Democratische Republiek Congo, deel 2

 

DONDERDAG 11 OKTOBER 2012
Jan wordt bij Sotraco gedropt om zich te kunnen ergeren aan verdere sloopwerkzaamheden aan de auto, en Mariska gaat met Celda mee boodschappen doen. Celda is erg aardig en heel behulpzaam. Wat dat betreft hebben we echt geluk gehad dat we hier zijn terechtgekomen. We staan op mooi vlak beton binnen 3 meter hoge muren met rollen prikkeldraad en gebroken glas erop en een bewaker bij de poort. Naast gratis vrij snel internet kunnen we onbeperkt onze watertanks bijvullen met stadswater, helaas wel afkomstig uit de rivier de Congo, via de lange slang die toch altijd al afgerold op de plas ligt. Ook hebben we landstroom zodat we binnen continu de airco kunnen laten draaien en zelfs is er een mannetje die we onze vuile was kunnen meegeven zodat we het de volgende dag schoon en gestreken weer terug krijgen. Goed, wel alles op zijn Afrikaans. Het water moet wel gefilterd en gedesinfecteerd worden, maar dat doet onze ingebouwde installatie wel. Het mannetje doet flink zijn best op onze was, maar we krijgen alles roze terug, en hier en daar wat  slijtplekken van het boenen. Geeft niet, onze kleren waren toch al niet veel meer. We zijn al lang blij dat we niet zelf hoeven te wassen. De stroom is er regelmatig achter weg omdat de stadsstroom nogal vaak uit valt, maar dan duurt het maar even en loopt de grote generator die hier op de plas staat. Vaker hebben we geen stroom omdat iemand onze stekker er uit gooit als de weegbrug gebruikt moet worden. De stekker wordt er dan nooit meer ingedaan, maar ze doen het weeghokje wel op slot. Ook niet zo erg, we hebben altijd onze zonnepanelen nog. En die hebben we nog hard nodig, want als het een keer flink onweert, en onze stekker dan helaas nog wel in het contact van de weegbrug zit, slaat de bliksem vlakbij in, en is het hele landstroom-laadgedeelte van onze auto kapot. De 220V omvormer en de lader waar de zonnepanelen achter zitten werken gelukkig nog wel.

Ook mogen we gebruik maken van het toilet en de douches. Maar dat laten we toch maar liever. Brrr. Zelfs de ratten en de kakkerlakken komen er niet schoon weg. Geeft ook niks, we kunnen water bijvullen wat we willen, dus elke dag uitgebreid onder onze eigen douche. En onze toilettank gooien we wel leeg in het putje waar de toiletten op uitkomen. Met Celda en Cornelis hebben we het ook getroffen. Ze staan ons bij waar ze kunnen. Celda wil geen geld hebben voor de benzine die ze voor ons verrijdt. We nodigen ze daarom maar uit om samen met ons iets te eten in een goed restaurant naar hun keuze. Dat was best gezellig, hoewel we elkaar amper kennen, en communiceren wat lastig is. Celda kan maar weinig Engels, en verder alleen Frans. Cornelis kan wel Nederlands, maar wat gebrekkig, maar altijd duizend keer beter dan ons Frans. Zij nemen ons ook nog een avond mee naar een neef van Cornelis, die ook dezelfde Nederlandse opa heeft.

Hij was eerder directeur van Sotraco Matadi, maar werkt tegenwoordig voor een andere firma in de haven. De neef spreekt erg goed Nederlands, en zijn uiterlijk lijkt ook meer Nederlands dan Congolees. Hij is net verhuisd naar een mooi groot koloniaal huis, dat iets op een heuvel ligt met uitzicht over de stad. Er omheen een ruime tuin met zwembad. Er is ook een goede vriend van de neef, een wat oudere man die jaren in Frankfurt heeft gewoond, en vloeiend Duits spreekt. Het is erg gezellig. De foto's op zijn kast laten zijn kleurrijke familie zien. De ene met een meer Congolees uiterlijk, de ander met duidelijk Nederlandse inmenging. Een oom van Cornelis werkt ook bij Sotraco, en is redelijk donker, maar heeft felblauwe ogen. Hij spreekt geen Nederlands. Een ander familielid blijkt eigenaar te zijn van het bedrijf Vlisco in Venlo. In Nederland is dat bedrijf niet zo bekend, maar in Afrika des te meer. De mooie kleurrijke gewaden die met name de vrouwen in Afrika dragen zijn, als ze van echt goede kwaliteit zijn, van Vlisco. Dat is de duurste stof hier, en wordt Dutch wax genoemd. Overal langs de weg hangen er grote reclameborden van. We zitten met zijn allen rond een grote ronde tafel, waarvan het midden plateau kan draaien, als in een chinees restaurant. De kok maakt buiten op de barbecue allerlei worstjes klaar, en serveert er goede patat bij. Het smaakt erg goed.

De komende weken brengen we door met het herstellen van de Daf. Ik hoor je denken, het zou toch binnen twee dagen klaar zijn? Dat leek al onwaarschijnlijk, en was het dus ook. De rest van de reparatie neemt zoveel tijd in beslag, en heeft nog het meeste weg van een Afrikaanse soapserie. We gaan het hier niet allemaal beschrijven, want alleen dat zou al een boek van 400 pagina's worden.


Zo zie je pas goed hoe erg de deur ingedeukt is, zo in Jan zijn ribben.

Het komt er op neer dat er maar met moeite aan onderdelen gekomen kan worden. Vanuit Sotraco wordt er niet echt achteraan gezeten. Celda biedt veel hulp door Jan rond te rijden door Matadi, langs alle adressen waar hij soortgelijke Daf's heeft zien staan. Maar ook dat levert weinig op. Deuren zijn zat te vinden, ook wel goede. Maar al die sloop-trucks waar ze inzitten hangen veel mannetjes omheen die niet de eigenaar zijn. Ze kunnen Jan dus niets verkopen. Jan vraagt ze om de eigenaar van de truck te bellen. Dan moet hij eerst telkens beltegoed voor de mannetjes kopen. Een paar keer doet hij dat, en krijgt dan te horen dat de eigenaar er de volgende morgen zal zijn. Niet dus. Jan laat telkens zijn telefoonnummer achter en schrijft de mensen op wat hij nog meer nodig heeft. “Ja, ja, wordt geregeld, wij bellen je, alles is hier te krijgen”. Zo gaat Jan zeker acht adressen langs, en overal dezelfde smoesjes. Dagen gaan voorbij, Jan meldt zich elke dag, maar niemand die een prijs kan noemen, of een deal rondmaakt. Ze willen gewoon geen geld verdienen. Eindelijk vindt Jan een voorruit. Die moet 250,- USD kosten. Dat is veel geld, in Nederland kost een nieuwe vooruit van zo'n Daf 160,- euro. Het is immers en simpele vlakke ruit. Als Jan met een zaklamp nog eens goed kijkt achterin de smerige volgepakte zeecontainer, ziet hij dat het helemaal geen gelaagde autoruit is, maar gewoon vensterglas. De oplichters willen hem voor 250,- USD vensterglas ter waarde van 30,- USD verkopen! Gaat dus niet door. Sowieso willen we er niet gewoon vensterglas in hebben, ook niet voor 30,- USD. Als het breekt, bv. door steenslag, kun je maar zo de glassplinters in je ogen krijgen. Te gevaarlijk.

Dezelfde mannen hebben ook een sloop-Daf staan met een nette linker deur. Jan wil die graag hebben. De mannen willen hem niet verkopen, ze hebben in de container een losse deur liggen die te koop is. Die is helemaal verrot van de onderkant.  “Die wil ik niet zegt Jan, ik wil die in de Daf buiten”. “Maar deze is net zo goed”, zegt het handelaartje. “Dan zet je deze toch weer in die Daf, wil ik desnoods wel even voor je doen”, zegt Jan. “Nee” zegt de man beslist, "de deur in de container is blauw, en de Daf buiten is rood-wit". Jan wordt ook rood-wit, van woede. Wat maakt de kleur nu uit? Dat schilder je toch weer over. Bovendien is de Daf buiten compleet kaal gesloopt. Er zit geen motor, versnellingsbak of assen meer onder. Wat maakt het dan uit, of er een deur in de cabine zit, die blauw is, i.p.v. rood-wit? De man is onvermurwbaar, Jan kan alleen de verroeste deur kopen. En dat vertikt ie, hij rijdt nog liever zonder deur verder. Het laatste beetje medeleven dat we nog hadden met de mensen die hier “zo moeilijk kunnen rondkomen” is wel weg. Ze laten liever de boel verrotten, dan dat ze wat verkopen. Hoe hard je ook zwaait met je Amerikaanse dollars. Onbegrijpelijk. En ze durven werkelijk bij het weggaan nog te vragen aan Jan of hij niet wat geld voor eten of voor een biertje voor ze heeft. “Vreet die verroeste deur maar op!” zegt Jan.

Bij een ander adres, die ook al niets van hun sloopauto's willen verkopen krijgt Jan nog te horen dat het niet eerlijk is dat hij als blanke de mooie meisjes (our sisters) hier wegkaapt, en ze kijken daarbij naar Celda, die bij haar Vitara op Jan staat te wachten.

Pal tegenover Sotraco staat een Daf 2100 met zowaar een zo goed als hele gelaagde voorruit. Er zit een klein putje van steenslag in, en wat krassen van de ruitenwisserstangen, die er zonder wissers over gesleept hebben. Voor ons is die ruit goed genoeg. De rest van die Daf is compleet kapot. Bladveren zijn weg, de cabine en deuren zijn gedeukt en overal doorgeroest. Het motorblok ligt half open, en zit vol roest. Het interieur is er uit, het dashboard half weg, en alle bedrading ligt los. Het mannetje dat het terrein bewaakt zegt dat het ding er al drie jaar zo staat. Een man van het kantoor ernaast weet de eigenaar te bereiken. Maar hij wil de voorruit niet verkopen. Jan biedt 250,- USD. Nee, niet te koop. De hele auto is te koop voor maar liefst 8.000,- USD. Weer zo'n idioot. In Nederland koop je voor de helft een goed rijdend exemplaar voor dat geld. Deze auto komt nooit meer de straat op, zelfs in Afrika niet. Jan biedt 250,- USD en een vervangende ruit uit vensterglas. De man blijft bij zijn standpunt. De dagen erna probeert hij het nog een paar keer bij die man, maar de ruit van het wrak is echt niet te koop. Jan is inmiddels in staat om óf de bewaker van het terrein om te kopen en de ruit gewoon te stelen, óf om de ruit dan maar in te gooien, dan hoeven we er niet meer elke dag naar te kijken.

