DINSDAG 18 SEPTEMBER 2012, Gabon
Aan de overzijde van de brug melden we ons bij de immigratie van Gabon, slechts een hutje van vier palen en een rieten dak. Daar moeten we een formuliertje invullen met onze gegevens. De vragen zijn weer eens door tante Es gemaakt: wie is je vader, wie is je moeder? We krijgen geen stempel in ons paspoort, maar moeten met dit formuliertje naar de immigratiepost in Bitam, een stadje 30 kilometer verderop. Wel is er 200 meter verder een wegversperring. Voertuigcontrole. Jan opent de deur van het woongedeelte, maar zo zonder trap heeft de beambte geen zin om er in te klimmen, veel te hoog. Hij plukt een willekeurig ventje van een jaar of zestien van de straat en geeft hem opdracht de wagen van binnen te bekijken. Het ventje springt er in, en de beambte geeft vanaf buiten commando's: “ook onder de bank kijken”. Het ventje kijkt nergens, behalve wat verbaasd in het rond dan. Hij springt er weer uit en zegt dat alles “bon” is, en de beambte vind het ook goed. Die morrelt nog wel wat bij de stoel in rijcabine, en dan kunnen we gaan. Weer twee kilometer verder is de douanepost. Je moet het allemaal maar weten. Deze stempelt zonder ook maar iets te controleren onze Carnets de passage en we kunnen verder naar Bitam. Daar melden we ons natuurlijk eerst bij de verkeerde politiepost. Ze hebben er ook zo veel! De immigratiedienst is 500 meter verderop. Daar is het flink druk. Buiten staan mensen te wachten, en de eerste ruimte die we binnenkomen is een wachtruimte met een dame achter de balie. En dit is niet voor niets een wachtruimte, hier moet zo te zien erg lang gewacht worden. De dame achter de balie is natuurlijk erg druk met televisiekijken. Eén of andere goedkope soap, “Bon temps, mal temps”.

 

We melden ons aan de balie, en de dame zucht. Wij doen haar na. Ze zegt dat we een kopie van ons visum moeten aanleveren. We geven haar ons paspoort met de visa er in en zeggen dat ze maar even een kopietje moet maken. Weer een zucht. “Nee we hebben geen kopieerapparaat, je moet zelf een kopie regelen”. Weer een zucht van onze zijde:“Ja hoor eens, wie wil hier nu een kopie hebben? “Voor ons hoeft het niet zo nodig. Maar ja, een televisie is natuurlijk veel belangrijker op een politiebureau dan een kopieerapparaat.” Dit is vaker zo in Afrika, eigenlijk lachwekkend zelfs, maar tegelijkertijd ook zo triest, en we laten duidelijk blijken dat we het een belachelijke situatie vinden. Elke keer is het weer moeilijk om bij de officiële instanties respect voor het orgaan en de mensen die er “werken” op te brengen, en dat lukt ons dan ook nog steeds niet. Allemaal clowns zijn het. Stuk voor stuk incapabele mensen die zich zelf heel belangrijk vinden en ondertussen werkelijk niets uitvreten, behalve misschien hier en daar wat geld of spullen aftroggelen.


Als we aan de overkant van de straat op eigen kosten een kopietje hebben gemaakt en die bij de dame inleveren, komt er weer een diepe zucht. Ze staat op en schuifelt met het tempo van een bejaarde naaktslak naar een ander kantoortje. Ze komt weer terug met een onbegrijpelijke vraag, zucht nu eens echt diep, en dan moeten we meelopen. We zuchten weer vrolijk mee. Het blijkt dat het formuliertje niet goed is ingevuld. Ze willen exact weten welke plaatsen we allemaal gaan bezoeken in Gabon. Er hangt toevallig een kaart aan de muur, en we ratelen wat plaatsen op die we zien staan. Dat schrijven ze allemaal op dat formuliertje, en dan krijgen we een mooie stempel met een autootje in ons paspoort. De laatste keer dat ik zo'n stempel kreeg was van Juf Mieke in groep 3. Tot zover de grensformaliteiten. Altijd weer een feest. In Bitam willen we nog wat brood en ander etenswaar kopen. Geen enkel winkeltje heeft brood, dat is er pas 's avonds weer, om 21:00 uur, zegt de bakker. We lopen wat door het dorpje. Zoals de meeste dorpjes in Afrika rommelig, maar wel veel bedrijvigheid. Veel drankwinkels en cafeetjes ook. Ja, ja, bier is overal wel te koop, maar brood….da’s natuurlijk andere koek (een tweede levensbehoefte…). We parkeren de DAF in een rustig straatje, halen twee biertjes bij de bar en besluiten hier de nacht door te brengen.

