Namibië deel 2

 

MAANDAG 7 JANUARI 2013, op weg naar Etosha National Park
We rijden richting Kamanjab, een lange rechte asfaltweg. Sinds lange tijd rijdt Mariska weer eens. Helaas werkt alles aan onze vrachtauto erg zwaar, vooral de koppeling en schakelen. Dus kleine weggetjes en in de stad is niet geschikt voor Mariska. Bovendien is ze veel beter in navigeren. Als Jan navigeert raken we meestal de weg kwijt.

Vanuit Kamanjab willen Etosha Nationaal Park in. In Kamanjab zelf is niet veel te beleven. We willen er wat eten, en komen zo bij Oppi Koppi restcamp terecht. Gek genoeg hadden we hier al wel eens van gehoord, het is een plek die steeds bekender wordt bij overlanders. Die mogen er dan ook gratis staan, zo lang ze willen. Zolang je dus echte overlander bent, en niet met een huurbakkie voor een week of drie rondtoert. Dit komt omdat de Belgische eigenaar, Vital, zelf ook plannen had om met een truck rond Afrika te gaan. Hij had al een mooie, woeste truck klaar, genaamd Bela-Bela. Zijn bedrijf in België verkocht, en op de dag van het afscheidsfeest werd de truck in beslag genomen omdat de nieuwe eigenaar van zijn bedrijf, onterecht, een geldclaim bij Vital neerlegde. Een droom viel in duigen. Na vier jaar procederen is de claim ongegrond verklaard en werd de truck terug gegeven.


Lekker op het terras bij Oppi Koppi.
Vital heeft het allemaal niet meer afgewacht en heeft hier in Kamanjab een eenvoudige camping overgenomen. Die is inmiddels flink uitgebreid met een mooie bar, terras met zwembad en een aantal huisjes die te huur zijn. De camping is ruim opgezet en je kunt er heerlijk eten, vooral de zebrasteak is om te smullen. Heerlijk mals, en qua smaak als rund. En nee, dat is niet zielig voor de zebra’s. Daar zijn er veel van, ze worden zelfs gewoon als runderen gehouden. En die zebra’s hebben een veel beter leven dan gewone koeien omdat ze aangepast zijn aan het hete gortdroge klimaat. Hetzelfde geldt voor kudu's, oryxen, struisvogels en elandantilopen. Eigenlijk zouden de boeren hier geen koeien voor vlees moeten houden, maar alleen de van oorsprong voorkomende dieren.

Het is ’s avonds gezellig in de bar bij Vital. Hij is de grootste verkoper van Jägermeister in Namibië en heeft zelfs een tap staan waar het donkere spul ijskoud uitkomt. We zitten overdag wat te werken op internet onder het genot van een drankje, op het terras, (Vital is de enige in Namibië die het snapt: wifi is hier gratis), als we door iets, zachtjes in de zij gehapt worden. Het zijn twee jonge struisvogels die zo nieuwsgierig wat rondlopen. Er liggen ook een aantal honden, en het spul kan allemaal goed met elkaar overweg. De mooiste vogeltjes vliegen af en aan over het terras en tegen schemer komen er grote stekelvarkens die de restjes uit de keuken geserveerd krijgen. We blijven dan ook wat langer dan gepland, maar dat heeft ook te maken met de vrij heftige regenbuien die af en toe naar beneden komen. We willen Etosha in, maar met regen is het niet zo geschikt om te safariën.

Als uiteindelijk de weersvoorspelling zegt dat het droog blijft de komende dagen gaan we eindelijk Etosha in. We nemen een binnendoor route er naar toe, over gravelwegen, waar soms nog flinke drekplassen op staan. Het gaat over de enorme landerijen van boeren. Een grondstuk van 1000 hectare noemen ze hier nog klein. Soms is er een rooster tussen de verschillende landerijen, maar af en toe moeten we stoppen om een hek open en dicht te doen. De wegen zelf zijn niet van de boeren, maar staatswegen met een nummer. Onderweg komen we nog een bakkie met daktent tegen, met de koplampen knipperend. Het is een huurauto. We stoppen om te vragen wat er aan de hand is. Het blijken Duitsers te zijn, net terug uit Etosha. Bij het zien aankomen van onze auto werden ze enthousiast, zoiets is ook hun droom. Dat wilden ze even vertellen. Grappig.

Tijdens de route naar Etosha zien we al wat wild achter de hekken. Wat hertachtig spul, oryxen, kudu’s en een giraffe. Enkele van die landerijen zijn privé-wildparken waar je voor vaak flinke prijzen kunt overnachten en gamedrives kunt doen. We rijden ook over een groot jachtgrondgebied, Rexes Hunt. Er zijn nog steeds mensen die er plezier aan hebben om dieren af te knallen, en die kunnen dan bij zo’n wildpark inboeken. Dat jagen hier moet toch echt iets idioots zijn. De beesten zijn redelijk makkelijk te vinden op zo’n omsloten grondstuk en van vrij dichtbij te benaderen. En met moderne wapens met zuivere vizieren kan zelfs een blinde zo’n beest nog neerknallen, het stelt helemaal niets voor. En terug in vooral USA en Azië, maar ook Europa de held uithangen met wilde jachtverhalen…

