een band van de weg af de zomp in. In 4x4 laag trekt de Daf zich er wel weer uit, voorwaarts dan. We rijden het pad verder, het is tenslotte maar een rondgang van 4km die weer op dezelfde hoofdweg uitkomt.  

Maar amper 500 meter verderop komen we bij een ingestorte betonnen brug. En dat is ook niet net gebeurd. We snappen niet dat ze dit pad niet gewoon met een boomstam hebben afgezet als onbegaanbaar. We twijfelen even of we via die ingestorte brug toch langzaam aan de overkant van het riviertje ons pad kunnen vervolgen. Maar we hebben geen zin aan nog meer ongein, en proberen bij de brug, waar het wat breder is te draaien. Met zo'n 20x steken lukt dit. We rijden het pad weer terug, misschien iets te enthousiast. Bij het stuk waar het pad geheel onder water staat zakt de Daf links door het lateriet en hop, we schuiven met de hele linkerkant zo de diepe zomp in. Het is echt moeras, ruim een halve meter diep. Met de differentiëlen blijft de auto nog liggen op het steviger lateriet, maar enorm scheef, echt prettig ziet het er niet uit.


En wéér zitten we diep in de shit...

Weer met de machete door het hoge gras op zoek naar een boom voor de lier. Maar helaas, we vinden alleen wat kleine boompjes, en die trekken we er zo uit met de lier. Iets verderop staat een wat stevigere boom, maar dan kunnen we alleen met enkel liertouw lieren, dus missen we de helft van de kracht. Langzaam schuift de Daf iets vooruit, maar de laterietkant is hoog. We proberen die wat schuin af te steken, maar het is niet voldoende. We weten nog net onder het linker achterwiel een rijplaat te schuiven, maar omdat die ook half op het lateriet ligt begint deze bij het naar voren trekken met de lier, zich haaks om te buigen waardoor het een groot obstakel vormt voor het achterwiel. Het heeft zo geen zin. We geven het op. Na een hele ochtend graven, en dan zonder lunch weer zo diep in de drek, dan heb je geen puf meer. Het loopt al weer tegen de avond, en we trekken met de lier het ene boompje na de ander er uit. Het heeft geen zin, hier hebben we hulp bij nodig.

 

We graven voor de zekerheid nog twee kuilen onder de banden die nog op het hogere lateriet staan, in de hoop dat de wagen in ieder geval iets rechterop komt. Dit is niet het geval. We laten die twee banden nog leeglopen tot slechts 2 bar, maar ze buiken niets uit, er rust vrijwel geen gewicht meer op deze zijde. Serieus kantelgevaar dus. Nu maar hopen dat het droog blijft, want als het nu gaat regenen, dan is de kans groot dat hij omkiepert. En van recht opzetten is hier geen sprake, met links en rechts diep moeras. Dan wordt onze auto een monument in het park, net zoals de schepen langs de kust van Mauritanië.

 

Ineens hoort Mariska mensen praten. Dat kan toch helemaal niet, we hebben geen auto gehoord. Er komen twee bewakers van de verderop gelegen Pendjari lodge aangelopen, slechts gewapend met een katapult tegen de wilde dieren. Ze hoorden motorgeluid en konden net vanaf de Lodge nog een wit puntje in de verte zien, dat dus onze Daf is. Omdat de Daf te scheef hangt om in te slapen, en iedere beweging binnen ook gevaarlijk is, gaan we op uitnodiging van de mannen mee om de nacht in de lodge door te brengen. We krijgen een kamer met een tweepersoon bed toegewezen. Er is geen beddengoed, geen elektriciteit en geen stromend water. We krijgen een oude olielamp van de mannen, en ze halen een emmer water uit de waterput zodat we ons wat kunnen opfrissen. Dat water heeft een blauwige waas, en de volgende ochtend zien we een dode muis in de put drijven. Ook krijgen we nog een klamboe met een gat er in. We zitten van boven tot onder, onder de drek. Vooral Jan, die heeft languit in het moeras gelegen onder de Daf. Daarbij ook nog enige bloedzuigers opgelopen. Mariska heeft zich vooral bezig gehouden met het oppassen voor wilde dieren, het aflaten van de banden en het ondergraven van de banden die nog op het vaste lateriet stonden. Nog meer blaren…

 

Eerst krabben we de inmiddels opgedroogde modder van armen en benen af, dan wassen we ons één voor één met het water uit de emmer. Ondanks dat we alleen vanochtend maar wat gegeten hebben, hebben we totaal geen honger en ploffen we moe op bed. Nog denkend aan het kantelgevaar van de Daf, en de grote mogelijkheid dat het gaat regenen, slapen we weinig. Daarnaast stikt het er van de vleermuizen en die beesten zitten flink te wroeten tussen het plafond, dus dat bevordert de slaap ook niet echt. Als het nog maar net licht is, komt “opa” bewaker al op de deur kloppen met de vraag of we goed geslapen hebben. “Qui, tout est bon!” We trekken ons deels opgedroogde drekkloffie weer aan, hebben nog steeds geen honger en gaan dus maar weer eens op pad, naar de auto. Hij hangt er gelukkig nog net zo bij. We doen nog een aantal graaf en lierpogingen maar het heeft allemaal geen zin. Het risico zit er zelfs in dat hij dieper zakt. Er zal gekrikt en gegraven moeten worden. Onder de wegzakkende banden moeten we stenen of hout zien te krijgen. Ook zou het handig zijn als we een lange staalkabel hadden, zodat we een stevigere boom verderop met de lier kunnen bereiken. We besluiten geen verdere pogingen te ondernemen, maar hulp te gaan halen. Mariska kruipt voorzichtig in de auto en pakt wat benodigdheden zoals een zaklamp, muggenspray, water, lakens enz. Bepakt en bezakt lopen we terug naar de lodge en vragen aan opa of we nog een nacht mogen blijven. Geen probleem, maar op een ander plek, want in de kamer waar wij zaten komen gasten. We kijken elkaar verbaasd aan, gasten? De hele lodge is een vervallen zooitje. Daken kapot, geen stroom, geen water, laat staan stromend water. Het gras metershoog, onkruid overal, tegelwerk kapot, zwembad is een groen algenbad. En alles stinkt naar vleermuizenstront. Hoe kun je hier gasten ontvangen? De lodge is dan wel gesloten in het regenseizoen, maar er moet zoveel aan gebeuren, dat dit in het droge seizoen nog steeds een zooitje is. Er wordt niets gerepareerd en alles lekt, dus het wordt elke dag alleen maar erger. We krijgen een rond hutje met strooien dak toegewezen. In het midden een bed van beton, met een schuimmatras zonder lakens of hoes. Een smerige wasbak met de restanten van een muis er in. Bah bah, maar wat voor keus hebben we?

