VRIJDAG 28 SEPTEMBER 2012, Republiek Congo
Congo Brazzaville wordt voor ons een doorreisland, net als Congo Kinshasa. We noemen de landen  zo om een makkelijk onderscheid te maken tussen Republiek Congo en de Democratische Republiek Congo, het voormalige Belgische Congo of Zaïre. Men zegt dat het niet de prettigste landen zijn om te verblijven qua veiligheid, en het wegennet is behoorlijk miserabel en voorzieningen als ziekenhuizen, garages en dergelijke minimaal. Mede daarom hebben we besloten om in te gaan op het verzoek van onze “Alpenfreunden” om met hen in een klein convooi te reizen. Dit met de Karl en Susanne uit Oostenrijk in hun Mercedes Sprinter 4x4 Iglhaut en Robert en Maria uit Zwitserland in hun Landrover 130 Defender. En natuurlijk voor ons met name voor de gezelligheid, het zijn erg aardige en avontuurlijke 50-60ers, en voor ons na lange tijd alleen gereisd te hebben is het wel leuk om aanspraak van andere reizigers te hebben. Maar beide echtparen zien een beetje op tegen de Congo’s en zagen het wel zitten dat wij met ze mee zouden rijden. Nou, gezellig toch!

 

Alle grensformaliteiten om Congo Brazzaville binnen te komen zijn simpel en zonder gedoe. Vier postjes waar je je moet melden, allen dicht bij elkaar. Aardige mensen, veel stempeltjes en geen voertuigcontrole. De weg wordt na de grens nog wat minder qua kwaliteit. Niet echt onderhouden. Een piste met afwisselend goede stukken lateriet en dan weer zandstukken met vrij diepe modderkuilen. Gelukkig is er nog niet teveel regen geweest dus veel modder is al weer hard opgedroogd, in sommige kuilen staat nog wat water. Je kunt aan de diepe opgedroogde sporen van auto's en vrachtwagens goed zien dat het hier ook wel eens anders is. Het landschap is niet spectaculair en bij vlagen zelfs wat saai, hoewel we ook mooie vreemde glooiende heuvels zien. Het dierenleven wat we zien is beperkt tot wat vogels en hagedisjes, en geiten natuurlijk.



Op de voet gevolgd door onze "Alpenfreunden"

Onze alpenvrienden is gisteren het bushcampen schijnbaar goed bevallen, ze sporen ons nu zelfs aan om een goed plekje te vinden, en dat in Congo. De meeste reizigers rijden hier van missiepost tot missiepost om daar achter de hekken te overnachten. Wij rijden telkens zo'n twintig minuten voor op de anderen, af en toe, vooral bij lastige punten in de weg wachten we even, vooral om te filmen hoe zij de obstakels als diepe geulen nemen. Maar mocht er hulp nodig zijn, dan staan we paraat. Het is lastig om hier een goede bushcampplek voor drie auto's te vinden. De randen langs de weg zijn vaak te hoog of te diep, of het gras of het struikgewas te hoog of te dicht op elkaar of we zitten te dicht bij een dorp. Voor ons is het iets makkelijker een goede spot te vinden omdat we wat hoger zitten dan de anderen, en we kunnen over de wallen langs de weg kijken voor een plekje.

 

We zien op een gegeven moment een afgebrand grasstuk dat redelijk vlak is en groot genoeg voor drie auto’s, nagenoeg niet zichtbaar vanaf de weg. Maar je moet eerst over de wal naast de weg, en dan door een regengeul. Echt even een klein stukje bushrijden. We wilden eerst op de anderen wachten om te overleggen, maar dan zegt Jan dat het beter is om onze auto er vast neer te zetten, anders zeggen de anderen, die toch wat voorzichter zijn, misschien dat het niet mogelijk is om er te komen. Als onze auto er staat willen ze er vast niet voor onder doen. En het blijkt te werken. Als na een klein half uurtje de anderen er ook zijn, fronsen ze eerst even. “Dat jullie daar in rijden, dat had ik nooit gedaan”. Maar na een paar minuten staan ze met hun auto's naast de onze en hebben we weer een prachtig bushcamp. We zitten weer de hele avond met zijn allen buiten onder een heldere hemel met een bijna volle maan.

 

De alpenlanders vertrekken de volgende morgen al weer bijtijds, om 8:50 uur. Wij wachten nog op de avocadoverkoper. Een man die gisteren langsliep en vroeg of we belang hadden bij wat avocado's. We hebben afgesproken dat hij vanmorgen maar om 9:00 uur langs moet komen. Hij brengt ons bij zijn huisje een klein stukje verder, waar we eerst kennismaken met de hele familie. Oma vind het allemaal prachtig en lacht ons vriendelijk toe zonder tanden. De avocado's stellen helaas niet zo veel voor. Erg klein en niet zo fraai. Na wat onderhandelen over de prijs kopen we er 12, vier voor elke stel, voor 2,50 euro en vijf pennen. We hebben de anderen al weer redelijk snel ingehaald. Voor hun auto's met veel minder grondspeling als de onze is de weg gewoon wat lastiger. Zij moeten nogal eens lastig manoeuvreren bij diepere watergeulen waar wij er gewoon recht over kunnen.