We hebben hier als het om wild gaat ook een beetje een dubbel gevoel. Alles staat binnen grote hekken, alleen klein spul kan nog vrij rond bewegen tussen de hekken door. Is dit eigenlijk wel wild? Waarom zijn al die hekken aaneengesloten en zijn er geen corridors? Alleen omdat de mensen er geld aan willen verdienen en dus verzekerd willen zijn van “wild” op hun stuk grond? Anderzijds is het maar goed dat er wildparken zijn, anders was er misschien ook hier, net als in west Afrika amper nog wild over. En zoals in Wouters park hebben we best wel genoten, maar hoe groot misschien de wildparken ook zijn, een echt “wild” gevoel geeft het niet. Het lijkt soms meer op veehouderij. Buiten de wildparken kom je vrijwel geen wild tegen. Je betaald, passeert een hek, hebt een lijstje van dieren die je binnen het hek zoal kunt zien, en ziet die dan vervolgens ook. Als je een park inrijdt dat bekend staat om zijn vele olifanten, en je ziet er vervolgens maar een paar, ben je nog teleurgesteld ook. In landen als bijvoorbeeld Australië en Scandinavië is wild nog echt wild, daar kun je het overal verwachten, en is het spontaan zien van een groep bevers, een eland, een beer of een rode kangoeroe tijdens zomaar een wandeling ergens, een belevenis die je lang bij blijft. En zelfs als je buitenaf woont in Europa, zoals wij de laatste jaren in Duitsland, komen reeën ’s avonds in je tuin grazen, en loop je door het Bentheimer wald, dan is er grote kans dat je edelherten en wilde zwijnen treft. De kans op een dergelijke verrassing buiten een wildpark in Namibië of Zuid-Afrika is erg klein.

Bovendien kun je in deze landen amper zomaar ergens in de natuur wandelen. Alles, met uitzondering van een stuk in het noorden en een deel langs de kust van Namibië, is omheind. Hek aan hek, honderden, nee duizenden kilometers lang. Ieder stukje natuur is óf een Nationaal Park, óf privé-bezit. Tot hele bergen en rivieren aan toe. Wil je daarop wandelen, dan moet je eerst betalen. Vaak niet zo heel veel, soms wel. Je moet je altijd ergens van te voren melden voor een permit (vergunning) soms zelfs weken van te voren. Op veel plekken mag je alleen wandelen onder begeleiding van een gids en vertrekken wandelingen alleen op vaste data, bij een bepaald aantal aanmeldingen.  En lekker dan als het op die dag bloedheet is of het regent. Lekker spontaan een paar uurtjes stappen door een stukje natuur is er dus niet bij hier. En hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld voor mountainbiken. Dit zijn zaken die ons behoorlijk storen hier. Alles moet geregeld, vooraf besproken en betaald worden. Zulke grote landen, maar het geeft je een opgesloten, beperkend gevoel.


Cheetah in Etosha National Park

Goed, genoeg geklaagd, we zijn op pad naar Etosha. We gaan het park, dat al bijna zo groot is als Nederland, binnen in het zuiden, bij Anderson gate. Een formulier invullen en aangeven of je rauw vlees en/of wapens bij je hebt. Dit wordt niet gecontroleerd. Dan moeten we 17 kilometer verder rijden naar Okaukueju om de parkentree en overnachting te betalen. Dat is in Etosha gelukkig nog niet zo belachelijk duur als in de parken in Oost Afrika. Een dagticket is 24 uur geldig en kost 80,- Nam$ per persoon, zo’n 6,60 euro. En slechts 10,- Nam$ voor de auto. De camping is wel vrij prijzig, 420,- Nam$ voor ons tweeën, toch zo’n 35,- Euro. We boeken in eerste instantie slechts voor één nacht in op de camping bij kamp Okaukueju. Omdat de dagtickets per 24 uur gaan, rijden we tegen 15:00 uur het park in, zodat we nog een avondsafari en een ochtendsafari kunnen doen, de beste tijden om wild te kijken. De volgende dag kunnen we dan op ons gemakje nog wat rondrijden tot 15:00 uur. Willen we langer blijven, dan boeken we wel bij.


Springbokken
De beste tijd om wild te spotten is het nu niet. In het droge seizoen trekt het wild naar de watergaten die op verschillende plekken gemaakt zijn in het park, onder andere bij elke camping. Nu, na de regen, kunnen ze overal drinken en zijn ze dus meer verspreid. Bij het watergat is dan nu ook niets te zien. Ook is het nu overal groen, er zit veel blad aan de bomen en het gras is hoog, wat het ook moeilijker maakt om dieren te zien. De avondrit is dan ook niet echt spectaculair. Wel veel antilopesoorten en wat struisvogels. Wat wel mooi is aan deze tijd van het jaar, is dat de meeste dieren nu jongen hebben. Sommigen zijn echt nog maar net geboren, en vooral de jonge springbokjes maken de gekste sprongen.

Op de rit terug naar het kamp zien we nog wel een mooie zwarte neushoorn, in de avondzon, vlak aan de weg. Het beest blijft een tijdje staan kijken, en wij dus ook. Prachtig. Hierdoor zijn we wel tien minuten te laat bij de poort van het kamp. Je moet namelijk voor zonsondergang binnen zijn, de exacte tijden staan bij de poort en aangegeven. Je mag het kamp ook niet eerder verlaten dan zonsopgang. Behalve dan natuurlijk als je inboekt op een georganiseerde nachtsafari. We lopen ’s avonds nog even naar het verlichte watergat, dat flink omheind is met daaromheen zitbanken. Het is van een afstandje een grappig gezicht. Er zitten mensen op de bankjes naar een watergat zonder dieren te kijken, terwijl vlak achter hen jakhalzen rondlopen die de grote krekels en sprinkhanen vangen die op het licht afkomen. De meesten hebben helemaal niet in de gaten dat de jakhalzen zo vlak achter hen langs lopen. Die beesten zijn klein genoeg om onder het hek door te komen en struinen zo de camping af. Mooi om naar te kijken. Er wordt nog wel gewaarschuwd, het is top rabiësseizoen. Oppassen dus, voornamelijk met jakhalzen en grondeekhoorns.