De toeristen komen aanrijden met een gids en 4wd. Ons plan is dat we de motor achter uit de auto halen om daarmee naar het eerste dorp, zo'n 120km verderop te rijden om hulp en materialen te halen. We maken een praatje met de toeristen, het zijn Fransen. Een knaap van midden twintig kan ook redelijk Engels en wil wel voor ons vertalen. We hebben hulp nodig om de motor achter uit de vrachtwagen te halen. De lift gaat wel naar beneden, maar staat dan onder een grote hoek op de grond, en de motor moet daar tussen weg gemanoeuvreerd worden. Voor Mariska is dat te zwaar. We vragen of iemand ons wil helpen de motor er uit te halen. Onze vertaler vraagt wat we er mee willen doen. “Hulp halen in het eerste dorp”. Onze tolk vertaald het aan de gids die protesteert. Er mag niet gereden worden met een motor in het park. We zeggen dat we dat begrijpen, maar dat dit een noodgeval is. In plaats dat de tolk dit vertaald aan de gids, gaat hij met ons de discussie aan. Hij vindt bij hoog en laag dat er niet gereden mag worden met de motor in het park. Jan vraagt of bij brand in een voetgangerszone de brandweerwagen dan ook maar op de kazerne moet blijven. Dat is wat anders zegt de knaap, er is nu niemand in nood. Ja lekker, en wat hebben we eigenlijk met die toerist te maken? We hebben er alleen mee ingestemd dat hij voor ons vertaald naar zijn gids.

We vragen of ze Jan dan met hun terreinwagen naar het dorp kunnen brengen. Nee, dat kan ook niet, want daar moeten ze die avond nog een avondsafari mee doen, en misschien is ie dan te laat terug. We moeten maar wachten tot er een andere terreinwagen komt die Jan mee kan nemen. De knaap gaat nog even door, door te zeggen dat het onze eigen schuld is, dan hadden we maar met een gids moeten gaan. Ja eikel, die gidsen zeggen “rij er maar in, dat kan best”. Dat kennen we inmiddels wel. Bovendien is een gids hier nu juist eens niet verplicht, hebben we de meest recente kaart van Pendjari zelf, waar op staat dat deze weg berijdbaar is in alle seizoenen, en is het parkbeheer te belabberd om de weg die dus slecht onderhouden is en waarvan de brug is ingezakt even met een boomstam te versperren. We zijn die wijsgeer goed zat. We vragen nog of iemand ons dan tenminste even kan helpen de motorfiets er uit te halen, dat scheelt in ieder geval gewicht. “Nee” antwoord de Franse wijsneus al voor het hele gezelschap, “we helpen je daar niet mee, want dan ga je alsnog met de motor hulp halen”.  Het liefst had Jan de knaap daar ter plekke bij de dode muizen in de waterput geflikkerd, maar daar schiet je nu ook niets mee op. De bewakers staan er beteuterd bij te kijken maar zeggen verder ook niets. Omdat het meeste in het Engels ging zullen ze het ook niet allemaal meegekregen hebben.

Pendjari Lodge, de meeste nachten slapen we in het witte gebouwtje, maar
voor één nacht kregen we de roze hut toegewezen.

 

We vragen nog of iemand ons dan tenminste even kan helpen de motorfiets er uit te halen, dat scheelt in ieder geval gewicht. “Nee” antwoord de Franse wijsneus al voor het hele gezelschap, “we helpen je daar niet mee, want dan ga je alsnog met de motor hulp halen”.  Het liefst had Jan de knaap daar ter plekke bij de dode muizen in de waterput geflikkerd, maar daar schiet je nu ook niets mee op. De bewakers staan er beteuterd bij te kijken maar zeggen verder ook niets. Omdat het meeste in het Engels ging zullen ze het ook niet allemaal meegekregen hebben. Er komt nog een terreinwagen met een aantal toeristen aan. Jan overlegd ook nog even met hen. De gids daarvan zegt tegen Jan dat hij gewoon snel zijn motor eruit moet halen en simpel het park uit moet rijden, zo'n 80 kilometer tot de uitgang, en verder voor niets en niemand moet stoppen. Behalve voor olifanten op de weg. Dan moet je stoppen op een respectabele afstand, geen kabaal maken en beslist niet gaan claxonneren. Net zolang wachten tot de weg weer vrij is. Andere dieren, zelfs leeuwen zijn hier bang genoeg voor mensen en gaan wel uit de weg. Ok, met deze info ter harte genomen gaan we met z’n tweeën naar de vrachtwagen. De gidsen hier zijn overigens privé ingehuurde gidsen van buiten het park, ze zijn geen medewerkers van het park zelf, en hebben over regelgeving zodanig ook niets te zeggen. Samen lukt het ons toch om de motor er uit te krijgen, en Jan rijdt rap weg over de hoofdweg het park uit, na Mariska bij de lodge achter te hebben gelaten. Bij de lodge staan de twee bewakers lachend te zwaaien en steken hun duim op. Stelletje rakkers, ze waren het er dus toch mee eens dat we zelf met de motor hulp gingen halen, maar durfden niets te zeggen, waarschijnlijk vanwege de autoritaire Fransoos met zijn grote bek.

 

Jan rijdt zo mooi op de motor door het wildpark, rugzakje met water en geld mee. Onderweg komt hij nog twee keer een terreinwagen met toeristen tegen, die verbaasd kijken. Een blanke alleen op de motor in een wildpark, vast een vreemd gezicht. Olifanten, waterbuffels of leeuwen komt hij gelukkig niet tegen, wel allerlei antilopesoorten en groepen bavianen die de weg oversteken.

Zo'n 15 kilometer voor de ingang komt hem een Toyota Hilux pick-up tegemoet gereden vol met parkrangers, een stuk of acht. Ze manen Jan tot stoppen. Jan rijdt er eerst voorbij, en stopt dan toch. Hij keert om en verontschuldigd zich eerst voor het rijden in het park op een motor. “Oh,” zeggen de rangers, “dat geeft niets, dat mag wel hoor.” Snap het hier maar eens. De rangers hadden gehoord dat er een auto vastzat en waren op pad gestuurd naar ons toe. Ze hebben alleen een lullig sleepkabeltje bij zich. Jan zegt dat het om een twaalf tons truck gaat, en dat hij in het dorp, nu nog zo’n veertig kilometer verderop gedegen hulp wil halen. Jan rijdt voorop naar de uitgang, de rangers in de pick-up er achteraan. Daar laten ze de motor staan, en Jan klimt bij op de pick-up.

