Namibië deel 4

 

VRIJDAG 14 FEBRUARI 2013, op naar Walvisbaai
We rijden eerst even langs het kantoor van M.E.T. die over het beheer van de wildparken gaat. We willen namelijk langs/door de duinen naar Walvisbaai rijden en dat valt onder het Dorob Nationaal Park, dus hebben we daar een vergunning voor nodig. Die is gelukkig gratis. We rijden toevallig ook nog lang het kantoor van Wouter en Lientjie, en zien daar hun beide auto’s voor staan. Gek, ze zijn dus toch niet naar Opuwo gegaan. Zeker iets tussen gekomen. We gaan niet bij hen aan, maar rijden verder de duinen in, die hier tot een kleine 100 meter hoog reiken. Op één van de duinen zijn ze aan het sandboarden. Liggend op een stuk hardboard dat ze aan de voorzijde omhoog houden vliegen ze de duinen af naar beneden. Het ziet er geinig uit. Het zand zit ze tot in de onderbroek.

Er gaan er ook wat op snowboards de duinen af. Dat leek Jan ook wel wat, maar in werkelijkheid ziet het er toch niet zo spectaculair uit. Het gaat veel te stroef en te langzaam. Alleen op de heel steile kant van het duin komt er wat vaart in, maar dan ben je ook zo beneden, en kun je in de hitte er weer tegenop klauteren. Dat moet je toch echt op sneeuw en ijs doen.

Dat er tegenop klauteren valt ook nog niet echt mee. Iedere pas die je zet zak je weer half terug. Voordat we beginnen aan de klim, ziet Jan één van de begeleiders van de zandbakclub op blote voeten naar boven lopen. Dat lijkt Jan ook beter als met schoenen, dan heb je dat zand niet overal tussen te schuren. Jan loopt blootvoets een aantal passen tegen het zandduin op, en komt dan sprintend en hinkelend terug, bijna een wereldrecord verbrekend. Het zand is veel te heet om op te lopen, je verbrandt je voetzolen. Auw, dat doet zeer! Eenmaal met schoenen aan bovenop het duin ziet hij het trucje van de begeleider: de jongen heeft van die lage sneaker-sokken aan. In het zand valt dat helemaal niet op.


Prachtig duinengebied tussen Swakopmund en Walvisbaai

We rijden een stukje verder langs de duinen op zoek naar een plekje om te kunnen overnachten. Wildkamperen mag hier niet, dus we moeten ons verdekt opstellen, dus achter de duinen zien te komen. Eroverheen gaat nooit lukken, daar zijn ze veel te steil en te hoog voor. Dan zien we een wat lager duin waar we overheen kunnen, en er achter ligt een prachtige opgedroogde pan met rondom de hoogste duinen uit het gebied. We rijden de pan over en parkeren de DAF onderaan zo’n hoog duin. De pan bestaat uit een grote keiharde vloer met vrij regelmatige breuklijnen waardoor het lijkt alsof het betegeld is met zeskantige grote natuurstenen

Een heerlijk plekje om te staan. We genieten van het uitzicht voor onze deur. Af en toe komt er een sloom groepje quadrijders aan, huurquads, met voorop de begeleider met een vlaggetje. De slome automaatjes tokkelen wat voort, dit kan toch geen kick geven? Twee keer komt er ook een tweetal op snelle schakelquads voorbij, 450 en 700cc Yamaha’s. Mensen uit de omgeving die zelf een quad hebben. Dat ziet er wel spectaculair uit. Ze proberen om via de steilste hellingen boven te komen. Net voor het moment dat de quads achterover willen slaan weten ze naar links of rechts te sturen om weer in een zandlawine naar beneden te komen.

En zo blijven we hier drie dagen staan. We lopen een stuk door het zand. Steil tegen het duin opklimmen en dan met grote sprongen als maanmannetjes weer naar beneden. Je wordt hier zo weer een jaar of tien... Jan wil ook graag met de motor de duinen in, maar heeft een scheur ontdekt onderaan de voorvork bij de opname van de vooras. Er lekt al vorkolie uit. Ai, niet echt veilig om nog mee te rijden, als de vooras er uit knapt dan maak je een mooie koprol. Jammer. Moet dus zo snel mogelijk gelast worden, hopelijk zit in Walvisbaai een goede aluminiumlasser.

We krijgen ook nog een sms-je binnen van ene Ellen. Ze is Belgische maar woont al vijftien jaar in Namibië. Ze had onze auto zien staan afgelopen week in Swakopmund. Samen met haar Namibische vriend Vincent hebben ze ook zo’n truck laten bouwen, en beginnen ze binnenkort aan hun grote reis. Ze willen ons graag ontmoeten. Om ze te kunnen bellen moeten we eerst het negentig meter hoge duin achter ons opklimmen. Vanaf daar maken we een afspraak voor de volgende dag, we geven onze coördinaten door en zij komen ons hier opzoeken. Ze vraagt nog of we wat van de supermarkt nodig zijn. “Eeuh, alleen bier, dat is net op”.

De volgende dag tegen 15:00 uur gaat de telefoon. Slechte verbinding, we lopen snel, nou ja snel, het duin op. Het is Ellen. Ze zijn in de buurt maar kunnen ons ondanks de coördinaten niet vinden. Ja, goede verstopplek hè? Vanaf het duin kunnen we ze al zien staan en we dirigeren ze naar de DAF toe. Het blijkt een erg leuk stel van eind veertig te zijn. Vincent was jarenlang tourbegeleider in Namibië en Ellen is gewoon zeer prettig gestoord. Samen hebben ze ook nog een lodge gerund in de Caprivi.

Na de kennismaking worden direct de koude blikken Windhoek Draught losgetrokken. We bekijken elkaars trucks. Die van hen is een splinternieuwe Mercedes Atego 1118 4x4, een prachtige wagen. De opbouw hebben ze in Namibië laten maken, geheel uit staal. Hun leefruimte is iets langer als de onze, en door alle wit en een mooie indeling lijkt het heel ruim. Achterop hebben ze twee kleine Yamaha PW200 motoren. Het is duidelijk een mooiweer truck. Hij is ongeïsoleerd, er zit geen verwarming in en ze hebben niet alleen binnen, maar ook buiten een keuken. Die klapt ingenieus uit de zijwand. En zelfs achter een klepje zit een buitenkoelkast, zodat je voor je koude biertje niet helemaal naar binnen hoeft. Ze willen met deze truck in Afrika blijven, tot onder de evenaar.

Ze hebben er net een testrit naar de Caprivistrook opzitten. Er zijn nog wat dingen die niet helemaal goed zijn. Die worden hersteld, dan nog hun bakkie verkopen en ze kunnen vertrekken. Een huis hebben ze al niet meer. Het klikt goed tussen ons en het is al weer een uur of acht ’s avonds als ze vertrekken. We spreken af elkaar weer in Zuid-Afrika op te zoeken. Zij zijn in Kaapstad rond twintig april vanwege het concert van Metallica. Ellen is waarschijnlijk de enige Metallica-fan die in kleurige Pipi Langkous maillots rondloopt...

Wij zijn daar rond die tijd omdat Mariska’s ouders dan overkomen om met ons door Zuid-Afrika te toeren.


Goed verstopplekje voor enkele rustige dagen

Wij rijden die dag erop naar Walvisbaai. Een oude bekende van ons uit Nederland, Gerard-Peter, heeft er een aandeel in een visfabriek, Seawork genaamd. We hebben hem gezegd dat we die graag eens bekijken, dus zijn we daar nu door de eigenaar, Peter Pahl, uitgenodigd. We krijgen een uitgebreide rondleiding en kijken onze ogen uit. Het is groot, er werken zo’n 1300 mensen, waarvan zo’n 1000 vrouwen. Ze hebben en eigen vloot van vijf schepen, die direct voor de deur kunnen afmeren.