De volgende ochtend staan we al om 6.00 uur op. En daarmee zijn we nog laat, de meeste kampeerders en huisjeshuurders vertrekken al en staan zelfs in de rij te wachten tot de poort opengaat. Wij kijken nog even bij het watergat, maar helaas, niets te zien. We rijden de hele dag in een rustig gangetje door het park, de gravelwegen zijn breed en goed. We rijden oostwaarts via de hoofdroute, waarbij we vrijwel elke korte loop die van de hoofdweg afgaat ook meenemen. Tot aan kamp Halali, waar we stoppen om wat te eten, zien we eigenlijk niets, op een dikke pofadder na dan. Wel is het uitzicht op de oneindige vlakte, de pan zelf zonder enkele vegetatie indrukwekkend. Hoe kunnen die beesten in die hitte de overtocht over de pan wagen?

Wat ook prachtig is zijn de enorme nesten van de communal weavers. Wevervogels die gezamenlijk nesten bouwen van enkele honderden kilo’s, waardoor soms de boomtakken afknappen. Richting kamp Namutoni zien we ineens veel hoefdieren: zebra’s, giraffen, oryxen, springbokken, gnoe’s en ook weer struisvogels. Mooi om die beesten in zulke grote getale te zien, hoewel het nog niks is bij de kuddes die het ooit eens waren. Bij kamp Namutoni rijden we de camping op om even te lunchen. Er is geen controle wie er de camping op of afgaat, dus we denken dat we nog maar een dagje blijven, onbetaald dit keer. We vonden dat we de vorige camping wel dubbel betaald hebben. De helft van de kranen werkten niet, en Jan spoelde het urinoir door en de inhoud liep zo in zijn slippers, bah! Dan moet je zelf maar zorgen dat je waar voor je geld krijgt.

We rijden nog eerst weer een mooi stukje door het park. Onderweg staan een paar auto’s stil langs de kant. Dit betekent dat er iets bijzonder gespot is. Het blijkt een cheeta (jachtluipaard) te zijn. Langzaam loopt het beest tussen het gras door, zich niets van de auto’s aantrekkende. Een eindje verderop zien we weer een cheeta, dit keer kaarsrecht zittend op de uitkijk. Helaas wat te ver weg. In Fishers Pan zien we 1000-enden flamingo’s, greater en lesser flamingo’s door elkaar. De hele pan kleurt er rose van, een schitterend gezicht. Er staat al een laagje water in de pan, de flamingo’s zijn net de afgelopen dagen binnen komen vliegen. We spraken vier dagen geleden een Oostenrijks stel in Kamanjab, dat net uit Etosha kwam, en toen waren er nog geen flamingo’s volgens hen. We hebben dus erg geluk.

Van een afstandje zien we nog een zwarte neushoorn en een blauwe kraanvogel. Ook een stel stokstaartjes, Wat een grappige beestjes. Helaas werden ze door ons opgeschrikt en gingen ze er snel vandoor. Als we bij zonsondergang de camping oprijden, staan er al wel aardig wat mensen. Maar we hebben geen stroom, water of een braaiplek nodig, dus we zetten hem ergens op een klein plekje neer. Niemand controleert iets, en een witte vrachtwagen op een campinkje valt blijkbaar niet echt op. Bij het watergat zijn ’s avonds alleen een paar impala’s.

Weer de volgende ochtend om 6:00 uur op, we zijn het niet gewend. We rijden eerst een stukje terug naar Halali, waar we onderweg onze eerste leeuw zien. Het is een mannetje dat wat loom langs de kant van de weg loopt en in de bosjes verdwijnt. Bij klein Namutomi watergat zien we drie hyena’s. Die zijn nog laat op pad. We rijden verder naar Stinkwater en zien een groep van zo’n vijftien olifanten waaronder vijf jongen tussen de 1 à 2 maand en 2 jaar oud. Prachtig om te zien. Ze zitten net achter een rij bosjes, maar vanaf het dak van de cabine hebben we er een goed zicht op. Het deksel van het schietgat hebben we eruit, dus als we wat interessants zien, springen we zo vanuit de cabine het dak op. Officieel mag dit niet, maar het is drie meter hoog, en als je ziet hoe open de safariwagens van het park zelf zijn, dan zitten wij daarboven nog wel wat veiliger.


Jan op de Etosha zoutpan

De olifanten nemen een stofbad, de kleintjes lopen er wat wankel omheen en proberen met hun kleine slurfjes de groten na te doen. Er stopt een Toyota Hilux voor ons. Die zien niets van dit tafereeltje. Uit het raam roept een man in plat Amsterdams: “Ken je ‘t een beetje zien van daarbove?”  Het zullen weer eens geen Nederlanders zijn. We komen op de rit in dit gedeelte nog meer olifanten tegen. Best indrukwekkend om ze zo dicht naast je auto te zien.

We blijven niet nog een nacht, na zo’n 600 kilometer door het park te hebben gereden vinden we het wel weer genoeg. Bij het uitchecken wordt het nog even spannend. Gaan ze de bonnetjes voor de overnachtingen controleren en komen ze er dan achter dat we maar één overnachting betaald hebben? We hebben wel extra 24 uur parkpermit bijgekocht omdat hier de entree datum opstaat, en dan zouden we gelijk door de mand vallen. De vrouw bij de uitgangspoort is druk aan het bellen. Jan houdt haar de 2x 24 uur parkpermit voor en ze knikt dat we door kunnen. Zo hebben we ons in ieder geval 35,- euro bespaard. We vonden dat we de campings alsnog dik betaald hebben.

We vonden Etosha zeker de moeite waard. Ondanks de enorme omvang blijft het dierentuingevoel wel een beetje hangen, maar het is de enige manier om een grote verscheidenheid aan dieren in hun natuurlijke omgeving te zien. En het is prettig dat je niet op een geboekt toertje hoeft, maar op je gemak in je eigen auto rond kunt kachelen.