Het onderdelen verzamelen schiet dus niets op. Niet te geloven, maar niemand die wat wil verkopen, ook niet voor grof geld. Het lukt Jan om voor 20,- USD het kleine hoekruitje te kopen, weliswaar zwaar bekrast. Bladveren of een stuurhuis zijn niet te vinden, die zijn specifiek voor de militaire 4x4 Daf, en die zijn er hier in Congo veel minder. In Angola is daar veel meer van te vinden, maar ze zijn hier erg gefixeerd op hun eigen land, ze kijken nog geen tien kilometer over de grens, terwijl Matadi nota bene op de grens ligt. Wij kunnen niet even naar Angola om naar onderdelen te zoeken, daar hebben we een visum voor nodig.  De mensen hier kunnen zo de grens over, maar ook al bieden we 1.000,- USD voor alle delen, niemand die ook maar uit de schaduw opstaat.

Via een Belgische aannemer, Jerry genaamd, die wat klussen doet voor Sotraco komen we in contact met ene Remon. Remon gaat voor ons kijken naar onderdelen in de hoofdstad Kinshasa. Daar moet het geen probleem zijn. Die week er op hebben we Remon dagelijks tien keer aan de telefoon. Hij heeft nooit genoeg beltegoed. Hij laat de telefoon overgaan, zodat wij hem dan terug kunnen bellen. Jan heeft alles heel duidelijk uitgelegd wat hij nodig heeft, inclusief alle afmetingen en typenummers. Toch moet hij het telkens tot vervelens toe opnieuw uitleggen aan Remon. Jan heeft het nu al zo vaak moeten vertellen dat hij het inmiddels in vloeiend Frans kan. Op een dag belt Remon met het goede nieuws dat hij alle onderdelen heeft. Samen nemen ze het lijstje door, en over elk onderdeel wordt een prijs onderhandeld en afgesproken. Bij elkaar 700.- USD. Geweldig! We overleggen met dhr. Vanbrabant dat de spullen bij de hoofdvestiging van Sotraco in Kinshasa afgeleverd kunnen worden. Een medewerker van de technische dienst zal ze daar controleren aan de hand van een e-mail met specificaties die Jan daar naartoe gestuurd heeft. Als de delen inderdaad goed zijn, dan betaalt Jan het geld contant aan de kasbeheerster in Matadi, die vervolgens de kasbeheerster in Kinshasa belt dat Remon daar contant uitbetaald wordt. Alles is goed geregeld en zal voor elkaar komen. Remon heeft opdracht om de volgende dag zo snel mogelijk de spullen bij Sotraco in Kinshasa aan te leveren. De slimmerik is er de volgende dag pas om 18:00 uur, dus dan is het kantoor al gesloten en alle personeel naar huis. De volgende dag is hij er weer, en wat blijkt, hij heeft alleen een portier en een voorruit. Hij vraagt Jan aan de telefoon voor de zoveelste keer naar de specificaties van het stuurhuis. De *&%@#!-zak heeft die andere delen dus helemaal nog niet!

En juist voor de deur en de voorruit betaalden we relatief veel, voor het stuurhuis hadden we een scherpe prijs afgedongen, wat het totaal aanvaardbaar maakte. Maar goed, we krijgen een seintje van de medewerker van Sotraco dat de spullen gecontroleerd zijn en goed bevonden, dus we betalen 350,- USD voor de ruit en de deur.

Het transport wordt gratis door Sotraco verzorgd, want er rijden toch dagelijks vrachtwagens van hen naar Matadi. Toch duurt het een week voordat de spullen bij ons aankomen, want er gaat daar logistiek ook het een en ander mis. De deur ziet er redelijk uit, het is er één uit een rechtsgestuurde Daf-Leyland, en nog wit ook. Alleen een deukje en een beetje doorgeroest aan de onderzijde. We zijn niet meer zo kieskeurig, het is oké zo. Maar de ruit is een ramp. Het ding komt in stukken aan, ondanks dat deze is vervoerd op een speciaal glasrek, met rubber bekleed. Dat ie kapot is, is nog niet eens zo erg, want ook dit bleek helemaal geen gelaagde ruit te zijn! Ook gewoon vensterglas, voor 200,- USD! We zijn woest op Remon. We hebben het hem nog zo gezegd. En hij beweerde dat hij verstand van auto's en trucks had. Iedere huisvrouw weet dat een voorruit van een auto gelaagd moet zijn. En die monteur van Sotraco die de controle heeft gedaan, heeft ook met zijn ogen dicht gekeken. Wat een land, wat een continent, wat een mensen. Wij vinden het echt niet gek dat er nog steeds niets van Afrika terecht is gekomen. Maar goed, geld weg. En nog weinig opgeschoten. Een doorgeroeste deur hadden we hier ook al kunnen kopen.


Zere ribben of niet, als je het niet zelf doet, komt het in ieder geval nooit goed.

En wat moeten we verder met die Remon? Heeft hij dit bewust gedaan? Volgens Jerry is hij te vertrouwen. Maar misschien heeft hij zelf die ruit van vensterglas goedkoop gekocht en zo ruim 150,- USD in zijn zak gestoken. We weten het niet. We denken er sterk over om de benodigde onderdelen in Nederland te bestellen en laten versturen. We hebben de prijzen al opgevraagd. Nieuw en origineel DAF in Nederland nog goedkoper dan gebruikt in Afrika, maar het versturen kost enorm veel geld, en de kans dat de voorruit in stukken aankomt is heel groot. Daarnaast duurt het ook erg lang en geeft het veel gedoe met de douane. En omdat Remon ons telkens aan het lijntje hield en beloftes deed, hebben we almaar niets in Nederland besteld. Het had anders intussen al hier kunnen zijn, we zijn al ruim twee weken verder.

Intussen heeft Jan in overleg met Cornelis drie plaatwerkers in dienst genomen. Sotraco heeft deze mensen zelf niet, en Jan kan nog niet veel zelf. Ene maître Rouf kwam langs om het werk te bekijken. Hij krabbelde op een kladje een offerte in elkaar: 800,- USD, incl. verf en plamuur, excl. onderdelen. Jan vraagt hoelang de klus gaat duren. “Och” zegt maître Rouf, “twee dagen, misschien drie met drie man”. Ja ja, twee dagen, waar hebben we dat meer gehoord? Jan schat het als minstens anderhalve week in, en maakt met Rouf een prijs af van 300,- USD, zonder plamuur en verf. Dat is veel geld voor “drie dagen werk”. Ook voor anderhalve week nog flink betaald, voor Congolese maatstaven.

Rouf begint de volgende dag direct, met twee collega's, maître Manna en maître Bora. Ja, net als Duitsers noemen ze zichzelf meester (maître) als ze denken dat ze een vak beheersen. De mannen beginnen met het eruit halen van de verkreukelde deur, en dan met het loshalen van het plaatwerk. Vooral de linker stijl waar de deur aan hangt is flink verfrommeld. Jan heeft nog geprobeerd om dit plaatdeel te kopen van een van de wrakken die overal in en om Matadi staan, maar daarvoor geld hetzelfde, de mannen doen helemaal geen moeite om het deel te verkopen. De plaatwerkers gaan erg grof te werk. Met een hamer en een beitel hakken ze de plaatdelen los. Jan doet een stukje voor met de haakse slijper met de dunne slijpschijf, maar dat vinden de mannen niets. Maar juist met de haakse slijper kun je erg precies werken, en je krijgt een scherpe naad, niet breder dan een millimeter, zonder het plaatwerk dat nog goed is te vernielen. De mannen slaan er flink op los met de beitels. Als je aan de achterzijde van het blik een stuk staal of hout kunt houden, kun je ook daarmee nog best een nette naad maken, maar omdat je niet bij de achterzijde kunt komen, slaan ze hele stukken eerst krom voordat de beitel door het materiaal gaat. De mannen willen niet luisteren, Jan wordt er gek van. Ze vernielen meer dan dat ze repareren. Vooral maître Rouf is een vervelende eigenwijze vent. En hij heeft de klus aangenomen, dus de andere twee luisteren naar hem. Een paar keer loopt het tot flinke ruzie op tussen Jan en Rouf, waarbij Jan hem wegstuurt en zegt dat hij niet weer hoeft te komen. In Nederland zou je je bij een aangenomen klus er niet zo mee bemoeien, het moet gewoon netjes opgeleverd worden, hoe, maakt niet zoveel uit. Maar hier kun je het daar niet op aan laten komen.


Rechttrekken van de cabine met de heftruck. Wij vinden het geen goed idee. Ze beweren bij hoog en bij laag dat het goed gaat. "Wij doen het altijd zo!"

Met tussenkomst van Cornelis mag Rouf het nog een keer proberen, en hij is nu iets rustiger, veel te bang dat hij zonder centen weggestuurd wordt door Jan. Wel vraagt hij brutaal aan het eind van de dag geld voor de taxi, om terug te keren naar huis. Jan zegt dat dat zijn eigen verantwoordelijkheid is. Jan geeft hem 10,- dollar zodat ze met zijn drieën met de taxi naar huis kunnen, maar zegt duidelijk dat dat van de 300,- dollar wordt afgetrokken. Rouf haalt zijn schouders op, dat moet dan maar. Jan zegt nog dat het goedkoper is om een fiets aan te schaffen dan telkens met de taxi te gaan. Maar iedereen die een paar cent te makken heeft in Afrika neemt de taxi, ook al is het maar 500 meter lopen (en ja, dat doen ze liever dan een brood kopen, en neehee, dat is geen luiigheid!). Het barst er dan ook van de taxi's, alle straten worden er door geblokkeerd, waardoor lopen vaak nog sneller is ook.

De volgende dag komt zowaar maître Bora met de fiets! En nog een fraai ding ook, een of ander chinees geval. Jan maakt ook even een rondje. Op de andere twee maîtres is het nog lang wachten, maar uiteindelijk komen die ook met de taxi aankakken. Maître Bora is een aardige, wat oudere, zeer magere man. Jan noemt hem Tora Bora, waar steevast op wordt geantwoord met “Oui patron”. Als die middag maître Rouf weg is, luisteren de ander twee perfect naar Jan, en gaat het werk een stuk vlotter. Er wordt nu op twee punten tegelijk gewerkt. Terwijl de ene een stuk plaatwerk loshaalt, maakt de andere een los stuk plaatwerk weer recht door er eindeloos met een hamer op te slaan.  Normaal gesproken zie je hier mensen alles samen doen. De een houdt het plaatwerk vast, terwijl de ander er op klopt. Dat schiet niet op, maar kletst wel veel gemakkelijker. Er komt zowaar systeem in het werk, en ze doen precies zoals Jan het zegt. De hele middag is het: “Oui patron, biensur patron”.