Weer hebben we opdracht gekregen om een mooie bushcamp te zoeken. We zijn er blij mee, we staan veel liever in de vrije natuur dan achter hekken bij een missie of lodge. Ook maakt het dat je niet om een bepaalde tijd ergens hoeft te zijn. Het geeft je veel meer reisvrijheid. Vertrekken wanneer je wilt, stoppen wanneer je wilt. De Oostenrijkers en Zwitsers houden een redelijk vast schema aan van vroeg vertrekken en doorrijden tot een uur of vier à vijf in de middag, zonder middagpauze. Wij hebben nog steeds vakantie dus weven we ons eigen losse schema daar door heen. We vertrekken dus meestal iets later. Halen hen dan in. Rijden tot we zin hebben aan wat te eten en houden ongeveer een uur middagpauze met thee en brood. De anderen hebben ons dan weer ingehaald, en tegen dat het tijd wordt om een plekje voor de avond te zoeken zijn wij weer een half uurtje voor op hen. Zo kunnen we toch een beetje ons eigen rustige reistempo aanhouden. Karl had Robert al verteld dat wij zulke langzame reizigers zijn. “Ja, ja” zegt Robert, “Der langsame Jan, der sein LKW wie ein Go-kart fahrt.” Toch rijden we niet zo hard, maar de slechte wegen zijn blijkbaar een stuk gemakkelijker te berijden met een truck met grote ballonbanden dan met kleinere 4x4's.

 

 

Toch is de weg best goed te doen en er is praktisch geen tegenverkeer, behalve wat loggingtrucks dan. Wel zijn er hele stukken met heel mul zand, meer stof eigenlijk. Het golft als water voor de auto's uit en laat een stofwolk achter waar je echt niets meer door ziet. We vinden weer een heel mooi plekje voor de nacht: een looppad afrijden tussen hoog gras door, dat achter een heuvel en wat bosjes op een mooi vlak stuk uitkomt. Natuurlijk wel weer de nodige reacties: “moeten we dáár in rijden?” “Ja ja, gebruik die 4x4 campers maar eens waar ze voor gemaakt zijn” is ons antwoord. En weer lukt het gemakkelijk, met als enig obstakel de wal langs de weg waar ze even over moeten. Robert moet daarbij goed oppassen dat zijn elektrisch inklapbare trapje aan de achterzijde dan niet de grond raakt, maar op 2cm na gaat het net.

 

De omgeving waar we staan is prachtig. Gladde ronde heuvels met gras, die abrupt uit een vrijwel vlak landschap oprijzen. Echt mooi. Er staat een lekkere koele wind. Dikke wolken pakken zich in de verte samen tot een zwarte massa. Wij krijgen slechts enkele spetters mee. Deze avond eens vroeg naar bed, het is goed slapen bij deze koelte. Karl is 's avonds nog in de weer met zijn achterveren. “Die piepen zo hinderlijk tijdens het rijden” zegt hij. Jan en Robert zeggen hem dat ze dat overdag niet zo erg vinden, maar dat ze telkens wakker worden als die veren van Karl's auto 's nachts zo piepen...

Susanne bloost eerst een beetje, maar dan zegt ze scherp: “Ach ja, dass dauert ja nur zwei Minuten...”


Uitzicht op de heuvels vanaf ons bushcamp

 

ZONDAG 30 SEPTEMBER 2012, Dolisie

We rijden vandaag verder naar Dolisie om te kijken of we daar ons visum voor Angola kunnen krijgen. Onze alpenvrienden hebben dat visum al, maar die van Congo Kinshasa nog niet. Ze wilden eerst naar Pointe Noire rijden, maar wij hadden daar absoluut geen zin in. We horen niets dan slechte verhalen om daar je visum te krijgen, zowel die van Angola als die van Congo Kinshasa. Ze rijden nu met ons mee naar Dolisie (ligt toch op de route) om het daar ook te proberen, hoewel we nog niet weten of er überhaupt een Congolees consulaat is. De weg is redelijk, wel veel stof en aardig wat wasbordribbels, maar we kunnen toch zo'n 50km/uur gemiddeld aan houden. Er komen ons veel grote trucks met enorme boomstammen tegemoet. Allen met Aziaten achter het stuur. Ook containerwagens met Aziaten achter het stuur. Soms hele convooien van tientallen auto's. Op de stoffige stukken is dat erg irritant, je ziet echt niets meer, en moet alle ramen goed dicht houden anders stik je er nog van.

 

Vooraan in Dolisie wachten we op de alpenlanders. We willen er bij een missiepost gaan staan, zodat we morgen in alle rust op zoek kunnen naar het consulaat van Congo Kinshasa en van Angola, en dat de wagens veilig achter blijven. Robert rijdt voorop en hij zegt dat hij stopt bij de eerste de beste grote kerk die hij ziet. Dat blijkt de St. Paul te zijn, waar we op een mooi grasveldje mogen staan bij een voormalige, leegstaande kostschool. Ze laten ons nog de douche en wc's zien die we mogen gebruiken. Dat ziet er niet erg prettig uit, het lijkt meer op het sanitair in een concentratiekamp. Een groot dicht gebouw van grauw, kapot beton met allemaal half open hokjes. Verschrikkelijk. Het water loopt aan alle kanten langs de leidingen, maar uit de kranen en douchekoppen komt praktisch niets. Voor ons maakt het niet uit, we hebben onze eigen voorzieningen, en we zijn al lang blij dat we een plekje hebben om te staan hier in het stadje.