De Rangers zeggen dat ze nog eerst langs een adres gaan waar ze ons misschien ook kunnen helpen. Het blijkt Camp Numi te zijn, een kleine lodge en werkplaats, dat al jaren wordt gerund door Alfred Schmutz, een olijke Duitser van in de zestig, die zijn achternaam wel eer aan doet. Hij hoort het verhaal aan, maar zegt ook dat hij op vrachtwagengebied niet veel heeft. Zijn materialen zijn wat lichter, geschikt voor gewone terreinauto's. Ik zeg tegen de rangers dat we naar het dorp moeten om groter materieel te halen, maar die beweren bij hoog en laag dat ik daar niets zal vinden, en dat we het met de spullen van Alfred moeten doen. Alfred is een hele aardige kerel en haalt echt alles uit de kast, letterlijk en figuurlijk. Er wordt een 10 tons hydraulische cilinder uit zijn werkplaatspers gesloopt waar we misschien de wagen wat mee kunnen opkrikken. Ook repareert hij nog snel zijn Tirfor, een handlier, die slechts tot 2 ton belastbaar is. Aardig bedoeld, maar of we daar wat mee kunnen. De parkrangers worden wat driftig, de hele voorbereiding duurt ze wat te lang. Zij gaan liever onvoorbereid op pad, zelfs na de duidelijke uitleg van Jan nog niet beseffend wat er gebeuren moet. Alfred stelt zijn safari-Nissan Patrol met chauffeur ter beschikking. De oude kar wordt verder nog afgeladen met extra rijplaten, stukken hout, en natuurlijk de acht parkrangers. Opgepropt scheuren we in het bakkie met hoog dak en zonder ramen door het park. Aanbevolen snelheid is hier 40, maar 80 is nu de norm. En ik kan je verzekeren dat dat hard is in zo'n hoge, overbeladen safarikar. Nu zien we onderweg wel een stuk of twaalf olifanten, en ook weer allerlei antilopen.

 

Als ze in de middag aankomen bij Pendjari lodge worden er daar nog wat stenen en stukken hout in de auto gegooid. Jan haalt Mariska uit het strohutje en staand achterop de bumper liften wij met de mannen mee naar de Daf. Ze trekken en duwen wat. Gooien wat stenen ter versteviging in de blubber en proberen op de hoek van de voorbumper de hele auto omhoog te krikken. Ze krikken natuurlijk alleen de auto iets uit zijn veren, maar de voorband komt niets omhoog. Dan proberen ze nog met een schuingeplaatste krik de velgen omhoog te krikken, maar door de schuine hoek is dit echt onmogelijk, ze krikken alleen twee enorme stenen, die je met twee man moet beuren ongeveer een meter in de blubber. Zelf vinden ze dat ze al wel heel wat opgeschoten zijn, wij vinden dat het geen millimeter heeft geholpen. Samen komen we tot de conclusie dat er veel zwaarder materieel nodig is, en dat dat uit het dorp 120km verderop moet komen. “Ja” zucht Jan, “dat probeer ik jullie al de hele ochtend te vertellen, maar jullie willen niet luisteren.” En nu is het ineens wel mogelijk om zwaarder materieel in het dorp te halen. Vanmorgen werd nog beweerd dat daar niets te vinden is. Het is ongelofelijk moeilijk samenwerken met Afrikanen. Ze zijn enorm eigenwijs, luisteren nergens naar, liegen, en kiezen altijd de weg van de minste weerstand. Ok, misschien niet alle Afrikanen, dat is wat te generaliserend, maar wel alle Afrikanen waar wij inmiddels mee te maken hebben gehad. In ieder geval is er weer een dag voorbij, zijn we niets opgeschoten en hebben we gewoon strontmazzel dat het nog niet regent, want er komen telkens flink donkere wolken voorbij. Gelukkig trekken ze nog steeds over.

 

We besluiten dat Jan dezelfde avond nog met de mannen meegaat naar het dorp om daar e.e.a. te regelen, en te overnachten, om de volgende ochtend bijtijds weer terug te zijn zodat we de hele volgende dag hebben om de Daf veilig te stellen.

  


Mariska moet in haar uppie de nacht doorbrengen in het knusse roze hutje met
schone matrassen en een frisse muur aan het hoofdeinde.
Mariska blijft in de vieze hut achter bij de lodge. De twee bewakers zijn aardig en vertrouwd. Jan scheurt weer mee terug in de overbeladen wankele safarikar. Het is inmiddels al donker. De geweldige chauffeur neemt onderweg nog gevaarlijk met een vaartje van 80 de binnenbocht, waarbij de auto met rakelings via de schuine rand langs een greppel scheert. Hij corrigeert waardoor de auto een gevaarlijke slinger maakt. Gelukkig houdt hij het ding op de weg. In plaats van dat er in het dorp nog iets georganiseerd wordt om spullen te vinden voor morgen, droppen ze Jan bij een lokaal motelletje. Ze laten de kamer zien die meer weg heeft van een vooroorlogse kerker. Vier afgeschilferde wanden, een bed van beton met een matras gevuld met stro. Tralies voor het kleine raampje en een stalen deur. Ook laten ze ook nog even het gemeenschappelijke toilet zien. Laten we daar hier geen woorden aan vuil maken, want zo vuil als het toilet was is toch niet te beschrijven. Vol trots vragen ze of het goed is.

Jan denkt even aan de “Waterfall lodge” waar ze net tien minuten geleden voorbij kwamen. Een luxe toeristenlodge, waarschijnlijk 20x zo duur maar ok. Waarom is hij daar niet gedropt??? Geen zin in verder gezeur aanvaardt hij de kamer, en heeft het die nacht dus niet beter dan Mariska. Behalve dan dat er nog een biertje te koop is en een bord kleffe spaghetti met een ondefinieerbaar sausje. Dat moet in het donker opgegeten worden, dus het is onbekend wat er in zat. Hopelijk gaat dat goed, want de wc is niet uitnodigend om een nachtje in door te brengen. Er is ook geen stromend water, dus ongedoucht, met de smerige kleren nog aan ploft Jan op het bed. Buiten net onder zijn raam zit de bewaker, met een schel irritant muziekje op zijn mobiele telefoon. Dat kan er ook nog wel bij. Mariska ligt op dat moment dus in het stinkende hutje, op een vieze schuimrubbermatras met vleermuizenpoep, waar ze een laken van onszelf overheen getrokken heeft. De deur kan niet helemaal dicht, laat staan op slot. Gewapend met pepperspray en stungun probeert ze te slapen. Als ze 's nachts moet plassen durft ze niet naar buiten, en moet ze het doen met de wasbak waar de dode muis in ligt. Niet allemaal zo geweldig dus, en we beseffen ons weer waarom we in deze landen graag net ons eigen bedje rondreizen. Je zult dit toch maar vaker zo treffen, bah!