Tot Rouf weer terug is. Wederom chaos, geen systeem en trammelant. En 's avonds weer een voorschot voor de taxi en voor bier. En zo gaat het de komende dag, nee, weken verder. Op een gegeven moment willen de plaatwerkers de linker raamstijl en het voorfront van de cabine rechttrekken met de 12-tons heftruck. Ze hebben al kettingen om de raamstijl gelegd. Terwijl de monteurs van Sotraco de dag ervoor het linker bladveerpakket eronder vandaan hebben gehaald. De auto staat aan de linkerzijde dus slechts op een stapeltje oude velgen. Als ze zouden gaan trekken schuift de wagen hier zo van af. Daar denken ze hier niet over na. Het kost Jan veel moeite om ze er van te overtuigen dat ze een dag moeten wachten, tot de bladveren en het linker wiel er weer onder zitten. Dan kan er naar hartelust rechtgetrokken worden. Vol onbegrip gaan de mannen dan maar naar huis. Er is nog genoeg ander werk te doen, maar als ze in de kop hebben om te gaan richten, dan moet dat eerst gebeuren.

De bovenste bladveer is geknapt precies bij het bevestigingsoog aan de voorzijde. De tweede bladveer zit daar normaal gesproken met een gebogen krul omheen, maar de krul is er door de impact van de botsing glad uitgetrokken. We kunnen die twee bladveren hier nergens krijgen. En er is ook geen bedrijf dat ze kan namaken. Wel in Nederland, maar dan moet je voor 375,- euro een compleet pakket kopen, en dan komen er nog flinke vrachtkosten en invoerkosten bij. Zonder overleg zijn de medewerkers van Sotraco al begonnen te lassen. Eigenlijk kun je een bladveer niet lassen. Die dingen hebben een speciale warmtebehandeling ondergaan om het metaal een zodanige structuur te geven dat het veerkrachtig is, en niet na een paar keer buigen zal breken. Zodra je het last, verliest het ter plaatse van de las die eigenschap, en zal het daar weer gewoon metaal zijn, dat na een aantal buigingen breekt door metaalmoeheid. Nu is de plek waar onze bladveer gebroken is direct bij het bevestigingspunt, en daar wordt hij vrijwel niet op buiging belast. Het zou dus misschien wel goed moeten kunnen gaan. Hopelijk lang genoeg tot we in Angola een andere bladveer hebben gevonden.

De veer waar weer een krul in moet, brengen ze weg naar iemand die dat zou kunnen fiksen. Die deed ook zijn werk geweldig, hij heeft er flink met een brander opgezeten, en i.p.v. een ronde krul zit er nu een bijna haakse knik aan het eind van de veer. Maar het hele zootje pas er weer onder, en het veerpakket is nog net zo lang als origineel, waardoor de vooras er weer op de millimeter nauwkeurig recht onder zit. Dit meetwerk moest Jan wel zelf doen, want de monteurs hier gebruiken geen meetgerei, ze zetten alles op het oog vast. De gelaste kant zetten we aan de achterzijde, waar de scharnierende veerschommel zit. De veer wordt daar minder belast dan aan de voorzijde, en mocht hij toch breken, dan blijft de vooras op zijn plek, waardoor er geen gevaarlijke situatie ontstaat.

Het duurt dan weer een paar dagen voor de plaatwerkers terug zijn. Zij beginnen met het lompe richtwerk. Eerst willen ze de linker raamstijl naar voren trekken met de grote heftruck, waarbij ze hopen dat het dashboard en de linker voorzijde meekomt. Er zit echter een flinke knik in de vloer net achter de pedalen, en Jan zegt dat de raamstijl veel te zwak is om de boel aan recht te trekken. De maîtres laten weer eens horen dat zij de experts zijn, en er gaat een ketting om de raamstijl, en om de vorken van de heftruck. Hydraulisch drukt deze de vorken opzij, waardoor de hele raamstijl met een scherpe knik naar voren staat, de afdrukken van de schakels van de ketting staan in het metaal geperst. Het dashboard en de vloer zijn uiteraard niet mee gekomen. Het ziet er beroerd uit, maar de mannen halen hun schouders op. Kloppen we wel weer recht. Jahaa, maar het is dom, dit had niet gehoeven.

Dan wordt de ketting vastgemaakt aan een dwarsprofiel dat onderaan tussen bodem en voorpaneel van de cabine zit. Om de ketting daar aan vast te maken moet er eerst een vierkant uit het nog onbeschadigde deel van het voor paneel geslepen worden. De heftruck geeft weer onbenullig veel kracht, en hop, het hele voorpaneel van de cabine staat er zo'n 90 graden haaks naar voren gebogen aan! Het ziet er verschrikkelijk uit. Als je deze clowns hun gang laat gaan slopen ze de hele auto. Het lijkt meer op een slapstick van Laurel en Hardy, maar we kunnen er niet om lachen. Jan zegt dat ze met dat richten maar moeten stoppen. Dit wordt helemaal niets zo. Hij besluit om alle beschadigde plaatwerkdelen er maar uit te slijpen, deze stuk voor stuk met een hamer weer in vorm te slaan, en alles er weer in te lassen. Jan doet het slijpwerk maar zelf, want ook dat is erg gevaarlijk om de mannen te laten doen. Het gaat nog bijna mis. Jan staat buiten en wil de kromme raamstijl doorslijpen. Binnenin zit een van de maîtres. Jan vraagt of hij de kabels die in de raamstijl zitten er uit getrokken heeft. “Ja hoor, er zitten geen kabels meer in”. Gelukkig slijpt Jan oppervlakkig rondom de raamstijl, en er niet zo dwars door, want, ja hoor, alle kabels zitten er nog in. Grrrr.


De heftruck trekt aan de staalketting. Bam. En nu drie keer raden wie er gelijk had, de "professionals" of de domme toeristen?

Alleen een kabel van de verstralers is beschadigd. Weer wat te repareren, wat niet had gehoeven. Zo slijpt Jan de hele voorstijl er uit, de linker voorhoek van de cabine, het buitenste plaatwerk, een stuk van de voorzijde en een snede in de vloer om daar de boel weer recht te kunnen slaan. En eerlijk is eerlijk, het zijn best goede plaatkloppers. Gelukkig had Jan een mooi bolhamertje bij zich speciaal voor plaatwerk, en daarmee slaan ze alles behoorlijk weer in de oorspronkelijk vorm. Zelf hebben de mannen alleen een beitel bij zich en een hamer, die gemaakt is van een dikke bout waaraan een steel van betonijzer gelast is. De zeskant van de bout is de hamerkop. Het is een geklop van jewelste. Behalve als Jan even binnen is bij Mariska. Dan houdt het geklop ook spontaan op. En dat is vreemd, want ze staan niet op uurloon, het is een aangenomen opdracht. Als we uit het raam kijken zien we ze in de schaduw liggen. Het is dan ook telkens wel idioot heet. Tussen de hoge muren hier staat geen zuchtje wind, en alle beton warmt flink op en weerkaatst de hitte. Maar ze beginnen dan ook niet om 8:00 uur (of eerder), zoals afgesproken. Dan is het nog koel en kunnen ze een lange middagpauze nemen. Maar nee, tussen 9:30 – 10:00 uur komen ze een keertje aankakken.

Het er weer inzetten van het plaatwerk is ook nog een heel gedoe.  De lasapparaten van Sotraco zijn grote lompe dingen die alleen met beklede elektrode kunnen lassen. Jan heeft wel een lasapparaat bij zich dat zowel elektrode als TIG kan. Elektrode is niet geschikt voor dun plaatwerk, en voor TIG hebben we gas nodig. Dat is hier niet. Maître Rouf regelt een acetyleenset om de boel autogeen te gaan lassen. Een zuurstoffles is er wel, maar acetyleen is ook niet te krijgen, dus wordt er een omgebouwde gaspot aan gezet waar carbid ingedaan wordt. Met carbid wordt de auto in elkaar gelast dus. Dat gaat weer met grote ergernis. Allereerst moet er carbid komen. Dat moet Jan betalen. Hij geeft 10,- USD aan Tora Bora, die úren wegblijft. Hoewel er nog genoeg ander voorbereidend werk te doen is, doen de andere twee niets. Ze wachten tot het carbid er is, alsof ze met zijn drieën tegelijk kunnen lassen. Als het carbid er is, gaat de volle klomp er in. De afdichting van de gaspot is doormiddel van een deksel met een klembout, en daartussen stukken autoband. Er lekt dus veel gas weg. Maître Rouf last een stukje, de anderen kijken. Dan moet er nog veel ander werk gedaan worden, wat vanmiddag niet gebeurd is, dus de vlam gaat weer uit, het carbid ligt ongebruikt weg te gassen, tot de mannen tegen vijven naar huis gaan, zoals altijd met een voorschot voor de taxi. De volgende ochtend roept maître Bora al: “Patron! Le carbid c’ést terminé!” Ja, geen wonder dat het op is. Weer 10,- USD dus en na een uur kunnen ze verder. Dit herhaalt zich nog vaak. Lassen met carbid op deze manier is duurder dan met acetyleen.

De ergernissen worden steeds groter. De mannen meten zo lukraak met een stokje, eigenlijk meer een stukje rietstengel dat ze gevonden hebben. Dit terwijl Jan er maar liefst vijf goede rolmaten heeft neergelegd. Hij legt ze uit dat ze de maten moeten opnemen van de rechterzijde van de auto, en dit moeten kopiëren naar de linkerzijde van de auto. Ze hebben moeite om de juiste positie van de plaatwerkdelen, de scharnierstijl en de raamstijl te bepalen. Ze linker deur is nog niet binnen, dus die kunnen ze niet gebruiken om de maten te bepalen. Jan zaagt uit een plaat multiplex precies een mal uit van het deurgat, aan de hand van rechterzijde. Zo kunnen ze exact de positie van de linker scharnierstijl bepalen. Hij stelt ook met een zwaaihaak de hoek van de raamstijl exact in, naar voorbeeld van de rechter zijde. Hij laat het allemaal aan de mannen zien, houdt zijn hulpmiddelen op de juist plek, en geeft uitleg waar ze op moeten letten. Ze knikken, maar gooien het spul van zich af, en gaan weer verder met discussiëren en “meten” met hun strootje, waarbij ze niet naar de rechterkant lopen om referentiematen te nemen. Volgens Cornelis is dat de normale Afrikaanse manier van werken. Op het oog wordt alles er weer ingelast. Als dan de deur niet past, wordt deze ook verbouwd tot ie past. Hetzelfde met de voorruit. Is die te ruim, dan wordt het met veel kit en plakband opgevuld, is die te krap, dan wordt ie tegen de raamsponning geplakt in plaats van in het rubber, of er wordt een stuk afgesneden. Jan wordt niet goed van ergernis, en ziet in dat het niet helpt wat hij ook zegt. Jan's nieuwe tactiek is nu om de ellende niet continu aan te zien, maar om binnen bij Mariska te gaan zitten, die haar tijd invult met het uitsorteren van foto’s, updaten van onze website en eten koken. Het doen van de boodschappen neemt ook de nodige tijd in beslag. Bij het ene kraampje hebben ze brood, bij een ander tomaten dan naar het kraampje met uien, weer een ander heeft kool en paprika. Fruit is nog een heel eind lopen, evenals de eieren. Vlees slaan we hier uit veiligheidsredenen maar over, we hebben net een ongeluk overleefd! Rijst moet je hier kopen en de pasta daar. De bloem bij deze en de blikjes tomatenpuree bij die. En zo loop je van hot naar her (nee, niet met de taxi!). Onderweg altijd veel gezeur van deze en gene. Iedereen wil wat van een blanke. Maar op een paar doorzeurende knapen overwegend vriendelijke mensen. Af en toe proberen knapen je ook te neppen met het wisselgeld of iets voor een veel hogere prijs te verkopen. Vrouwen zijn vaak veel eerlijker. En binnen de kortste keren ken je de prijzen wel zo’n beetje. Je moet eerst 5 kramen langs voor prijsonderhandelingen en dan pas een beslissing maken.

