Zuid Afrika deel 9

 


Drakensbergen.

VRIJDAG 7 MAART 2014, Drakensbergen
Als we de volgende ochtend de Daf op de parkeerplaats willen zetten bij Giants Castle, blijkt hij niet meer in de achteruit te willen. Dat is erg beroerd hier, want zoals we staan kunnen we niet verder naar voren, daar loopt het pad naar een afgrond. Bij elke poging de wagen in de achteruit te zetten kruipen we er weer twintig centimeter op af. Jan kijkt onder de auto en ziet dat er een geleidingsstangetje van de schakelarm is afgebroken, net bij de schroefdraad. Omdat de andere zijde linkse draad heeft, kan er niet een andere draadstang tussen, maar moet het ter plekke gelast worden. Jan haalt het lasapparaat  te voorschijn en begint te slijpen en te lassen. De zwarte bewaker kijkt gefascineerd toe. Dat heeft hij nog niet eerder gezien, een toerist die uit zijn auto een hele werkplaats tevoorschijn haalt en in de rimboe zonder dat er een generator te zien of te horen is begint te lassen.

Met een flink uurtje is het weer opgelost en alles weer opgeborgen en kunnen we aan onze wandeling beginnen.

Het is kwakkelend weer. Net als we de schoenen aan hebben en willen gaan lopen, motregent het, en rommelt het in de verte. We wachten nog een tijdje en het onweer ebt weg. De hele dag blijft het half bewolkt. We lopen niet zo ver, we zijn beide niet echt fit. Mariska zit gebiologeerd op haar hurken naar een grote miljoenpoot met een knalrode kop te kijken. Als ze opstaat, gaat ze spontaan van het stokje. Ze valt zo om. Heuvelafwaarts het hoge gras in glij-stuitert ze iets naar beneden. Heel in de verte hoort ze Jan nog zeggen: ”Mariska, wat doe je nou?”  - “Tsja, kweet het ook nie”...

Gelukkig heeft ze het fototoestel nog stevig in de ene hand en het lenskapje in de andere. Die zijn niet beschadigd. Verder valt het wel mee, gewoon even bijkomen.

 

 

We lopen iets verder tot we op een hogere top een prachtig uitzicht hebben op de glooiende groene bergen aan de ene, en de steile rotswanden van de Drakensbergen aan de andere kant. Vlak voor we weer bij de Daf terug zijn begint het weer te regenen. We hebben nu wel weer genoeg water gehad de laatste tijd. We gaan maar weer terug naar dezelfde plek als afgelopen nacht.

We ontbijten binnen, maar hebben een prachtig uitzicht over de Drakensbergen die net even helemaal wolkenvrij zijn. Het eerst stuk van de route die dag gaat weer door lelijke golfplaat dorpjes met veel vuilnis. Het verpest de voorheen mooie omgeving, en helaas is dat op veel plekken in KwazuluNatal zo.

Vanaf KwaMonkonjane nemen we een gravelweg noord-oostwaarts naar Wagendrift Dam Nature Reserve. Dat is wel weer een hele mooie route. Wagendrift Dam is zelf meer een recreatiegebied dan een Nature Reserve. We lunchen er even, maar er is veel kabaal van de boat club die een feestje heeft, en verder hangen er veel lokale vissers rond met de autoradio hard aan. Jammer, want de omgeving is wel prachtig. Snel weer verder dus.


Wagendrift Dam.

 


Afrikaanse Eland

Naar Weenen Game Reserve. Omdat bushcampen hier lastig is, gaan we in het reserve een dagje op de camping. We blijken niet de enige te zijn, er is ook een camperclub met een wagen of 10.

De plekken zijn groot en liggen een mooi stukje uit elkaar. We lopen naar het watergat op en neer, maar zien alleen een hartebeest, drie Afrikaanse elanden en in de verte nog een giraffe. Door het park toeren met de Daf gaat niet, de paden zijn erg smal. Verder lopen mag ook niet, want er zitten ook neushoorns.

De volgende dag zijn alle campers al vroeg weg, op één na. Dit blijken erg aardige mensen te zijn, en ze nodigen ons uit om samen met hun een toertje door het park te maken met de open Suzuki Vitara die ze achter hun camper op sleep hebben. Dat is erg aardig. En inderdaad zijn de paden erg smal, deels over een oud smalspoor traject, zelfs over een brug waar de kleine Suzuki erg handig blijkt.

Het park is klein, landschappelijk mooi maar veel wild zien we niet. Helaas ook geen neushoorns.

We rijden die dag nog verder tot vlak voor Greytown, waar we weer een eucalyptusplantage induiken voor de nacht. En weer de volgende dag de hele dag regen en dichte mist. Weer te jammer om door te rijden, je ziet niets van de mooie omgeving, dus weer een dagje huisarrest.