Jan heeft 's morgens om 8:00 uur met de rangers afgesproken om hulpmiddelen te gaan zoeken. Bij een straattentje zit hij te ontbijten met de lokalen. Een gebakken ei en een Nescafé. Samen met de rangers rijdt hij naar een plek, waar een aantal wrakken van vrachtwagens staan. In eerste instantie willen we een sterke vrachtwagen regelen waaraan we de lier kunnen knopen om ons er uit te lieren. Het schijnt niet zo gemakkelijk te zijn zo'n wagen hier te vinden, en bovendien zijn ze bang dat deze wagen zich ook vastrijdt in het weggetje. Dan heeft Jan bedacht dat hij een tiengaats velg van een vrachtwagen, dezelfde maat als wijzelf hebben, half door wil laten snijden. Deze kan dan aan de buitenzijde tegen onze velg gebout worden, en dan kunnen we er stenen en een krik onder plaatsen, om zo direct de as op te tillen, en hout en stenen onder de verzakte banden te plaatsen. Een krik onder de krikpunten plaatsen lukt namelijk niet, want ligt de wagen te laag. Het duurt een eeuwigheid voordat de mannen het idee willen snappen. Jan staat al een uur bij een velg die voor oud vuil in de hoek ligt, en die hij daarvoor wil gebruiken. Meer dan tien keer heeft hij aan verschillende mensen met behulp van de velg uitgelegd wat het plan is. Dan komt er een wat oudere, grote man in een gewaad. Hij zegt tegen Jan dat hij het snapt. Hij legt uit dat hij al 15 jaar hier samenwerkt met de Italianen van het ziekenhuis hier, en zo de mentaliteit en denkwijze van de Europeanen heeft leren begrijpen. Hij legt Jan ook uit dat in Afrika de dingen niet zo vlug gaan, maar dat hadden we al begrepen.

De man zegt dat hij eenzelfde velg goedkoper kan regelen, wat vreemd is, want er is nog geen prijs genoemd, ze praten alleen lang en veel langs elkaar heen. Hij belt wat rond en een half uur later komt er een brommertje aangereden met een velg. Dat ding is al gescheurd, maar er is nog net een deel met vier bevestigingsgaten voor ons doel bruikbaar. Het ding is dus alleen de oud-ijzer prijs waard. Maar Jan komt er al snel achter dat die nog best hoog ligt voor een blanke. De man vraagt 30.000 CFA. Het kost weer erg veel kostbare tijd om dat naar 20.000 CFA (30,- euro) te praten. Was vast nog goedkoper te doen, maar dan wordt het vandaag helemaal niets meer. En hij noemt het nog een matsprijs ook, omdat hij ons graag wil helpen. Jan wil betalen, en ziet dan tot zijn verbazing dat de pick-up, waar hij in de afgesloten cabine zijn rugzak met geld en alle papieren had liggen, verdwenen is. Een van de rangers is er nog. Jan vraagt waar de pick-up is. Oh die was ergens anders nodig, maar komt nog wel weer. Dat is lekker, wie weet waar die mafkezen dat ding parkeren en dan gewoon de deuren open laten. Jan mag de velg later betalen, eerst moet hij nog doorgesneden worden. Samen met de man in de jurk bezoekt Jan de plaatselijke smid. Het is er weer een gezellige bende. Een paar mensen zijn daadwerkelijk aan het smeden boven een vuur dat wordt aangewakkerd door een oude auto-turbo die door een overbrengen van fietsenwielen wordt aangedreven. Jazeker, ze kunnen ook snijbranden, maar dat is een specifiek werkje dat alleen de baas zelf kan, en die is er natuurlijk niet. Jan baalt, hij ziet wel een acetyleenbrander liggen, en kan het makkelijk zelf, maar ja, een blanke mag hier nog niet zijn eigen tas dragen, laat staan een velg doorbranden. Het duurt natuurlijk weer drie langen en drie korten voordat de baas eindelijk komt op zijn brommertje. Die ruikt ook goud en vraagt maar liefst 20.000 CFA voor het doorbranden. Dat is ongeveer een weekloon voor een kwartiertje werk. Het liefst zou je hem hard tussen zijn ballen schoppen, maar het is niet zijn zaakje dat in tweeën moet, maar de velg. Weer gaat veel kostbare tijd verloren. Een half uur over de prijs lullen, zonder dat er wat gebeurt, is hier niks. Voor het astronomische bedrag van 10.000,- CFA gaat hij aan de slag. De acetyleenset bestaat overigens niet uit een fles zuurstof en een fles acetyleen, maar een fles zuurstof (nou ja, lucht onder druk dan) en een pot waar carbid in gaat. Dit is een verbouwde 11kg gasfles, waar nu bovenop een deksel met knevelbouten bevestigd is. Water er in, kilootje carbid er in, wat oude stukken autoband ter afdichting tussen het deksel en aandraaien maar. Boven aan de zijkant van de carbidpot zit een gewoon messing waterkraantje waar de poreuze acetyleenslang aan bevestigd zit. Prachtig om te zien, onder andere omstandigheden. En eigenlijk gewoon levensgevaarlijk.

Als de man na alle gezeur de velg eindelijk doormidden heeft, is gelukkig ook net de pick-up terug met Jan's tas er in. Gauw alles controleren of het er nog in zit. Niets weg. Jan rekent af met de smid, en ook met de jurk die de velg heeft geleverd. Daarbij grapt hij nog dat hij alleen de helft betaald, en dat de man de andere helft van de velg mag houden, maar je moet met Afrikanen geen grapjes over geld maken. Dat levert weer veel drukte op.

