Namibië deel 2
MAANDAG 7 JANUARI 2013, op weg naar Etosha National
Park
We rijden richting Kamanjab, een lange rechte asfaltweg.
Sinds lange tijd rijdt Mariska weer eens. Helaas werkt alles aan onze vrachtauto
erg zwaar, vooral de koppeling en schakelen. Dus kleine weggetjes en in de stad
is niet geschikt voor Mariska. Bovendien is ze veel beter in navigeren. Als Jan
navigeert raken we meestal de weg kwijt.
Vanuit Kamanjab willen Etosha Nationaal Park in. In Kamanjab zelf is niet veel te beleven. We willen er wat eten, en komen zo bij Oppi Koppi restcamp terecht. Gek genoeg hadden we hier al wel eens van gehoord, het is een plek die steeds bekender wordt bij overlanders. Die mogen er dan ook gratis staan, zo lang ze willen. Zolang je dus echte overlander bent, en niet met een huurbakkie voor een week of drie rondtoert. Dit komt omdat de Belgische eigenaar, Vital, zelf ook plannen had om met een truck rond Afrika te gaan. Hij had al een mooie, woeste truck klaar, genaamd Bela-Bela. Zijn bedrijf in België verkocht, en op de dag van het afscheidsfeest werd de truck in beslag genomen omdat de nieuwe eigenaar van zijn bedrijf, onterecht, een geldclaim bij Vital neerlegde. Een droom viel in duigen. Na vier jaar procederen is de claim ongegrond verklaard en werd de truck terug gegeven.
|
Lekker op het terras bij Oppi Koppi. |
Vital heeft het allemaal niet meer afgewacht en heeft hier in
Kamanjab een eenvoudige camping overgenomen. Die is inmiddels flink
uitgebreid met een mooie bar, terras met zwembad en een aantal huisjes
die te huur zijn. De camping is ruim opgezet en je kunt er heerlijk
eten, vooral de zebrasteak is om te smullen. Heerlijk mals, en qua smaak
als rund. En nee, dat is niet zielig voor de zebra’s. Daar zijn er veel
van, ze worden zelfs gewoon als runderen gehouden. En die zebra’s hebben
een veel beter leven dan gewone koeien omdat ze aangepast zijn aan het
hete gortdroge klimaat. Hetzelfde geldt voor kudu's, oryxen,
struisvogels en elandantilopen. Eigenlijk zouden de boeren hier geen
koeien voor vlees moeten houden, maar alleen de van oorsprong
voorkomende dieren. Het is ’s avonds gezellig in de bar bij Vital. Hij is de grootste verkoper van Jägermeister in Namibië en heeft zelfs een tap staan waar het donkere spul ijskoud uitkomt. We zitten overdag wat te werken op internet onder het genot van een drankje, op het terras, (Vital is de enige in Namibië die het snapt: wifi is hier gratis), als we door iets, zachtjes in de zij gehapt worden. Het zijn twee jonge struisvogels die zo nieuwsgierig wat rondlopen. Er liggen ook een aantal honden, en het spul kan allemaal goed met elkaar overweg. De mooiste vogeltjes vliegen af en aan over het terras en tegen schemer komen er grote stekelvarkens die de restjes uit de keuken geserveerd krijgen. We blijven dan ook wat langer dan gepland, maar dat heeft ook te maken met de vrij heftige regenbuien die af en toe naar beneden komen. We willen Etosha in, maar met regen is het niet zo geschikt om te safariën. |
Als uiteindelijk de weersvoorspelling zegt dat het droog
blijft de komende dagen gaan we eindelijk Etosha in. We nemen een binnendoor
route er naar toe, over gravelwegen, waar soms nog flinke drekplassen op staan.
Het gaat over de enorme landerijen van boeren. Een grondstuk van 1000 hectare
noemen ze hier nog klein. Soms is er een rooster tussen de verschillende
landerijen, maar af en toe moeten we stoppen om een hek open en dicht te doen.
De wegen zelf zijn niet van de boeren, maar staatswegen met een nummer. Onderweg
komen we nog een bakkie met daktent tegen, met de koplampen knipperend. Het is
een huurauto. We stoppen om te vragen wat er aan de hand is. Het blijken
Duitsers te zijn, net terug uit Etosha. Bij het zien aankomen van onze auto
werden ze enthousiast, zoiets is ook hun droom. Dat wilden ze even vertellen.
Grappig.
Tijdens de route naar Etosha zien we al wat wild achter de
hekken. Wat hertachtig spul, oryxen, kudu’s en een giraffe. Enkele van die
landerijen zijn privé-wildparken waar je voor vaak flinke prijzen kunt
overnachten en gamedrives kunt doen. We rijden ook over een groot
jachtgrondgebied, Rexes Hunt. Er zijn nog steeds mensen die er plezier aan
hebben om dieren af te knallen, en die kunnen dan bij zo’n wildpark inboeken.