 

De dames gaan samen het dorp in om brood te halen, de heren prutsen wat aan de wagens en verlichten deze door wat van de biervoorraad te nuttigen. 's Avonds is het weer gezellig en bespreken we onze tactieken om aan de begeerde visa te komen. Wij die van Angola, zij die van DRC. Allen gaan we proberen de door ons geplande route van Dolisie naar Luozi te rijden, om daar het pontje over de Congo te nemen, en vanaf daar verder naar Matadi om daar Angola in te gaan. Zo skippen we de drukke vieze hoofdsteden Brazzaville en Kinshasa, en worden we niet genaaid om een veel te dure pont over de Congo te nemen. Van een Zuid-Afrikaan die we in Bamako hebben getroffen hoorden we dat we voor 20 US dollar met de vrachtwagen in Luozi naar de overkant kunnen, terwijl we al van anderen horrorverhalen hoorden van pontjes die tot 700,- US dollar vragen voor een gewone 4x4. Tussen Brazzaville en Kinshasa gaat ook een pontje, maar het water is er te laag zodat je vanaf de kade niet zo de pont op kunt rijden en je er met een hijskraan op gezet moet worden. De kraan kan maar 6 ton tillen (toen die nieuw was) dus voor onze truck is dat geen optie. Andere Zuid-Afrikanen die dit voor heel veel geld gedaan hadden met een 4x4 pick-up, hadden door het geweldige vakmanschap van de verladers ook nog schade aan de auto opgelopen. Vandaar dus via Luozi naar Matadi.

 

De man van de missiepost is zo vriendelijk om ons de volgende morgen bijtijds bij de consulaten van DRC en Angola af te zetten, We springen dus met zijn allen achter in zijn pick-upje en hij zet ons eerst allen af bij het kantoortje van DRC. Het is een vrolijk opgeschilderd klein vierkant gebouwtje op een zanderig stukje grond. Er is niemand aanwezig. We wachten een tijdje en wat omstanders gaan al aan de gang om “de president” op te sporen. Dit schijnt geen echte ambassade of consulaat te zijn, maar waarschijnlijk kan de man wel wat regelen. Wij tweeën wachten er niet op en laten ons afzetten bij het consulaat van Angola. Dat ziet er echt weer niet uitnodigend uit. Het loketje waar we ons moeten melden zit werkelijk op kniehoogte. We weten dat er in deze contreien pygmeeën wonen, maar dat de loketjes daar speciaal op aangepast worden? We zitten dus buiten in het stof op onze hurken om te kijken wie er binnen in het kabouterhuisje zit. Daar zit een mannetje druk televisie te kijken. Op de ruit zit een A4-tje geplakt met een tekst in het Frans waaruit we opmaken dat ze steeds vaker reizigers krijgen uit Europa die hier komen vragen om een visum voor Angola, maar dat dat hier niet meer wordt afgegeven, en dat ze zich in Point Noire of Brazzaville moeten melden. Daar hebben we dus echt geen zin in. Zoals al eerder vermeld hebben we veel te veel mensen gesproken die het niet gelukt is in Pointe Noire, en bovendien moet je daar ook nog multiple entry hebben voor Angola en voor DRC, omdat je dan eerst door de Angolese enclave Cabinda moet. En in Brazzaville wordt iedereen geweigerd die over land reist, Ze willen namelijk een vliegticket zien.

 

En als je de weg Pointe Noire-Dolisie-Brazzaville bekijkt, die rij je echt niet even op en neer om te kijken of het daar ook lukt. Dat is zo'n 700 km stoffige wasbordpiste, echt belabberd. Moet je je voorstellen dat Pointe Noire de zeehaven is van Congo, en Brazzaville de grote hoofdstad 700km inland, en de hoofdverbinding is zo'n beroerde weg. Langzaam wordt die weg nu verbeterd en uiteindelijk geasfalteerd door de Chinezen, maar dit had toch allang en goede geasfalteerde weg moeten zijn. Maar meneer de president heeft andere prioriteiten. Het is belangrijker dat er asfalt ligt in het dorpje waar hij geboren is en waar zijn moeder woont. We staan dus nog bij het loketje en laten ons niet afwimpelen door een A4-tje. Nog niet zo heel lang geleden had een ander Nederlands stel hier ook na heel wat gepraat hun doorreisvisum gekregen. Die hadden wel het geluk, dat ze hulp hadden van een groep Angolese motorrijders die voor hen gelobbyd hebben. We hebben de aandacht van het mannetje. Hij bekijkt onze Letter of Invitation, en ziet dat deze gericht is aan het consulaat in Rotterdam en niet aan het consulaat in Dolisie. We leggen uit waarom  en dat het er eigenlijk niet toe doet, het gaat om het visum voor hetzelfde land. Nee, niet goed zegt de man. We zeuren nog wat maar hij gaat gewoon weer televisie zitten kijken. We lopen terug naar onze auto, gelukkig is het niet ver. Daar veranderen we in de computer de papieren en zorgen dat de Letter of invitation gericht is aan Dolisie. Ook maken we een brief die zogenaamd van ons ministerie van buitenlandse zaken is waarin staat dat ze ons vrije doorgang moeten verlenen. We gebruiken daarvoor de Franse tekst die voor in elk Nederlands paspoort staat, en zetten er een paar officiële logo's boven die we al eerder gedownload hebben.