Ondertussen, tijdens het wachten en zeuren heeft Jan ook rondgevraagd voor een degelijke krik. We hebben er zelf maar één, en één extra zou handig zijn. Een knaap op een brommer reageert direct: “Ik weet een goede krik”. “Nou, ga hem maar halen” zegt Jan. Die knaap moet hem tot op de dag van vandaag nog gaan halen. De reden hiervoor is totaal onduidelijk. Jan gaat tussen de vrachtwagenspullen op zoek en vind een opdraaibare steunpoot van een trailer, die prima volstaat als krik. Helaas is het weer zoals altijd in Afrika, ze hebben niet veel, en wat ze hebben zijn ze niet zuinig op. Het ding is open aan de bovenzijde en ligt met zijn vettige aandrijving in het zand. Draaien aan de slinger levert niet veel op, de tandwielen knarsen en lopen vast. Jan vraagt nog rond of iemand van de pakweg inmiddels dertig omstanders een krik kan regelen. Ja zeker kan dat. Omdat het eeuwig duurt voordat er één is, en dan ook werkelijk eeuwig, want er is nog steeds geen krik, begint Jan de trailerpoot maar schoon te maken en op te lappen. Hij krijgt het ding weer gangs.

Er meldt zich intussen ook een knaap die wel wil helpen graven en krikken. Hij zegt dat hij nog wel drie vrienden regelt. Op zich niet zo gek, want die rangers zien er ook niet uit dat ze hun pak vies gaan maken. Maar vier extra lui is toch wat veel, twee erbij zou voldoende zijn. De knaap, een jaar of vijfentwintig, staat er op dat ze met zijn vieren komen. Redelijk vlot wordt de prijs afgepraat op 80.000,- CFA voor vier man totaal, waarbij ze door moeten gaan tot de DAF los is. Ze komen toch met vijf i.p.v vier man, waarbij Jan duidelijk meldt dat ze dan die 80.000,- CFA met zijn vijven moeten verdelen. Als ze eindelijk willen vertrekken, komen de rangers met de melding dat we maar een taxi moeten nemen naar de DAF, 120 km verderop. Ze hebben van het bureau de melding gekregen dat hun missie om ons te helpen er op zit. Dat is fraai, na de hele morgen gespendeerd te hebben om spullen en mensen te regelen, hebben we nu ineens geen auto meer. Jan begint een beetje pislink te worden en laat de rangers met kantoor bellen. Na een lange discussie mogen ze hun missie vervolgen, maar dan moet Jan er wel eerst wat diesel in gooien. Lijkt me logisch.

Jan kon zijn handen onder de banden nog diep in de modder duwen, daaronder zat dus nog geen stevigheid. De hele wagen rust enkel met de differentiëlen op het lateriet.

Dan denk je dat je op pad kunt, maar dan moeten de heren eerst nog wat eten. Na het nodige gevloek in het Frans van Jan dat ze dat ook tijdens het wachten en rondhangen hadden kunnen doen, krijgt hij ze zover dat ze eten inkopen, en het onderweg opeten. Het is tenslotte ook nog twee uur rijden. Tenminste, als ze doorrijden. Onderweg in het dorp wordt er nog minstens vier keer gestopt om een praatje met deze en gene te maken. Jan zit zich op te vreten en wijst op het horloge van de ranger en naar de donkere wolken. Als we nog langer wachten hoeft het niet meer, dan is de DAF al weggespoeld of is het donker. Dan rijden we nog eerst naar vrachtwagenbedrijf, waar een van de jongens een dikke lange staalkabel haalt en twee potkrikken. Wel gvd, zie je dat ze hier toch gewoon de spullen hebben? Waarom zeiden ze gisteren dat er niets te vinden was in dit dorp en hebben we daarom kostbare tijd verspeeld? Waarom dan vanmorgen zulke lange discussies over een krik? Het is allemaal onbegrijpelijk.

Eenmaal onderweg begint het al te regenen. Vlakbij de DAF gekomen begint het zeer hard te regen met harde windvlagen. Het is al tegen tweeën als we bij de lodge aankomen. Daar wordt Mariska opgepikt, die zich behoorlijk zorgen heeft zitten maken. Gelukkig staat de DAF nog overeind, en gaat het rotweer een beetje liggen.

En ook het werken met de heren is een ongeregeld zooitje. Ze willen krikken op plaatsen waar dit absoluut niet kan. Ze willen niet naar ons luisteren. Ze hebben alleen maar discussies met elkaar. Jan begint de halve velg tegen het weggezakt achterwiel te bouten. Met wat hout en stenen onder de krik krijgt hij het wiel iets omhoog. Door dit af te wisselen met een krik onder de bladveren, en er telkens wat stenen extra onder te gooien, krijgen we de DAF langzaam rechtop. De trailerpoot kunnen we uiteindelijk als extra steun onder chassisbalken zetten. Het kantelgevaar is voorbij. Eindelijk helpen de jongens ook aardig mee en komt er wat systeem in. We kappen hout uit de bomen, met motorzaag en machete, en dat in een natuurgebied. Helaas is de benzine van de zaag snel op. Het idee was dat we dan benzine uit de motor zouden tappen, maar die staat nog bij de entree van het park, 70km verderop.

Het hout gaat onder en voor de wielen, om een stevig pad naar het lateriet te maken. Achter staat hij inmiddels recht en op zijn eigen banden, de krikken kunnen weg. Ook het voorwiel wordt op dezelfde manier gelift. Er moeten grote stenen gezocht worden en Jan gaat met vier anderen in de pick-up op pad om stenen te zoeken. Ze laden de bak vol met grote stenen die ze soms met drie man moeten beuren. Het is nog oppassen, want onder veel stenen zitten schorpioenen. Ze schoppen de stenen eerst van hun plek. Helaas moeten de jongens de schorpioenen persé doodmaken, terwijl je ze ook zo met een stokje weg zwiept. En dat weer eens in een natuurpark… Als ze met de bak vol stenen weer het smalle pad in willen rijden, klopt Jan hard op het dak. De chauffeur stopt en Jan legt uit dat hij beter achterwaarts het pad in kan rijden, dan hoeven we de zware keien niet om de pick-up heen door de modder naar de DAF te sjouwen, maar kunnen we ze er zo achter afkieperen. De man haalt zijn schouders op en rijdt gewoon voorwaarts het pad in. Met veel moeite sjouwen de mannen nu de zware stenen om de auto heen, kniediep in de drek. Jan doet er wijselijk niet aan mee. Ze halen een nieuwe lading stenen. Achteruit het paadje af, want keren kan niet, de bak volladen, en de stomkop rijdt zo weer vooruit het pad in. Nog een keer sjouwen. En geen van de jongens die er wat van zegt, behalve Jan dan. Om je er niet aan te storen moet je echt de helft van je hersenen uitschakelen. De modder is zo zacht en diep, dat alle stenen en stukken hout naar de kelder verdwijnen.