Ze leveren een erg mooi product af, veelal diepgevroren, door middel van snelvriezen. Er wordt dagelijks zo’n 45 ton verwerkt. De hygiëne standaard is hoog, op Europees niveau, en dat moet ook wel, ze leveren aan de hele wereld, o.a. aan Europa en grote supermarkt ketens in Amerika. Ze zijn gespecialiseerd in heek, maar verwerken verder alle bruikbare bijvangst, zoals op het moment blauwe haaien. Het fileren van de heek gaat geheel handmatig. Dit levert een veel betere kwaliteit dan machinaal gefileerde vis, wat in Europa steeds meer trend is. Dit omdat het handmatig fileren in Europa vanwege de hoge loonkosten haast niet meer uit kan.


Eén van de schepen van Seawork
Toch krijgen de mensen bij Seawork een voor Namibische begrippen royaal salaris, en ook goede secundaire voorwaarden, zoals doorbetaling bij ziekte, en een ziektekosten verzekering. Ze hebben voor het werk liever vrouwen. Die zijn voor het fileren vanwege de fijngevoeligheid in de vingers beter geschikt, maar vooral ook hebben ze meer verantwoordelijkheidsgevoel. Mannen zijn wat minder betrouwbare arbeidskrachten hier. Ze komen nogal vaak niet of niet op tijd opdagen. Vooral als ze kort ervoor hun salaris hebben ontvangen en te veel hebben gezopen.

We denken terug aan het project Penduka in Windhoek, waar ze er al twintig jaar aan werken om een bestaan voor vrouwen op te bouwen. Seawork bestaat nog maar zeven  jaar, is klein begonnen, en heeft nu al ruim 1000 vrouwen aan het werk. Dat ligt volgens ons niet alleen aan het verschil in management, maar vooral aan de grondslag waarop een bedrijf of project gevestigd wordt. Alle hulpprojecten die we tot nu toe gezien hebben zijn gecreëerd vanuit het standpunt dat er iets moet worden gedaan voor de bevolking, en daar moeten dan inkomsten bij gezocht worden. Dit resulteert al gauw op iets toeristisch gericht, en gaat vaak niet verder dan handwerk, sierraden en kunstvoorwerpen.

Seawork bijvoorbeeld is duidelijk geen hulpproject maar een commercieel bedrijf, ontstaan uit de gedachte dat er met de vangst, verwerking en export van vis geld verdiend kan worden. Dit blijkt, mede door goed management, een succes, dus is er groei mogelijk, zijn er meer mensen nodig en heb je als bijprodukt een verlaging van de plaatselijke werkloosheid. Hetzelfde zagen we bij de organische bananenkwekerij in Ghana. Een Nederlandse investeerder ziet een behoefte aan organische bananen in Europa. (Dat voor die bananenplantage een stuk oerwoud moet plaatsmaken maakt die organisten niets uit.) Commercieel is het een succes en ondertussen hebben ze meer dan 160 dorpelingen aan het werk. Op die manier help je veel mensen aan een inkomen.

Omdat Jan in de machinebouw voor de voedingsmiddelenindustrie heeft gezeten, heeft Gerard Peter gevraagd om de machines en machineopstelling bij Seawork goed te bekijken en eventuele verbeterpunten door te geven. Jan kan eigenlijk alleen zo snel kleinigheden ontdekken en neemt dit door met het hoofd van de technische dienst en rapporteert dit per e-mail aan Gerard Peter. Jan zit nog een tijdje met het hoofd van de TD, Tjaard, te praten en tekeningen door te nemen. Seawork heeft net een andere visfabriek overgenomen, vlak in de buurt, en er zijn plannen om de fabrieken samen te voegen, in ieder geval uit te zoeken welke machinery vernieuwd moet worden, en welke niet. Mariska zit er wat bij te gapen. Het is al 18:00 uur als we vertrekken bij Seawork. We krijgen nog drie kilo heerlijke verse heekfilets mee.

De dag erop staan we op tijd voor de deur van een RVS en aluminium verwerkend bedrijf om de voorpoot van de motor te laten lassen. We hadden het adres gekregen van Tjaard, het hoofd TD van Seawork. De eigenaar, ene heer Van Wyk, is een aardige kerel. We zeggen dat Tjaard ons gestuurd heeft. “I knew he would come up with some shitty job.”

Jan kan er op de binnenplaats de voorpoot er uit halen, en deze compleet kaal maken. Inwendig zitten er plastic delen in, en dat moet er natuurlijk uit, anders zit alles straks na het lassen als een klompje aaneen gesmolten. Het bedrijf is erg rommelig, zoals de meeste bedrijven die we tot nu toe gezien hebben in Namibië. Je vraagt je af hoe mensen kunnen werken in die bende. Overal, binnen en buiten, zijn mensen wat aan het doen, en alle doorgangen zijn versperd. Jan laat de kaal gebouwde poot achter om te laten lassen, tegen 16:00 uur zou het klaar zijn. Intussen laten we de olie aan de overkant bij een garagebedrijf, net zo’n rommeltje, vervangen. De DAF rookt nog steeds enorm uit de carterontluchting, en we hopen dat verse olie het motorblok inwendig wat reinigt. Helaas merken we direct geen verschil.

Tegen en uur of 13:00 hebben we afgesproken met Ellen en haar Nederlandse vriendin Tamara, op een mooi terrasje aan de baai. Vincent kon niet meekomen, want hij moet vanmiddag examen doen voor zijn motorrijbewijs. We zitten bij “The Boardwalk”, een houten platform iets boven zee gebouwd met allerlei kunst-, souvenir- en horecazaakjes. Bij koffie en tapasbar Cuppa zitten we op het terras, de tafel vol met tapas en een lekker drankje. Tamara is van onze leeftijd, woont al weer enige tijd in Namibië en runt een camping. Ze heeft haar voet gebroken bij een val van de trap. “Ik was echt niet dronken...”

Het is leuk gezelschap en we hebben een heerlijke middag. Prachtig uitzicht over het water, en rechts van ons ligt een grote boortoren in het dok voor onderhoud. We zijn rond vier uur terug bij het lasbedrijf. Het werk ziet er goed uit, maar als Jan de poot afgemonteerd heeft en olie er in giet, blijkt deze toch nog iets te lekken. Ze zullen het kleine gaatje morgen dichtlassen. Jan hoeft de poot niet te demonteren, dat doen ze morgen zelf wel even, om 16:30 uur gaan ze immers al dicht. Prima geregeld.


Olieboortoren in de haven van Walvisbaai voor onderhoudswerkzaamheden

Wij gaan weer terug naar “The Boardwalk”. We zetten de DAF op de open parkeerplaats van de yachtclub. Lopen wat rond en zien flamingo’s en pelikanen in de baai. Het is hier fris ’s avonds. We nestelen ons lekker binnen bij Cuppa op de relaxbank. Eten een pizza-tje, Jan besteld een hot chocolat met kaneel en rum en Mariska één met hazelnootsiroop. Heerlijk.

“The monkeys screwed it up” is wat we van de blanke medewerkers krijgen te horen over hun zwarte collega’s als we de volgende dag onze vorkpoot komen ophalen bij het lasbedrijf. Dat is nogal een grove uitspraak, maar als we het hoopje ellende zien wat onze vorkpoot was, ligt het woord monkeys en veel andere woorden die we hier beter niet kunnen noemen ook op onze lippen.

De lasser was te lui en gemakzuchtig om de voorvork te demonteren en heeft geprobeerd om zo het gaatje te dichten. Maar juist bij het lassen van aluminium komt het er op aan dat het te lassen deel zuiver schoon is. Doordat er dus nog olie in het gaatje zat is het een grote sputterbende geworden. Daarop probeerde de lasser met nog meer warmte de boel weer dicht te smelten, maar goed, met 500cc olie in de vork gaat dat niet lukken. Resultaat: binnenin alle kunststof delen aan elkaar geklonterd, de schroefdraad in het aluminium beschadigd, en een uitgebrand gat aan de zijkant.