 

Die begint rustig, totdat om twee uur 's nachts een gek enorm hard en zeurderig aan het jammeren is. We kunnen er niet van slapen. Mariska kijkt uit het raam en ziet een vent van in de dertig, ladderzat, met zijn spijkerjasje de smerige wanden van onze auto schrobben. Mariska roept dat hij daar mee op moet houden en dat hij naar huis moet gaan. De man reageert nergens op, kijkt Mariska niet eens aan, en gaat luid door met jammeren en schrobben. Hij is helemaal in een andere wereld.


Gabon: goede asfaltwegen door een groen, bosrijk berglandschap.


Mariska slaat vanuit het raam een keer hard met haar hand op de wand van de auto, vlak boven zijn hoofd. Hij stopt, laat zich op de grond vallen en gaat op de grond, half onder de auto keihard door met jammeren:”Whoehoewhaa, malade, malade, whoehoewhaa!” Wat een idioot. Is hij echt gek, of gewoon bezopen? Wij denken dat laatste, of een combinatie van beiden. Malade…, ziek van de alcohol ja! We wachten nog een tijdje, maar die vent gaat gewoon door, het is al tegen drieën. Jan doet flink wat koud water in de beker van de waterkoker en giet dit over zijn hoofd. Geen reactie, hij jammert lustig door. We worden al flink chagrijnig, we willen slapen verdorie! Jan kijkt de straat op en neer. Er is niemand te zien, geen opzet met een paar mannetjes om ons uit de auto te lokken. Jan gaat uit de auto, voor de zekerheid een busje pepperspray bij zich. Er komt een auto aan en die stopt even. Jan hoopt op hulp van die gasten, legt het probleem uit, maar ze halen hun schouders op en rijden verder. Jan schopt eens een paar keer zacht tegen de jammerende vent, om hem te doen opstaan en ergens anders te gaan jammeren. Maar hij reageert nergens op. Dan pakt Jan hem stevig bij het uiteinde van zijn spijkerbroek, en sleept hem aan één been de straat over 2 huizenblokken verder. De man met zijn t-shirt schurend op zijn rug over het zand. De man lacht nu en roept: “maison, maison!” hij denkt dat Jan hem naar huis sleept. Maar Jan sleept hem zo'n 200 meter verderop, waar een groot hek is met verticale spijlen, en legt hem op zijn rug voor het hek, en morrelt zijn voeten met gymschoenen tussen de spijlen door, in de hoop dat hij die niet zo gauw er weer tussenuit kan krijgen. Zo, opgelost.

 

Er komt een bewaker aan van het perceel die roept wat dat moet met die man hier. “Maintenant, ca c`est votre problem” zegt Jan. Heeft die man ook wat te doen. Wij kunnen weer rustig verder slapen. Heel in de verte horen we de man af en toe nog jammeren. Helaas duurt dat niet lang. Na een goed half uur is hij weer vlak bij ons. Zijn jasje waar hij zo druk mee aan het poetsen was lag natuurlijk nog bij onze auto. Hij jammert weer, maar nu onderbroken met hele gesprekken. We denken dat hij samen is met iemand, maar er is niemand te zien, hij praat met zich zelf. Dan begint hij luid te zingen. We overleggen dat als hij weer blijft liggen jammeren, Jan hem een andere kant op weg sleept en hem dan met zijn benen om een elektriciteitsmast legt en de veters van beide schoenen goed aan elkaar knoopt. Gelukkig slentert hij nu langzaam de straat uit en kunnen we eindelijk echt slapen.