Jan zoekt een beetje op internet naar onderdelen e.d. en gaat vanaf nu gewoon elk half uur naar buiten, en controleert wat de mannen gedaan hebben. En alles wat niet goed is, moeten ze dan overnieuw doen. Met de dreiging er bij dat als ze dat niet doen, Jan niets betaalt. In een half uur kunnen ze niet zo heel veel schade aanrichten. Hoewel... tijdens één van de inspecties ziet hij maître Rouf met de grote lastoorts met vlam in de cabine zitten. Hij last een stukje, kijkt dan wat hij gelast heeft, en houdt de vlam recht omhoog. Woefff, zo langs de zonneklep en de hemel. Een smeltspoor achterlatend, gelukkig vat het spul geen vlam. Dat gebeurt wel telkens met alle tectyl die overal tussen zit. Het stinkt enorm, maar dooft vanzelf. Toch is er best een serieuze kans dat de pyromaan de hele wagen affakkelt. Ook zijn collega's kunnen er wat van. Hier en daar moet er flink aan de wagen getimmerd worden. Jan ziet ze uithalen met de hamer, niet lettend op wat ze tijden zo'n uithaal nog meer onbedoeld raken. Zo komen er een paar hamerslagen op het gedemonteerde dashboard terecht, dat nog in de cabine slingert. Het glas van de klokken blijft gelukkig nog net heel.


Tussen de pauzes door, wordt er hard gewerkt.

En zo gaan de dagen voorbij. Bij de eerste controle hadden ze het voor elkaar gekregen om de scharnierstijl waar de deur aan af moet worden gehangen helemaal vooraan op de hoek van de cabine te zetten, terwijl deze zo'n 30 centimeter verder naar achteren moet staan. Jan laat het grote verschil zien m.b.v. de malplaat, en de mannen slijpen de stijl maar weer los. En zo gaan er nog meer dagen voorbij. Het hele inlassen duurt zo weer ruim een week. De mannen raken de rolmaten en malplaat niet aan, en kijken niet naar de onbeschadigde rechterkant voor referentiematen. Elk half uur controleert Jan. Eigenlijk moet je zulke prutsers naar huis sturen, maar je krijgt er hier geen betere voor terug. Het is echt treurig. En over dertig jaar zal het niet anders zijn. Ze willen niets van je aannemen. Voor Jan is het een vrij simpel klusje, maar met zijn ribben kan hij zich moeilijk bewegen, en al helemaal niet tillen. Laat staan telkens in en uit de auto springen en in rare houdingen liggen.

Als Jan op een middag een paar lege bierflesjes terugbrengt naar het café aan de overkant, ziet hij tot zijn verbazing een taxi langs de kant staan, waar uit de kofferbak een paar benen steken, en rondom de auto zijn eigen gereedschap ligt. De twee benen blijken van maître Bora te zijn, die een beunklus uitvoert aan de taxi. Jan is goed pissed-off. Het is al een hele klus om in de gaten te houden of alle gereedschap dat van ons gebruikt wordt 's avonds weer terug in de kisten komt, maar als het nu ook al buiten de poorten op straat ligt. En het is ook al oppassen dat ze je dure schroevendraaiers niet als beitels gebruiken, en meer van dat misbruik van het gereedschap.

Intussen zijn de deur en de kapotte voorruit van vensterglas dus ook binnengekomen, en zowaar belde Remon weer dat hij een stuurhuis heeft gevonden, nu met de juiste codering van ZF, de fabrikant. Iemand van Sotraco in Matadi had ook al een stuurhuis gevonden, maar dit bleek een ander type te zijn. We weten de inwendige staat niet van het ding dat Remon nu heeft. Volgens Remon moet de verkoper er 350,- USD voor hebben. Een splinternieuwe in Nederland kost 575,- euro, en daar komt dan nog veel aan transportkosten bij. De losse as die bij ons gebroken is willen ze wel los versturen, maar we moeten dan alsnog het hele stuurhuis betalen. Jan heeft inmiddels al contact gehad met ZF zelf of die de as niet als los onderdeel hebben, maar dat wordt door hen niet meer op voorraad gehouden. We besluiten het stuurhuis voor 350,- dollar te kopen. Er is van twee altijd één te maken. De monteur van Sotraco in Kinshasa controleert voor ons weer het nummer en wij betalen het geld contant aan de kasjuffrouw. Als het stuurhuis binnenkomt lekt er allemaal gewone zwarte motorolie uit, in plaats van helder rode hydrauliekolie. De leidingen zijn niet afgedopt en er is dus flink wat zand in gekomen, duidelijk te zien in de olie die er uit stroomt. Weer typisch Afrikaans. Iedere monteur in Nederland weet dat je open machines of leidingen af moet dekken om vervuiling door stof of zand te voorkomen. Als iets funest is voor lagers en glijvlakken dan is het wel zand. Dat weten Afrikaanse monteurs ook wel, maar het kan ze niet schelen.

Ongevraagd waren de monteurs van Sotraco al begonnen ons stuurhuis, welke van onze DAF afkwam, te demonteren. De zuiger, het cilinderhuis met lagers, het stond zo open en bloot op een werkbank, waar aan geslepen en gelast werd, en waarnaast telkens vrachtwagens en heftrucks stof en zand opwaaiden. Jan grijpt de delen en stopt ze in plastic zakken. Onze motorlift is nu leeg, omdat we de motor nu weer regelmatig gebruiken (het lukt weer een beetje met Jan’s ribben). Als de lift op een meter hoogte staat is het een prima overdekte werkbank. Dus daar haalt Jan het “nieuwe” stuurhuis uit elkaar. Er zitten veel groeven in de cilinder, maar het enige waar het ons om gaat is de sectoras, het naaldlager en de keerring van die as. Het lukt Jan om die er heel uit te krijgen. Hij reinigt ze goed met dieselolie, en hetzelfde met de gedemonteerde delen van ons “oude” stuurhuis, dat nagenoeg inwendig geen krassen vertoont. Na montage loopt het huis weer soepel, en is dat probleem opgelost. De monteurs van Sotraco zetten hem er weer onder. Nu hopen dat de stuurbekrachtigingspomp het nog doet, want die heeft twintig kilometer zonder olie gelopen.

Jan schooiert inmiddels in Matadi allerlei andere onderdelen op. Hij vind een lampglas voor onze rechter koplamp. Het is eigenlijk van een verstraler, dus zonder deflectorkap voor dimlicht. Deze peutert Jan uit onze kapotte koplamp en weet de deflector vast te zetten in de “nieuwe” koplamp. Op E-nummers in het lampglas let hier toch niemand, dus opgelost. En dat voor slechts 8,- USD.

Uit een groter plastic glaasje slijpt hij een lens dat precies in ons kapotte contourlicht past. Klaar voor 2,- USD. Maar een heel knipperlichtglas is nergens te vinden. Jan gaat alle shopjes langs. Als hij weer op de grote weg richting Sotraco rijdt, staan er een paar mannen midden op de weg die Jan wenken. Jan stopt. De mannen hebben gehoord dat Jan een knipperlichtglas van een Daf zoekt. Ze wijzen dat hij een van de mannen moet volgen. Hij komt in allerlei vieze achterafstraatjes terecht. Bij een krakkemikkig hutje gaat de man naar binnen, Jan wacht buiten. De man komt weer terug met een pakketje in dikke kranten verpakt. Als alles is losgesneden liggen er twee splinternieuwe knipperlichten van een Daf. Hoe is het mogelijk. Het zijn duidelijk Chinese kopieën. Het lampglas is van dun fragiel plastic, de fitting valt al uitelkaar als je hem aanraakt, en het blikwerk voor montage is zo dun als dat van een colablikje. Maar het is beter als niets. Er rijden hier in Afrika maar weinig vrachtwagens met werkende knipperlichten, maar als blanke ben je dan direct aan de beurt. Dat betekent gezeur bij elke politiepost, dus het moet voorelkaar. Met veel afdingen en gezeur weet Jan één knipperlicht te kopen voor 20,- USD. Veel te veel voor die Chinese rotzooi, meer als 5,- USD mag het niet kosten. Maar goed, nu hebben we alles compleet, behalve een voorruit.

Met veel gedoe en ergenis, enorm veel carbid kopen, veel losslijpen en opnieuw inlassen, zijn we eindelijk min of meer tevreden met het resultaat van de plaatwerkers. Daarbij hebben we onze eisen aardig naar beneden bijgesteld, je kunt de kwaliteit van het plaatwerken in de verste verte niet vergelijken met dat in Nederland. De deur wil goed open en dicht. Onderaan is nog wel een kier van een centimeter of twee, maar dat krijgen ze niet meer weggewerkt. Ook zit de hele cabine er nog iets scheef voor, een centimeter of drie. Dit komt doordat de scharnieren waarmee de cabine aan het chassis zit iets krom zijn. Die zijn van dik gegoten staal, en buig je niet zomaar terug. We hebben het nog geprobeerd om de cabine recht te trekken met de heftruck, maar hij gaf geen sjoege.

Door alle geklop ziet de linker voorzijde van de cabine er eigenlijk best gaaf uit zo. Zilvergrijs met allemaal kleine deukjes. Jaren geleden was er een commercial op televisie van Peugeot, waar iemand in een afgelegen dorpje zelf een 206 of 306 in elkaar klopt, zelfs met behulp van een olifant die er op gaat zitten. Daar lijkt het ongeveer op. Het mooiste is eigenlijk om er nu gewoon blanke lak op te spuiten.

Jan is eigenlijk al het gedoe met de monteurs en de plaatwerkers wel zat. Het gaat al wat beter met de ribben, en hij wil rustig alleen de cabine afmaken. Hij betaald het restant van de 300,- USD uit aan maître Rouf. We verwachten veel spektakel omdat het allemaal wat langer had geduurd dan hij dacht, maar zonder morren was het oké. Bij de deal zat natuurlijk in dat ze het ook zouden plamuren, spuiten en afmonteren, en dat hoeven ze nu niet te doen. Beide partijen al lang blij.