Pfff, wat nu? Ze raden ons aan een andere voorpoot op te scharrelen. Dat is gemakkelijk gezegd. Deze voorvork komt uit een KTM, en zit er al ruim tien jaar in. Jan weet niet eens precies uit welke KTM, waarschijnlijk een LC4, maar daar waren zoveel verschillende types van. Op de draai- en freesafdeling van het bedrijf werken een aantal fanatieke blanke motorrijders. Zij gaan aan het bellen met verschillende KTM-filialen in Zuid-Afrika en Namibië en komen er al gauw achter dat het een hopeloze zoektocht wordt. KTM bestaat in Zuid-Afrika nog niet zo heel lang, dus van motoren uit die tijd zal er niet veel te vinden zijn. We hebben nog een vorkpoot van 42mm, en tegenwoordig heeft KTM alleen nog 48mm vorkpoten. Het is een poot van het merk White Power (niet echt een gepaste naam hier) maar ook daar kunnen ze ons niet verder helpen. 

Jan is pissig en zegt dat ze het aluminium deel maar goed schoon moeten maken met remmenreiniger, dicht moeten lassen en weer affrezen en uitdraaien zoals het was. De kunststof delen moeten ze ook maar geheel opnieuw draaien, met het inwendige van de goede poot als voorbeeld. De mannen zien ook in dat dit de enige oplossing is en gaan aan de slag. Jan haalt de andere vorkpoot er uit, demonteert deze en vermaakt zich de rest van de dag met het lospeuteren van gesmolten plastic tussen de spiraalveer.


Pelikanen vliegen over het strand in Walvisbaai

Ook blijkt de onnozele lasser zijn massaklem op het hardchroom van de binnenpoot gezet te hebben. Door de stroomoverdracht tijdens het lassen brand het daar dan in, dat behoort elke lasser te weten. Het chroom is dus onrepareerbaar beschadigd, en waarschijnlijk zal de oliekeerring daar op gaan lekken. Al met al zijn we nu een stuk slechter af.

Maar wat de lasser aan kwaliteiten ontbreekt, heeft de (blanke) jongen achter de draaibank in overvloed. Het duurt de hele dag, maar hij levert een prachtig stukje werk af. Mariska baalt enorm van het geleverde prutswerk van de lasser en loopt maar wat naar het centrum van Walvisbaai. Er is weinig te beleven, in Walvisbaai is eigenlijk alleen de baai interessant. Pas tegen 18:00 uur is de motor weer klaar. Het bedrijf is eigenlijk al gesloten, maar de blanke draaier is een aardige kerel en blijft net zo lang tot het af is. Hij helpt Jan met het monteren van de voorvork, en het ziet er weer aardig uit. Inderdaad lichte olielekkage bij de keerring door de beschadiging op het hardchroom, maar hij is weer veilig om mee te rijden. Ja, in Nederland mag je het niet zeggen, maar zoals wij tot nu toe in alle landen van Afrika die we door gereisd zijn zelf hebben meegemaakt, is het zo dat een zwarte meer kapot dan heel maakt en een blanke meer heel dan kapot maakt. Ook is de mentaliteit van de blanke heel anders. Over het algemeen zijn die bereid iets te doen om iets te bereiken. Bij die andere groep zien we dat over het algemeen niet.

We parkeren de DAF voor de nacht langs de boulevard aan de baai. We lopen er nog een stuk rond, er zijn veel watervogels, mooi om te zien. De flamingo’s waden niet ver van de kant en groepen pelikanen vliegen over in het licht van de zonsondergang.

’s Morgens rond een uur of zeven staat er onder het openstaande raam een vrouw zeurderig te zingen: “It’s not allowed to camp here, I hope the police will catch you...” Tsjonge wat een zeurtit zeg. We staan gewoon geparkeerd op een ruime, officiële parkeerplaats waar niemand last van ons heeft. We lozen geen water of toiletinhoud, zitten niet buiten met stoeltjes en luifel, waar heeft ze last van? De politie maakt het ook niets uit, want die hebben we vaak genoeg over de boulevard zien rijden.

We gaan eerst even langs het lasbedrijf om te vragen naar de onkosten die we gemaakt hebben aangaande het hele gedoe met die voorvork. Gisteren toen we weggingen was het bedrijf immers al gesloten. Ze rekenen gelukkig en eigenlijk ook logischerwijs alleen het eerste laswerk, à 300,- N$, zo’n 25,- euro. Dat is erg schappelijk. Een nieuwe vork was heel wat duurder.

Dan rijden we door naar Radio Electronics, dat onder andere dealer is van Victron. We vragen hen of ze onze lader/omvormer die door blikseminslag beschadigd is, kunnen repareren. Alleen het acculaadgedeelte is kapot. Ze zeggen dat ze daarvoor het hele moederboard moeten vervangen, dat ook nog eens uit Nederland moet komen. Dat gaat lang duren en is kostbaar, dus we doen het maar niet. Tot nu toe redden we ons altijd prima zonder landstroom. Gelukkig is er nog steeds genoeg zon in Afrika.

Om 15:00 uur gaan we weer even langs Seawork. Gisteren hadden we een onduidelijk mailtje van Gerard-Peter, met de vraag of we even contact op willen nemen met Peter Pahl van Seawork, dus dat hebben we gedaan. Het blijkt dat ze Jan een klus willen aanbieden in verband met het net overgenomen visbedrijf, waarbij machines geselecteerd en lijnen opnieuw opgebouwd moeten worden. Erg aardig aangeboden en op zich is het niet zo gek om een zakcentje bij te verdienen, maar het is wat vroeg op de reis. Jan geeft eerlijk aan dat hij er nog niet zo’n zin in heeft. Ook komt het ongelegen, het werk zou over twee maanden gaan beginnen, en dat is net de periode dat Mariska’s ouders aankomen in Kaapstad. We kletsen nog wat met Peter, vullen onze watertank, en gaan dan weer terug naar de baai. We zetten nu de auto iets verder op een stuk strand waar nog drie vrachtwagencombinaties van hetzelfde transportbedrijf overnachten. Als er nu nog weer een trut onder het raam komt zingen dat je hier niet mag staan, hebben we in ieder geval versterking.

VRIJDAG 22 FEBRUARI 2013, lekke band
In de loop van de ochtend rijden we via de C14 door het Namib Naukluft NP. Als je het park uit bent zit je in mooi bergachtig gebied. Alle wegen zijn gravel. Mooi vlak, goed te berijden, maar wel grove gravel, met scherpe steen. En in het binnenland is het heet, verschrikkelijk heet! Het weer was zo lekker aan de kust. Rond de Kuiseb-pas krijgen we een lekke band. Links achter. De meeste lekke banden hebben we tot nu toe links achter gehad. Voor nog nooit, gelukkig. Dit zal toch vooral met het gewicht te maken hebben. Links achter is het wiel dat het meeste gewicht moet dragen. Nu is het natuurlijk ook de grove, scherpe gravel. Overal hebben we sneden in de banden. En de rit naar de Van Zylspas heeft de banden ook geen goed gedaan. Het is nu de band die we in Umaruru hebben laten repareren, bij die werkplaats die de 1e keer onze band geplakt had waarbij de plakker er na dertig kilometer al weer af kwam. Nu is de plakker weer los. En weer ziet het er naar uit dat ze alleen aan de randen voldoende solutie hebben gedaan. Grrrr...

Jan wisselt de band om voor de reserveband die we in Windhoek professioneel hebben laten repareren bij Rema Tip Top. Die met de allergrootste plakker. Het is een lekker werkje in deze hitte. Gelukkig hebben we een goed plekje in een droge vlakke rivierbedding. Om de lekke band weer in de auto te krijgen houdt Mariska een net voorbij komende Zuid Afrikaanse toerist aan, om te helpen tillen. Dat gaat sneller dan met de kettingtakel.

We moeten de band nog even oppompen en als we daar op staan te wachten stopt er nog een bakkie met opzet-unit, met Zwitsers kenteken. Wat reizen er toch veel Zwitsers rond. Het zijn Christa en Johann. Ze zijn ook al twee jaar onderweg, eerst in Azië en nu dus in Afrika. Ze komen vanaf Kenia, en rijden tot hier in Namibië. Vanaf Walvisbaai verschepen ze hun auto naar Colombia. Het schijnt een vaarroute te zijn met weinig stoppunten, dus weinig laden en lossen, dus minder kans op beschadigingen of diefstal. En in Colombia schijn je in de haven niet zoveel (corrupte) invoer- en havenbelasting te betalen als in overige Zuid-Amerikaans landen. We wisselen wat gegevens uit en zij rijden verder. Wij rijden een klein stukje verder tot de Gaub-pas. Daar stoppen we op een mooi vlak stuk naast de weg met een prachtig uitzicht.