Eindelijk staat de Daf weer met 4 bandjes op het lateriet.
Uiteindelijk wordt het tijd om een poging te wagen. Er ligt een redelijk pad onder de weggezakte wielen, zo breed als de banden zelf. Het begint al schemer te worden. We besluiten dat de DAF gereden moet worden en gelierd tegelijk, om te voorkomen dat hij zijdelings wegglijdt. En op het moment suprême wil de DAF niet starten. Wat is dat nu? Het ding start altijd direct. De startmotor draait als een tierelier, maar de motor slaat niet aan. Lucht in het dieselsysteem. We checken alles, halen ons dieselfijnfilter los en pompen hem handmatig vol, het helpt niet. Een afdichtring tussen een banjobout lijkt iets lek te zijn. Zou dat de oorzaak zijn? We hebben van die ringen bij ons en Jan verwisselt hem. Dan weer  handmatig alle lucht weg zien te pompen, en uiteindelijk start hij! Maar dan is het al wel stikke donker, en kan Jan in het donker de banden niet zien. En dat is wel belangrijk, want als hij naast het smalle verstevigde strookje rijdt, dan zitten we weer diep in de zomp. Hij vraagt twee jongens met zaklampen op de banden te schijnen, maar zo gauw Jan langzaam begint te rijden schijnen zij alweer ergens anders. Erger nog, als Jan met ze praat schijnen ze hem met de felle lampen in het gezicht, waardoor hij niets meer ziet. Stelletje stomkoppen. Mariska bedient de lier aan de voorzijde, en kan dus ook niet kijken of de banden op onze versteviging blijven. Op goed geluk dan maar, en dat goede geluk hebben we deze keer. De DAF staat weer met vier banden op stevige grond!

Nu nog in het donker alle spullen die nog links en rechts in het gras liggen verzamelen. Het gekke is, dat Jan er helemaal niet meer aan dacht dat we hier in een wildpark zaten, met leeuwen, nijlpaarden, waterbuffels, olifanten en dat gespuis. De enige dieren waar hij nog aan dacht waren de schorpioenen en de bloedzuigers. Vooral die laatsten zaten er veel, en Jan moest er regelmatig één van zijn been of voet plukken. Ondertussen hield Mariska wel de grasgebieden in de gaten, op zoek naar eventueel naderende olifanten. De andere dieren zijn sowieso te angstig om dichtbij te komen.

We besluiten die avond niet nog in de DAF te slapen, en ook niet om hem in het donker over het smalle pad naar de lodge te sturen. Het risico is te groot dat we hem naast het pad sturen. In de lodge staan onze spullen nog, en een nachtje extra in die bende kan geen kwaad. We zijn zelf ontzettend smerig, maar morgen moeten we ook nog onze rijplaten uit de drek zien te vissen, die meer dan een halve meter diep er in geperst zijn. We rekenen af met de jongens en de parkrangers, die blij naar huis gaan. Ze hebben goed verdiend. We ploffen moe en smerig op bed. Gelukkig kunnen we in de iets betere kamer die we de eerste nacht ook hadden. Het hutje waar Mariska de afgelopen nacht in had geslapen was niet waterdicht en echt niet fris. De volgende ochtend lopen we weer richting DAF. Voor ons is het lopen in een wildpark al vrij normaal geworden, hoewel het officieel verboden is. Voor toeristen dan, want de bewakers van de lodge zelf lopen ook overal rond.

We gaan eerst vissen naar de rijplaten. Ze blijken meer dan kniediep onder de zuigende drek te zitten, en het is nog een heel karwei om ze er onder vandaan te krijgen. Jan krijgt hulp van één van de bewakers, en met veel geploeter lukt het uiteindelijk. Waar we vast hebben gezeten is het een ravage. Ik hoop voor een volgende auto dat ze het weggetje afsperren, want ook een gewone terreinauto komt hier nu ernstig in de problemen. We gooien de kromme smerige rijplaten op de motorlift, samen met een paar blokken hout die weer terug moeten naar Camp Numi. We parkeren de DAF bij de lodge, en beginnen aan de grote schoonmaak. Jan buigt de platen weer recht door er overheen te rijden, en maakt ze vervolgens schoon. Mariska ruimt alle losse spul op en maakt het binnen aan de kant. De beide bewakers nemen plaats op onze buitenstoelen, compleet met voetenbankjes, en relaxed onderuit gezakt kijken ze geamuseerd toe. Er komen nog twee keer toe een safariwagens met toeristen, die geïnteresseerd staan te kijken wat die compleet bemodderde figuren met die vrachtwagen aan het doen zijn. Wel aardige lui hoor.

Toen Jan hulp aan het halen was en Mariska alleen in de lodge rondhing kwamen er ook nog regelmatig wat toeristen langs, waaronder een aardig Frans stel met puberkinderen. Ze hadden Jan al in het park op de motor zien rijden. Mariska heeft een broodje lokale kaas, een ananas, drie zakjes thee en twee zakjes koffie, een blikje frisdrank en 1,5 liter water van ze gekregen, en voor Jan lieten ze zelfs een blikje bier achter. Ook lieten ze een zakje macaroni achter, en die zou “opa” wel voor Mariska koken.

De dag erop kwam er nog een lokaal gezin dat op safari was langs, en Mariska heeft maar brutaal gevraagd of ze wat water voor haar hadden, want in het park is helemaal niets te koop. Ze kreeg een aangebroken fles met nog zo'n liter water, een half liter flesje Fanta en twee broodjes. Erg aardig en het kwam goed van pas, want ons eigen brood was inmiddels verschimmeld en rondshoppen in de Daf was niet mogelijk. Als we nog bezig zijn de troep op te ruimen komt er ook een brommertje met twee jongelui aangereden. Die mogen hier dus ook wel op de brommer door het park rijden. Het is de afwisseling van de wacht, opa wordt vervangen door de knaap achterop, de knaap die rijdt gaat weer alleen terug. Opa komt uit Burkina Faso en moet vanaf hier eerst een paar kilometer lopen naar de rivier, waar een pirogue ligt. Daarmee moet hij zo'n twintig kilometer peddelen naar Burkina Faso, om vanaf daar verder te reizen (liften?) naar zijn dorp.

's Avons om 17:00 uur bonkt opa op onze deur, we zitten net binnen wat te eten. “Nu meekomen” zegt hij, “we vieren mijn afscheidsfeestje en jullie zijn ook uitgenodigd”. We zeggen dat we over een half uurtje komen. “Nee, dat is niet goed, nu meteen!” Ok, we trekken nog snel lange kleren aan tegen de muggen en gaan naar de vervallen barakken waar de bewakers zitten. We hopen dat we niet mee hoeven te eten, maar dat is gelukkig niet het geval.