 

We gaan er direct weer mee naar het consulaat, waar we vijf minuten voor twee arriveren. Het zou om twee uur sluiten. Het loketje is nog open, en zittend op onze knieën kunnen we zien dat het mannetje op de plas loopt en ons ook ziet. Maar hij komt niet naar ons toe. Pas tegen half drie komt hij naar ons toe om te zeggen dat ze gesloten zijn. Grrrrr, Jan schuift de papieren tussen het luik voordat hij het dicht kan schuiven en zegt dat we ruim op tijd hier waren. Vermoeid van niets kijkt het mannetje naar de papieren. Hij klaart er wat van op, vooral van de naam Dolisie, en zegt dat we ons de volgende morgen met deze papieren moeten melden, en dat we dan door mogen naar het kantoor om te praten met de beambte die er over gaat. Nou, het lijkt er op dat er misschien toch iets mogelijk is.

 

 



Ons kamp in Dolisie
Terug bij de auto's zijn onze alpenvrienden er nog steeds niet. We denken al dat ze ergens in de stad naar een restaurant zijn. Pas tegen half zes komen ze moe van het gezeur ook aangedrenteld. Ze zijn de hele middag bezig geweest om wat voor elkaar te krijgen. Het blijkt niet echt een consulaat te zijn van DRC waar ze waren, maar een soort Congolees genootschap. De “president” kon dus geen visum uitgeven, maar heeft tegen betaling van 40.000 CFA een mooi officieel uitziend A4-tje opgesteld, compleet met gekleurde vlaggen, stempels en handtekeningen, waarop hij vraagt de beambten van zijn land de vier mensen genoemd op dit papier vrije doorgang te verlenen. Het is beter dan niets, en daarmee willen ze het gaan proberen. Best grote kans dat het lukt, want we kiezen een zeer kleine grensovergang, ook omdat onze visa voor DRC in Lomé (Togo) gehaald zijn, en het schijnt dat men je bij de grote grensovergangen alsnog weigert als je je visum niet in je eigen land gehaald hebt. Meerder mensen waar wij contact mee hebben is dit al overkomen. Helemaal gek zijn ze in Afrika. Je eerst honderd euro p.p. laten betalen voor een visum en je dan alsnog weigeren. Heel wat later, als we al in Dem. Rep. Congo zijn, onze auto opknappen na het ongeluk, krijgen we een e-mail van de Duitser Manfred. We hebben hem in Lomé ontmoet en ook hij heeft daar zijn visum voor DRC gehaald. Hij staat in Brazzaville. Zijn auto is al met de pont over naar Kinshasha, maar hij wordt niet toegelaten, omdat hij zijn visum van DRC in Lomé (net als ons) heeft gehaald en niet in zijn thuisland. Hij moet nu zijn paspoort opsturen met DHL, naar Duitsland, om een nieuw visum in Berlijn aan te vragen en dan mag hij het land in. Hij zit ongeveer 14 dagen in een hotel en is een kapitaal kwijt om de DRC in te mogen.


Moe van alle onlogische Afrikaanse gezeur gaan we allen vroeg naar bed. We hebben afgesproken dat wij morgen nog een laatste poging doen om een visum voor Angola te krijgen, maar als ze ons weer aan het lijntje willen houden we dan gewoon doorrijden om een allerlaatste poging in Matadi te wagen. We rijden die volgende morgen naar het Angolese consulaat en zetten de drie auto's er pontificaal op de stoep. We hebben gevraagd of de anderen aan de mensen van het consulaat hun Angolese visum willen laten zien. We doen of we familie zijn en dat we samen verder willen reizen. Het is ruim een uur wachten, en dan mogen er drie mensen naar binnen om met de vrouwelijk beambte te praten. Maria gaat met ons mee omdat ze goed Frans kan. De vrouw bekijkt onze papieren en zegt dat er geen adres, naam en handtekening op ons formulier van buitenlandse zaken staat. Robert had dit ons ook al geadviseerd, maar we waren toch bang dat ze e.e.a. zouden controleren. Hadden we nu toch maar een nep adres en naam bedacht. Ook was ze het niet eens met onze routebeschrijving de we op papier hadden gezet. Die ging via Matadi. Ze zegt dat we dan daar ons visum maar moeten halen. Er was geen praten aan. We zeggen nog dat de handtekening niet geprint is omdat deze in kleur was, en dat we binnen een halfuurtje een kleurenprint met handtekening kunnen overhandigen. Ook zeggen we dat we het er niet op aan willen laten komen om pas op het allerlaatst een visum te bemachtigen, dat we dat liever hier al hebben dan in Matadi. Ze wil er niet naar luisteren, maar ook niet meehelpen om tot een oplossing te komen. Het enige wat ze kan, is wat we tot nu toe telkens in Afrika merken, het herhalen wat er niet goed is. Het probleem blijven opnoemen, maar niet zoeken naar een oplossing. Wat wij willen horen is wat we precies moeten hebben aan papieren, dan zorgen we er voor, en dan vooraf een bevestiging dat als we de papieren op die manier aanleveren, dat we dan dat visum ook daadwerkelijk krijgen. Maar die toezegging krijgen we niet. We krijgen alleen te horen dat dit niet goed is. Je kunt van alles doen, veel tijd en geld verspillen, en toch wordt je weer voor iets nieuws dat ze net bedacht hebben geweigerd. Waarom zetten ze niet gelijk op hun website en boven hun consulaten: “We don't want tourists”?