Dat jagen hier moet toch echt iets idioots zijn. De beesten zijn redelijk
makkelijk te vinden op zo’n omsloten grondstuk en van vrij dichtbij te
benaderen. En met moderne wapens met zuivere vizieren kan zelfs een blinde zo’n
beest nog neerknallen, het stelt helemaal niets voor. En terug in vooral USA en
Azië, maar ook Europa de held uithangen met wilde jachtverhalen…
|
We hebben hier als het om wild gaat ook een beetje
een dubbel gevoel. Alles staat binnen grote hekken, alleen klein spul
kan nog vrij rond bewegen tussen de hekken door. Is dit eigenlijk wel
wild? Waarom zijn al die hekken aaneengesloten en zijn er geen
corridors? Alleen omdat de mensen er geld aan willen verdienen en dus
verzekerd willen zijn van “wild” op hun stuk grond? Anderzijds is het
maar goed dat er wildparken zijn, anders was er misschien ook hier, net
als in west Afrika amper nog wild over. En zoals in Wouters park hebben
we best wel genoten, maar hoe groot misschien de wildparken ook zijn,
een echt “wild” gevoel geeft het niet. Het lijkt soms meer op
veehouderij. Buiten de wildparken kom je vrijwel geen wild tegen. Je
betaald, passeert een hek, hebt een lijstje van dieren die je binnen het
hek zoal kunt zien, en ziet die dan vervolgens ook. Als je een park
inrijdt dat bekend staat om zijn vele olifanten, en je ziet er
vervolgens maar een paar, ben je nog teleurgesteld ook. In landen als
bijvoorbeeld Australië en Scandinavië is wild nog echt wild, daar kun je
het overal verwachten, en is het spontaan zien van een groep bevers, een
eland, een beer of een rode kangoeroe tijdens zomaar een wandeling
ergens, een belevenis die je lang bij blijft. En zelfs als je buitenaf
woont in Europa, zoals wij de laatste jaren in Duitsland, komen reeën ’s
avonds in je tuin grazen, en loop je door het Bentheimer wald, dan is er
grote kans dat je edelherten en wilde zwijnen treft. De kans op een
dergelijke verrassing buiten een wildpark in Namibië of Zuid-Afrika is
erg klein. Bovendien kun je in deze landen amper zomaar ergens
in de natuur wandelen. Alles, met uitzondering van een stuk in het
noorden en een deel langs de kust van Namibië, is omheind. Hek aan hek,
honderden, nee duizenden kilometers lang. Ieder stukje natuur is óf een
Nationaal Park, óf privé-bezit. Tot hele bergen en rivieren aan toe. Wil
je daarop wandelen, dan moet je eerst betalen. Vaak niet zo heel veel,
soms wel. Je moet je altijd ergens van te voren melden voor een permit
(vergunning) soms zelfs weken van te voren. Op veel plekken mag je
alleen wandelen onder begeleiding van een gids en vertrekken wandelingen
alleen op vaste data, bij een bepaald aantal aanmeldingen.
En lekker dan als het op die dag bloedheet is of het regent.
Lekker spontaan een paar uurtjes stappen door een stukje natuur is er
dus niet bij hier. En hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld voor
mountainbiken. Dit zijn zaken die ons behoorlijk storen hier. Alles moet
geregeld, vooraf besproken en betaald worden. Zulke grote landen, maar
het geeft je een opgesloten, beperkend gevoel. |
Cheetah in Etosha National Park |
Goed, genoeg geklaagd, we zijn op pad naar Etosha. We gaan
het park, dat al bijna zo groot is als Nederland, binnen in het zuiden, bij
Anderson gate. Een formulier invullen en aangeven of je rauw vlees en/of wapens
bij je hebt. Dit wordt niet gecontroleerd. Dan moeten we 17 kilometer verder
rijden naar Okaukueju om de parkentree en overnachting te betalen. Dat is in
Etosha gelukkig nog niet zo belachelijk duur als in de parken in Oost Afrika.
Een dagticket is 24 uur geldig en kost 80,- Nam$ per persoon, zo’n 6,60 euro. En
slechts 10,- Nam$ voor de auto. De camping is wel vrij prijzig, 420,- Nam$ voor
ons tweeën, toch zo’n 35,- Euro. We boeken in eerste instantie slechts voor één
nacht in op de camping bij kamp Okaukueju. Omdat de dagtickets per 24 uur gaan,
rijden we tegen 15:00 uur het park in, zodat we nog een avondsafari en een
ochtendsafari kunnen doen, de beste tijden om wild te kijken. De volgende dag
kunnen we dan op ons gemakje nog wat rondrijden tot 15:00 uur. Willen we langer
blijven, dan boeken we wel bij.
|
Springbokken |
De beste tijd om wild te spotten is het nu niet. In het droge
seizoen trekt het wild naar de watergaten die op verschillende plekken
gemaakt zijn in het park, onder andere bij elke camping. Nu, na de
regen, kunnen ze overal drinken en zijn ze dus meer verspreid. Bij het
watergat is dan nu ook niets te zien. Ook is het nu overal groen, er zit
veel blad aan de bomen en het gras is hoog, wat het ook moeilijker maakt
om dieren te zien. De avondrit is dan ook niet echt spectaculair. Wel
veel antilopesoorten en wat struisvogels. Wat wel mooi is aan deze tijd
van het jaar, is dat de meeste dieren nu jongen hebben. Sommigen zijn
echt nog maar net geboren, en vooral de jonge springbokjes maken de
gekste sprongen. Op de rit terug naar het kamp
zien we nog wel een mooie zwarte neushoorn, in de avondzon, vlak aan de
weg. Het beest blijft een tijdje staan kijken, en wij dus ook. Prachtig.