Fijn klusje, in die hitte

Net als we weer in de auto willen stappen, moet Jan een keer met zijn ogen knipperen van wat hij ziet aankomen. Het lijkt zowaar wel een Nederlands politiebusje. Een witte Mercedes Sprinter met schuinlinkse blauwe reflecterende strepen op een hoek van de motorkap en aan beide zijden onderlangs de zijkant. Het ding heeft ook een gele kentekenplaat. Als de wagen dichterbij komt blijk het om een Engels kenteken te gaan, het stuur zit rechts en de wagen is redelijk verroest. Op de zijkant de cast van Madagaskar, en de wagen blijkt toepasselijk “Rusty” te heten. Uit Rusty stappen Ada (voluit Adriana) en Charlie (zijn echte naam onuitspreekbaar).


Charlie en Ada zijn met hun busje vanuit Schotland door oost Afrika gereisd

Ada en Charlie zijn een jong stel uit Polen, maar hebben de laatste vijf jaar gewerkt en gestudeerd in Edinghburg, Schotland. Vandaar het Engelse kenteken. Ze reizen low-budget en hebben het voormalige aannemersbusje voor slechts 500,- pond (!) gekocht in Engeland, en zijn daarmee via de oostkant van Afrika naar beneden gereden. Ze zijn zelfs nog door Syrië en Jordanië gekomen. Nu inmiddels negen maanden onderweg. Op wat kleinigheden als lekke en gladde banden, een kapotte bladveer en sloten die door  het stof niet open willen na, hebben ze eigenlijk geen problemen met het busje gehad. Geweldig als je ziet hoeveel reizigers, wij incluis, best veel geld in hun voertuig pompen voor een rondtoer door Afrika, en dan toch nog aardig wat problemen met hun voertuig hebben. Met name de Landroverrijders die we tot nu toe ontmoet hebben.

Verder heeft dit busje ook geen 4x4 aandrijving, maar zijn ze toch op heel wat plekken geweest die eigenlijk alleen met 4x4 voertuigen te bereiken zijn. Het is een leuk stel en we kletsen er wat af. We besluiten op dit mooie plekje samen te kamperen. Net als wij kamperen Charlie en Ada zoveel mogelijk wild. Om kosten te besparen, maar ook omdat je vaak op veel mooiere plekken staat. Naast visa en diesel was hun duurste uitgave op de reis de boete van 250,- Euro toen ze in Amsterdam weggesleept waren wegens fout parkeren. De avond wordt laat en gezellig.

’s Morgens als we gezamenlijk zitten te ontbijten komt er een nieuwsgierig grondeekhoorntje aan. Het beestje is wel op zijn hoede, maar beslist niet bang. Het laat zich mooi fotograferen in het ochtendlicht. Charlie en Ada willen net als ons naar Sesriem en Sossusvlei, dus we rijden samen verder, via de route C14, Gaub-pas, Solitaire, C19, C27, Sesriem.

In Solitaire stoppen we voor een heerlijk stuk appelgebak met koffie. Solitaire, de naam zegt het al, ligt erg afgelegen in het midden van nergens. Het is eigenlijk niet veel meer dan een tankstation met campsite en restaurant en een paar boerderijen in de omgeving. Maar het tankstation en restaurant met groot terras is in een mooie stijl neergezet. Het geeft je echt een outback gevoel. Rondom oude auto’s half in het zand. Nog verrassend goed bewaarde carrosserieën, vanwege het gortdroge klimaat. De meeste zijn Chevy’s en Chryslers maar ook een verzande Austin Seven met een heel fraaie voorruit in onaangetast chroom ligt tussen de bloemperken. Opmerkelijk aan de Amerikaanse auto’s is dat ze toch rechts gestuurd zijn.

Het is een fotogeniek geheel, en vooral Charlie kan niet ophouden met plaatjes schieten. We informeren nog even bij een lodge in de buurt met een groot grondstuk, dat bekend staat om zijn kolonie stokstaartjes. Helaas vragen ze een forse prijs voor het overnachten op hun grondstuk, en mogen we ook niet zo met onze auto’s op zoek op hun landgoed naar de beestjes. Wel wandelen we nog een stuk in de hoop ze te zien. Maar het is erg warm, en het grondstuk vele hectares groot, dus die poging wordt snel gestaakt. We kijken nog even bij hun tamme oryx, die een loshangende hoorn heeft. De oryx houdt wel van knuffelen en vooral van tongzoenen. Dat is even oppassen.

We informeren bij Sossusvlei even naar de entreeprijzen (80,- N$ p.p. en 10,- N$ voor de auto) en boeken vast voor de volgende ochtend zodat we dan geen tijd verliezen. We willen er namelijk vroeg in. Dan is het nog koel, en de opkomende zon schijnt prachtig te zijn tegen de rode zandduinen. Als je blijft overnachten op de te dure campsite bij de ingang van het park, dan mag je er een uur eerder in. Erg flauw.

Wij rijden een stukje terug en overnachten bij een picknickplek. Er komt nog een auto langs als het al donker is. De man stopt en zegt dat we daar niet mogen overnachten. Als er een ranger langskomt, zal hij ons een bekeuring geven, zegt de man. We gokken het er op. Behalve twee woestijnvosjes komt er niets langs, en slapen we heerlijk rustig.


Eén van de vele oude auto's bij Solitaire

’s Morgens staan we al vroeg in een rij voor de gesloten ingang. Zo’n tien auto’s staan voor ons. Jan heeft bedacht om met de motor het park in te gaan, er staat nergens aangegeven dat het niet mag, en de eerste 70 kilometer is toch asfalt. Grote roofdieren zitten er niet in het park, dus dat is het probleem niet. Het zou een mooi ritje zijn en het scheelt behoorlijk aan brandstof. De laatste vijf kilometer is mul zand, daar mogen alleen 4x4’s in. Je kunt daar met een safariwagentje het laatste stuk naar Deadvlei gebracht worden. Daar rekenen ze wel maar liefst 100,- N$ p.p voor, een taxi in Amsterdam is goedkoper.

Jan vraagt voor de zekerheid even of het wel mag met de motor. De mannen aan de poort weten het niet, Jan moet maar even binnen bij de balie vragen. Intussen is de poort open, Charlie en Ada rijden vast het park in, zij wachten op ons waar het asfalt op houdt. Zij mogen met hun 2wd auto daar niet verder.


Sossusvlei nationaal park

Jan kan aansluiten bij een rij tourbegeleiders die de permits nog moeten hebben. Jammer van onze tijd. De onvriendelijke en onbehulpzame dame aan de balie weet eerst niet zeker of het wel of niet mag met de motor. Er volgt een discussie onder de tourbegeleiders, waarvan de helft zegt dat het wel mag, en de helft dat het niet mag. Daarop beslist de dame achter de balie ineens resoluut dat het niet mag. Jan vraagt naar het parkregelement, maar dat is er niet. Ook vraagt hij of ze nog even met haar chef wil bellen om het na te vragen. Nergens hangt namelijk een bord dat motoren verboden zijn, zoals dat bij andere wildparken wel hangt. De dame wil er niet aan mee werken, ze zegt gewoon dat het niet mag, terwijl ze het duidelijk niet zeker weet. Als Jan vraagt waarom het niet zou mogen, antwoordt ze dat in het verleden motorrijders off road achter oryxen zijn aangegaan, dus nu zijn motoren verboden. Wat een onzin. Alsof je met een 4x4 bakkie niet off road kunt gaan achter wild aan, en alsof dus iedere motorrijder dat wel doet.