 

De anderen laten nog hun visa van Angola zien, en we zeggen dat we graag samen verder willen reizen. De visa worden allen zorgvuldig bekeken, maar het helpt niets, we krijgen het hier niet. Leuke gesprekken ook, met zo'n beambte. Ze willen dat we een brief overhandigen van onze minister van toerisme waarin hij voor ons vraagt om het Angolese visum. “We hebben geen minister van toerisme” “Geen minister van toerisme?” vraagt ze verbaasd. “Nee, maar we hebben wel een ministerie van buitenlandse zaken en daarvan hebben we een brief bij ons.” En we laten onze zelfgemaakte brief zien. “Die brief heeft geen datum en is niet ondertekend door jullie minister” “Nee mevrouw, in ons land gaan continu miljoenen mensen op vakantie naar het buitenland, die kunnen niet allemaal een persoonlijk briefje van onze minister meekrijgen. Onze ministers zijn bezig met belangrijke dingen”. “Toch moeten jullie toestemming hebben van jullie minister” zegt ze. “Onze minister is niet onze papa waar we toestemming aan moeten vragen om te reizen”. “We hebben overigens een geldig reisdocument bij ons, dat paspoort heet.” En we laten ons  paspoort zien, met alle stempels en stickers van andere landen die niet zo moeilijk doen. “Daar hebben we niks aan” zegt ze. “Dus jullie erkennen ons paspoort niet?” “Of erkennen jullie ons hele land niet?” “Over zogenaamd ontwikkelingsgeld uit Nederland doen jullie ook niet zo moeilijk, daar hoeft geen briefje bij van de minister of het alstublieft gestort mag worden” “Dat paspoort is niet één of ander verzamelboekje voor veel te dure Afrikaanse stickers en stempels”.  En zo gaat zo’n gesprek dan. Je begint altijd heel beleefd en onderdanig, maar het eindigt altijd weer zo. Vooral als je al lang merkt dat er niets te beginnen valt loopt zo'n gesprek nogal uit de hand.

 

Helemaal poepchagrijnig verlaten we het consulaat en we gaan het hier zeker niet nog een keer proberen. Het gaat er nog niet eens alleen om dat we geen visum hebben gekregen, maar het feit hoe je behandeld wordt door een enorm domme doos die niet normaal met je kan praten, en hoe je weer twee dagen aan het lijntje wordt gehouden terwijl ze toch al niet van plan waren je te helpen. Als we al een visum kunnen krijgen hebben we meer tijd doorgebracht binnen en vooral buiten op de stoep van Angolese ambassades dan in het land zelf. En als er nu weer iemand tegen ons zou zeggen: “weet je wel hoe moeilijk het is voor mensen uit Afrika om naar Nederland te komen?” Dan kunnen ze voor ons gelijk omvallen. Dat weten we zeker, want bij de Nederlandse Ambassades hier in Afrika hangen duidelijk briefjes, ook in hun eigen taal, waar ze aan moeten voldoen, en dat is niet eens zo heel moeilijk, en dat ze dan na betaling van 60,- euro hun toeristenvisum kunnen ontvangen. En de eisen zijn overal hetzelfde. En tuurlijk moet je aantonen over voldoende financieën te beschikken of iemand die borg voor je staat voor de tijd dat je in Nederland verblijft, maar dat lijkt me een faire eis. Welk land wil klaplopers er in laten? Het moeilijkste voor die mensen is nog om in Afrika een fotograaf te vinden die aan de Nederlandse pasfoto-eisen kan voldoen. Was het voor ons maar zo simpel.

 

Nu maar hopen dat het in Matadi wel gaat lukken, want dat is onze laatste kans. Lukt dat niet dan hebben we nog een probleem. Om Angola heen door DRC is 2000 km, waarvan 1400 km zeer slecht begaanbaar, en op het moment vrijwel ondoenlijk vanwege het regenseizoen. Een andere optie is om een heel stuk terug te rijden door Chad, maar dan kom je bij de Darfur-regio Sudan binnen. Daar is het nu wel betrekkelijk rustig, maar fijn is het niet. Beter nog om dan maar weer naar Nederland te vliegen om daar het visum voor Angola te halen. Al die onnodige kosten omdat ze ons hier niet zo'n stom papiertje willen geven. Alle hoop is gevestigd op Matadi dus.