 

De dag er op gaan we op zoek naar een plek waar we wat klusjes kunnen doen en wat was kunnen draaien, nou ja draaien, dat zal wel schrobben met de hand worden. We vinden die mogelijkheid bij een missiepost Centre Marie Dominique in het plaatsje Oyem. We krijgen er een mooie plek aan een groot grasveld aangewezen. In het midden een grote zendmast. Hier is namelijk, hoe kan het ook anders, Radio Maria gevestigd. We stemmen er op af, maar het is niet echt onze muziek. Alleen maar kerkliederen. Geen gospel, maar luchtorgeltoestanden. We moeten een paar stukken klittenband van het horgaas voor de ramen weer vastzetten. Het klittenband zelf is behoorlijk vochtgevoelig. Het zet in een vochtige omgeving dusdanig uit dat het gaat rimpelen en hier en daar de lijm loslaat waarmee het op het kozijn zit. Zo kunnen er vliegbeesten achterlangs kruipen. We gebruiken nu een soort siliconenkit dat elastischer is, waardoor  hopelijk het klittenband een beetje vrij kan krimpen en rekken, zonder te rimpelen. Ook zijn een weekje geleden onze beide kruidenrekjes van de wand gekomen, ondanks dat de wegen in Kameroen en Gabon van goede kwaliteit asfalt zijn. Het lijkt alsof de kit gewoon op een gegeven moment zijn hechting verliest. Met een tussenpoos van slechts een dag kwam eerst de één, en daarna de ander er af. We hebben wel wat worsten reservekit mee, maar deze bleken vrijwel allemaal geheel uitgehard te zijn. Maar je moet af en toe ook geluk hebben. Het bleek dat de Zwitserse Daniele, waar we de drekroute Ekok-Mamfé mee hebben gereden, produktontwikkelaar bij Sika in Zwitserland is. Sika is de fabrikant van de professionele kitsoorten waarmee onder andere onze hele opbouw van de vrachtwagen mee aan elkaar gelijmd is. En natuurlijk had hij enkele proefverpakkingen superkit bij zich die geschikt is voor een zeer stevige hechting op RVS zonder primer te hoeven gebruiken. Dus daarmee plakken we de kruidenrekjes opnieuw vast, en ook een steuntje van de zonnepanelen dat los is gegaan. Mariska doet dus nog de was en Jan schroeft de markeringsplaat weer achter op de bumper. Zo zie je maar, hier wordt ook af en toe gewerkt. De kosten voor deze overnachtingen bij de missiepost zijn een vrijwillige donatie.

 

We blijven zo drie nachten staan bij de missiepost en rijden dan weer een flink stuk verder. De grote verbindingsroutes in Gabon zijn van mooie kwaliteit asfalt. Helaas regent het aldoor, dus om nog iets te ondernemen, bijvoorbeeld een natuurpark te bezoeken, hebben we zo niet veel zin in. Wat wel scheelt is dat ze ons bij de vele politieposten makkelijker doorlaten. Ze hebben ook geen zin om nat te worden. Gewoon doorrijden en zwaaien naar de agenten zoals we in de overige landen meestal deden is hier vaak niet mogelijk. Ze hebben oliedrums op de weg met daaroverheen lange stokken als blokkade. Of soms zelfs spijkerplanken. De politieagenten hier in Gabon zijn niet echt vervelend of corrupt. Ze willen wel telkens je papieren zien en zijn vaak gewoon nieuwsgierig en willen dan persé achterin kijken. Dat duurt altijd weer even, en op een gegeven moment, vooral als het om de vijf kilometer is, ben je het wel een keer zat. Het is één grote poppenkast, die politie in Afrika. Ook zien we langs de wegen veel bushmeat hangen. Vaak een soort grote ratten, ook wel grasscutters genoemd. Ze lijken wel op bevers, maar dan met een gewone rattestaart. Steeds vaker zien we ook antilopen en apen in verschillende maten er bij hangen.