Ook is Remon nog langsgekomen bij Sotraco. Hij wil nog terug naar Kinshasa om daar een nieuwe ruit te zoeken. Jan is woest op hem, en zegt dat hij inderdaad naar Kinshasa moet, met de scherven in een emmertje en onze 200,- USD terug moet halen. Remon pakt een scherf van het gewone vensterglas en één van onze kapotte gelaagde voorruit, om zogenaamd de handelaar in Kinshasa het verschil te laten zien. Alsof die het verschil niet weet. Dan vraagt Remon geld aan Jan om naar Kinshasa te gaan. Je kunt gratis met een vrachtwagen van Sotraco meerijden. Jan had dat al geregeld. Dan wil hij geld voor eten. Eten moet je hier ook, maakt geen verschil in Kinshasa of Matadi. Dan wil hij geld voor overnachtingen. De vorige keer vertelde hij dat hij bij vrienden en familie verbleef. Dat kan nu dus ook. Jan zegt dat als hij de 200,- USD terug weet te krijgen, hij 50,- USD zelf mag houden. Dan wil hij geld voor beltegoed, zodat hij ons kan bellen als hij wat gevonden heeft. Jan is woest. “Je hebt net veel geld aan ons verdiend. Ik geef je de mogelijkheid om nog meer te verdienen, en dan bedel je om beltegoed, terwijl je de telefoon alleen over laat gaan en ons toch steeds terug laat bellen?” Remon zegt dat hij nog niets aan ons verdiend heeft, dat hij de spullen één op één aan ons verkocht heeft. Ja ja, wij zijn gek zeker.

Jan geeft hem nog één kans, en is zo stom om hem 20,- USD mee te geven. Daarvan moet hij al meteen en taxi betalen naar de vrachtauto, want de vrachtauto van Sotraco is net vertrokken, en staat al op een ander adres in Matadi te laden, om dan naar Kinshasa te rijden. Volgens ons heeft Remon die vrachtwagen naar Kinshasa nooit genomen, want wij hebben nooit iets van hem weer gehoord. Zijn telefoon nam hij niet meer op. Jerry, de Belg, wist ineens ook van niets.

Balen, hebben we nog geen oplossing voor de ruit. Ook een stuk lexaan of plexiglas is hier in die maat niet te vinden. We denken er over om dan maar zolang met plexiglas uit meerdere stukken te rijden. Nadeel is wel dat je dan geen ruitenwissers kunt gebruiken, want dat krast gelijk in. Een andere oplossing is om er toch gewoon vensterglas in te zetten, maar aan de binnenkant van dat ruitenfolie tegen te plakken, zodat de splinters bij een ongeluk daar in blijven hangen. Helaas kun je dat folie hier alleen in extreem donker kopen, of in spiegelglaseffect.

Jan wil de cabine verder plamuren en spuiten. Maître Bora is bezig met een reparatieklusje aan een auto van Sotraco, en Cornelis geeft hem opdracht om voor ons plamuur en verf te kopen. Jan betaalt hiervoor 25,- USD. Maître Bora komt terug met een aangebroken blik grove plamuur, en een aangebroken pot fijne plamuur, en een blik verf voor zijn eigen reparatieklus. Weer heibel. Daar betaal je toch geen 25,- dollar voor? Jan wil ook verf, maar Tora Bora wil daar meer geld voor hebben. Cornelis moet er weer bijkomen, en geeft Maître Bora opdracht de verf aan Jan te geven. Dat kan zat uit voor 25,- USD.


Knap werk. Weer helemaal met een hamertje in vorm geklopt.

Jan plamuurt en schuurt de Daf, en het wordt nog best strak. De plamuur droogt idioot snel, bij bijna 40 graden. Je moet snel werken met kleine beetjes, anders wordt het korrelig. Als Jan toe is om de boel te spuiten, vraagt hij Cornelis of er een spuit op luchtdruk is, waar hij de verf in kan doen. Nee, zegt Cornelis, dat gaat hier niet lukken. “Hoe doe je het dan?” vraagt Jan. “Gewoon met de kwast” zegt Cornelis, en hij reikt Jan een kwast aan. Jan kijkt hem ongelovig aan. Heeft hij daarvoor de boel strak staan te plamuren en schuren? Om het met een kwast weer af te kliederen. Jan vraagt nog of hij dan geen spuitbussen met witte verf kan kopen. “Dat zal moeilijk worden,” zegt Cornelis. “Als het al lukt, zijn ze heel duur.” Nou, met de kwast dan maar. Mariska hoort Jan zuchten en vloeken als hij aan het schilderen is. Het is een Chinese kwast, van die bekende goede Chinese kwaliteit. Hij haart erger dan een angorakonijn in de rui. Die dikke Chinese hangbuikzwijnharen zitten overal in de lak. En die lak droogt zo hard dat je de haren er niet onzichtbaar met wat nastrijken uit kunt halen. Overal grove halen van de kwast in de lak, het ziet er niet uit. Daar heb je dan een dag op staan te schuren en plamuren. De Chinese muur is strakker.

Dat vindt ook maître Bora, als hij er later naar kijkt. “Waarom doe je dat met de kwast, en niet met een luchtspuit?”, vraagt hij triomfantelijk. “Hoezo?”, zegt Jan, “heb jij een verfspuit op luchtdruk dan?” Trots laat Tora Bora hem zien. “&*%$#@!” zegt Jan. Daar wordt je toch niet goed van? Tora Bora zegt dat hij de boel wel weer glad schuurt en het dan opnieuw zal spuiten. Jan vind het prima, hij heeft er echt geen zin meer in.

Tora Bora schuurt, maar op sommige plekken is de lak al best hard, en het is geen Chinese lak, dus best goede kwaliteit. Op andere plaatsen waar de lak nog zacht is, schuurt Bora er dikke groeven in. Het wordt niet echt wat. Hij is zover dat hij kan spuiten, maar het begint te regenen. Jan zegt nog dat hij morgen maar weer moet komen, maar daar wil Bora niets van weten. Ook de Mercedes Actros die hij voor Sotraco moet spuiten, wordt nota bene onder het afdak weggereden en buiten naast onze truck gezet. Daar begint Tora Bora die eerst te spuiten. De plek zit net achter de bijrijdersdeur, en hij spuit hem met de deur open, zonder iets af te plakken. Alle spuitnevel waait naar binnen het interieur in. Door de regen komen er allemaal zakkers en druppels in het spuitwerk.

Hij moet ook wat net boven de zwarte bumper spuiten, en plakt ook daar niets af. De zwarte bumper zit onder de witte sputters. Monteurs van Sotraco staan erbij, maar zeggen niets. Cornelis ziet wat er gebeurt en wordt woest op Tora Bora. “Waarom sta je nu buiten in de regen te spuiten, en niet onder het afdak? En waarom plak je niets af?” Tora Bora kijkt wat beduusd. Hij vind het resultaat best goed. Het is een aandoenlijk mannetje, maar een grote sufferd.


En de deur en het spatbord worden weer apestrak. Geen sputters, geen opgewaaid zand...
De volgende dag komt hij terug en spuit onze auto. Jan heeft de boel al afgeplakt. Maître Bora wil de deur, die Jan net heeft afgemonteerd ook spuiten. Jan wil het raamrubber afplakken, maar dat duurt Tora Bora te lang. Hij trekt gewoon hard aan het rubber om het eraf te trekken, net als Jan zich even omdraait om tape te pakken. Maar het rubber zit met klemmen vast, dus scheurt gewoon af. Grrr. Wat een sloper.Het spuiten is geen groot succes, maar als je met toegeknepen ogen door je wimpers kijkt lijkt het nog best wat.

Het einde is in zicht. Jan begint met afmonteren. Hij richt het verkreukelde takkenscherm en monteert deze terug. Het trapje om de cabine in te komen heeft een medewerker van Sotraco in drie stukken geslepen, maar toen werd het te moeilijk, en is het ergens in een hoek beland. Jan last dit ding weer in elkaar. Het zelfde geldt voor het afgeslepen stuk kromme bumper. Daar hebben al meerdere monteurs flink met hamers op zitten slaan om het recht te krijgen maar veel heeft het niet geholpen. Het ding heeft al overal op de plas gelegen. Jan zoekt het op en is er ook een halve dag druk mee. Hier en daar wat inslijpen. Flink slaan, lassen en gladslijpen. Het lijkt best weer wat. Hij heeft toevallig nog een paar spuitbussen zwarte verf in de auto liggen, en spuit bumper en trapje weer mooi zwart.

Met het interieur terug bouwen is Jan ook nog wel even druk. Uitzoeken waar alle luchtleiding die losliggen op zaten. Niets is gemarkeerd bij het loshalen. Elektriciteitskabels doormeten en weer verbinden. De zekeringenkast is verkreukeld, en moet weer in vorm geslagen worden. Gelukkig is het van metaal en geen plastic.

Gestaag begint het weer ergens op te lijken. De knipperautomaat blijkt kapot. Jan loopt wat door de straatjes in de buurt, want er zitten veel handelaartjes met nieuwe en tweedehands spullen. Shopjes niet groter dan een tweedeurs kast. Er zijn ook wat bouten weg van de stuurkolom en de veerschommels. Speciale 10.2 bouten met fijne draad. Dat is hier gek genoeg zo gevonden, voor een paar cent. De knipperautomaten zijn allemaal anders. Een vent die net met een auto aan het repareren is, zegt dat hij er thuis nog één heeft liggen. Jan zegt dat hij er 15,- USD voor geeft als hij de automaat aan het eind van de dag bij Sotraco langs brengt. Dat vind de man een goed idee. Hij moet nog steeds langs komen. Was schijnbaar ook al te rijk.

Bij Sotraco zelf lopen de werkzaamheden ook terug. Er komen steeds meer grote heftrucks uit de haven terug, die werkeloos hier op de plas blijven staan. Het zijn die heel groten, die een volle veertig-voets zeecontainer zo kunnen oppakken. Geen goedkope apparaten dus, en er staan er nu al elf stil. Het blijkt dat de regering voor havenautoriteiten en douane steeds nieuwe lastige regeltjes bedenkt, waardoor men nooit zeker is wat de invoer van goederen zal kosten, en hoelang het zal duren. Handelaren zijn daar niet blij mee, ze kunnen geen vaste prijzen en levertijden afgeven aan hun klanten, waardoor die afhaken. Ook heeft men bedacht dat het goedkoper zou zijn om zelf de schepen te gaan lossen, en hier geen interne firma's voor in te huren. Maar de mensen in de haven kunnen dit helemaal niet aan. Sotraco loste meer dan acht schepen per dag, nu halen ze amper nog één schip per dag. Waardoor schepen gaan uitwijken naar Boma, een haven verder stroomafwaarts. Dus verlies van werk. Daar bovenop heeft de regering afgelopen week bedacht dat per onmiddellijke ingang geen auto's ouder dan tien jaar meer mogen worden ingevoerd. Ja, voor die rijke lui hier maakt dat niets uit, die bestellen hun Mercedes splinternieuw rechtstreeks in Stuttgart. Maar taxichauffeurs bijvoorbeeld kunnen zich echt geen auto jonger dan tien jaar permitteren. Iedereen, blank en zwart, klaagt hier dan ook steen en been. Het land gaat alleen maar achteruit, zeggen ze. En het is al niet veel, als wij zo rondkijken.