Mariska heeft nog ongeveer bijgehouden wat we zoal aan dieren gezien hebben, hier is de short-list, helaas deels in Engels:

-          Olifant (+/- 25)

-          Zwarte neushoorn (3)

-          Spotted hyena (3)

-          Leeuw (1)

-          Cheeta (2)

-          Kudu’s

-          Black backed jackals

-          Pofadder (1)

-          Blue crane (1)

-          Bateleur (1)

-          Giraffen

-          Zebra’s

-          Springbokken

-          Oryxen (gemsbok/spiesbok)

-          Gnoe’s (blue wildebeest)

-          Black faced impala’s

-          Struisvogels

-          Warthogs (wrattenzwijnen)

-          Greater en lesser flamingo’s (1000-den)

-          Sekretarisvogels

-          Kori bustards

-          Northern black korhaan

-          Maraboe’s

-          Stokstaartjes

-          Mangoesten

-          Dikdiks

-          Dabchicks (grebe)

-          Grey herons

-          Koereigers

-          White storks

-          African spoonbills

-          Egyptian goose

-          Cape teals

-          African white backed vultures

-          African fisheagles

-          Steppe buzzards

-          Swainson’s francolins

-          Helmeted guineafowls

-          Crowned plovers

-          Laughing doves

-          Namaqua doves

-          Grey louries

-          European rollers

-          Grey hornbills

-          Forktailed drongo’s

-          Weavers

Een hele lijst, en niet alles staat er op. Vooral veel vogels waarvan de namen niet weten of kunnen vinden. Met name waadvogels, maar ook allerlei bijeters en roofvogels. De Nederlandse namen weten we van veel dieren niet, en rechtstreeks vertalen loopt vaak mank. Zo is een kerkuil geen church owl, maar een barn owl. En een grey heron hoeft dus niet in het Nederlands een grijze reiger te zijn, maar is misschien wel een blauwe. Hiervoor moeten we de latijnse namen weten, en dat gaat ons te ver.

Als we tegen 15:00 uur Etosha verlaten rijden we verder naar lake Guinas, één van de twee enige natuurlijke meren van Namibië. Er schijnen nog heel bijzondere vissen in te zitten. Met een beetje geluk kunnen we daar overnachten. Het meer is eigenlijk een groot rond diep loodrecht gat in de rotsige bodem, het waterniveau is zo’n twintig meter lager dan waar we staan. Zoals de cenotes die we kennen van Mexico. Maar hier gooiden ze er geen Maya’s in. Het pad naar de cenote toe ziet er niet zo best uit, en we weten niet of we onderaan kunnen draaien, dus we lopen het maar eerst. Tsja, het zou kunnen, maar het is de moeite van het manoeuvreren niet waard. Het was op zich best ooit een mooi en bijzonder watergat, maar ook hier is het een beetje verpest. Er drijven grote vlonders in met pompen, en langs de rotswand leiden lelijke leidingen omhoog. Het doet flink afbreuk aan het mooie meertje. De pompen maken nog kabaal ook, geen rustige overnachtingsplek dus. Jammer. We snappen die boeren ook wel. Dit is een makkelijke manier om hun droge land te besproeien, of om het vee van water te voorzien. Anders moeten ze een diepe bronput slaan. Maar lelijk is het wel. Ondanks dat het water erg helder is, zien we niets van de vissen. Het water is natuurlijk ook erg diep, zo’n 70 meter schijnt het, maar misschien liggen de vissen al in de drinkbak van de koeien...

Het is hier niet zo makkelijk om nog een plekje voor de nacht te vinden, zonder van de straat gezien te worden. Ook weer door al die hekwerken direct langs de straat. We vinden uiteindelijk een redelijk verscholen plekje op een paadje bedoeld voor inspectie van de hoogspanningmasten. Niet geschikt om lekker buiten te zitten, dus we kijken binnen maar een filmpje.

We rijden de volgende dag naar Tsumeb. Onderweg komen we langs nog zo’n cenote, het enige andere natuurlijke meertje van Namibië, lake Otjikoto. Dit meertje is bekend vanwege het oorlogsmaterieel dat de terugtrekkende Duitsers er in WO I in hebben gegooid, om te voorkomen dat het in handen van de vijand zou vallen. Duikers hebben een aanzienlijk deel van dat spul naar boven gehaald in de jaren tachtig van de vorige eeuw. En gevaarlijk klusje op zo’n 70 meter diepte in dat nauwe gat. Eén van de duikers heeft er zijn hand bij verloren. Er schijnt nog meer te liggen maar nu mag er niet meer gedoken worden.

Rondom het meertje is het parkachtig aangelegd. Ze vragen 15,- Nam$ entree per persoon, wat niet veel is. We kijken eens door het hekwerk vanaf de parkeerplaats. Het meertje ziet er net zo uit als het andere, inclusief de lelijke pompinstallaties. We laten het er maar bij. Het gevonden oorlogsmaterieel is hier niet te zien, maar in het museum in Tsumeb, dus daar gaan we maar heen.

Tsumeb is best een aardig stadje. Als we binnenrijden via een klein industrieterrein zien we een groot vrachtwagenbedrijf met een interessante showroom. We nemen even een kijkje. Er staan twee grote oude Amerikaanse trucks in de showroom, en wat customized Harley Davidsons. Verder een imposante Amerikaanse sleeptruck, een 3-window hotrod, een flinke Ford F650 pick-up en een paar speciaal geprepareerde Hummers H2 en een H1. We vragen gelijk even aan de dame achter de balie of we misschien een pulleytrekker kunnen huren/lenen zodat we onze stuurstang iets verder kunnen uitdraaien. Na het ongeluk kunnen we linksom een veel kleinere bocht maken dan rechtsom, en dat willen we even verhelpen. Of als iemand tijd heeft dat ze het hier voor ons doen. De dame vraagt het even aan de baas, maar die is enorm arrogant. Hij antwoord haar iets in de trant van: “Kom je me storen voor zo’n 300,- Dollar (Nam$) klusje?”  Dus ze “kunnen” ons niet helpen, en wij willen al niet meer, wat een eikel.