 

We staan ergens langs de doorgaande weg en zijn net klaar met de lunch, die we vanwege het weer maar binnen hebben genuttigd, als er luid geclaxoneerd wordt naast onze auto. We kijken naar buiten en het blijken Karl en Susanne met hun Mercedes Sprinter 4x4 Iglhaut te zijn! Wat een toeval en wat een verrassing! We hebben ze ontmoet bij Chez Alice in Togo, vanwaar zij naar Ghana zijn gereisd, en wij naar Benin. Ook zijn hun reisvrienden uit Zwitserland, Maria en Robert, met hun fraaie Landrover Defender 130 met enorme opbouw, erbij. We maken ook met hen kennis en praten even kort bij. Zij zijn op weg naar de hoofdstad Libreville, om te kijken of ze daar hun visum voor DRC kunnen krijgen. Ze vragen of we zin hebben om samen met hen door de beide Congo's en eventueel Angola te rijden. We vinden dat een goed idee, maar wij hebben het visum voor DRC al, alleen die van Angola niet. Dus of het allemaal gaat lukken samen is niet zeker. Ook twijfelen we nog of we een dagje nationaalpark Lopé ingaan, waar dril apen en laaglandgorillas te zien zijn. We spreken af ze in Libreville te ontmoeten.

 


De rivier Ogooué, op weg naar nationaal park Lopé

Na een uurtje kletsen rijden ze verder, en wij ook vlak er na. Bij de afslag naar nationaalpark Lopé stoppen we even om te informeren bij de mensen die in de hutjes bij de afslag wonen. De piste naar het park toe zou ook nu in het regenseizoen goed te doen zijn, volgens de mannen. In het park kan het minder goed zijn, en we hebben onze avonturen in Pendjaripark in Benin nog vers in het geheugen. Je kunt er een Landrover met chauffeur huren, zeggen de mannen. En om de gorilla's te zien moet je sowieso een gids inhuren. Dat wordt dan een mooie dure bezigheid, want alleen het zien van de gorilla's schijnt al 200,- US dollar p.p. te kosten, en daar komt parkentree en eventueel huur van de Landrover nog bij. Dat is dan nog een schijntje in vergelijking met het zien van de hooglandgorilla's in het Virungagebergte op de grens van Rwanda en Congo, maar wij vinden het al heel wat. Ook hoorden we van de Zuid-Afrikanen Koos en Sonja dat je per “sighting” betaald. Zie je bijvoorbeeld de gorilla's op de eerste dag, en op de tweede dag nog een keer, dan betaal je weer 200,- US dollar. Hmm, weet niet of dat onze manier van wild beleven is. We vinden vooral de prijs wild, maar dat komt allemaal ten goede van het behoud van de diersoort, moet je maar denken.

 

Ook is het nog even krap aan met onze dieselvoorraad, we hebben al geruime tijd geen tankstation meer bezocht. Naar het park toe is een kleine 80km, en dan tot de gorilla's nog eens 40km. En dat moeten we ook weer terug, en tanken kunnen we hier niet, en daar ook niet. Dan zouden we eerst 40km de hoofdweg verder moeten rijden naar het eerste grotere dorp, daar tanken, dan weer 40 terug, en dan nog de 120km v.v. De mannen zeggen dat er op de piste naar het nationaalpark toe ook al vaak dril apen langs de weg te zien zijn, en dat je waarschijnlijk wel ergens diesel uit vaten kunt kopen.