De meeste zandplaten lagen bovenop de stenen en stukken hout...

We nemen voor opa een rugzakje met wat cadeautjes voor zijn vijf (klein?)kinderen mee. Hij heeft elke dag naar Mariska omgekeken of alles goed ging en ook een beetje meegeholpen de DAF uit de zomp te halen. De andere bewaker hebben we nauwelijks gezien. We hadden uit het zicht van de anderen opa zijn cadeautjes willen geven, maar dat lukt nu niet.  Daarom nemen we voor de andere bewaker en de nieuweling ook een cadeautje mee, zodat ze er niet helemaal beteuterd bijzitten. We hebben voor alle drie ook een opblaasbare strandstoel bij ons.


...maar twee liggen er nog op de bodem en daar is Jan nu naar op zoek. "Opa" kijkt toe.

Opa blijkt al een behoorlijke slok op te hebben. Wel twintig keer verteld hij dat hij eindelijk naar huis gaat morgen. Hij heeft hier nu 6 maanden aaneengesloten gezeten, en wil graag naar zijn vrouw en kinderen. Hij heeft het steeds over zijn baby, maar zal dan toch wel een kleinkind bedoelen. We schatten hem een jaar of zestig, en dat is best oud hier. Hij laat een wit knuffelkonijntje zien dat hij als cadeautje meeneemt voor één van de kinderen. Als wij de cadeautjes geven, zijn de andere twee erg geïnteresseerd wat opa allemaal krijgt en er ontstaat een behoorlijk jaloezie, het is niet leuk meer. Misschien hadden we ze alle drie precies hetzelfde moeten geven, maar opa heeft zoveel voor ons gedaan, en die andere twee niets. We leggen dat ook uit, maar ze zijn jaloers als kleine kinderen en halen de hele tas van opa overhoop.

Vooral de jonge nieuwkomer is er helemaal ontevreden mee en verteld ons dat ook gewoon. Het blijkt dat hij de chef van het spul is, en de chef moet toch altijd de grootste kado's krijgen? En dat terwijl hij net een uurtje geleden is aangekomen… Hij zeurt net zo lang tot we hem ook maar zo'n rugzakje geven. Wat een volk. Allemaal kleine kinderen. We hebben medelijden met de aardige opa, maar die wordt ook wel een beetje vervelend, naarmate hij nog meer drinkt. Ze schenken Jan een lokaal gebrouwen borrel in van zo'n 60% alcohol, en Jan schenkt een Asbach Uralt uit, die ze helaas zonder te proeven achter in de hals smijten. Ze besluiten opa niet meer te geven, en wij besluiten om maar eens bijtijds terug naar de auto te gaan. Lekker vroeg onder de wol, slaap in halen. En dat onderlinge gedoe tussen de mannetjes, daar hebben we al helemaal geen zin in.

's Morgens vroeg komt opa nog afscheid nemen en dan vervolgt hij zijn lange weg naar zijn dorp in Burkina. Hij moet nog wel een stevige koppijn hebben.

Wij rijden een stukje verder de hoofdroute door het park, maar die wordt ons ook al snel te smal en te drassig. Keren gaat niet, dus we rijden een paar kilometer achteruit, tot een larerietgroeve, waar we wel kunnen draaien. We rijden terug naar Mare Bali, waar we de eerste nacht ook gestaan hebben. Onderweg zien we niet meer dan een paar antilopesoorten. Vooral jammer voor Mariska, die hier ook nog geen olifanten heeft gezien. Maar goed, we wisten dat wildspotten in dit seizoen moeilijk is.

Bij Mare Bali zijn we weer alleen, met een paar krokodillen dan, die aan de overzijde lui op de kant liggen. We pakken onze stoelen en gaan heerlijk in de open kijkhut zitten. Beetje lezen, beetje turen. We zien hoe een jonge antilope geïnteresseerd is in de stil met de bek wijd open liggende krokodillen. Niet wetend hoe gevaarlijk ze zijn snuffelt ze er aan, maar de krokodillen geven geen kik. Af en toe komt nog een visarend voorbij en een antilope moedertje zoogt haar jong voor onze neus. Verder is het niet spectaculair, maar wel lekker rustig. Om ons heen kruipen mooi gekleurde hagedissen.

We blijven die nacht daar staan en willen de volgende ochtend bijtijds vertrekken voor een ander route in het park, maar dan begint het hard te regenen, en het houdt ook niet snel op. De parkeerplaats om ons heen veranderd in een vijver. We blijven een paar uurtjes wachten en besluiten dan maar om het park weer te verlaten. Bij de uitgang halen we de motor op. Vijf knapen willen een kado voor het bewaken, met de ogen dicht. We geven ze tien pennen, en rijden dan verder naar Camp Numi om de houtblokken af te leveren.

We hebben daar ook nog een rekening open staan voor de hulp de eerste dag. Alfred, de grappige Duitser is druk in de weer met één van zijn vele oude auto's, een VW Transporter T3. Hij herinnert zich nog goed de andere reizigers die hier zijn geweest, waar wij er ook een paar van kennen. Onder andere Gerard en Marlous met hun gele VW T2, die hier tien dagen van de werkplaats gebruik hebben gemaakt om hun vering op te lappen, en Joop en Adrie, die hier een paar maanden geleden met hun grote DAF over het kleine bruggetje van Alfred zijn gereden. Alfred was bang dat ze er door zakten. Wij kamperen voor zijn werkplaats en eten 's avonds met Alfred een taaie parelhoen. Hij praat honderd uit over zijn belevenissen toen hij dertig jaar geleden in Togo kwam om voor een grote firma in de bosbouw (lees: bosafbraak) te werken. Hij verteld hoe ze met grote machines de bossen te lijf gingen en hectares wegvaagden. Grote bomen werden gezaagd, voor de rest knoopten ze een lange zware ketting tussen twee enorme bulldozers en trokken zo alles om wat er tussen stond. Later verhuisde hij naar Benin, waar hij samen met zijn Togolese vrouw en vriend Hans Camp Numi opzette. Hans kon helaas niet zo goed van de fles afblijven en ligt nu begraven in een groot graf onder aan te toegangsweg naar zijn perceel.