De elf heftrucks van Sotraco draaiden  drie-ploegendiensten, en in totaal hebben ze de afgelopen week al veertig man moeten ontslaan. De mannen werkten weliswaar als uitzendkrachten, maar dat systeem is vrij nieuw hier, en kennen ze dus eigenlijk niet goed. Ze zijn dus in protest gegaan, wat op een gegeven moment nog tot een opstootje leidde. Het bedrijfsterrein moest met behulp van de ME schoongeveegd worden. We kijken het vanaf onze auto maar aan. Vooral niet mee bemoeien. De dagen er op zijn er telkens vier ME-ers om de boel in de gaten te houden. Elke dag zit een groepje van een man of tien stil protest te voeren in de schaduw van een oude trailer.

Jan schiet intussen al aardig op, maar helaas is het hem bij het richten en monteren van de zware metalen bumper ook behoorlijk in de rug geschoten. Hij kan niet meer rechtop lopen. Als hij even gezeten heeft komt hij niet meer overeind, en eenmaal liggend in bed kan hij zich niet omdraaien. Ook onhandig hoor, gekneusde ribben en zo'n rug. Het doet flink zeer. Mariska slaat nog wat aan het zelfdokteren op internet. Jan moet een testje doen: rechtop op de bank zitten, de benen recht vooruit en de kin op de borst. Mariska tilt zijn linkerbeen nog geen vijf centimeter op, of Jan begint al te kermen van de pijn. Een lage hernia, volgens de huisdokter. “Ja ja, dat zal wel. En hoe kom je daar weer af”. Eerst rust, platliggen, en dan langzaamaan weer bewegen, lopen of zwemmen. Dus toen lag alle werk weer stil. Op de motor op onderdelenjacht ging niet, en ook lukte het niet om in en uit Celda’s auto, de Vitara, te komen.

Na een paar dagen kan Jan weer een beetje lopen, en wandelen we met zijn tweeën wat door Matadi. Dan zien we ineens naast een gebouw een DAF YA 4440 staan! Zelfde als de onze, maar alles, en ook werkelijk alles wat niet strikt noodzakelijk was om er mee te rijden was kapot. Geen ruiten er meer in, Alle plaatwerk gedeukt, bekleding van de stoelen kapot, dashboard net zo. Alle zekeringen vervangen door spijkers, alle bladveren rondom gebroken, en met touwtjes bij elkaar gebonden. Voor ons zat er niets bruikbaars aan, en dat had ook geen zin gehad, want de wagen was nog volop in gebruik. We praten met de eigenaar die daar zijn spullen kwam afleveren. Hij wist nog wel meer van die Daf's voor onderdelen, zo'n 100km verderop richting Boma. Hij zou de volgende dag er weer zijn, en dan een telefoonnummer voor ons hebben van iemand die de onderdelen zou hebben. We spreken af tussen negen en tien uur de volgende ochtend. We hebben de man nooit weer gezien. Dat schiet weer lekker op. Weer stonden we daar een eeuwigheid voor Piet Snot te wachten. Maar goed, Jan moest toch bewegen, en het gaat al een stuk beter.


De ME moet de mannen weer tot bedaren brengen.

Tijdens een van zijn wandelingen ziet Jan in het straatje direct achter Sotraco een wat grotere serieuzere zaak dat onderdelen voor vrachtwagens verkoopt. Ze importeren aftermarket imitatie-delen van diverse merken uit Duitsland. Goede kwaliteit. Niemand bij Sotraco die Jan op dit zaakje heeft gewezen. Daar hebben ze het juiste model knipperautomaat ook niet, maar Jan koopt een andere, en maakt zelf met losse draadjes een verloopstekker zodat het ding werkt. Hij vraagt ook nog even aan de man achter de balie of die misschien weet hoe Jan aan een voorruit van een Daf kan komen. Voor de deur staat namelijk een goede Daf 2100 met hele voorruit geparkeerd. “Oh” zegt de man, “we hebben er nog een pallet van op voorraad”. Jan kijkt hem met grote ogen aan, of hij in de maling wordt genomen. “Loop maar mee” zegt de man. En inderdaad, in het magazijn ligt een pallet met daarop een stuk of twintig à dertig nieuwe gelaagde voorruiten voor een Daf. Helaas van het type 3300. Die cabine is ongeveer 20cm breder dan de onze, dus de voorruit ook zo'n 20 centimeter langer. De hoogte is wel gelijk. “Geen probleem” zegt de man. “Laten we gewoon een stukje afsnijden.”

De prijs is helaas wel enorm. Hij vraagt er 350,- USD voor, en daar komt het snijden dan nog bij. Jan weet 50,- USD van de prijs af te snijden, maar meer lukt echt niet. En het snijden kost volgens de man ook 50,- USD. Jan vraagt zich nog af of een gelaagde ruit wel te snijden is. Op een professionele machine vast wel, maar hebben ze die hier ergens? Jan dingt af dat het risico dat het mis gaat met het snijden voor het bedrijf is. Er wordt pas betaald, als de ruit de goede maat heeft, en heel is. Volgens de man komen de ruiten uit Finland. Jan kijkt eens goed op het stickertje. Het merk is Finland National, maar in heel kleine lettertjes is nog net te zien dat ze gemaakt zijn in de U.A.E. De Verenigde Arabische Emiraten dus. De man belt de snijder, maar die heeft pas later tijd om langs te komen. Jan spreekt af dat ie dan maar bij Sotraco moet komen. Als de man daar na lang wachten eindelijk komt opdagen, blijkt het een enorme arrogante kerel te zijn. Jan vraagt waarom het snijden maar liefst 50,- USD moet kosten, een weekloon, voor misschien een half uurtje werk. De man is samen met een hulpje, en hij maakt er een heel theater van. Het is volgens hem ongelooflijk gespecialiseerd werk. Erg moeilijk. Allereerst moet er namelijk worden opgemeten aan de auto, en daarvoor moet volgens de man de ruit tegen de raamsponning worden getild, om die op de ruit over te trekken. “Helemaal niet”, zegt Jan. Hier ligt de oude ruit, die nog geheel met het folie aan elkaar zit, en ik heb hem al voor je opgemeten. Dit zijn de maten dat de nieuwe ruit moet worden.” Jan heeft er juist op toegezien dat de raamsponning in de cabine exact weer op de originele maat is gekomen, waardoor hij zeker weet dat de ruit dan past.

“Nou, op die manier kan dat toch helemaal niet, dat gaat nooit goed”, beweerde man. Terwijl Jan juist vind dat het overtrekken van de raamsponning op de ruit erg omslachtig is en nooit nauwkeurig kan. Het duurt niet lang of ze hebben hooglopende ruzie, waarop Jan de man vriendelijk mededeelt dat hij kan opdonderen. Het gebeurt op onze manier, of het gebeurt niet. Hoe de ruit wordt gesneden maakt ons niet uit, als het maar exact op de maat is die Jan aangeeft. Jan gaat terug naar de zaak waar de ruit ligt, en daar is de snijder ook. Er volgen nog weer wat woorden, waarbij Jan nogmaals zegt dat hij best de ruit mag snijden, maar dan precies op de maat die door Jan is aangegeven. Als de ruit dan niet zou passen, is dat Jan's risico, en niet de zijne. En dan willen wij nog steeds weten waarom dat grapje 50,- USD moet kosten. Zelfs in Nederland hoef je zoveel geld niet te betalen voor en simpele rechte glassnede. De glassnijder gaat over zijn toeren, maar wil niet zakken met de prijs, en ook niet volgens Jan's maat snijden. Jan probeert het nog om het voor 30,- USD voor elkaar te krijgen, tezamen met een Nokia telefoon, waar we er een paar van gekregen hebben van vrienden, voor onder andere zulk soort gevallen. Hij laat de telefoon zien, die in onze ogen vrij modern is met 3 Mp camera, touchscreen en andere toestanden, maar de man lacht er om. Geen belang bij. Hij laat zijn eigen nieuwe telefoon zien, met alles erop en eraan. Dit ding, wat voor ons al modern is, is voor hem ouwe shit.


Jan is wat aan het oefenen op de oude ruit, of hij de nieuwe ruit zelf niet kan snijden.

De verkoper van de ruit zegt dat er bij die 50,- USD ook geld in zit voor het risico dat de ruit kapot gaat bij het snijden. Jan zegt dat het prima is, dat hij 350,- USD betaalt aan de verkoper van de ruit als die de juiste maat heeft, zoals Jan hem op tekening aanreikt. Wie hij de ruit laat snijden en hoe, maakt ons niet uit. Als we maar niets meer met die arrogante kwibus te doen hebben, en ook niet met een ander die wil komen meten. De man zegt dat hij nog wel een andere snijder weet, en dat de ruit de volgende dag klaar zal zijn, hij belt Jan als hij de ruit kan komen afhalen. Ja ja, we zijn nog steeds in Afrika, dus de volgende dag belt er niemand. Tegen een uur of vier gaat Jan er maar eens naartoe. De man verteld één of ander smoesje waarom de ruit nog niet gesneden is, en waarom hij Jan niet gebeld heeft. Het komt er eigenlijk gewoon op neer dat je als klant niet zo moeilijk moet doen over 350,- USD voor een imitatieruit, terwijl een origineel 160,- Euro in Nederland kost, en 350,- USD al zo ongeveer twee à drie maandlonen is voor de gemiddelde Congolees. Maar “morgen” is hier altijd een oplossing voor het probleem. Morgen wordt Jan gebeld en komt alles in orde. Tuurlijk, wie had daar aan getwijfeld? Die volgende dag wordt Jan natuurlijk weer niet gebeld, en hij gaat er maar weer eens naartoe. We willen nu eigenlijk wel eens weg hier. Jan heeft in tussentijd de auto al helemaal afgemonteerd, het is nu alleen nog de ruit.