Hierdoor zijn we wel tien minuten te laat bij de poort van het kamp. Je
moet namelijk voor zonsondergang binnen zijn, de exacte tijden staan bij
de poort en aangegeven. Je mag het kamp ook niet eerder verlaten dan
zonsopgang. Behalve dan natuurlijk als je inboekt op een georganiseerde
nachtsafari. We lopen ’s avonds nog even naar het verlichte watergat,
dat flink omheind is met daaromheen zitbanken. Het is van een afstandje
een grappig gezicht. Er zitten mensen op de bankjes naar een watergat
zonder dieren te kijken, terwijl vlak achter hen jakhalzen rondlopen die
de grote krekels en sprinkhanen vangen die op het licht afkomen. De
meesten hebben helemaal niet in de gaten dat de jakhalzen zo vlak achter
hen langs lopen. Die beesten zijn klein genoeg om onder het hek door te
komen en struinen zo de camping af. Mooi om naar te kijken. Er wordt nog
wel gewaarschuwd, het is top rabiësseizoen. Oppassen dus, voornamelijk
met jakhalzen en grondeekhoorns. De volgende ochtend staan we al om 6.00 uur op. En
daarmee zijn we nog laat, de meeste kampeerders en huisjeshuurders
vertrekken al en staan zelfs in de rij te wachten tot de poort opengaat.
Wij kijken nog even bij het watergat, maar helaas, niets te zien. We
rijden de hele dag in een rustig gangetje door het park, de gravelwegen
zijn breed en goed. We rijden oostwaarts via de hoofdroute, waarbij we
vrijwel elke korte loop die van de hoofdweg afgaat ook meenemen. Tot aan
kamp Halali, waar we stoppen om wat te eten, zien we eigenlijk niets, op
een dikke pofadder na dan. Wel is het uitzicht op de oneindige vlakte,
de pan zelf zonder enkele vegetatie indrukwekkend. Hoe kunnen die
beesten in die hitte de overtocht over de pan wagen?
|
|
We rijden nog eerst weer een mooi stukje door het
park. Onderweg staan een paar auto’s stil langs de kant. Dit betekent
dat er iets bijzonder gespot is. Het blijkt een cheeta (jachtluipaard)
te zijn. Langzaam loopt het beest tussen het gras door, zich niets van
de auto’s aantrekkende. Een eindje verderop zien we weer een cheeta, dit
keer kaarsrecht zittend op de uitkijk. Helaas wat te ver weg. In Fishers
Pan zien we 1000-enden flamingo’s, greater en lesser flamingo’s door
elkaar. De hele pan kleurt er rose van, een schitterend gezicht. Er
staat al een laagje water in de pan, de flamingo’s zijn net de afgelopen
dagen binnen komen vliegen. We spraken vier dagen geleden een
Oostenrijks stel in Kamanjab, dat net uit Etosha kwam, en toen waren er
nog geen flamingo’s volgens hen. We hebben dus erg geluk. Van een afstandje zien we nog een zwarte neushoorn
en een blauwe kraanvogel. Ook een stel stokstaartjes, Wat een grappige
beestjes. Helaas werden ze door ons opgeschrikt en gingen ze er snel
vandoor. Als we bij zonsondergang de camping oprijden, staan er al wel
aardig wat mensen. Maar we hebben geen stroom, water of een braaiplek
nodig, dus we zetten hem ergens op een klein plekje neer. Niemand
controleert iets, en een witte vrachtwagen op een campinkje valt
blijkbaar niet echt op. Bij het watergat zijn ’s avonds alleen een paar
impala’s.
|
Jan op de Etosha zoutpan |
|
|
De olifanten nemen een stofbad, de kleintjes lopen
er wat wankel omheen en proberen met hun kleine slurfjes de groten na te
doen. Er stopt een Toyota Hilux voor ons. Die zien niets van dit
tafereeltje. Uit het raam roept een man in plat Amsterdams: “Ken je ‘t
een beetje zien van daarbove?”
Het zullen weer eens geen Nederlanders zijn. We komen op de rit
in dit gedeelte nog meer olifanten tegen. Best indrukwekkend om ze zo
dicht naast je auto te zien. We blijven niet nog een nacht, na zo’n 600
kilometer door het park te hebben gereden vinden we het wel weer genoeg.