We besluiten de piste maar eerst eens een heel stuk in te rijden, en onderweg alsnog een beslissing te maken. Eerst willen de mannen ons nog wat interessants laten zien. Ze hebben een slang gevangen. Mariska weet allang wat ze met die slang van plan zijn en wíl deze om die reden niet eens bekijken. Ze moeten vooral niet denken dat toeristen dit leuk vinden. Dierenliefde bestaat hier niet! Ze nemen Jan mee naar een bak met een glasplaat er over. In de bak ligt een kleine python, nog geen meter lang, amper duimdik. Ze hebben hem hier ergens gevangen en Jan vraagt wat ze er mee gaan doen. Groot mesten en opeten, zeggen de mannen trots. Natuurlijk, wat anders?

 

We draaien de piste in, die gelijk begint met een mooie stalen boogbrug over de rivier. De piste is behoorlijk goed en breed. Geen zand of modder, maar gravel. Echter niets anders dan wasbordribbels, maar met wat lucht uit de banden en je snelheid aanpassen is het redelijk te doen. De natuur is schitterend. Echt dichte jungle. We zetten de auto voor de nacht neer bij een kleine afgraving iets van de piste af, tussen enorme bomen. Een van die bomen lijkt wat wankel te staan, maar zal het hopelijk voor vannacht nog wel houden. Behalve vogels zien we geen wild, wel te gekke geluiden uit het bos, prachtig. We vervolgen de route de dag erop en de natuur is echt schitterend. Het dichte oerwoud wordt afgewisseld door grasvlakten. Het is heuvelachtig en we rijden parallel aan een mooie rivier. We hebben van andere reizigers een waypoint voor een bushcamp in onze navigatie staan en we zoeken deze op voor de lunch. We rijden een kort smal paadje over een heuvelrichel op en komen op een prachtig plekje met uitzicht over de rivier en een heel stuk landschap er omheen. De rivier heeft vele witte zandstrandjes en kronkelt mooi tussen de heuvels door. We besluiten om hier maar gelijk voor de nacht te blijven staan. We eten buiten en zitten ook nog lang buiten bij kaarslicht. Het is heerlijk afgekoeld door de wind, ook binnen in de auto.

 

We hebben besloten het hele gorillabezoek maar te laten voor wat het is. We rijden het gravelpad weer terug naar de hoofdweg. Het regent een beetje. Als we nog niet zolang weer op de hoofdweg rijden zien we tot onze verbazing een paar gorilla-armen en benen hangen, te koop als bushmeat. Wel verdorie, toeristen vragen ze 200,- dollar onder het mom van bescherming van de diersoort, en die lui hier stropen ze gewoon om op te eten. Dat is makkelijker dan geit, of voor mijn part een python groot brengen.


Ongelofelijk. We waren niet zo naïef dat we dachten dat het stropen van gorilla's helemaal niet meer voorkwam, maar dat het zo open en bloot gebeurt, hadden we niet verwacht. Het leek ons een schimmige handel die in afgelegen dorpjes voorkwam, maar het hangt gewoon langs de hoofdweg, waar zowel de politie als de parkrangers zelf langskomen. En ze weten allemaal drommels goed dat het een dier is dat ernstig met uitsterven bedreigd is. Er hangen overal informatieposters van WWF bij de politie en douaneposten hier, waar dit duidelijk op te zien is. Het interesseert ze echt niks. We maken er op afstand een filmpje van en rijden nog steeds verbaasd verder (voor filmpje klik op volgende link: Verkoop gorilla vlees). Waarom doet niemand er wat aan. Het is zo makkelijk die verkopers op te pakken en na te gaan hoe ze aan die gorilla zijn gekomen. We spreken er even later over met een agent, en triomfantelijk bevestigd hij dat ze de gorilla's hier eten. En de toeristen maar wat wijs maken voor 200,- dollar, hoe goed ze werken aan het behoud van de soort. Wat dat betreft zijn we blij dat we aan die poppenkast niet hebben meegedaan. Bah!


Een eindje verderop zien we een bordje staan met een Franse tekst eindigend op equateur. We dachten dat er stond “u nadert de equator” maar er komt geen bordje met “equateur” meer, en volgens onze gps zijn we ook al over de evenaar heen. Das jammer. We zijn de evenaar wel vaker gepasseerd, maar nog nooit met de auto over land. Was wel leuk om er even een fotootje van te maken, maar goed, dat doen we dan wel als we in oost-Afrika de evenaar weer passeren als we naar het noorden rijden.