We balen al genoeg dat de auto nog niet klaar is, want ons visum voor DRC was inmiddels ook al verlopen. Deze was maar een maand geldig, en we hebben bij immigratie voor een maand kunnen verlengen, voor de prijs van een volledig nieuw visum, de oplichters. Maar liefst 83,- USD per persoon. De zeer arrogante chagrijnige man die ons hielp wilde nog veel meer geld hebben. We moesten onze volledige gegevens opnieuw op een papiertje schrijven, terwijl dit allemaal al bij immigratie bekend is. En dat lullige papiertje moest volgens de man 50,- USD per persoon kosten! Ze zijn echt niet goed wijs in Congo. En daar bovenop moesten we volgens de man nog eens 100,-USD per persoon betalen voor het verlengde visum. Op het bureau van de man lag een foldertje met daarin visa-tarieven, en die hadden we gepakt voor hij zelf plaats nam aan het bureau. In het foldertje stonden hele andere prijzen, en niets over een aanvraagformuliertje van 50,- USD. Ook stond de naam van het hoofd van de immigratiedienst in Kinshasa er in. We weigerden de gevraagde tarieven te betalen, en Jan vroeg of hij het hoofd van immigratie, waarbij hij de man zijn naam noemde, even telefonisch mocht spreken over de kwestie. De man achter het bureau werd daarover helemaal boos. Of dat bij ons in Nederland ook gebruikelijk is om direct naar de hoogste ambtenaar te vragen. We zeggen nog dat we die man dan zelf wel even zullen bellen, of zijn waarnemer, om even na te gaan waarom de prijzen hier hoger zijn dan in het foldertje van immigratie. De man grijnsde nog wat, en gaf toen aan dat hij ons wel even zou “matsen”, door de 2x 83,- USD volgens de folder te rekenen. Volgens ons betalen we dan nog veel te veel, maar 166,- USD of 300,- USD is al een heel verschil. We gingen maar akkoord.

Ook hebben we inmiddels het visum voor Angola binnen. Dat ging erg gemakkelijk in Matadi. We vroegen naar de dame waarvan de consul in Libreville ons het visitekaartje had gedaan, en na het laten zien van het visitekaartje van de consul, hadden we al snel een gesprek met haar. Ze was erg aardig en behulpzaam, en binnen een dag konden we een visum krijgen, zonder allerlei gedoe met Letters of Invitation, route beschrijvingen of briefjes van onze minister van toerisme. Wel wilden ze ons afschepen met een vijf-daags doorreisvisum. We zeurden wat door, dat vijf dagen veel te weinig is. Ze overlegde nog met de consul zelf, en kwam terug met de mededeling dat langer dan vijf dagen niet zal gaan want je moet aantonen dat je voldoende banksaldo hebt om 30 dagen in Angola te blijven. Waarschijnlijk zagen we er uit dat we amper financieel krachtig genoeg waren voor vijf dagen Angola. Middels een recent bankafschrift dat we bij ons hadden was ze vlug overtuigd dat we niet direct in Angola aan zullen kloppen voor bijstand, en na een paar uurtjes hadden we eindelijk het felbegeerde plakkertje in ons paspoort. Onbegrijpelijk dat ze daar over onderweg bij de vele ambassades die we bezocht hebben zo moeilijk deden. Het afrekenen gaat nog wel even omslachtig. Dat kan namelijk niet op de ambassade zelf. We moeten naar de RAW-bank in het centrum. Daar moeten we het geld storten op de rekening van de ambassade, en dan weer met het betalingsbewijs van de bank terug naar de ambassade, om ons paspoort terug te krijgen met visum.

Nu die felbegeerde voorruit nog. De man van de winkel overlegd met een kennis van hem die er net is met zijn auto, en zegt dat Jan met die man mee moet rijden. Hij weet iemand die de ruit vandaag nog kan snijden. Gek genoeg gaat de ruit niet mee in de auto. Het is schijnbaar de bedoeling dat de man opgehaald wordt om de ruit hier terplekke te snijden. Gewoon met de hand dus. Een levensgevaarlijke rit in een auto waarvan de voorruit zo gebarsten is, dat je geen barst ziet. Vooral als die felle zon op al die barsten schijnt. Ze stoppen bij een glassnijdersshopje. Het is een krakkemikkig zelf getimmerd hutje, maar binnen blijkt het voor Afrikaanse begrippen toch een redelijke werkplaats te zijn. Ze hebben zowaar een houten werkbank zodat ze staand kunnen werken, in plaat van altijd maar gehurkt op de grond, zoals je hier overal ziet. Ze hebben zelfs stukken vloerbedekking die ze onder de ruiten leggen als ze er mee werken. Waarom laten ze die ruit hier niet even snijden? Een jonge medewerker gaat mee, hij grijpt nog net zo'n glassnijmesje mee zoals ze bij ons in de knakenbak bij de Hubo liggen.

Terug bij de winkel wordt de bovenste ruit gepakt en op een pallet gelegd, waar hij eerst afgetekend en dan gesneden moet worden. Jan bekijkt die ruit en zegt dat hij die niet wil hebben. Er blijken allerlei krassen en putjes in te zitten. Ze hebben de stapel ruiten nooit afgedekt, en er telkens van alles bovenop gelegd. Ze zuchten, wat een veeleisende klant zeg. Wil ie voor 350,- USD ook nog een ruit zonder krassen. Wat maakt dat nou uit? Een andere nette ruit ligt op de grond, half op een pallet met een stuk schuim eronder en moet afgetekend worden. De glassnijder heeft een grote liniaal en een watervaste stift. Jan geeft hem de tekening en een rolmaat. De ruit moet niet precies rechthoekig zijn, maar naar de bovenzijde iets taps toelopend, aan de bovenzijde 30mm smaller dan aan de onderzijde. Er bemoeien zich maar liefst vijf mannen mee. Ze proberen wat, maar het lukt ze werkelijk niet om de ruit af te tekenen. Jan gaat er even geamuseerd naar staan kijken. Daarom moesten ze dus de maat overtrekken aan de hand van de raamuitsparing. Ze kunnen gewoonweg niet zo'n simpele vorm aftekenen. Wat een vakmannen! Daar hoef je geen hogere wiskunde voor gehad te hebben. Jan's opa was timmerman en heeft amper een school gezien van binnen, maar wat die man allemaal kon met een spijker en touwtje.

Na tien minuten is Jan het zat. Hij laat de mannen zien dat ze eerst moeten controleren of de ruit op alle hoeken haaks is. Ze hebben geen blokhaak, dus dan maar door beide diagonalen te meten, overhoeks dus. Zijn deze gelijk, en de boven en onderkant van de ruit ook, dan is de ruit precies rechthoekig. Dat blijkt de ruit wel te zijn. Wat eigenlijk vreemd is, want ook deze zou taps moeten toelopen. Maar dat zal de onnauwkeurigheid in de Verenigde Arabische Emiraten wel zijn. Dan tekent hij op 5 centimeter uit de hoek onderaan een klein streepje, en bovenaan op 6,5 centimeter. Die twee met de liniaal verbinden, en de eerste snijlijn is gezet. Vanaf daar aan de bovenzijde op 190 cm verder een streepje, en aan de onderzijde op 193 cm een streepje. Deze met elkaar verbinden en de te snijden lijnen staan afgetekend, binnen een minuut. De mannen staan er met ongeloof naar te kijken. Ze meten het nog eens na, en Jan ziet ze knikken dat het goed is. Zoiets simpels is voor hen een groot raadsel. De glassnijder mag beginnen. Jan heeft de ruit zo afgetekend dat er aan de ene zijde maar weinig ruimte over is, en aan de ander zijde des te meer. Begin je dan aan de korte zijde te snijden, en gaat dit mis, dan heb je nog genoeg ruimte over, om de ruit nogmaals af te tekenen en uit te snijden. Maar het heldere licht wil natuurlijk natuurlijk eerst aan de kant van grote rest stuk beginnen. Gaat het daar mis, dan kun je de ruit direct weggooien. Jan weet hem daar nog met moeite van te overtuigen.

De man zet zijn mesje op de ruit, snijdt, of beter gezegd krast een centimeter of vijf en dan breekt het handvat van zijn mesje finaal af. Weer eens Chinese troep. Hij klungelt nog wat met alleen het snijdeel van het mesje, maar dat wordt niets. Er moet een nieuwe komen, en de mannen zeggen dat Jan die moet betalen. Tsja, het is een aangenomen opdracht, maar als opdrachtgever ben je hier dan toch echt de klos. Jan heeft alleen nog een briefje van honderd dollar in zijn zak, en zegt dat hij die dan eerst even op straat gaat wisselen in Congolese franken. “Helemaal niet nodig,” zegt de glassnijder, “ik koop wel een nieuw mesje en dan krijg je het wisselgeld retour”. Lijkt Jan geen slim idee, om die knaap met een half maandloon op pad te sturen. Jan wisselt het geld zelf, en als hij terug bij de winkel komt, zegt de glassnijder dat hij geld voor de taxi nodig heeft, zodat hij een ander snijmesje op kan halen uit zijn atelier. Je kunt er wel tegen in gaan dat dit allemaal zijn eigen verantwoording is, maar dan beland je in lange vervelende discussies, en krijg je je ruit nooit gesneden.

Jan geeft hem geld voor de taxi, en wacht zittend op een pallet bij een stuk of zes andere mannen die zich wat vervelen. Het is inmiddels gaan regenen, dus zitten ze binnen, met de grote schuifdeur open, een beetje naar buiten te staren. Na zo'n anderhalf uur wachten houdt de regen een beetje op. Een aantal mannen gaan weg, en Jan vraagt maar eens wanneer die snijder nu terug komt. “Oh, die komt niet meer, het is toch gaan regenen...” Wel @#%$! “Ik hier de hele middag voor Jan met de korte achternaam zitten wachten,” denkt Jan. Als het een beetje regent doet niemand dus meer wat. Die man kan droog in de taxi op en neer, en het snijden kan binnen, maar hij komt mooi niet meer opdagen. Niet even bellen dat hij niet weer komt, en verder ook niemand die wat zegt. Moet je je in Nederland eens voorstellen. Hoe zou het met onze economie staan als we allen het werk neerleggen als het regent? Juist ja, precies zoals de economie in Afrika er voor staat (maar nee, ze zijn hier echt heel zielig, dus je moet wel blijven storten voor Afrika).

De man komt helemaal niet meer opdagen, ook de dag erna niet. Hij kan maar liefst binnen een uur 50,- USD verdienen, maar gaat er vandoor met wat taxigeld. We hebben het loonstrookje gezien van een man die op zo'n grote heftruck hier in de haven werkt: 87,- USD voor 17 dagen werk! Jan is het ook zat, en overweegt om er maar een gewoon stuk glas in te gaan zetten, met schooiersfolie aan de binnenkant voor enige veiligheid. Maar nu belt de man van de onderdelenwinkel wél. Hij zit natuurlijk met een aangesneden ruit, waar nog geen cent van betaald is, en heeft al de heel dag niets van Jan vernomen. Dan kan er wél gebeld worden.