Bij het uitchecken wordt het nog even spannend. Gaan ze de bonnetjes
voor de overnachtingen controleren en komen ze er dan achter dat we maar
één overnachting betaald hebben? We hebben wel extra 24 uur parkpermit
bijgekocht omdat hier de entree datum opstaat, en dan zouden we gelijk
door de mand vallen. De vrouw bij de uitgangspoort is druk aan het
bellen. Jan houdt haar de 2x 24 uur parkpermit voor en ze knikt dat we
door kunnen. Zo hebben we ons in ieder geval 35,- euro bespaard. We
vonden dat we de campings alsnog dik betaald hebben. We vonden Etosha zeker de moeite waard. Ondanks de enorme omvang blijft het dierentuingevoel wel een beetje hangen, maar het is de enige manier om een grote verscheidenheid aan dieren in hun natuurlijke omgeving te zien. En het is prettig dat je niet op een geboekt toertje hoeft, maar op je gemak in je eigen auto rond kunt kachelen. |
Mariska heeft nog ongeveer bijgehouden wat we zoal aan
dieren gezien hebben, hier is de short-list, helaas deels in Engels:
|
-
Olifant (+/- 25)
-
Zwarte neushoorn (3)
-
Spotted hyena (3)
-
Leeuw (1)
-
Cheeta (2)
-
Kudu’s
-
Black backed jackals
-
Pofadder (1)
-
Blue crane (1)
-
Bateleur (1)
-
Giraffen
-
Zebra’s
-
Springbokken
-
Oryxen (gemsbok/spiesbok)
-
Gnoe’s (blue wildebeest)
-
Black faced impala’s |
-
Struisvogels
-
Warthogs (wrattenzwijnen)
-
Greater en lesser flamingo’s (1000-den)
-
Sekretarisvogels
-
Kori bustards
-
Northern black korhaan
-
Maraboe’s
-
Stokstaartjes
-
Mangoesten
-
Dikdiks
-
Dabchicks (grebe)
-
Grey herons
-
Koereigers
-
White storks
-
African spoonbills - Egyptian goose |
-
Cape teals
-
African white backed vultures
-
African fisheagles
-
Steppe buzzards
-
Swainson’s francolins
-
Helmeted guineafowls
-
Crowned plovers
-
Laughing doves
-
Namaqua doves
-
Grey louries
-
European rollers
-
Grey hornbills
-
Forktailed drongo’s
-
Weavers |
Een hele lijst, en niet alles staat er op. Vooral veel
vogels waarvan de namen niet weten of kunnen vinden. Met name waadvogels, maar
ook allerlei bijeters en roofvogels. De Nederlandse namen weten we van veel
dieren niet, en rechtstreeks vertalen loopt vaak mank. Zo is een kerkuil geen
church owl, maar een barn owl. En een grey heron hoeft dus niet in het
Nederlands een grijze reiger te zijn, maar is misschien wel een blauwe. Hiervoor
moeten we de latijnse namen weten, en dat gaat ons te ver.
| Als we tegen 15:00 uur Etosha verlaten rijden we verder naar lake
Guinas, één van de twee enige natuurlijke meren van Namibië. Er schijnen
nog heel bijzondere vissen in te zitten. Met een beetje geluk kunnen we
daar overnachten. Het meer is eigenlijk een groot rond diep loodrecht
gat in de rotsige bodem, het waterniveau is zo’n twintig meter lager dan
waar we staan. Zoals de cenotes die we kennen van Mexico. Maar hier
gooiden ze er geen Maya’s in. Het pad naar de cenote toe ziet er niet zo
best uit, en we weten niet of we onderaan kunnen draaien, dus we lopen
het maar eerst. Tsja, het zou kunnen, maar het is de moeite van het
manoeuvreren niet waard. Het was op zich best ooit een mooi en bijzonder
watergat, maar ook hier is het een beetje verpest. Er drijven grote
vlonders in met pompen, en langs de rotswand leiden lelijke leidingen
omhoog. Het doet flink afbreuk aan het mooie meertje. De pompen maken
nog kabaal ook, geen rustige overnachtingsplek dus. Jammer. We snappen
die boeren ook wel. Dit is een makkelijke manier om hun droge land te
besproeien, of om het vee van water te voorzien. Anders moeten ze een
diepe bronput slaan. Maar lelijk is het wel. Ondanks dat het water erg
helder is, zien we niets van de vissen. Het water is natuurlijk ook erg
diep, zo’n 70 meter schijnt het, maar misschien liggen de vissen al in
de drinkbak van de koeien... Het is hier niet zo
makkelijk om nog een plekje voor de nacht te vinden, zonder van de
straat gezien te worden. Ook weer door al die hekwerken direct langs de
straat. We vinden uiteindelijk een redelijk verscholen plekje op een
paadje bedoeld voor inspectie van de hoogspanningmasten. Niet geschikt
om lekker buiten te zitten, dus we kijken binnen maar een filmpje. We rijden de volgende dag naar Tsumeb. Onderweg
komen we langs nog zo’n cenote, het enige andere natuurlijke meertje van
Namibië, lake Otjikoto. Dit meertje is bekend vanwege het
oorlogsmaterieel dat de terugtrekkende Duitsers er in WO I in hebben
gegooid, om te voorkomen dat het in handen van de vijand zou vallen.