We rijden verder naar Libreville, de hoofdstad van Gabon. Eigenlijk hebben we er niets te zoeken, weer een grote vieze Afrikaanse stad. Maar toch willen we, misschien wel tegen beter in, proberen om hier bij de ambassade van Angola een visum te krijgen. De weg de stad in is een smalle kronkelweg vol gaten en kuilen. Dan een enorme bult zand met afval waar een markt op en om is. De weg kronkelt er onduidelijk omheen. Nee, je komt hier niet echt voor de lol.


Onderweg naar nationaal park Lopé

 

Bij de ambassade willen ze ons eerst afwimpelen met hetzelfde verhaal als overal: je moet inwoner van Gabon zijn om hier wat voor elkaar te kunnen krijgen. Jan zeurt nog wat door en krijgt het voorelkaar om een hogere chef te spreken. Deze is een stuk vriendelijker en nodigt ons uit in zijn royale kantoor. Hij luisterde naar ons verhaal en snapte ons probleem, maar kon ons direct niet helpen. Wel verzekerde hij dat we in Matadi en in Pointe Noire ons visum zouden kunnen krijgen. We geloofden er niet zo in. We kennen inmiddels teveel verhalen van mensen die weken tevergeefs in Pointe Noire een visum hebben proberen te krijgen. Over Matadi hoor je eigenlijk niets, we kennen slechts één iemand die het daar heeft gehaald, maar dat was al ruim twee jaar geleden. We vragen de ambtenaar om of hij voor de zekerheid niet even wil bellen met die ambassades. Dat doet hij, maar bij beide krijgt hij geen gehoor. We zijn dus niet de enige met dat probleem. Wel zegt hij een dame die over visa gaat in Matadi goed te kennen. Hij geeft ons zijn visitekaartje mee, en een kopie van de hare, en verzekert ons dat we daar zonder problemen ons visum kunnen krijgen. Nog steeds zonder tastbaar resultaat verlaten we de ambassade. In ieder geval was de man behulpzaam en aardig, heel wat anders dan alle andere Angolese ambassades en consulaten tot nu toe, die van Rotterdam incluis. Nu maar hopen dat het echt waar is. Het consulaat in Pointe Noire hebben we geen hoop op, dus dat gaan we niet eens proberen. Matadi ligt op de grens met Angola en is voor ons echt de laatste mogelijkheid. Daarvoor kunnen we het nog proberen in Dolisie, een stadje in Congo Brazza, waar ook een consulaat is. Andere Nederlanders is het daar een maand of vijf gelden ook gelukt, maar slechts een doorreisvisum van 5 dagen. Dat is erg kort voor zo'n groot land als Angola. En anders moeten we weer omkeren. We zullen zien.

 

Intussen hebben we van de Zwitsers en Oostenrijkers een sms gehad met de coördinaten waar zij op dit moment zitten. Bij The Beach Club in Libreville. We rijden er ook heen. Het is een luxe club met een mooi zwembad en een fraai terras. Van de jonge Belgische eigenaresse mogen we tegen een kleine vergoeding op de omheinde parkeerplaats staan, en van de faciliteiten gebruik maken. Ook wel weer even relaxed. Het is een prettig weerzien met de Alpenlanders, en we drinken eerst samen een paar biertjes. De parkeerplaats is eigenlijk de voormalige tennisbaan. Grappig, om midden op de tennisbaan te kamperen, tussen de strepen en onder hoge lichtmasten.