  

We rijden naar een tankstation, gooien de auto's vol en beginnen aan de weg naar Mindalou, een stuk van 212km. De weg is een slechte gatenpiste met erg veel poederstof. Telkens het raam open en dicht als we andere voertuigen tegen komen. De Chinezen zijn druk bezig er een asfaltstraat van te maken, maar op dit moment is het nog alleen een aangewalste gravelpiste, waar je dus niet op mag rijden, maar er telkens naast kringelt over de originele weg, en af en toe de weg in aanbouw kruist. Wij hebben middagpauze gehouden, en de Oostenrijkers en Zwitsers die nooit middagpauze houden, of al rijdend wat eten en drinken, hebben ons dus al weer ingehaald. Wij hebben geluk als we weer de weg in aanbouw kruizen. Bij elke kruising zit een bewaker die alleen werkvoertuigen mag doorlaten. Uit het stofpad komt net een enorm concooi van meer dan twintig vrachtwagens, die alle zicht ontneemt. Onze arme alpenvrienden. Wij wachten even bij de kruising en de bewaker wenkt ons. We mogen van de gladde aangewalste weg gebruik maken als we hem 2000,- CFA betalen. Slimme rat. We dingen af naar 500 CFA (ongeveer 80 eurocent) en twee zakjes wiskey. Jippee, 80km/uur! En onze vrienden maar pokkelen met 30 km/uur in het stof van de vrachtwagens. Het gaat zo over een stuk van ongeveer vijftien kilometer, niemand van de wegwerkers die raar opkijkt. Helaas moeten we er dan af omdat de weg verder nog niet klaar is, er ontbreekt nog een brug. We zijn ongeveer net weer gelijk met de Oostenrijkers en Zwitsers. Vanaf dan proberen we vaker van de weg in aanbouw gebruik te maken, maar helaas is het telkens maar een kort stukje mogelijk, niet de moeite. De omgeving hier bestaat uit stukken bos en laag struikgewas. Veel zien we er niet van door het stof en de concentratie op de weg. Echt boeiend lijkt het landschap ook niet. Bij een groot vlak stuk lateriet dat door de wegwerkers gebruikt is als rangeerplaats maken we kamp op voor de nacht. Geen geweldig plek, maar het kan.
Dit is wat je ziet bij elke tegenligger. Je moet zo goed als stoppen, wil je niet van de weg raken.

 

Woensdag drie oktober, Jan is jarig, 38 vandaag. Hij krijgt zelfs een cadeautje van Robert: een  nieuwe dop voor de watertank. De vorige had Jan na het vullen in Libreville in Gabon op de band laten liggen en dus kapotgereden toen we weg gingen. Robert had nog een zelfde dop op reserve. Een praktisch cadeau, en erg aardig van Robert om zijn reservedop weg te geven.

 

We rijden de hele dag tot we bij Mindouli aankomen. Hier willen we de grens over naar DRC (Democratische Republiek Congo, ook wel Congo Kinshasa genoemd). We vragen in Mindouli naar de immigratiedienst om onze paspoorten te laten uitstempelen. “Hier rechts en dan almaar rechtdoor” Oké. Halverwege horen we dat de politie in het dorp zit, en we overleggen even met elkaar wat nu te doen. “Laten we eerst maar naar de immigratie gaan, ver weg kan het niet zijn. Als het moet rijden we daarna wel terug naar de politie.” We rijden de bocht om en daar gaat de weg vrij steil naar beneden, door een riviertje waar we de diepte niet van weten, en dan weer pittig omhoog. In de rivier is een grote shovel bezig de bedding te fatsoeneren. Het lijkt best diep. Robert rijdt voorop met zijn Landrover en hij heeft er best stress van. Een Chinees die aan de oever staat zegt dat hij rechts moet houden, daar is het minder diep. De rivier stroomt aardig en het is troebel water, dus niet te zien waar dan de grens tussen minder diep en diep ligt. Toch valt het best mee. We komen er alle drie eenvoudig door, dankzij een stevige ondergrond. Een klein stukje verder is de immigratie: een groot leegstaand gebouw zonder kozijnen, en binnen en buiten rondom vol met tekeningen van mannen en vrouwen die zich op de meest vreemde manieren proberen te vermenigvuldigen. Congolese Panorama Mesdag.

 

Voor het gebouw een boom met een slaapmatje eronder en een bamboestok over de weg. Geweldige grensovergang, maar net wat we nodig hebben. Hopen dat de DRC zijde ook zo is. Wij met visa die niet in eigen land zijn gehaald, en de Zwitsers en Oostenrijkers zonder visa, alleen met een papiertje van een of andere “president”. We moeten allemaal onze passen tegelijk afgeven aan het mannetje onder de boom. Ze worden zorgvuldig bestudeerd, hij houdt van plaatjes kijken, en daar zitten er inmiddels veel van in. Na een half uur vragen we maar eens of er nog gestempeld wordt. “Stempelen? Nee dat doen we hier niet, daarvoor moet je in het dorp zijn.” Dat is lekker. Robert wil niet terug rijden door de rivier. Jan maakt het niet zoveel uit en hij overlegd of we daar dan ook de Carnet de Passages kunnen laten stempelen. Dat kan. “En voor de paspoorten moet de man met de stempel maar mee rijden naar dit gebouw” zegt de man bij de bamboestok. Jan neemt dus alle Carnets mee, ook van onze medereizigers, en gaat met een mannetje die ook bij de grens hangt naar het dorp. De paspoorten laat hij bij de grensbeambte. In het dorp komt hij bij een stenen keetje dat afgesloten is. Dit moet volgens Jan's passagier de douane zijn, maar dat is nergens aan te zien. Na wat kloppen doet er een man open. Jan's passagier legt uit wat de bedoeling is, en met zijn drieën zittend op het bed van de man, een bureau is er niet, worden alle Carnets gestempeld. Zonder dat deze douane ook maar één voertuig heeft gezien.