In ieder geval hebben we veel tijd verknoeid en hadden we gewoon op de motor het park in moeten gaan, niemand die er wat van gezegd zou hebben, of zou kunnen hebben. Er staan immers geen verbodsborden en een regelement hebben ze niet. Nu staat iedereen op scherp, dus we rijden maar met de DAF het park in. Scheelt in ieder geval 4x 100,- N$ voor de laatste 5km, want de DAF is 4x4, dus hebben we geen dure taxi nodig.

Het is een mooie rit tussen hoge rode duinen door. De ochtendzon kleurt ze extra rood, hoewel we door alle vertraging daar nog amper van kunnen genieten. De zon klimt hier sneller dan de vooruitgang. Ongeveer halverwege is duin 45. Deze duin kun je omhoogklimmen. Het is er echter zo druk, je loopt gewoon in een rijtje, en het zand is dan al vol voetsporen. Daar hebben we niet zo’n zin in. Aan het einde van de asfaltweg zitten Ada en Charlie braaf op ons te wachten. Ze wijzen naar een bordje waar op staat dat alleen 4x4’s verder mogen, motoren en trucks niet. We worden behoorlijk pissed. Je mocht dus toch met de motor tot hier rijden. En dus niet met een 4x4 truck verder. Dit was dus echt de laatste keer dat wij in Afrika ergens beleefd naar gevraagd hebben. In het vervolg doen we gewoon wat ons goed dunkt. 140 km met de DAF kost ons hier ongeveer 35,- euro. Met de motor zo’n 7,- euro. Van het verschil hadden we zo ongeveer de dure taxi kunnen betalen voor ons alle vier.

Maar Afrika zal Afrika niet zijn als er dan in ieder geval wat te ritselen valt. Charlie heeft met één van de chauffeurs afgesproken dat wij met zijn vieren voor half geld mee mogen met de overprized taxi. Maar dan moeten we wel eerst een klein stukje lopen, zodat we uit het zicht van de andere chauffeurs zijn. Na een kort wandelingetje in de hete zon door het mulle zand, worden we braaf opgepikt. De andere toeristen in het karretje vreemd kijkend en niet wetend dat wij het ritje voor de helft van het geld meerijden.

We worden afgezet bij een paadje, dat na tien minuten lopen over een laag duin tot aan de rand van de Deadvlei reikt. Het is een prachtig palet van extremen: een witte, uitgedroogde, zongebleekte, vlakke zandvloer, met daarop enkele zwarte dode boomstammen rechtop als sculpturen tegen een achtergrond van hoge rode zandduinen. Daarboven een kraakheldere intens blauwe lucht. 

We verbazen ons over de massa toeristen die snel met hun klik-klak-klaar-cameraatjes een paar plaatjes schieten en na vijf minuten al weer terug lopen, zonder ook maar een voet op de witte vloer gezet te hebben. Rijden ze daarvoor 140km? Gelukkig maar voor ons, we hebben de vlei voor ons vieren. Ada, Charlie en Mariska lopen de vlakte op. Jan klimt het hoge duin ernaast op om zo de vlei en de ongeschonden duinen van bovenaf te filmen. We struinen de vlei rond, en ontdekken nog twee spiesbokken die in de schaarse schaduw liggen. Ook twee springbokken lopen er, die direct de benen nemen. Hoe kunnen die beesten in deze omstandigheden in leven blijven? Ongelofelijk.

We filmen en fotograferen er wat af, vooral Charlie en Mariska kunnen er geen genoeg van krijgen. Uiteindelijk doen we net als de spiesbokken, we liggen languit in de zeldzame schaduw van de dode bomen en genieten van het uitzicht. Het is heet, erg heet. Het heet terecht Deadvlei. Als we door het zand teruglopen horen we een raar floppend geluid en een schreeuw van Charlie die achterop loopt, direct daarna nog een keer. Door de hitte heeft de lijm van zijn schoenzolen losgelaten, beide zolen zijn er achter elkaar spontaan onderweg gevallen. Hij loopt nu op een dun vliesje dat nog onder zijn schoen zit over het zand en dat brandt behoorlijk. De schoenen zagen er best stevig uit, en hij had ze nog maar één keer eerder aangehad. Gekocht in Ethiopië, daar kennen ze toch ook wel warmte?


Deadvlei

Deze kraai heeft het zo warm, dat hij alleen nog maar
tegen het paaltje kan leunen

Onze corrupte chauffeur staat op ons te wachten en brengt ons een kilometer verderop, naar de Sossusvlei, alwaar er weer een duin beklommen kan worden. Voor Charlie nu sowieso geen optie, Jan heeft net een hoog duin beklommen en de dames hebben er ook geen puf meer voor. Volgens de thermometer van Charlie en Ada is het in de schaduw 43 graden. We genieten van het uitzicht vanaf een bankje onder een boom die nog blad draagt ook. Er struinen nog drie struisvogels rond.

Het blijkt ook nog dat er twee grote uilen in boom zitten die ons vanaf daarboven goed in de gaten houden. Als je zo rondkijkt denk je dat er geen leven zit hier, dat het gewoon onmogelijk is. Maar kijk je beter, dan blijkt dit toch echt niet zo te zijn. Ook die uilen moeten weer prooi zien te vinden. Ze hebben het ook erg warm, hun snavel hangt open en ze hijgen het uit.

De chauffeur verteld ons dat een toerist met eigen auto hier een stuk is gaan lopen. Hij kon de auto niet terug vinden. De volgende dag werd hij gevonden op een plek niet ver van zijn auto vandaan, in de schaduw van een van de weinige bomen. Hij leefde nog wel, op het nippertje. Al zijn lichaamsopeningen zaten vol met teken. Zijn tong en lippen zijn er door verminkt. Bah.

We laten ons door de chauffeur terug brengen naar de parkeerplek waar onze auto’s staan. We zetten ze een eindje verderop en gaan daar lunchen. Eén van de chauffeurs vraagt ons om koud drinkwater, hij had het zijne in de zon laten liggen. We geven hem koud water en gieten zijn warme in een bakje en zetten dat neer voor de vogels. Daar wordt dankbaar gebruik van gemaakt. Allerlei soorten komen er op af. We moeten het bakje meerdere keren bijvullen. Vooral de kraaien hebben erg last van de warmte. Ze hijgen het uit, en we zien er zelfs een paar hangend tegen een boomstronk, te bekaf om te vliegen of te lopen.

Langzaam rijden we terug naar de ingang van het park. Vlak ervoor nemen we een gravelpad dat leidt tot een smalle lange kloof. Het is eigenlijk meer een grote scheur in de vlakke aarde. Via een klauterpaadje komen we onderin de kloof, waar het door de schaduw heerlijk koel is. Wat een verschil. Er zitten ook aardig wat vogels in de vele holtes in de wand van de kloof. Het is er prachtig. We lopen naar het begin van de kloof, waar we zelfs nog twee waterpoelen vinden. En in beide zit vis, meerval. Het ene poeltje is maar amper 1x1 meter, en misschien 60 centimeter diep. Toch zitten er enkele meervallen van een centimeter of vijftien in. Het andere poeltje is groter, misschien 4x2 meter, en daar zitten meervallen tot 30 centimeter in. We hopen voor ze dat er gauw weer water door de kloof spoelt, anders eindigen ze als stokvis.

Het loopt al tegen een uur of vier. We verlaten het park en rijden samen tot ongeveer veertig kilometer buiten het park waar we wildkamperen bij een pick-nick plek onder een grote boom. We willen niet te dicht bij het park staan, want dat geeft weer gezeur. Ze willen je natuurlijk graag op hun campsite hebben, maar dan moeten ze eerst eens normale prijzen hanteren. Het is gezellig zo samen. Ieders kookt voor zich, maar we eten samen. Wel zo handig, geen verplichtingen.

Charlie en Ada hebben contact gehad per e-mail met Hammerstein lodge. Ze willen daar graag naartoe, want ze hebben daar twee cheeta’s, twee caracals en een luipaard. Bij de caracals en de cheeta’s mag je in de kooi, en je kunt ze aaien, volgens de website van de lodge. Voor ons hoeft dat niet zo. We zien die beesten liever op een afstand in hun natuurlijke leefomgeving, dan een tamme in een kooi. Maar Ada is er helemaal weg van. We laten ons overhalen en gaan de volgende dag met hun mee. De lodge ligt toch op onze route.