Hij laat ons ook nog foto's zien van zijn motorvakanties in begin jaren zeventig door de Alpen. Alfred reed een mooie Ducati koningsasser. Ook had hij een Aermacchi tweetakt, in de tijd dat die Italiaanse firma door Harley Davidson was overgenomen. Op de foto heeft hij duidelijk het HD-logo afgeplakt, daar moet hij namelijk niets van hebben. Zijn vrouw en dochter vertrekken morgenvroeg voor een lange rit naar Cotonou, waar zijn dochter naar school gaat. Door de week woont zijn vrouw ook daar. Ze moeten met de VW bus die vanmiddag nog half uit elkaar lag. Het parelhoenderhok wordt leeg gehaald, wij eten er dus één van op, de rest gaat morgen mee naar Cotonou. We krijgen overigens nog korting op de maaltijd, Alfred vond de parelhoen ook erg taai. 

Het complexje heeft wat achterstallig onderhoud. Nog niet alle gastenverblijven zijn af en het zwembad is lek. Maar Alfred knoeit veel liever aan één van zijn oude auto's of grasmaaiers. Mooi kereltje. Hij verteld de verhalen uitbundig en heftig met zijn armen zwaaiend. We vragen hem hoe hij het zolang volhoudt om hier, met deze mensen, te kunnen werken en dingen voor elkaar krijgt. Hij zegt dat het inderdaad hopeloos is om met de mensen te werken, en zijn wijze les is: In Afrika is het mogelijke onmogelijk, en het onmogelijke mogelijk. En dat blijkt inderdaad maar al te vaak zo te zijn.

Hij geeft ons nog een telefoonnummer van een kennis: Heiko, een Duitser die al jaren in Abuja, Nigeria woont. Hij heeft al meerdere keren de route gereden tussen Benin en Nigeria, die wij ook vanaf hier willen rijden. We bellen Heiko of die route ook met een vrachtauto goed te doen is, nu in het natte seizoen. Zo'n 80 kilometer gaat namelijk onverhard door de heuvels in de bush. Volgens Heiko moet het kunnen, maar doe je er wel de hele dag over. Verder geeft hij de tip in Benin nog vol te tanken, want in Nigeria is, ondanks dat ze een enorm olieproducerend land zijn, nogal diesel schaarste.

We vertrekken de volgende dag richting het grensplaatsje Nikki. Onderweg bij de eerste grotere stad willen we geld pinnen. De rekening bij Camp Numi was nogal hoog, vanwege de hulp met de auto in het park. Hulp die helaas zinloos was, jammer geld. Alfred kan daar niks aan doen, hij heeft zijn best gedaan. Het lag aan de parkrangers die niet wilden luisteren. Als we het PIN-hokje samen willen inlopen, Mariska voorop, wordt Jan door de bewaker tegen gehouden. Hij zegt dat de regels zijn dat er maar één iemand tegelijk in het PIN-hokje mag. Ja prima, zegt Jan, maar wij horen bij elkaar, man en vrouw weet je wel. Niets mee te maken, zegt de man. Donder toch op met je gezeur, zegt Jan, en hij rukt zich los en gaat samen met Mariska pinnen. Niet dat ze dat niet alleen kan, maar het is altijd afwachten wat de automaat geeft, en soms moet je met beide bankpassen en creditcards in de weer om uiteindelijk genoeg er uit te krijgen om te tanken. En dan is het wel handiger als je even met elkaar kunt overleggen.

De bewaker is het er helemaal niet mee eens en haalt de militairen erbij die natuurlijk net op de hoek staan te luieren. Wat bezielt die mensen hier toch altijd? Vaak hangen er in die hokjes allerlei vage figuren rond die nooit worden weggestuurd door bewakers, en nu willen wij samen pinnen, horen duidelijk bij elkaar, maar moet het leger er weer aan te pas komen. Mariska pint en Jan zegt dat de militairen buiten moeten wachten, dat het pinnen privé is en dat ze zich er niet mee moeten bemoeien. Gelukkig weten we het opstootje weer wat te sussen, maar het gaat weer nergens om. Het wordt steeds moeilijker om respect op te brengen voor de mensen hier, laat staan voor politie en militairen.


Alfred Schmutz en Jan, bij Camp Numi

We kopen in Nikki een veel te dure verzekering voor 10 dagen in Nigeria. Er zijn in Nigeria veel roadblocks, die allemaal wat zullen zoeken om ons te bekeuren, dus zonder verzekering doorrijden is dan geen slim idee. Ook willen we in Nikki nog diesel tanken, maar alle tankstations hebben de diesel op. We kopen dan maar diesel op de zwarte markt, dat in gele vaten van 20 liter zit. Het is heel iets duurder dan legale diesel zou zijn, en je weet de kwaliteit niet. De diesel is illegaal gesmokkeld uit Nigeria, wat we dan weer niet vinden kloppen met het verhaal van Heiko, dat daar dieselschaarste is. We kopen acht jerrycans, tweehonderd liter dus. Een in mooie gewaden gekleedde vrouw, type big mamma, pakt de vaten beet en giet ze in onze tank. Een potige tante! En de kerels kijken toe. Iets buiten Nikki vragen we bij een laterietgroeve waar ze nog aan het graven zijn of we er mogen kamperen. Geen probleem. De Chinezen zijn er druk met de weg bezig, het duurt niet lang of er zal asfalt liggen. Nu is het nog een drekbende. Toevallig lezen we in een verslag van een andere reiziger die avond dat we ons Carnet de Passage in Nikki moeten laten afstempelen bij de douane, en niet 20km verderop aan de grens. Net op tijd gelezen dus, morgen maar even terug naar de douane.

VRIJDAG 24 AUGUSTUS 2012, op naar Nigeria
We komen die ochtend daar vroeg aan, het is slechts drie kilometer terug. We moeten immers nog een pittige route rijden die dag, en willen geen tijd verliezen. De chef van de douane nodigt ons uit in zijn kantoortje en hij spreekt goed Engels. Helaas deze keer. We krijgen een lange preek hoe goed de islam is. Hij verteld onder andere dat het erg goed is dat ze vier vrouwen mogen hebben. Daardoor blijven er geen alleenstaande vrouwen over die anders toch alleen maar in de prostitutie terecht komen. Daarom hebben wij zoveel prostituees in Europa, verteld hij. En zo komt er nog meer onzin over tafel, we krijgen er geen woord tussen, En we willen alleen ons stempeltje, We schuiven steeds ons Carnet wat dichterbij en proberen de man te onderbreken. Een discussie met een fanatieke moslim hebben we nu helemaal geen zin in, en het zal ons zeker niet helpen dat stempeltje te krijgen. Het duurt al met al een uur! Daar sta je dan zo vroeg voor op. We moeten ook nog even de DAF van straat halen en op het terrein van de douane parkeren, zodat hij even binnen kan kijken en de motorfiets kan zien.

En dan op naar Nigeria!

 

 Nigeria