Lake Guinas

We doen wat inkopen in Tsumeb, eten wat in de auto als er een kleine bui overkomt, en bezoeken dan het Mining museum. Hier staat het oorlogsmaterieel dat opgedoken is uit de cenote, prachtig gerestaureerd. Ook een uitgebreide reportage van de bergingswerkzaamheden. Verder een heel uitgebreide verzameling van allerlei gesteenten en mineralen dat hier en elders in Namibië in de grond zit, en alles over de mijnen in het omliggende gebied. En nog wat over de verschillende volkeren, zoals de San (bosjesmannen), de Herero en de Himba’s. Wel even leuk om te bekijken.

Het wordt al later en we blijven overnachten midden in Tsumeb aan de rand van het park. ’s Avonds lopen we nog een stukje door de villawijk er vlak achter. De huizen zijn groot maar qua bouwstijl niet zo bijzonder. De tuinen zijn erg groot en mooi aangelegd met allerlei tropische planten. Een Staffordshire terriër en een Dalmatiër komen een erf afgerend en ons luid blaffend tegemoet. Het blijken hele braveriken te zijn en na wat aaien en kriebelen lopen ze kwispelend met ons de hele ronde mee. Helaas is op een gegeven moment de Stafford weg, waarschijnlijk ergens anders een erf op opgelopen. We zoeken en vragen wat rond, de Dalmatiër braaf met ons mee, maar we kunnen het beest niet terug vinden. Als we later weer bij het erf van de honden komen, blijkt de slimmerik al lang weer terug te zijn.


De Hoba meteoriet

WOENSDAG 16 JANUARI 2013, metaal uit het heelal
Vandaag bekijken we de Hoba meteoriet, niet ver van Tsumeb vandaan. Het is de grootste meteoriet die men ooit op aarde gevonden heeft. Het is eigenlijk een grote bonk metaal van 54 ton, bestaande uit 82% ijzer, 16% nikkel, 0,8% kobalt en nog een restje ander spul. Interessant ding, een unieke kei, maar je bent er wel snel op uitgekeken. Het ding ligt nog op de originele plek waar het naar beneden geploft is, maar er is natuurlijk wel aardig wat poeha omheen gebouwd. Namibiërs en Zuid-Afrikanen zijn gek op braaien, dus er is een smulpark met diverse braaimogelijkheden omheen aangelegd.

Via allerlei kleine gravelwegen rijden we richting Waterbergplateau. De natuur is wat eentonig. Lage bosjes, eindeloos. En natuurlijk ook eindeloze hekwerken direct naast de weg, dus weer is het lastig een mooi plekje voor de nacht te vinden. We vinden het bij een diepe inham dat naar een waterpomp leidt. Wel erg mul zand, we hebben geen zin om voor zo’n klein stukje lucht van de banden af te laten, dus het is een beetje ploeteren. Er lopen veel grote mestkevers met een balletje te rollen en zichzelf met balletje en al, in te graven. Mooi om naar te kijken. En wat zijn deze beesten sterk. Als je ze in je hand sluit beginnen ze met kracht je vingers uit elkaar te duwen. Wel even handen wassen daarna...

We rijden de dag erop verder naar het Waterbergplateau om een dagwandeling te doen. Het is een mooie rotswand, maar de omgeving verder vinden we niet zo spectaculair. Niet om voor 15,- euro een wandeling te maken (zoals al eerder gezegd, bijna niets is gratis hier). We rijden maar wat verder, eten bij de Wimpy’s in Otjiwarongo een burger en vlak voor Vingerklip slaan we kamp op.

We worden ’s morgens wakker van geknor en gebrom rondom de wagen. Het blijkt een mooie groep donkere bavianen te zijn. Ze lopen rond de auto, eten wat gras en blaadjes uit de struiken. Er zijn veel jonkies bij. Dat is leuk wakker worden. Het is ook het weinige wild wat vrij rondtrekken kan, zij hebben geen problemen om over de hekken te komen. We houden een rustdagje, komen amper de wagen uit, schrijven e-mails aan familie en vrienden en werken wat aan de website.

Als we dag er op verder rijden vernadert het landschap langzaam. De ronde heuvels worden ingewisseld door spectaculaire tafelbergen met steile wanden. Vingerklip, een echte losstaande naaldrots staat, je raadt het al, op privé-land. Een groot hek erom, weg vrije gevoel, we zijn weer in een parkje. De toegang kost niet veel, maar we zien het vanaf de straat ook wel. Wat dat betreft valt Namibië ons tot nu toe wel een beetje tegen. Zo’n groot land, slechts 2 miljoen mensen, maar door de continu aaneengesloten hekwerken en de speciaal voor toeristen afgebakende stukjes met parkeerplaatsen, betaalbalietjes en wc-hokjes gaat het wilde, het ruige, het desolate er van af.

Bobbejaan

We rijden door naar Petrified Forest (Versteende Woud). We melden ons bij het loketje en moeten 40,- Nam$ per persoon betalen, en maar liefst 50,- N$ voor het parkeren. Wat is dit nu? Zoveel voor het parkeren, om een halfuurtje dode boomstammen te kijken? “Dit is toch geen down town Amsterdam maar f*&#ing empty Namibië?” Vraagt Jan retorisch aan het meisje achter de kassa. We bieden aan om 20,- N$ voor het parkeren te betalen, maar daar gaat ze niet mee akkoord. Dan rijden we de zand-parkeerplaats terug af naar het zandpad waarover we gekomen zijn, nog een 150 meter, en parkeren daar de auto buiten hun terrein, in het zand. Zo is 50,-N$ snel bespaard.