De weg is mooi, tussen ruige gebergten door over grof gravel. Wel is het zwaar voor de DAF. Vaak wil hij niet harder dan 70, terwijl het ogenschijnlijk vlak lijkt. Vals plat, op de navi zien we dat het toch gestaag omhoog gaat. Het is ook erg warm. Meerdere keren stoppen we omdat de koelwatertemperatuur tegen de honderd graden loopt. We denken dat er iets niet in orde is met de DAF, hij rookt immers ook nog steeds behoorlijk als hij koud is en er komt behoorlijk damp uit de carterontluchting. Toch blijkt ook de Mercedes Sprinter van Charlie en Ada het zelfde probleem te hebben. Ze kunnen ons amper bijhouden en ook hun meter staat tegen de honderd graden. Kalm aan dus maar.

Twaalf kilometer voor de lodge krijgen we ook nog weer een lekke band. Balen, moeten we voor dat kleine stukje nog verwisselen. Charlie helpt Jan mee. Maar we hebben nu een probleem. Het blijkt dat met deze hitte geen van de reparatieplakkers het houdt. Ze vliegen er gewoon na 150 à 200 kilometer weer af. We hebben nu dus van onze zes banden in totaal drie lekke banden. We komen dus nog een goede band tekort. De minst lekke zetten we er maar op, pompen hem goed vol en hopen dat we er in ieder geval mee tot de lodge kunnen komen. Dat lukt gelukkig. Charlie en Ada hebben al geregeld dat we er gratis kunnen staan als we een cheetatoer boeken. We rijden direct naar de kampeerplek waar de Sprinter al staat, en krikken de DAF bij de lekke band op.

Die dag doen we niets meer. We liggen wat bij het zwembad, drinken bier en fris, en ’s avonds gaan wij met z’n tweeën naar het all you can eat buffet. Het blijkt een lodge te zijn voor groter groepen. Zo’n typische waar het personeel dansjes doet en liedjes zingt, en de mensen wat verveeld zitten te klappen omdat ze elke avond zoiets voorgeschoteld krijgen, inclusief het bekende amarula-lied.


Even bijkomen van ons "lekke banden probleem".

We vinden het nogal sneu. De bedienden doen hun best, het ziet er grappig uit, maar ook wel een beetje denigrerend. Vooral ook vanwege de passieve houding van de gasten. Dat zijn dan ook wel oudere Duitsers, dus je moet al flink je best doen om daar gang in te krijgen. Wat moeten die Oktoberfesten in München saai zijn…


Bij deze cheetah mochten we in het verblijf. Aanraken verboden.

De cheetahtoer de volgende dag valt ons allemaal behoorlijk tegen. Vooral Ada is erg teleurgesteld want we mogen wel bij de cheeta’s in de kooi, maar we mogen ze niet aaien. Je mag zelfs niet eens iets door je knieën zakken, alleen rechtop blijven staan. Dit terwijl ze via de e-mail bevestigd had gekregen dat dit wel mogelijk was, en dat er ook foto’s van mensen die cheetah’s aaien op de website van de lodge staan. Volgens de begeleidster mag dit bij wet nergens in Namibië. Ada voert er nog een heel pittige discussie over met de manager. Ons kan het niet zoveel schelen. We staan daar in die kooi. Krijgen wat feitjes te weten over cheetah’s en de geschiedenis van deze beesten, terwijl ze een beetje om onze voeten dralen en dan lekker languit gaan liggen. De twee caracals zijn niet te vinden in hun kooi, en het luipaard (ja, het is “de” luipaard, maar dat klinkt toch niet?) is gewoon een zielig beest dat stereotype bewegingen maakt en treurig door zijn tralies naar buiten kijkt. Daar mag je niet bij in de kooi.

Omdat we de caracals niet zien kregen mochten we nog een keer mee de kooi in ’s middags. Tezamen met zo’n dertig Duitsers. En als die dan gründlich de kooi hebben uitgekamd, krijgen we die beesten ook te zien. Jan is op de middagtour niet mee geweest. Hij is de hele middag op internet op zoek geweest naar een oplossing voor onze banden. We moeten eigenlijk vier nieuwen hebben. De Michelins die we nu hebben zijn hier in Namibië verschrikkelijk duur, zo’n 14.000,- N$ per stuk. Zo’n 1.100,- euro dus. In Zuid-Afrika zijn ze al iets goedkoper, 12.000,- Rand per stuk. (Namibische Dollar en Zuid Afrikaanse Rand hebben de zelfde waarde). Maar daar zijn we er nog lang niet. Opsturen vanuit Zuid Afrika, met alle douane formaliteiten maakt het verschil al weer ongedaan. Jan neemt contact op met alle bekende bandenmerken. De leveranciers vertellen ons dat het probleem met die banden die wij zoeken is, dat die banden hier geclassificeerd zijn als militair, en daardoor eigenlijk niet voor de gewone gebruiker verkrijgbaar.

We kijken nog naar gewone straatbanden, maar dat is ook erg lastig omdat we 20 inch velgen hebben, en gewone straatbanden zijn allemaal 22,5 of 19 inch. Via een Belgisch internet forum van overlanders (wereldreizigers die niet per boot of vliegtuig reizen) www.overlanders.be, komt Jan aan een contact in George, Zuid-Afrika. De eigenaar, Peter, is een erg geschikte kerel en weet gloednieuwe Goodyears in soortgelijk profiel en dezelfde maat als onze Michelins (365/85R20) aan te bieden voor zo’n 7000,- rand per stuk, excl. tax. Deze moeten nog per boot vanuit Europa komen, en zullen 27 maart arriveren. Het is nu 26 februari. Pfff, dat duurt dus nog even. In tussentijd moeten we het met deze banden zien uit te zingen, en Zuid-Afrika zien te bereiken, al is het maar het uiterste noorden. Dan kunnen die banden zonder douaneformaliteiten daar naartoe getransporteerd worden.

Een ander optie blijkt ongebruikte, maar oudere voorraad Michelins via Vrakking in Nederland te laten op sturen. Een palletvracht (er kunnen 6 banden op een pallet) blijkt niet eens zo heel duur. Wel zitten we dan zelf met douane-gedoe, en ook dit duurt lang. De prijs is uiteindelijk hetzelfde als de Goodyears uit George. We hebben eigenlijk liever de Michelins, dat zijn gewoon de beste. Maar dan wel splinternieuwe Michelins, en geen oude ongebruikte voorraad. Die hadden we er nu ook op, en het blijkt dat je het profiel niet afrijdt, maar dat je vanwege ouderdom, vooral in combinatie met de zon en hitte hier, al gauw scheuren in de wangen krijgt. Het versturen van splinternieuwe Michelins vanuit Nederland blijkt ook geen zin te hebben. Dat komt totaal op ongeveer het zelfde als in Zuid Afrika nieuwe Michelins kopen. Voorkeur ligt nu dus bij de Goodyears. Peter reserveert ze vast voor ons, wij hebben nog even bedenktijd.

Intussen plakt Jan een band en komt er achter dat hij door de vulkaniseervloeistof heen is. Shit, we zitten in de middle of nowhere. Het blijkt dat er overmorgen iemand naar de dichtstbijzijnde stad gaat, tweehonderd kilometer verderop. Hij wil voor Jan wel cement (zo noemen ze dat spul hier) meenemen. Zo lang zitten we hier nog gevangen dus. Ondertussen repareeert Jan wat losse flappen op het loopvlak van een band. Je kijkt zo op de staalkoorden. Hij doet dit met sterke kit dat we onderweg gekocht hebben. Het heeft de illustere naam “Sticks like shit”. Dat is dubbel op te vatten. We hopen dat het houdt.


Gestrand met drie lekke banden!