 

WOENSDAG 26 SEPTEMBER 2012, Albert Schweitzer Hospitaal in Lamabéné
In de ochtend vertrekken we met het convooi van drie auto's. Voor ons even wennen, we zijn al om 9:00 uur op pad. Dan gaan we normaal misschien net aan het ontbijt. Eerst allen even de watertank volgooien, en dan de dieseltanks. De langzaamste voorop, en dat zijn wij, de Landrover en Mercedes Sprinter zijn veel sneller. We moeten om de stad uit te komen een paar viaducten over, die beperkt zijn tot 3,5 ton. Wij moeten er dus omheen, wat bij de volgers wat verwarring geeft. Als we op de rand van de stad zijn, zijn we de achterste auto, Karl en Susanne, al kwijt. We rijden samen met Robert en Maria een eind de stad uit in de afgesproken richting, tot er maar één straat over is en daar wachten we op een rustig plekje op Karl en Sussanne. Het blijkt dat er vlak voor hen een ongeluk is gebeurd, en dan loopt zo'n stad gelijk vast. Gelukkig hebben zij niets en met een compleet convooi rijden we weer verder. Ons doel vandaag is Lambaréné.

Dat moet gemakkelijk lukken. Wel blijken we niet eens de langzaamste van het convooi te zijn. De achterhoede raakt geregeld uit zicht. Waarschijnlijk rijden zij bij elke paar hutjes langs de weg, dat hier een dorpje heet, netjes de aangegeven 60km/hr. Wij vinden dat gek genoeg nogal gevaarlijk. Lokalen houden zich hier absoluut niet aan, en rijden gewoon 80 à 100 km/h. Dus ze gaan je hoe dan ook inhalen in die dorpjes, of het kan of niet, en of ze langs je heen kunnen zien of niet. Dat geeft nogal eens rare acties.

 

In Lambaréné is het beroemde hospitaal van Albert Schweitzer. We komen aan op een groot grondstuk met verschillende gebouwen die de verschillende afdelingen van het tegenwoordige hospitaal herbergen. We mogen op een stukje gras kamperen in ruil voor een vrijwillige donatie aan het hospitaal en/of het museum. Als de auto's eenmaal goed staan, het grondstuk is niet echt vlak (dus de bekende gele Fiamma-blokken die we sinds de Moezel niet meer hebben gezien komen tevoorschijn), lopen we eerst een eind over het grondstuk. 

 


Studeer- en slaapkamer van Albert Schweitzer
Pas morgen bezoeken we het museum en het oude hospitaal, dat Albert vanaf 1913 heeft opgebouwd. Het grondstuk ligt fantastisch in een bocht aan de rivier de Ogooué. Hij heeft wel een heel mooi plekje uitgezocht. We bezoeken zijn eenvoudige graf waar hij in 1965 begraven is. Naast hem liggen zijn vrouw en dochter en naaste medewerkers begraven, waaronder ook twee Nederlandse zusters.

Iedereen maakt vanavond zijn eigen prakje klaar en we eten samen buiten. Het is erg gezellig. Het is ook erg warm. Boven onze hoofden zijn de wevertjes druk bezig met hun nestjes en ze schetteren het uit. We krijgen telkens grassprietjes op ons hoofd die ze laten vallen. De volgende dag bezoeken we het museum en we zijn allen behoorlijk onder de indruk. Wie Albert Schweitzer was en wat voor onvoorstelbaars hij gedaan heeft in zijn leven gaan we hier niet allemaal beschrijven, dat is prima op internet op te zoeken voor de geïnteresseerden. En hoewel we niet zo'n voorstander zijn van allerlei hulpprojecten in Afrika, wij vinden dat de mensen zichzelf moeten ontwikkelen op de manier zoals zij dat willen, is dit toch iets anders. Dit was niet een kortstondig projectje van een paar jaar om de mensen iets te leren wat ze niet willen leren, maar gewoon directe medische hulp, waar hij zijn hele leven aan wijdde. De oude kliniek in nog helemaal intact, het is onvoorstelbaar en heel interessant.  Onderzoekskamers, voorraadkamers met oude medicijnen en zelfs de operatiekamer en de tandartspraktijk zijn nog helemaal in originele stijl. Je waant je zo in een kliniek van de jaren vijftig/zestig. En niets kijken vanachter een touwtje, je loopt er zo tussendoor. Ook de slaap- en werkkamer van Albert zijn net of hij elk moment binnen kan stappen en aan zijn werk gaat. Geweldig indrukwekkend, en wat een respect voor wat hij gedaan heeft. Heel interessant en zeker de moeite waard om te bezoeken.