 

Dan rijden Jan en zijn hulpje verder naar het politiebureau. Daar is aan de buitenkant ook niet aan te zien dat het een politiebureau betreft. Het wat grotere stenen pand is een tijd geleden uitgebrand, het dak is ingestort, er zijn nog wat zwart geblakerde balken te zien. Alle kozijnen en de deur zijn ook half verbrand. Toch is het gebouw nog gewoon in gebruik. “er wordt een nieuwe politiebureau gebouwd” zegt het hulpje. De man gaat naar binnen op zoek naar de man met de stempel. Jan blijft in de Daf wachten. Het duurt een tijdje, er lopen wat mannetjes op en neer. Het hulpje komt terug en zegt tegen Jan dat hij de passen maar moet ophalen. “Ben jij gek?'” vraagt Jan. “Ik rij niet nog een keer die vijf kilometer op en neer omdat jullie de spullen niet voor elkaar hebben. Ik heb zonet nog gevraagd of ik alle paspoorten ook mee moest nemen om te stempelen en toen zeiden jullie dat de man met de stempel wel mee zou komen naar de grens. Je regelt maar wat of anders rijden we de grens wel over zonder stempel.” (Voor ons is de Carnet stempel het belangrijkst). De man gaat weer naar binnen en komt na een poosje met vier mannen, die allemaal mee moeten. Eén neemt plaats op de middenconsole tussen beide stoelen in, twee zitten samen op de bijrijdersstoel en één staat er buiten op het trapje, zich goed vasthoudend aan de spiegel. En zo rijdt Jan weer terug, door de rivier, de bult op tot aan de bamboestokgrens. De anderen staan lachend naar het tafereeltje te kijken. Mariska kijkt gelijk of al haar rondslingerende spullen zoals fototoestellen, navigatie, telefoon en dergelijke nog in de auto liggen. Gelukkig is er niets weg. Wat een vooroordeel weer. Tot nu toe is er nog niets van ons gestolen, terwijl daar best wel gelegenheden voor waren. Maar wel goed om het gelijk te checken.

 

Onze passen worden weer opnieuw bestudeerd. Maar nog niet gestempeld. Navraag waarom leert ons dat de man met de stempel nog uit het dorp moet komen op de scooter. Wie zijn dan al die mannen die Jan mee moest nemen? Alleen nieuwsgierigen? We hebben geen idee. Even later komt er inderdaad een man op een scooter met een stempel. Hij stempelt alle paspoorten, maar geeft ze ons niet terug. Hij zegt: “Geef me iets!” Hij zegt dat hij helemaal met de scooter uit het dorp moest komen. Ja, slimmerik, je zou bij Jan in de auto zitten! Word je toch niet goed van? We geven hem 500,- CFA, maar dat neemt hij niet aan. “Veel te weinig” zegt ie. “Ja hoor eens, zoveel heeft die brommer op dat stukje niet verbruikt hoor. En omdat jullie het hier niet voor elkaar hebben moesten wij met vrachtwagen op en neer, die wel wat meer verbruikt!” Wij tweeën zijn er klaar mee, we geven niks. Maria pakt nog wat muntgeld en Karl geeft de man sigaretten die ze nota bene speciaal voor grensovergangen gekocht hebben. De man is het er nog niet mee eens maar geeft treuzelend de paspoorten. Eindelijk. We willen kamp opslaan en wat eten. Achter het Congolese erotiekmuseum annex grensgebouw is een mooie plek, hadden we al gezien. Dan komt er een man aan die zegt dat hij van de grenspost van de DRC is en dat hij met ons mee wil rijden naar de grens voor de formaliteiten. Jan zegt nog dat hij morgen maar terug moet komen, dat we eerst gaan eten en slapen.

 


Het wordt al donker en de weg naar de grens met DRC is niet echt in top conditie

De anderen besluiten de man in de auto te nemen en toch maar vast naar de grens te rijden. Het is maar een klein stukje, zegt de man. Het pad dat we reden was al smal en hobbelig, maar deze man neemt een afslag die nog kleiner en slechter is, en nog steil ook. Wij twee zijn een beetje pissig. Volgens ons is de man geen douanebeambte, en wil hij gewoon een lift naar zijn dorp, dat toevallig vlak bij de grensovergang ligt. Het wordt al donker en we hobbelen maar voort. De weg is heel smal, en dan komen we bij een riviertje met steile oevers waar een bruggetje over ligt van  een paar dikke ronde boomstammen. Er zijn wat mannen waaronder natuurlijk weer een Chinees die met een enorm veel herriemakende motorpomp bezig is. De brug is erg smal, voor Karl en Robert niet zo'n probleem, maar wij zijn een stuk breder dan hen. Karl rijdt voorop met de zogenaamde douaneman. Voor het bruggetje ligt een diepe modderplas, dus je gaat met gladde modderbanden de brug op. We zien Robert met zijn Landrover nog net wat wegschuiven. Hmmm, dat geeft vertrouwen, hij heeft de ruimte om nog iets te schuiven, maar wij niet. Na de brug gaat het gelijk erg steil omhoog. We zien de banden van de Landrover spinnen op de lemen ondergrond. Robert heeft er echt moeite mee om boven te komen. Helaas rijden zowel de Karl als Robert direct door, zonder op ons te wachten. We balen er van. We lopen telkens bij spannende stukjes van hun foto's en film te maken, en hebben wij eens een erg spannend stukje, dan stopt er niemand. Niet om te filmen, laat staan om te helpen, aanwijzingen geven of zo. Want zo eenvoudig is dit niet. De brug is dus van ronde boomstammen, en net zo breed als onze vrachtwagen. We moeten dus met onze banden op de ronde buitenzijde van de buitenste stammen rijden, met glibberige bemodderde banden. Mariska krijgt in de auto een oh-God-dat-kan-nooit-paniekaanval. Jan stuurt haar uit de auto om binnen weer een beetje rust te hebben en zodat Mariska van buiten aanwijzingen kan geven. De Chinees begint ook aanwijzingen te geven. Maar daar luistert Jan niet naar, in China kan net als in Afrika altijd alles. Jan had liever dat de Chinees de herriemachine eens uitzet zodat hij zich kan concentreren.