Duikers hebben een aanzienlijk deel van dat spul naar boven gehaald in
de jaren tachtig van de vorige eeuw. En gevaarlijk klusje op zo’n 70
meter diepte in dat nauwe gat. Eén van de duikers heeft er zijn hand bij
verloren. Er schijnt nog meer te liggen maar nu mag er niet meer gedoken
worden. Rondom het meertje is het parkachtig aangelegd. Ze
vragen 15,- Nam$ entree per persoon, wat niet veel is. We kijken eens
door het hekwerk vanaf de parkeerplaats. Het meertje ziet er net zo uit
als het andere, inclusief de lelijke pompinstallaties. We laten het er
maar bij. Het gevonden oorlogsmaterieel is hier niet te zien, maar in
het museum in Tsumeb, dus daar gaan we maar heen. Tsumeb is best een aardig stadje. Als we
binnenrijden via een klein industrieterrein zien we een groot
vrachtwagenbedrijf met een interessante showroom. We nemen even een
kijkje. Er staan twee grote oude Amerikaanse trucks in de showroom, en
wat customized Harley Davidsons. Verder een imposante Amerikaanse
sleeptruck, een 3-window hotrod, een flinke Ford F650 pick-up en een
paar speciaal geprepareerde Hummers H2 en een H1. We vragen gelijk even
aan de dame achter de balie of we misschien een pulleytrekker kunnen
huren/lenen zodat we onze stuurstang iets verder kunnen uitdraaien. Na
het ongeluk kunnen we linksom een veel kleinere bocht maken dan
rechtsom, en dat willen we even verhelpen. Of als iemand tijd heeft dat
ze het hier voor ons doen. De dame vraagt het even aan de baas, maar die
is enorm arrogant. Hij antwoord haar iets in de trant van: “Kom je me
storen voor zo’n 300,- Dollar (Nam$) klusje?”
Dus ze “kunnen” ons niet helpen, en wij willen al niet meer, wat
een eikel. |
Lake Guinas |
We doen wat inkopen in Tsumeb, eten wat in de auto als er
een kleine bui overkomt, en bezoeken dan het Mining museum. Hier staat het
oorlogsmaterieel dat opgedoken is uit de cenote, prachtig gerestaureerd. Ook een
uitgebreide reportage van de bergingswerkzaamheden. Verder een heel uitgebreide
verzameling van allerlei gesteenten en mineralen dat hier en elders in Namibië
in de grond zit, en alles over de mijnen in het omliggende gebied. En nog wat
over de verschillende volkeren, zoals de San (bosjesmannen), de Herero en de
Himba’s. Wel even leuk om te bekijken.
Het wordt al later en we blijven overnachten midden in
Tsumeb aan de rand van het park. ’s Avonds lopen we nog een stukje door de
villawijk er vlak achter. De huizen zijn groot maar qua bouwstijl niet zo
bijzonder. De tuinen zijn erg groot en mooi aangelegd met allerlei tropische
planten. Een Staffordshire terriër en een Dalmatiër komen een erf afgerend en
ons luid blaffend tegemoet. Het blijken hele braveriken te zijn en na wat aaien
en kriebelen lopen ze kwispelend met ons de hele ronde mee. Helaas is op een
gegeven moment de Stafford weg, waarschijnlijk ergens anders een erf op
opgelopen. We zoeken en vragen wat rond, de Dalmatiër braaf met ons mee, maar we
kunnen het beest niet terug vinden. Als we later weer bij het erf van de honden
komen, blijkt de slimmerik al lang weer terug te zijn.
|
De Hoba meteoriet |
WOENSDAG 16
JANUARI 2013, metaal uit het heelal
|
| We worden ’s morgens wakker van geknor en gebrom rondom de wagen.
Het blijkt een mooie groep donkere bavianen te zijn. Ze lopen rond de
auto, eten wat gras en blaadjes uit de struiken. Er zijn veel jonkies
bij. Dat is leuk wakker worden. Het is ook het weinige wild wat vrij
rondtrekken kan, zij hebben geen problemen om over de hekken te komen.