De man wil de eerste snijder laten komen om het karwei af te maken. Jan vind het best, als hij er maar niet mee hoeft te werken. Toch wil de verkoper wel graag dat Jan erbij is, om de juiste maat te bepalen. Zucht... de ruit is toch al afgetekend? Jan tekent evenwijdig aan de eerdere lijnen op 2 centimeter afstand twee nieuwe lijnen, zodat de snijder niet verder hoeft op de krassen van de vorige beoefenaar. Als dit gedaan is, begint ook deze geweldige vakman aan de kant met het grote rest stuk, zodat bij een foutje in de eerste snede de hele ruit al onbruikbaar wordt. Jan wil het hem nog uitleggen, maar dit is die stronteigenwijze eerste snijder, en die zegt dat ie heel goed weet wat ie doet. Dus daar gaat ie. Wat een geknoei. Beide zijden van de ruit moeten ingesneden worden, omdat het een gelaagde ruit is met folie ertussen. Dat wil nog wel, maar dan beginnen ze met een waterpomptang alle glas buiten de snede weg te vergruizen…


Voorzichtig de ruwe kanten van de gesneden nieuwe ruit glad slijpen, zodat de raamrubbers niet kapot gaan.

Wat een ellende. En dat is wat we juist niet wilden meemaken. Jan wilde gewoon de ruit op de juiste maat af halen, en nu zit je ongewild nog met die Afrikaanse logica te werken. Na een tijdje zo voort knoeien is de ruit klaar. Het lijkt of een hyena van beide zijden de ruit heeft afgekauwd, maar we moeten het er zo mee doen. Jan rekent af met de mannen, en haalt de ruit later op met een pick-upje van Sotraco. Daar op de plas legt hij hem op twee houten balken, en polijst de randen wat glad met een speciale schijf op de slijptol in de langzaamste stand. Dit had hij ook al op de oude ruit uitgeprobeerd en werkte mooi. Zo sparen we onze ruitrubbers. Als hij er mee bezig is ziet hij op een stukje waar hij nog niet geweest is een minuscuul barstje van een millimeter of drie lang. Jan tikt hem iets aan om te kijken of het echt een barstje is, en dat is het zeker, hij springt direct naar een lengte van een centimeter of tien. Shit! Hebben we nog een barst in de ruit door dat ruwe gesnij. En hij is al afgerekend, dus naar je centen kun je fluiten.

We zijn het zat, we willen weg, dus we zetten hem er maar in met zijn tweeën. Daarbij gaat de barst verder tot het midden, waar hij zich vertakt naar boven en naar de onderzijde van de ruit. De vlakke ruit staat na montage in het midden 15mm rond, dit is origineel zo om de schittering te breken, maar nu breekt het vooral de ruit verder. Het is geen gezicht, maar er valt mee te rijden. En op wasbordwegen zal hij zich nog wel verder vertakken. We zien wel. Als we Namibië er mee kunnen halen, is het al goed. Daar is vast wel weer meer te regelen.

Ondertussen, op een morgen als we nog binnen in de auto zitten, wordt er op de deur geklopt en geschreeuwd: “Police!” We denken dat een medewerker van Sotraco lollig probeert te zijn, openen de deur en zien tot onze verrassing Ben en Daniele met hond Tata staan. De Zwitsers waar we de zware route Ekok – Mamfé in Kameroen mee samen hebben gereden. We hadden niet gedacht hen hier nog te treffen. Zij hebben maar liefst 21 dagen in Brazzaville gezeten omdat ze het visum voor DRC niet voor elkaar konden krijgen. Niet in Yaoundé, niet in Libreville en niet in Dolisie. Ook niet met het laten zien van wat smeergeld aan de grens bij Mindouli. En ook al niet in Brazzaville. De enige manier waarop het hen wel lukte was hun paspoort op te sturen naar Zwitserland, naar de ambassade van DRC aldaar. Ben heeft al sinds Ivoorkust zich niet meer geschoren, er groeit al een flink oerwoud onder aan zijn kin. Net een ayatollah uit Iran. Met Tata de hond is alles gelukkig ook in orde. We drinken samen wat op het terras van het café tegenover Sotraco. Erg gezellig, maar helaas hebben ze weinig tijd, ze moeten de volgende dag al de grens over, omdat anders hun visum voor Angola al weer verloopt. We kunnen niet met ze mee rijden, Jan moet nog een paar kleine dingen aan de auto doen, en we moeten alles nog goed testen. Na een paar uur weer bijgekletst te hebben en hun watertanks gevuld te hebben met ons gefilterde water, gaan ze weer verder. Wie weet zien we ze onderweg nog ergens.

Jan repareert de kilometertellerkabel nog, de binnenkabel was door het ongeluk op de een of andere manier flink opgerekt, en daardoor langer geworden dan de buitenkabel. Met een aluminium buisje verlengt hij de buitenkabel tot de juiste lengte. Ook moet het krattenrek in onze opbergruimte onder het bed weer rechtgezet worden. Deze was door de klap ontzet. Dan de stuurbekrachtiging afvullen met olie en testdraaien. De DAF start in één keer, alsof hij niet al meer dan een maand heeft stilgestaan. De stuurbekrachtiging werkt, en is ook lekvrij. Het luchtsysteem komt op druk, er is slechts nog een kleine lekkage bij de luchthoorn, wat snel verholpen is. We maken een goede testrit tot net iets buiten Matadi, en weer terug naar Sotraco. Alles lijkt goed, we kunnen niets vinden dat er nog aan mankeert. We besluiten dan ook om direct de volgende dag te vertrekken. Eindelijk na al die weken ellende!

MAANDAG 19 NOVEMBER 2012, on the road again
Tot een uur of twaalf zijn we nog bezig om de auto weer in te pakken, en onze rotzooi op de plas op te ruimen. Dan nog uitgebreid afscheid nemen van iedereen. Vooral van Cornelis en Celda, voor alle goede zorgen en de hulp in het ziekenhuis en bij het zoeken naar onderdelen. Voor de monteurs laten we nog 50,- USD achter zodat ze na werktijd een paar biertjes kunnen kopen. We vragen wat we aan kosten verschuldigd zijn, maar de bedrijfsleider zegt dat we dat maar met Dhr. Vanbrabant zelf moeten regelen. Helaas zat hij op dat moment in België, en konden we hem telefonisch niet bereiken. We hebben hem hierop een e-mail gestuurd, maar tot op de dag van vandaag niets van hem vernomen. Jammer.


We nemen afscheid en medewerkers van Sotraco willen graag op de foto.

Monteurs en andere medewerkers, zelfs de eeuwige stakers onder de oude trailer, allemaal willen ze met ons op de foto. Door alle aanwezigen worden we uitgezwaaid. We zijn erg dankbaar dat we bij dit bedrijf terecht zijn gekomen, hoe lastig het herstelwerk misschien ook was. Hoe had het eruit gezien als we de auto zo ergens langs de kant van de straat hadden moeten oplappen? Of tussen de puinhoop van een lokale garage terecht waren gekomen? Maar we zijn nu vooral bij dat we weer verder kunnen. Nieuwe avonturen tegemoet. Wel nog een beetje voorzichtig, vooral de gelaste bladveer baart ons nog wat zorgen. Zal deze het houden tot ergens waar we hem kunnen vervangen? We hebben nog eerst een flink stuk slechte weg te gaan in Angola, hebben we al begrepen.

Veel reizigers nemen de grensovergang bij Songololo, zo'n honderd kilometer van Matadi eerst richting Kinshasa. Zo ongeveer waar wij ons ongeluk hebben gehad. Wij besluiten echter om gelijk bij Matadi de grens over te gaan. Volgens Ben en Daniele, die ons een SMS-je stuurden, was die weg best te doen.

Het is dus amper tien minuten rijden of we zijn al bij de Congolese kant van de grenspost. Deze is gebouwd op een vrij steile heuvel. We zetten de DAF voor de slagboom op de handrem. Jan gooit voor de zekerheid nog twee dikke keien achter de achterwielen. Achter ons loopt de weg in een flauwe bocht, en in die bocht is een terrasje. De mannen op het terrasje staan op en schreeuwen en zwaaien. Ze zijn Afrikaanse vrachtwagens gewend, en zijn bang dat onze auto door de handrem breekt, en over de keien heen hun terrasje zal aandoen. We laten de auto gewoon zo staan, en melden ons maar weer eens bij één van de vele hokjes. Het terrasje is snel leeg.

Weer hetzelfde riedeltje. Vier hokjes langs, stempeltjes halen, en overal wachten. We splitsen ons op om het wat sneller te laten lopen. Mariska twee hokjes, Jan twee hokjes. Jan stuit op een probleempje. Een inenting in Mariska's gele boekje heeft geen stickertje met de code van het serum erachter, maar het is er met de hand bijgeschreven, daar waar dezelfde inenting bij Jan in het boekje wel een stickertje heeft. De man zegt dat de boekjes sowieso niet kloppen, want her den der zijn er wijzigingen in aangebracht, gewoon met tip-ex en pen. En dat mag niet. De man heeft officieel nog gelijk ook, het staat duidelijk in het boekje dat zulke wijzigingen niet zijn toegestaan, dan moet er een nieuw boekje worden uitgeschreven. Maar de GGD in Enschede maalt daar niet om. Hebben zelf nog nooit met Afrikaanse grensposten te doen gehad zeker. De man is uit op geld of iets, want hij blijft er over doorgaan. Jan zegt dat hij er nu niets aan kan veranderen, en dat de man de GGD in Enschede maar moet bellen voor uitleg of controle. Het kost veel tijd en gezeur om zonder betalen weer met de gele boekjes verder te kunnen. Maar eerst moet de auto nog van binnen gecontroleerd worden. Maar liefst vier man deze keer. We laten nooit meer dan twee man tegelijk binnen, dus twee sessies deze keer. Alles moet open, en één van de onderzoekers ziet in alles een mooi cadeautje. Zelfs de Nikon D50 camera van Mariska vindt hij een mooi cadeautje voor zichzelf. Jan maakt hem blij met een theezakje, en zijn collega ook. Als twee kleine kinderen gaan ze blij met hun theezakje weer naar buiten, waar Mariska ze vreemd aan zit te kijken.

Dan ziet de cadeauspecialist nog een zak met ballonnen naast de bijrijdersstoel liggen. “Wat is dat?” “Ballonnen voor kinderen” “Oh, ik heb ook kinderen” De man is naar schatting tegen de zestig. “Hoe oud zijn die kinderen dan?” “Ze gaan naar de universiteit.” “Ha, en die wil je blij maken met ballonnen?” Jan geeft hem maar een handje vol ballonnen en ze zijn weer blij, einde controle. Binnen zitten alle kastdeurtjes weer vol plakkerige vingers. “Pisvingers”, volgens Mariska...


De Congo rivier, op weg naar Angola

Van ons laatste Congolese geld kopen we nog een koud drankje en gaan dan het grote hek met de kleine slagboom door, naar de Angolese zijde. De mannen kunnen weer veilig op het terras zitten.

 

 

Angola