De versteende boomstammen zijn best groot. In de hele omgeving is niet
zo'n grote boom te bekennen
We krijgen een rondleiding, want begrijpelijkerwijs willen ze niet dat iedereen daar zo rondloopt en misschien de versteende boomstammen vernielen of stukken als souvenir meenemen naar huis. De gids echter dreunt amper zonder adem te halen aan één stuk door zijn verhaal op. Telkens als we tussendoor wat vragen stopt hij zijn verhaal. Je ziet hem even haperen om weer in de werkelijk wereld te komen, geeft dan antwoord, spoelt in zijn hoofd het bandje iets terug, herhaalt de laatste vorige zinnen en ratelt zo weer het bandje verder af. Het is komisch, maar na een halfuurtje ben je het echt wel zat. De versteende boomstammen zijn op zich best wel interessant. Zoals sommige er liggen denk je echt dat het een houten stam is, met schors en al. Ook zijn de jaarringen van gebroken stammen nog goed te zien. Maar een woud kun je het niet noemen. Er liggen maar een paar stammen, en er staat er geen een rechtop. Maar misschien wordt je als je al wat gereisd hebt ook wel wat te veeleisend en ga je dingen teveel vergelijken, wat niet altijd fair is. Een eerste indruk van iets is vaak overweldigender dan wanneer je zoiets voor de tweede keer ziet. En beelden van iets wat je lang geleden hebt gezien vertroebelen. Toch kunnen we versteende bomen herinneren in Nieuw Zeeland die nog gewoon tot zo’n 1,5 meter rechtop stonden als een klein woud, en lag er in Taiwan een heel stuk strand bezaaid met versteende boomstammen. Ook nog zonder gids en zonder dure parkeerplaats.

Maar ook hier schijnt het gebied veel groter te zijn, maar het meeste ligt, alweer, op privéland. Het stuk wat wij bezocht hebben is in handen van het lokale volk, de Damara, en daar gaat de opbrengst dan ook naar toe. Doen wij dus ook eens wat voor de gemeenschap. Op het meenemen van een stukje versteend hout staat trouwens nog een flinke straf, óf 5.000,- N$, óf 12 maand gevangenisstraf of een combinatie van beide. We weten niet of je mag kiezen... 

Een eind verderop zetten we de auto langs de kant om te overnachten. Een Damara man komt langs een praatje maken. Hij woont op het land achter het kapotte hek waar we voor staan. De huisjes liggen zo’n 500 meter verderop. Er komen ook nog vier kinderen bij. Dan stopt er een wit busje met Oostenrijks kenteken. Het is het jonge stel dat we in Kamanjab kort getroffen hebben. We kletsen wat over en weer, en dan rijden zij verder, ze willen nog ergens een camping opzoeken. De Damara man vertrekt ook met zijn kinderen. Wij zitten nog een tijdje in de schaduw onder de geopende achterklep. Gelukkig staat er een windje, want het is erg warm. Het is een mooie zonsondergang, maar als koperen ko weg is, wordt het ook direct best koud. Dan maar binnen een filmpje kijken. ’s Nachts wordt het zelfs flink koud.

ZONDAG 20 JANUARI 2013
We rijden richting Twijfelfontein en het duurt niet lang of de hekken langs de weg verdwijnen, eindelijk, mooi. En dan duurt het ook niet lang of er komt een bordje “Conservancy Area” en dat het verboden is te wildkamperen hier. Dat is dan weer niet zo mooi. Het landschap is weer wel heel mooi. Roodbruin, ruig, droog, woestijnachtig met her en der wat struikjes en kale rotsbergen. Sommige bergen zijn een enorme stapel ronde keien. Ze lijken zo op een bult gesmeten. Bij Twijfelfontein zijn rotstekeningen te zien, ze vallen onder Unesco. Mariska heeft er niet zo’n zin in, ze heeft er genoeg gezien. Jan wil het wel bekijken, maar laat voor de zekerheid de DAF maar weer op het zandpad staan. We lopen naar de balie, de prijs is 50,- N$ per persoon, en... de man wil ook 50,-N$ voor de auto. Ja, we zijn gek zeker. Die staat langs de openbare weg. De man kan dat vanaf zijn hutje niet zien, maar verrekt het ook om naar buiten te lopen om te kijken. We zeggen dat we lopend zijn gekomen, dat we geen auto bij ons hebben. Hij zegt domweg dat je hier niet lopend kunt komen en dat we gewoon 50,- N$ voor het parkeren moeten betalen. Er staat ook nog een toergids, die net is aangekomen met een groep toeristen. Ook hij zegt tegen de man dat we niet met een auto op de parkeerplaats staan. De man is onwrikbaar. Jan vind nu ook dat hij wel weer genoeg rotstekeningen heeft gezien, laat deze maar zitten dan. Maakt de man achter de kassa natuurlijk ook niets uit, hij krijgt zijn salaris wel.

De praten nog even met de toergids, het is een Duitser die al 30 jaar in Namibië woont en werkt in het toerisme. Hij toert nu met een groepje Duitse toeristen, maar heeft nog een probleempje. Hij heeft te weinig benzine in zijn auto om het dichtstbijzijnde benzinestation te halen. We bieden aan om de benzine uit onze motor te gebruiken, dat is nog zo’n 15 liter, daarmee moet het lukken. Hij zegt dat hij het probeert bij Twijfelfontein Country Lodge. Hij kent daar iemand en misschien kan die hem benzine leveren. We geven aan dat we daar ook nog komen, als het daar niet lukt, moet hij maar even op ons wachten. Later treffen we hem met zijn busje bij Burned Mountain en geeft hij ons zijn kaartje. Hij heeft benzine kunnen regelen bij de lodge, maar bedankt ons voor het aanbod. Hij nodigt ons uit in zijn woonplaats Swakopmund. Als we daar zijn wil hij ons wat van de omgeving laten zien. Erg aardig.