We houden een rustdagje, komen amper de wagen uit, schrijven e-mails aan
familie en vrienden en werken wat aan de website. Als we dag er op verder rijden vernadert het landschap langzaam. De ronde heuvels worden ingewisseld door spectaculaire tafelbergen met steile wanden. Vingerklip, een echte losstaande naaldrots staat, je raadt het al, op privé-land. Een groot hek erom, weg vrije gevoel, we zijn weer in een parkje. De toegang kost niet veel, maar we zien het vanaf de straat ook wel. Wat dat betreft valt Namibië ons tot nu toe wel een beetje tegen. Zo’n groot land, slechts 2 miljoen mensen, maar door de continu aaneengesloten hekwerken en de speciaal voor toeristen afgebakende stukjes met parkeerplaatsen, betaalbalietjes en wc-hokjes gaat het wilde, het ruige, het desolate er van af. |
Bobbejaan |
We rijden door naar Petrified Forest (Versteende Woud). We
melden ons bij het loketje en moeten 40,- Nam$ per persoon betalen, en maar
liefst 50,- N$ voor het parkeren. Wat is dit nu? Zoveel voor het parkeren, om
een halfuurtje dode boomstammen te kijken? “Dit is toch geen down town Amsterdam
maar f*&#ing empty Namibië?” Vraagt Jan retorisch aan het meisje achter de
kassa. We bieden aan om 20,- N$ voor het parkeren te betalen, maar daar gaat ze
niet mee akkoord. Dan rijden we de zand-parkeerplaats terug af naar het zandpad
waarover we gekomen zijn, nog een 150 meter, en parkeren daar de auto buiten hun
terrein, in het zand. Zo is 50,-N$ snel bespaard.
|
De versteende boomstammen zijn best groot. In de hele omgeving is niet zo'n grote boom te bekennen |
We krijgen een rondleiding, want begrijpelijkerwijs willen ze niet
dat iedereen daar zo rondloopt en misschien de versteende boomstammen
vernielen of stukken als souvenir meenemen naar huis. De gids echter
dreunt amper zonder adem te halen aan één stuk door zijn verhaal op.
Telkens als we tussendoor wat vragen stopt hij zijn verhaal. Je ziet hem
even haperen om weer in de werkelijk wereld te komen, geeft dan
antwoord, spoelt in zijn hoofd het bandje iets terug, herhaalt de
laatste vorige zinnen en ratelt zo weer het bandje verder af. Het is
komisch, maar na een halfuurtje ben je het echt wel zat. De versteende
boomstammen zijn op zich best wel interessant. Zoals sommige er liggen
denk je echt dat het een houten stam is, met schors en al. Ook zijn de
jaarringen van gebroken stammen nog goed te zien. Maar een woud kun je
het niet noemen. Er liggen maar een paar stammen, en er staat er geen
een rechtop. Maar misschien wordt je als je al wat gereisd hebt ook wel
wat te veeleisend en ga je dingen teveel vergelijken, wat niet altijd
fair is. Een eerste indruk van iets is vaak overweldigender dan wanneer
je zoiets voor de tweede keer ziet. En beelden van iets wat je lang
geleden hebt gezien vertroebelen. Toch kunnen we versteende bomen
herinneren in Nieuw Zeeland die nog gewoon tot zo’n 1,5 meter rechtop
stonden als een klein woud, en lag er in Taiwan een heel stuk strand
bezaaid met versteende boomstammen. Ook nog zonder gids en zonder dure
parkeerplaats. |
Maar ook hier schijnt het gebied veel groter te zijn, maar
het meeste ligt, alweer, op privéland. Het stuk wat wij bezocht hebben is in
handen van het lokale volk, de Damara, en daar gaat de opbrengst dan ook naar
toe. Doen wij dus ook eens wat voor de gemeenschap.
Een eind verderop zetten we de auto langs de kant om te
overnachten. Een Damara man komt langs een praatje maken. Hij woont op het land
achter het kapotte hek waar we voor staan. De huisjes liggen zo’n 500 meter
verderop. Er komen ook nog vier kinderen bij. Dan stopt er een wit busje met
Oostenrijks kenteken. Het is het jonge stel dat we in Kamanjab kort getroffen
hebben. We kletsen wat over en weer, en dan rijden zij verder, ze willen nog
ergens een camping opzoeken. De Damara man vertrekt ook met zijn kinderen. Wij
zitten nog een tijdje in de schaduw onder de geopende achterklep. Gelukkig staat
er een windje, want het is erg warm. Het is een mooie zonsondergang, maar als
koperen ko weg is, wordt het ook direct best koud. Dan maar binnen een filmpje
kijken. ’s Nachts wordt het zelfs flink koud.
|
ZONDAG 20
JANUARI 2013 De praten nog even met de toergids, het is een
Duitser die al 30 jaar in Namibië woont en werkt in het toerisme. Hij
toert nu met een groepje Duitse toeristen, maar heeft nog een
probleempje. Hij heeft te weinig benzine in zijn auto om het
dichtstbijzijnde benzinestation te halen. We bieden aan om de benzine
uit onze motor te gebruiken, dat is nog zo’n 15 liter, daarmee moet het
lukken. Hij zegt dat hij het probeert bij Twijfelfontein Country Lodge.
Hij kent daar iemand en misschien kan die hem benzine leveren. We geven
aan dat we daar ook nog komen, als het daar niet lukt, moet hij maar
even op ons wachten. Later treffen we hem met zijn busje bij Burned
Mountain en geeft hij ons zijn kaartje. Hij heeft benzine kunnen regelen
bij de lodge, maar bedankt ons voor het aanbod. Hij nodigt ons uit in
zijn woonplaats Swakopmund. Als we daar zijn wil hij ons wat van de
omgeving laten zien. Erg aardig. |
Twijfelfontein Country Lodge |
Wij rijden ook maar eens naar Twijfelfontein Country Hotel.