’s Avonds zitten we weer gezellig met Charlie en Ada op het terras, genieten van een koud biertje. Er lopen hier drie tamme springbokjes rond, zo over het terras. Grappige beestjes. Ze hebben ook en tamme spiesbok, die loopt achter draad direct achter onze kampeerplek. Maar het beest heeft rare nukken. Als je hem probeert te aaien, begint hij tegen het draad aan te bokken. En dat is nog best oppassen, met die scherpe spiesen van een kleine meter op zijn kop.

Charlie en Ada gaan verder, wij kunnen niet verder, want we moeten wachten op de vulkaniseerpasta. Het was gezellig samen met hen, en we spreken af contact te houden. Wie weet zijn we nog weer eens bij elkaar in de buurt. Bij het afrekenen volgt ons nog een onaangename verrassing: de lodge komt met een rekening van ruim 1.500 N$ voor ons vieren. Hier klopt niets van. Het blijkt dat ze per overnachting de volledige 120,- N$ per persoon hebben gerekend. Dit terwijl we een speciale prijs hadden afgesproken. De blanke manager blijkt een vervelende kerel. Hij zegt dat we langer zijn gebleven dan afgesproken, dus dan vervalt de afspraak en betalen we gewoon het volle pond. Dat we hier staan vanwege bandenpech kan hem niets schelen. Hij blijft herhalen: dat is niet mijn probleem. Het kost veel gezeur en discussie en eindelijk krijgen we het voor elkaar dat we voor de helft van de kampeerkosten worden berekend, 120,- N$ per stel dus. De kosten voor de cheetah-tour (80,- N$ p.p.) vergeet hij, en de kosten voor internet (30,- N$ per dag) ook. Wij herinneren hem er niet aan.

Wij komen de volgende dagen door met wat hangen, en het doen van kleine klusjes. Het lijkt of in Namibië alles kapot gaat. De wc geeft een storing op het display. Er blijkt een schakelaar te blijven hangen waardoor hij niet meer detecteert dat er een cassette in zit. Gelukkig hebben we alle onderdelen dubbel, dankzij een zeer attent lid van het overlandersforum, die ons bijna twee volledige toiletten in onderdelen toegestuurd heeft toen we afgelopen zomer even in Nederland waren. Dat komt ons nu zeer goed van pas. Dus Campo, als je dit leest, nogmaals hartelijk dank.

Jan struint ook nog wat rond op plekken bij de lodge die eigenlijk niet voor toeristen bedoeld zijn. Erg interessant, vooral de decennia lange verzameling van tractoren en andere landbouwmaterieel. Als hier iets kapot gaat en de moeite van het repareren niet meer waard is, wordt het ergens in het land neergezet. Ophalen voor oud ijzer heeft met deze afstanden hier geen zin. Zo staan er heel wat oude trekkers, waaronder zelfs een Lanz-Bulldog met enorm vliegwiel. En allemaal zijn ze goed bewaard gebleven door het droge klimaat. Ook is er een grote loods, meer een enorme stal, die volgepropt is met van alles. Van oude koelkasten tot autobanden. En tot verbazing vind Jan tussen de rommel een goede Michelin XZL band, 365/80R20. Hij is iets lager dan onze maat 365/85R20, maar zou een heel goede reserveband zijn om in ieder geval het eerste stadje Mariëntal te kunnen halen.

De eikelige manager is niet erg behulpzaam, maar eindelijk krijgt Jan de eigenaar van de lodge te spreken en met hem spreekt hij af dat we de band mogen lenen tot aan het eerst stadje Mariëntal, waar een bandenbedrijf zit. Hij komt daar wekelijks en neemt de band weer mee retour. De band is namelijk niet van hem, maar van een tourorganisator die hier vaak komt en de band als noodhulp bij de lodge heeft achtergelaten.

ZATERDAG 2 MAART 2013, op weg naar een oplossing
Met dus drie geplakte banden en een gehavende, maar ongerepareerde band rijden we de 200 kilometer naar Mariëntal. Twee lekke, ongerepareerde banden liggen op de plek van de reserve’s, en de band van de lodge hebben we als reserve voorop de lier gemonteerd. Vanuit de cabine kijken we recht tegen de band aan. Best een stoer gezicht, zo’n grote band voorop.

De eerste 100 kilometer is nog gravel, tot aan Maltahöhe, dan 100 kilometer strak nieuw asfalt. De route is erg saai, en hadden we nooit genomen als we niet zo met die slechte banden in de maag zaten. De route die we wilden nemen volgt nog honderden kilometers over gravel, en komt niet bij een noemenswaardige stad in de buurt waar we wat aan de banden kunnen doen. Jammer dus. Gelukkig bereiken we Mariëntal zonder problemen. Wel een slechte timing natuurlijk, want het is zaterdagmiddag. Dat betekent dat we moeten wachten tot maandagmorgen voor we bij de bandenshop TrenTyre terecht kunnen. We parkeren er maar vast voor de deur. Doen nog snel wat boodschappen, voor de supermarkt dicht gaat, en lopen wat door het plaatsje. Het is er niet geweldig. Saai en veel hangvolk. Zondag blijven we dan ook maar binnen. Beetje verslag tikken, beetje film kijken.

De hele maandag is Jan bezig met iemand van TrenTyre om uit te zoeken wat de beste oplossing voor ons is. Nieuwe Michelins zijn ons te duur, we willen wel graag hier de vier nieuwe Goodyears kopen, of twee goede gebruikte om in ieder geval in Zuid Afrika te komen. De man van TrenTyre belt er wat af, ook onder zijn klanten die misschien een gebruikte band hebben en aan het eind van de dag is er nog geen oplossing. Niemand belt de man terug met een antwoord. Aan de Goodyears kan hij niet komen. We verbazen ons nog aan de belabberde staat van de banden die ter reparatie worden aangeboden bij TrenTyre. Ze lijken gewoon aangevreten, allerlei stukken eraf en sneden in loopvlak en wangen. Die gravel vreet de banden gewoon op.

Dan komt ineens de buurman van TrenTyre, eigenaar van een metaalbedrijf, naar ons toegelopen. Een aardige, ietwat vreemde vogel. “Je zoekt zulke banden hè?” roept hij naar ons. “Die heb ik wel”. Verbaasd kijken we hem aan. Jan loopt met hem mee, en de man blijkt een vrij nieuwe MAN truck te hebben waar vier van dezelfde Michelins onder zitten, en hij heeft twee reservewielen. Hij wil ons zijn ongebruikte reservewielen wel verkopen. Helaas rekent de slimmerik daar de prijs voor waar we ze ook nieuw bij TrenTyre voor kunnen krijgen, 13.500 N$ per stuk. Maar zijn banden zijn van 2009, bij TrenTyre krijg je dan ook banden van 2012/2013. Dat doen we dus niet. Jan probeert nog twee van zijn gebruikte banden die nog op zijn truck zitten te kopen, maar ook daar rekent hij een behoorlijk hoge prijs voor, gelijk aan een nieuwe Goodyear. Uiteindelijk blijkt de man ook nog twee redelijk kale Michelin XZL’s te hebben liggen die hij niet meer gebruikt. De wangen en het loopvlak lijken nog goed, maar ze liggen buiten. Hoelang liggen die al in de brandende zon? Ze zijn ook een maatje groter dan de onze 14.00 i.p.v. 13.00.

We kunnen de banden voor een zacht prijsje kopen, 2.000,- N$ (ca € 180.-), en dan moeten we twee van onze banden achterlaten. We kunnen al die banden toch niet meenemen, en we laten de twee slechtste, onrepareerbare banden achter. De man neemt ook de kosten voor het overzetten bij TrenTyre voor zijn rekening. En zo gaan we verder met voorop de twee grotere banden. Het is een raar gezicht, de DAF is zo net een hyena.


Mariëntal, we hebben het gehaald!

We hopen dat we hiermee nog wat van Namibië kunnen zien en in ieder geval Zuid-Afrika kunnen halen, om dan daar de vier nieuwe Goodyears van Peter in George te monteren. Vanwege het omtrekverschil van de grotere voorbanden ten opzichte van de achterbanden kunnen we nu niet meer in 4x4 rijden. Maar op de gravelwegen hier is dat ook niet nodig.