 

We rijden verder richting Congo. Eerst nog flink wat boodschappen inslaan. Het landschap is mooi. Afwisselend jungle en open vlakten. Hier en daar zijn onverharde zijwegen. De Zwitsers en Oostenrijkers kamperen normaal gesproken niet in het wild. We vragen voorzichtig of ze het eens willen proberen, zo met drie auto's lijkt het al een stuk veiliger. Gelukkig, ze willen het wel proberen. We hadden een klein stukje terug een mooi paadje gezien en draaien om. We rijden een eindje het gravelpad af, en komen op een open vlakte. Die rijden we over en we slaan kamp op tegen een bosrand. Een prachtig mooi plekje met weids uitzicht, zonder dat we vanaf de weg zichtbaar zijn. Susanne zeg dat ze het prachtig vind, de rust en de ruimte. Karl en Robert bespreken de gevaren. Leeuwen, mensen etc. We hebben een gezellige en zeer rustige avond. Bijna volle maan en behalve insectengeluiden niets te horen.

 

Wij willen de volgende dag eigenlijk nog even een eind het pad inlopen dat net achter ons kamp de jungle in gaat. Het is een logging trail, en daarmee een van de weinige mogelijkheden om de dichte jungle in te kunnen. Helaas willen de anderen al vroeg weer verder. Dat is dan weer het nadeel van het rijden in convooi. Omdat wij toch een stuk sneller zijn, rijden de anderen ongeveer een uur eerder weg dan wij, waardoor wij nog even kort de gelegenheid hebben om het pad in te lopen. Mooi hoor die dichte jungle en al die vogelgeluiden.

 

We halen onze alpenvrienden onderweg ergens weer in, en samen doen we nog wat laatste inkopen op de markt in het plaatsje Mouila. Direct na Mouila gaat de mooie brede asfaltweg over naar een 1,5 laans laterietweg. De snelheid van onze medereizigers neemt nog meer af want hun wagens klapperen het uit over de kuilen en de wasbordribbels. Met onze grote ballonbanden op de vrachtwagen hebben we daar wat minder last van. We laten ongeveer een bar lucht uit de banden lopen en dat vangt de klappen aardig op. Halverwege wordt er aan de weg gewerkt, asfalt is in aantocht.

 

In Ndende, 48 kilometer voor de grens, is de eerste uitstempelpost van Gabon. Het paspoortstempel. Het kantoor van de immigratiedienst is gesloten. Omstanders zeggen dat het zo weer opengaat, en dat is inderdaad het geval. Een vriendelijke man stempelt ons vlot uit, nadat we allemaal hetzelfde formulier als bij binnenkomst van het land nog een keer invullen. Ongeveer tien kilometer verderop is er weer een post waar we ons Carnet de Passage laten uitstempelen. Ook vriendelijk en vlot. Dan nog eens 10 kilometer verder is er een post die ons halve paspoort overschrijft op een los A4-tje, en die nog even binnen in de auto wil kijken. Vreemd dat ze die formaliteiten over zoveel kilometer uitsmeren. En je moet maar weten waar wat moet en waar ze zitten, want die kantoortjes zitten niet allemaal langs de straat met een slagboom. Soms moet je er in een dorp echt naar op zoek.

 

Alle grensformaliteiten gingen dus erg gemakkelijk, en zo zit Gabon er al weer op voor ons. Eigenlijk veel te snel voor zo'n mooi land. Maar het regenseizoen zit ons op de nek, en ook de geldigheid van de visa voor Congo Kinshasa.


Heerlijk rustige bushcamp aan de bosrand. Dat is beter dan bij een lodge!

 

 

Congo