Het schijnt te koop te zijn, en Wouter, die ook al het Opuwo Country Hotel in
het bezit heeft, heeft er wel belang bij. Het zou onlangs verkocht zijn, maar de
nieuwe eigenaren, een bankdirecteur en een directeur van Eskom, bleken na het
tekenen het geld niet rond te kunnen krijgen. De lodge ligt er prachtig tussen
de rotsen, ook weer met een fraai rieten dak. Op een rots vlak voor de ingang
staan ook nog wat tekeningen. Het zijn nog niet eens zulke gekke tekeningen,
gemaakt door gevorderden, o.a. van giraffen. We willen wat eten, maar de keuken
is nog niet open. Personeel is er, etenswaar is er, potten en pannen zijn er,
toeristen zijn er, maar ze willen ons niet helpen. We snappen restaurants met
vaste etenstijden niet zo. Je bent open of je bent dicht. We vragen nog of we op
de parkeerplaats mogen staan vannacht en dat we dan vanavond wel komen eten,
maar dat willen ze niet hebben. Ze verwijzen ons naar een camping 30 kilometer
verderop. Tsja, dan komen we niet terug om te eten.
We kijken nog even bij de Organ Pipes, een kleine kloof
waar we doorheen lopen, met basaltachtige verticale pilaren, als orgelpijpen,
vandaar de naam.
|
Omgeving van Sorris Sorris, met uitzicht op Brandberg |
De dag erop rijden we door een mooi gebied, zowaar
weer een stuk zonder hekken. Nabij Sorris Sorris zijn mooie bergjes,
rotsen en losse keien. Hoewel het nog vroeg in de middag is hebben we
zin om hier te stoppen en een dag of twee te blijven staan. We parkeren
de DAF op een vlak rotsplateau met mooi uitzicht. Tafel en stoelen
buiten, en we zitten nog maar goed en wel of we worden weer overvallen
door honderden minibijtjes. Die irritante, die telkens in je ogen, oren
en neus kruipen, en alle andere lichaamsopeningen die je blootstelt. Jan
is het al gauw zat en gaat maar binnen zitten een boekje lezen. Mariska
zit wel buiten maar met haar Australische hoed op met rondom een
muskietennet. Ook niet echt comfortabel. Gelukkig gaan de bijtjes in de
namiddag naar “huis”, waar dat ook wezen mag. Van ons mogen ze er
blijven. Niets helpt tegen die beestjes, we hebben van alles geprobeerd.
Misschien dat roken helpt, maar dat is ook zoiets. We zitten nog lekker buiten te eten en genieten van
de zonsondergang. Het koelt wel wat af, maar niet zo erg als afgelopen
nachten. We zien nog een wilde kat (felix sylvestris). Eerst dachten we
dat het een (verwilderde) huiskat was, maar toen we hem beter zagen
bleek dit toch echt een wilde kat te zijn. |
De dag erop zit Mariska weer onzer haar muskietennet te lezen
en doet Jan wat klusjes aan de auto, zoals doorsmeren e.d. Hij werkt zonder
t-shirt en zijn hele rug zit vol met de kleine bijtjes. Er kwam nog een oude
baas langs die verteld dat een paar dagen geleden de woestijnolifanten door de
rivierbedding langs het dorp waren getrokken. Dat moet een mooi gezicht zijn.
Dit zijn nog vrij rondzwervende olifanten. De strook langs de rivierbedding is
mooi groen, het water zit er niet diep. De olifanten weten dit en graven met hun
slurf gaten om bij het water te kunnen.
Hoe mooi het hier ook is, we worden gek van de bijtjes, dus
de volgende dag gaan we weer verder. We stoppen bij Brandberg Restcamp in Uis,
waar we een heerlijke kudusteak eten en we gratis gebruik van internet kunnen
maken. We Skypen met het thuisfront. Als we met Jan’s moeder Skypen blijkt ook
daar, net als bij Mariska’s ouders, de gezondheid parten te spelen. Allen hebben
ze last van artrose, alsof ze het hebben afgesproken. De koude winter in
Nederland draagt natuurlijk ook haar steentje bij. Best is het allemaal niet en
het zet ons aan het denken, iets dat we al lang niet meer hebben hoeven doen.
|
DONDERDAG
24 JANUARI 2013, het is koel aan zee We rijden richting zee. De omgeving is mooi, we
zien zelfs nog wat wild, o.a. kudu’s, springbokken en een struisvogel.
De gravelweg is erg slecht, enorme diepe grove wasbordrichels, je
vullingen vallen haast uit je kiezen. En dat voor ruim 100 kilometer!