DINSDAG 5 MAART 2013, eindelijk weer op pad
Na alle geouwehoer met de banden kunnen we nu eindelijk op pad, onze weg vervolgen. Nou ja, de route is nu helaas wat aangepast, en het is eerst 230 kilometer asfalt naar Keetmanshoop. Een saaie route door vlak landschap. Zo’n veertig kilometer voor Keetmanshoop bushcampen we in een kleinere zijweg, de D3906. De banden lijken het goed te houden. Gelukkig is het ook wat bewolkt en waait het een beetje. We zijn de enorme warmte al aardig zat aan het worden.

In Keetmanshoop doen we dag erop eerst wat boodschappen en rijden dan verder naar Gondwana Cañon Park. Het is een schitterende omgeving. Ruig, halfwoestijn en bergachtig. We willen  hier eigenlijk ergens wildkamperen, maar borden geven aan dat het hier beslist verboden is. Onderweg stoppen we nog even bij een Duits stel dat met een 4x4 huurauto met een kapotte band staat. De band is slechts een jaar oud, en compleet aan flarden gescheurd. Gelukkig hebben ze een goede reserve en kunnen ze zichzelf prima helpen. Echter werkt hun telefoon niet naar behoren en bellen ze met onze telefoon naar het verhuurbedrijf voor een nieuwe reserveband.

We stoppen bij het Cañon Roadhouse. Een roadhouse dat ons van buiten doet denken aan Australië. Het blijkt een waar automuseum te zijn. Binnen staan allerlei antieke auto’s, met daartussen de bar en tafeltjes waar je aan kunt eten. Ook is er een ouderwetse werkplaats nagebootst met antieke werktuigen. Aan de wanden allerlei oude prenten van verschillende auto-, motor- en smeermiddelenmerken. Ze hebben ook een camping en daar willen we wel een nachtje blijven staan. Echter niet voor die prijs, 300,- N$, zo’n 27,- euro. We zeggen dat we het te duur vinden en proberen wat van de prijs af te krijgen, maar het personeel is niet gewillig. We vragen naar de manager, maar die is er volgens hen niet.

Jan ziet een foldertje van het roadhouse liggen met daar achterop het nummer van de Duitse eigenaar. In de auto belt hij die op, maar de eigenaar blijkt in Duitsland te zitten en is nu niet bereikbaar. Hij krijgt een manager te spreken. Jan zegt dat hij niets van DAF in het “museum” ziet, en zegt dat hij wel iets moois heeft, in ruil voor korting. We hebben de oude, originele, typeplaat nog van de DAF, die vervangen moest worden toen hij omgekeurd is naar camper. De man zegt dat hij wel wat regelt en hij het personeel wel even zal bellen. We lopen met de typeplaat naar binnen, en er komt een blanke vrouw naar ons toe met op haar borst een bordje met “manager”. Er was dus wél en manager aanwezig, grrr. Ze heeft de telefoon nog in haar hand en biedt ons in ruil voor het typeplaatje een gratis overnachting aan. Perfect geregeld. Jan springt meteen in het zwembad. Heerlijk met dit hete weer.

Op tijd gaan we de dag erop naar Fish River Canyon. Dit is na de Grand Canyon in Amerika de grootste ter wereld. Via een gravelweg komen we tot de rand van de canyon. We lopen een heel stuk langs de rand en genieten van het super uitzicht. Wat een enorme kloof. Toch is hij bij lange na niet zo groot als de Grand Canyon, maar mooi is het hier wel. Er gaan ook twee paadjes naar beneden de kloof in. Weer staat er een bordje bij dat dit verboden is, en alleen toegestaan met gids. Erg flauw, alsof we kleine kinderen zijn. Zo’n tour met gids is dan gelijk een vijfdaagse trektocht door de canyon. Dat is ons met deze temperaturen sowieso te gortig.

We rijden nog een heel stuk langs de kloof op zoek naar de Sulphur Springs, zwavelbronnen. Het pad wordt wel erg ruw, weer niet best voor onze gehavende banden. De Sulphur Springs blijken onderin de kloof te liggen, en alweer mogen we daar niet op eigen houtje naar toe klauteren. Jammer, jammer.

We gaan terug naar de ingang van het park en rijden de C37 richting Ais Ais, tot we tussen de bergen een mooi plekje vinden voor de nacht. De C37 is een erg rustige gravelweg en het plekje is mooi, dus we blijven gelijk maar nog een dag en nacht staan. Er komen ’s middags nog twee oryxen langs en tegen de avond een groepje van vijf zebra’s die in galop langs de wagen rennen.


Fish River Canyon

Na het dagje luieren rijden we naar Ais Ais. Echt de moeite waard is de rit ernaar toe niet. Ais Ais bestaat uit een vakantieresort dat gebouwd is aan de oevers van een nu (meestal) droogstaande rivier, rondom een warmwaterbron. De bron borrelt glashelder water van zo’n 65 graden omhoog. Er is een betonnen toestand omheen gemaakt, niet een mooi natuurlijk watertje. We lopen nog een eindje de rivierbedding af, maar eigenlijk is het veel te heet om wat te doen. We drinken maar wat op het terras met een veel te dure droge chocoladecake erbij, en gaan dan richting de Oranjerivier.


Oranje Rivier

We vinden daar een mooi bushcamp plekje direct aan het water, hopende op wat verkoeling. Maar die verkoeling krijg je alleen als je in het water springt. Het is zo heet hier, we zitten de rest van de dag in de schaduw te puffen. Het aluminium van onze buitenstoelen is zo heet, dat je het amper kunt aanraken. Terwijl ze toch niet in de zon zijn geweest. We blijven nog tot laat op, genietend van de heldere sterrenhemel tot we buiten in slaap vallen. De Melkweg is hier heel goed zichtbaar.

We blijven op dit plekje nog twee dagen staan. En wat doe je dan in die enorme hitte? Mariska bakt binnen een amandelcake, want warmer kan het toch niet worden, en Jan stelt in de palle zon de kleppen van de DAF. Ook zet hij een nieuwe uitlaatslang aan de kachel, wie denkt daaraan bij deze temperaturen? (wederom bedankt Campo, voor de uitlaatslang).

De schaalverdeling van onze thermometer gaat niet verder dan 43 graden, maar het “kwik” staat daar ver boven. Later horen we van mensen dat het hier maar liefst 54 graden is geweest. Je hoopt dan op een beetje wind, maar die is zo warm dat het zeer doet aan de ogen, je voetzolen en rond je enkels. Dus als het dan eenmaal wat waait, hoop je dat de wind eigenlijk zo snel mogelijk weer stopt. Binnen is het uit te houden met de airco aan, maar die moet ’s avonds nog zo lang doorlopen dat we de accu’s aardig leegtrekken. Het koelt ’s nachts amper af. Mooi land Namibië, maar veel te warm. Slecht voor mens en materiaal. Het wordt tijd dat we weer een landje verder wippen, naar Zuid-Afrika.

 

DINSDAG 12 MAART 2013, op naar Zuid Afrika
We vertrekken ’s morgens bijtijds. Eerst goed voltanken want we hoorden dat diesel in Zuid Afrika 2 rand duurder is dan in Namibië. In Noordoewer, een dorp van niks, stoppen we nog even om ons laatste Namibische beltegoed op te maken aan internet. Het is rond Noordoewer ineens erg groen. Met behulp van water uit de Oranjerivier zijn hier grote groene druivenplantages opgezet, en dat is een behoorlijk contrast met de steenwoestijn er omheen.

Dan op naar de grens. Aan de Namibische kant is er een grote scanner. Daar moeten we vlak achter parkeren. Formuliertje invullen en paspoorten en carnets worden zonder problemen gestempeld. Niemand die in de auto wil kijken of iets vraagt. En we moeten ook niet door de scanner met de wagen. We steken de Oranjerivier over en zijn dan in Zuid-Afrika. Bah, het is hier nog net zo warm... H

,aar het kwik,

 

Zuid Afrika deel 1