 

Langzaam op de aanwijzingen van Mariska rijdt Jan de Daf de brug over, met aan beide zijden naast de banden slechts enkele centimeters boomstam, welke door de ronding al naar beneden afbuigen. En het lukt! Dit was echt de lijpste brug tot nu toe. En helaas hebben we er geen beelden van. Dat is balen. Nu nog steil omhoog. Het lukt in de eerste versnelling in de lage gearing. We waren bang dat het te steil voor de zware Daf zou zijn en dat we achteruit terug over het bruggetje zouden moeten. En volgens ons is dit niet eens de direct weg naar de grens, maar alleen een ommetje zodat die lifter in zijn dorp komt. Bovenaan staan de Alpenlanders op ons te wachten. Karl was bang dat we nooit over het bruggetje zouden komen en Robert dat we de steile berg niet op zouden komen. Mooi wel dus, en bedankt voor de hulp en het filmen... Volgens Robert was dit de steilste weg die hij ooit is opgereden. Dat is opmerkelijk om te horen uit de mond van een Zwitser. Dan zal het dus inderdaad wel erg steil zijn geweest. Voor ons was het ook het steilste weggetje, zeker onverhard, maar voor een vlakkelander zegt dat niet zoveel.

 

Het is al schemer, en het duurt hier nooit lang voor het echt donker is. We zeggen dat we willen stoppen en verder willen rijden. Zulke weggetjes in het donker zijn niet echt prettig. Volgens de “douaneman” is het nog maar tien minuten tot de grens. We gaan akkoord om verder te rijden en dan daar te overnachten om morgen de grensformaliteiten te doen. Na nog een tijdje wat gehobbel komen we aan bij een palmbladafdakje en een bamboestok over de weg. Dit is dus de grens van de DRC. Zoals we gehoopt hadden, lekker klein. Misschien, samen met die van Congo zojuist, wel de kleinste tot nu toe.

 

Op een driehoekje gras voor een vervallen hut van kleibakstenen kunnen we de auto's parkeren voor de nacht. Het is inmiddels al echt donker geworden, we kunnen amper zien waar we manoeuvreren met de auto's om een beetje recht te staan. We nemen afscheid van de “douaneman en zeggen dat we de grensformaliteiten morgen wel regelen. De mannen zetten de stoelen en tafels buiten, terwijl de vrouwen binnen wat prakjes maken om te eten. Het dorpje is slechts 500 meter verderop, dus er komen aardig wat mensen kijken wat er aan de hand is. En die blijven maar staan kijken en hebben geen zin om weer weg te gaan. We vragen vriendelijk of ze ons vanavond met rust willen laten, en dat ze morgen van harte welkom zijn. Omgekeerde wereld natuurlijk, wij hopen van harte welkom te zijn, het is hun dorp en omgeving. Maar ja, je wilt graag ook een beetje rust. Een paar vrouwen mopperen dan ook een beetje, maar ze gaan toch terug naar hun huisjes.

Als we bij elkaar zitten spreken wij de anderen er op aan dat ze ons in moeilijke situaties ook wel even mogen helpen of in ieder geval wat foto's nemen. Ook zeggen we dat we niet weer zulke paadjes in het donker willen rijden. Gelukkig zijn de anderen het er over eens en is de sfeer weer gewoon goed die avond. Ze dachten werkelijk dat alles voor ons een eitje zou zijn.

 

Morgen wordt het nog spannend of we DRC inkomen, en wie wel en wie niet. Is een briefje van een onduidelijke “president” gelijkwaardig aan een in Lomé gehaald visum, of misschien zelfs meer? We zullen zien. In ieder geval zijn we goed door dit land heen gekomen. De infrastructuur is belabberd, maar daarmee juist uitdagend en avontuurlijk. Was het zo simpel als van Enschede naar Amsterdam rijden, dan is er natuurlijk ook weinig aan. En als de Chinezen hier klaar zijn zal het zo makkelijk zijn. Gelukkig houdt dat asfalt maar vijf jaar, en doen ze hier niet aan preventief onderhoud. Maar kapot asfalt rijden is het ergste wat er is, dan is ieder belabberd bospad beter.

 

Belangrijker is dat we ons overal veilig hebben gevoeld. Met plezier hebben we er wild gekampeerd, overal rustig. De inwoners zijn erg vriendelijk, op wat hardnekkige bedelaars na. Zoals altijd zijn dat degenen die het het minst nodig hebben. Ze komen aan op een brommertje en klagen dat ze honger hebben…

 

Democratische Republiek Congo