Twijfelfontein Country Lodge

Wij rijden ook maar eens naar Twijfelfontein Country Hotel. Het schijnt te koop te zijn, en Wouter, die ook al het Opuwo Country Hotel in het bezit heeft, heeft er wel belang bij. Het zou onlangs verkocht zijn, maar de nieuwe eigenaren, een bankdirecteur en een directeur van Eskom, bleken na het tekenen het geld niet rond te kunnen krijgen. De lodge ligt er prachtig tussen de rotsen, ook weer met een fraai rieten dak. Op een rots vlak voor de ingang staan ook nog wat tekeningen. Het zijn nog niet eens zulke gekke tekeningen, gemaakt door gevorderden, o.a. van giraffen. We willen wat eten, maar de keuken is nog niet open. Personeel is er, etenswaar is er, potten en pannen zijn er, toeristen zijn er, maar ze willen ons niet helpen. We snappen restaurants met vaste etenstijden niet zo. Je bent open of je bent dicht. We vragen nog of we op de parkeerplaats mogen staan vannacht en dat we dan vanavond wel komen eten, maar dat willen ze niet hebben. Ze verwijzen ons naar een camping 30 kilometer verderop. Tsja, dan komen we niet terug om te eten. Als we weer bij de rotsen bij de ingang zijn zien we een degoe-achtige rat rond struinen. Het beestje wil de lodge in. Als een volleerd legercommando maakt hij zich plat en rent van graspol naar graspol, steeds dichter naar de ingang. Niemand die het beestje opmerkt. We kunnen net niet zien of het hem gelukt is binnen te komen.

We kijken nog even bij de Organ Pipes, een kleine kloof waar we doorheen lopen, met basaltachtige verticale pilaren, als orgelpijpen, vandaar de naam. Dan een stukje verder naar Wondergat Sinkhole, een enorm diep recht gat in de vlakke grond van ongeveer een meter of vijf in doornsnede, onderin wordt het nauwer. Je kunt er niet in, en het ziet er ook niet lekker uit als je erin valt. Op weg naar het gat komen we nog wat mul zand tegen. Mariska rijdt de DAF er in vast. Gelukkig kan Jan hem er met wat grof geweld weer uitrijden en omdraaien, zonder zandplaten en scheppen. Weer hebben we geen zin banden af te laten en via een ander pad bereiken we het gat zonder problemen. We rijden tot we het beschermde gebied uit zijn, maar nog niet bij de hekken zijn, en ploffen de auto ergens langs de kant om te overnachten. Niet te ver van de gravelweg af, want er is nog steeds behoorlijk mul zand.


Omgeving van Sorris Sorris, met uitzicht op Brandberg

De dag erop rijden we door een mooi gebied, zowaar weer een stuk zonder hekken. Nabij Sorris Sorris zijn mooie bergjes, rotsen en losse keien. Hoewel het nog vroeg in de middag is hebben we zin om hier te stoppen en een dag of twee te blijven staan. We parkeren de DAF op een vlak rotsplateau met mooi uitzicht. Tafel en stoelen buiten, en we zitten nog maar goed en wel of we worden weer overvallen door honderden minibijtjes. Die irritante, die telkens in je ogen, oren en neus kruipen, en alle andere lichaamsopeningen die je blootstelt. Jan is het al gauw zat en gaat maar binnen zitten een boekje lezen. Mariska zit wel buiten maar met haar Australische hoed op met rondom een muskietennet. Ook niet echt comfortabel. Gelukkig gaan de bijtjes in de namiddag naar “huis”, waar dat ook wezen mag. Van ons mogen ze er blijven. Niets helpt tegen die beestjes, we hebben van alles geprobeerd. Misschien dat roken helpt, maar dat is ook zoiets. 

We zitten nog lekker buiten te eten en genieten van de zonsondergang. Het koelt wel wat af, maar niet zo erg als afgelopen nachten. We zien nog een wilde kat (felix sylvestris). Eerst dachten we dat het een (verwilderde) huiskat was, maar toen we hem beter zagen bleek dit toch echt een wilde kat te zijn.

De dag erop zit Mariska weer onzer haar muskietennet te lezen en doet Jan wat klusjes aan de auto, zoals doorsmeren e.d. Hij werkt zonder t-shirt en zijn hele rug zit vol met de kleine bijtjes. Er kwam nog een oude baas langs die verteld dat een paar dagen geleden de woestijnolifanten door de rivierbedding langs het dorp waren getrokken. Dat moet een mooi gezicht zijn. Dit zijn nog vrij rondzwervende olifanten. De strook langs de rivierbedding is mooi groen, het water zit er niet diep. De olifanten weten dit en graven met hun slurf gaten om bij het water te kunnen.

Hoe mooi het hier ook is, we worden gek van de bijtjes, dus de volgende dag gaan we weer verder. We stoppen bij Brandberg Restcamp in Uis, waar we een heerlijke kudusteak eten en we gratis gebruik van internet kunnen maken. We Skypen met het thuisfront. Als we met Jan’s moeder Skypen blijkt ook daar, net als bij Mariska’s ouders, de gezondheid parten te spelen. Allen hebben ze last van artrose, alsof ze het hebben afgesproken. De koude winter in Nederland draagt natuurlijk ook haar steentje bij. Best is het allemaal niet en het zet ons aan het denken, iets dat we al lang niet meer hebben hoeven doen.

DONDERDAG 24 JANUARI 2013, het is koel aan zee
We zitten in woestijngebied. De wereld om ons heen is super droog, en bestaat alleen uit zand, stenen, rotsen en een enkel plantje. En ja hoor, het begint te regenen. Het is maar een klein buitje, amper te zien waar het vandaan kwam, en het water is al verdampt voor het de plantjes bereikt.