Het is zoeken naar de juiste snelheid om zo min mogelijk cadans en
vibraties te hebben. Op hoger snelheid gaat het beter, maar het is wel
oppassen omdat je door die richels minder contact hebt met de weg. Alles
om ons heen rammelt, horen en zien vergaat ons. Toch bereiken we zonder
schade het uitgestrekte strand. Het is hier een stuk frisser. We eten
wat buiten, en met de dikke trui aan in de zon is het nog koud. Een raar
idee als je zo de hete woestijn uit komt. Er zijn wat sportvissers her en der met hun bakkies
langs het strand. Sportvissers zijn hier vrijwel altijd blanke mannen.
Beroepsvissers zijn vrijwel altijd zwarte mannen. Huizen of iets van
bebouwing is in de verste verte nog niet te zien. Het is hier nog wild,
zonder hekken deze keer. We lopen wat langs het strand en vinden her en
der dode zeehondenbaby’s, aangespoeld, de weg niet terug kunnen vinden
naar de kolonie. Sommigen zijn aangevreten door jakhalzen, die hier
samen met bruine hyena’s ’s nachts de stranden afstruinen. De vissers vertrekken bijtijds, waarschijnlijk naar
Henties Bay, het dichtstbijzijnde dorp, op zo’n 40 kilometer afstand.
Wij blijven staan voor de nacht. Bijtijds naar binnen, want als de zon
onder is wordt het echt fris, nee, koud gewoon. Sinds lange tijd laten
we zelfs het grote raam boven het bed dicht. |
|
|
|
Niet al te vroeg vertrekken we de volgende ochtend
naar de grote zeehondenkolonie van Cape Cross,
bestaande uit duizenden Cape Fur Seals. We laten de auto bij de
ingang staan en we lopen via het strand ongeveer één kilometer tot de
kolonie. Op dit stuk liggen wel honderden dode zeehondenbaby’s
aangespoeld. De wind staat vanaf de kolonie onze kant op, en de lucht
van de uitwerpselen samen met die van de vele lijkjes maakt dat je soms
amper fatsoenlijk kunt ademhalen, en kotsneigingen moet onderdrukken.
Wat een stank! We vinden op het strand ook nog een vermoeid, te ver
afgedreven puppy. Een prachtig mooi beestje met grote vertederende ogen.
Jan dacht het nog te kunnen vangen om hem dan weer bij de kolonie te
zetten, maar toen we dichterbij kwamen keek het ons met die grote ogen
aan en hupste toen snel weer de zee in, waar het in de branding bleef
peddelen. Helaas zal het ook sterven van honger en uitputting. Bij de kolonie is een omheinde boardwalk. We zien
andere bezoekers lopen met zakdoeken voor neus en mond, maar de stank
hier is veel minder dan ginds op het strand. De kolonie bestaat uit
enorme aantallen elkaar verdringende zeehonden, en er zijn er veel pups.
Ze zijn erg donker, zwart-bruin. Zelfs in de kolonie ligt hier en daar
een dode pup. Misschien van een moeder die niet terug is gekomen van
zee. Zeehonden staan namelijk als favoriet op het menu van de haai. En
ook blijven er nogal eens wat steken in visnetten. Ook worden er pups
per ongeluk geplet door volwassen dieren. Er stopt een oude militaire ambulance-Landrover met Duits kenteken. Twee knapen komen er uit en vragen ons in perfect Nederlands of wij van die DAF verderop zijn. Het blijken twee Nederlanders te zijn, die de Landrover in Namibië van een Duitser hebben gekocht. Ze gebruiken hem op hun vakanties naar Namibië en Zuid-Afrika. We kletsen wat en rijden dan verder naar Henties Bay. Dat is een gek dorpje, zoals het er ligt, aan zee. Het dorpje is geheel omgeven door zand, zover je kunt kijken. Voor, links en rechts strand en wat duinen, er achter begint woestijn. |
Het dorpje zelf is dus ook winderig en zanderig. Ze hebben nog
een golfbaan ook. We informeren even bij de tourist office wat er zoal te doen
is in en om Henties Bay. Dat valt tegen, maar we zien foto’s hangen van
Spitskoppe, een berggebied inland, wat er spectaculair uitziet. Maar eerst
blijven we nog twee dagen in en om Henties Bay hangen, want er moeten nog wat
klusjes gedaan worden. We eten een schnitzel (heerlijk, die Duitse invloed) bij
een cafeetje en parkeren dan de DAF iets buiten het dorp, in de duinen, voor de
nacht.
De volgende ochtend zijn we weer vroeg in het dorp. Mariska
doet de was bij een laundrette, Jan tankt de wagen vol diesel en water. Voor
water moet je hier flink betalen, maar liefst 60,- N$ voor 100 liter. Gelukkig
zit er weer geen watermeter op. Verder wordt er weer geluierd deze en de
volgende dag. Jan repareert nog de luchtgeveerde bestuurdersstoel. Deze was niet
meer fatsoenlijk in hoogte te stellen. Er zat een scheurtje in het kunststof van
een hydro-pneumatische cilinder voor de hoogteverstelling, waardoor er olie
uitlekte. Met wat 2k-epoxyhars is het weer gerepareerd. Hopelijk houdt het.