We rijden richting zee. De omgeving is mooi, we zien zelfs nog wat wild, o.a. kudu’s, springbokken en een struisvogel. De gravelweg is erg slecht, enorme diepe grove wasbordrichels, je vullingen vallen haast uit je kiezen. En dat voor ruim 100 kilometer! Het is zoeken naar de juiste snelheid om zo min mogelijk cadans en vibraties te hebben. Op hoger snelheid gaat het beter, maar het is wel oppassen omdat je door die richels minder contact hebt met de weg. Alles om ons heen rammelt, horen en zien vergaat ons. Toch bereiken we zonder schade het uitgestrekte strand. Het is hier een stuk frisser. We eten wat buiten, en met de dikke trui aan in de zon is het nog koud. Een raar idee als je zo de hete woestijn uit komt.

Er zijn wat sportvissers her en der met hun bakkies langs het strand. Sportvissers zijn hier vrijwel altijd blanke mannen. Beroepsvissers zijn vrijwel altijd zwarte mannen. Huizen of iets van bebouwing is in de verste verte nog niet te zien. Het is hier nog wild, zonder hekken deze keer. We lopen wat langs het strand en vinden her en der dode zeehondenbaby’s, aangespoeld, de weg niet terug kunnen vinden naar de kolonie. Sommigen zijn aangevreten door jakhalzen, die hier samen met bruine hyena’s ’s nachts de stranden afstruinen.

De vissers vertrekken bijtijds, waarschijnlijk naar Henties Bay, het dichtstbijzijnde dorp, op zo’n 40 kilometer afstand. Wij blijven staan voor de nacht. Bijtijds naar binnen, want als de zon onder is wordt het echt fris, nee, koud gewoon. Sinds lange tijd laten we zelfs het grote raam boven het bed dicht.

Niet al te vroeg vertrekken we de volgende ochtend naar de grote zeehondenkolonie van Cape Cross, bestaande uit duizenden Cape Fur Seals. We laten de auto bij de ingang staan en we lopen via het strand ongeveer één kilometer tot de kolonie. Op dit stuk liggen wel honderden dode zeehondenbaby’s aangespoeld. De wind staat vanaf de kolonie onze kant op, en de lucht van de uitwerpselen samen met die van de vele lijkjes maakt dat je soms amper fatsoenlijk kunt ademhalen, en kotsneigingen moet onderdrukken. Wat een stank! We vinden op het strand ook nog een vermoeid, te ver afgedreven puppy. Een prachtig mooi beestje met grote vertederende ogen. Jan dacht het nog te kunnen vangen om hem dan weer bij de kolonie te zetten, maar toen we dichterbij kwamen keek het ons met die grote ogen aan en hupste toen snel weer de zee in, waar het in de branding bleef peddelen. Helaas zal het ook sterven van honger en uitputting.

Bij de kolonie is een omheinde boardwalk. We zien andere bezoekers lopen met zakdoeken voor neus en mond, maar de stank hier is veel minder dan ginds op het strand. De kolonie bestaat uit enorme aantallen elkaar verdringende zeehonden, en er zijn er veel pups. Ze zijn erg donker, zwart-bruin. Zelfs in de kolonie ligt hier en daar een dode pup. Misschien van een moeder die niet terug is gekomen van zee. Zeehonden staan namelijk als favoriet op het menu van de haai. En ook blijven er nogal eens wat steken in visnetten. Ook worden er pups per ongeluk geplet door volwassen dieren. Het hupst en schuift allemaal door elkaar. Vele pups zitten in een soort crèche, in de gaten gehouden door enkele ouderen, die indringers van zich af bijten. De moeders zijn waarschijnlijk op jacht naar vis. De pups schreeuwen als lammetjes. Zoveel van die beesten hebben we nog nooit bij elkaar gezien. Je raakt niet uitgekeken.

Er stopt een oude militaire ambulance-Landrover met Duits kenteken. Twee knapen komen er uit en vragen ons in perfect Nederlands of wij van die DAF verderop zijn. Het blijken twee Nederlanders te zijn, die de Landrover in Namibië van een Duitser hebben gekocht. Ze gebruiken hem op hun vakanties naar Namibië en Zuid-Afrika. We kletsen wat en rijden dan verder naar Henties Bay. Dat is een gek dorpje, zoals het er ligt, aan zee. Het dorpje is geheel omgeven door zand, zover je kunt kijken. Voor, links en rechts strand en wat duinen, er achter begint woestijn.

Het dorpje zelf is dus ook winderig en zanderig. Ze hebben nog een golfbaan ook. We informeren even bij de tourist office wat er zoal te doen  is in en om Henties Bay. Dat valt tegen, maar we zien foto’s hangen van Spitskoppe, een berggebied inland, wat er spectaculair uitziet. Maar eerst blijven we nog twee dagen in en om Henties Bay hangen, want er moeten nog wat klusjes gedaan worden. We eten een schnitzel (heerlijk, die Duitse invloed) bij een cafeetje en parkeren dan de DAF iets buiten het dorp, in de duinen, voor de nacht.

De volgende ochtend zijn we weer vroeg in het dorp. Mariska doet de was bij een laundrette, Jan tankt de wagen vol diesel en water. Voor water moet je hier flink betalen, maar liefst 60,- N$ voor 100 liter. Gelukkig zit er weer geen watermeter op. Verder wordt er weer geluierd deze en de volgende dag. Jan repareert nog de luchtgeveerde bestuurdersstoel. Deze was niet meer fatsoenlijk in hoogte te stellen. Er zat een scheurtje in het kunststof van een hydro-pneumatische cilinder voor de hoogteverstelling, waardoor er olie uitlekte. Met wat 2k-epoxyhars is het weer gerepareerd. Hopelijk houdt het.

 

Namibië deel 3