 

DINSDAG 11 MAART 2014, alweer een lekke koppakking
Vanochtend is het gelukkig weer wat opgeklaard. Via Greytown rijden we naar Kranskop om vanaf daar een kleine binnendoorweg naar Ulundi te nemen. De papieren kaart en de navigatie komen weer eens totaal niet overeen. We rijden verkeerd en komen terecht in Untunjanbili. Ja, wie verzint het...

Herberekenen... Net als naar Rome zijn er meerdere wegen naar Ulundi. We rijden verder via Nkandla Forest Reserve – Nkandla – Randalhurst - Osborne. Een erg mooi groen bergachtig gebied met steeds veel klimmen en afdalen. Op één van die klimmen loopt plotseling de temperatuur van de motor weer hoog op en is de motor aan de kook. Hij gooit er bijna tien liter water uit. Af laten koelen, bijvullen en verder. Dertig kilometer verderop precies hetzelfde weer. Er zit een vieze mayonaise-achtige smurrie in het koelwatertankje. Bij elkaar een duidelijk signaal dat de koppakking er weer door is, Duidelijker in ieder geval dan de vorige keer. En die zat er nog maar tien maanden en net 19.500 kilometer in. Erg balen. Gelukkig hebben we nu geen druk van ouders die net op visite zijn.

We kijken op de kaart voor de eerst grote plaats waar we de koppakking zouden kunnen vervangen. Op de route die we willen volgen komt überhaupt geen grote plaats meer. Pas in Swaziland, maar daar willen we het klusje zeker niet doen. Dichtstbijzijnd is Richardsbay, een redelijk grote industrie/havenstad aan de Indische oceaan. Volgens de Lonely Planet niets te beleven voor de toerist, maar het lijkt ons het meest geschikt om daar naar toe te gaan.


Daar gaat al het koelwater.

 


Onderweg naar Richards Bay

En weer begint het te regenen. Als we op een grote drukke weg Richards Bay inrijden is het al donker.  We krijgen nog even de schrik van ons leven. Met zo’n 60 à 70 km/u rijden we licht heuvelafwaarts met het verkeer mee een groot kruispunt tegemoet. Dat kruispunt ligt in een dip en er staat redelijk wat water op de weg. Plotseling voelt de wagen helemaal zweverig aan en glijden we geleidelijk over de middenstreep naar de baan van het tegemoetkomend verkeer. Mariska schreeuwt het uit, er komt ons een personenauto en daarachter een grote touringcar tegemoet. En zij zit aan de kant van de middenlijn. Het tegemoetkomend verkeer heeft niets in de gaten dat we onbestuurbaar zijn, en doet geen poging om naar de zijkant te gaan. Jan laat direct het gas los en stuurt heel voorzichtig een klein beetje naar links. Teveel bijsturen en we kome net als in Congo dwars over de weg te glijden. En links naast de weg is hier een talud van een meter of drie diep. Dan slaan we over de kop. Maar altijd beter dan een frontale botsing met een touringcar en een personenwagen ertussen.

Gelukkig krijgt de Daf na even gegleden te hebben weer grip en staan de voorwielen in de goede positie, licht naar links gebogen. We komen weer op onze eigen weghelft terecht en rijden met een bonzend hart verder. Dat was op het nippertje. Waarschijnlijk heeft er zich naast water ook olie verzameld in de dip, maar hoe komt het dat wij als enigen daar last van schijnen te hebben? Voor en achter ons rijden met dezelfde snelheid personenauto’s, vrachtwagens en bussen. Lichter en zwaarder dan ons. We hebben nog vrij nieuwe banden met een diep profiel, M&S banden (modder en sneeuw) nog wel! In Congo gleden we ook al zo gemakkelijk, maar daar was de weg zelfs niet fatsoenlijk beloopbaar, zo glad, en hadden we ook andere banden, Michelin, we hebben nu Good Year. Het lijkt erop dat de off-road banden met hun noppen op nat asfalt niet al te veel grip hebben, en misschien hebben we ze wat te hard opgepompt, waardoor de flanken misschien het asfalt niet goed raken. Vanaf nu extra voorzichtig in de regen dus, en standaard met minder druk rijden.

 

We duiken zo snel mogelijk de eerste de beste KFC in. Niet omdat dat ons favoriete eten is, maar omdat we de hele dag nog niets gehad hebben, en we even bij moeten komen van de schrik. In het donker in een vreemde stad is het niet zo makkelijk iets beters te vinden.

Op de kaart hebben we een camping gevonden aan zee, en we besluiten daar maar eerst naar toe te rijden, om vanaf daar de volgende dag iets te gaan regelen voor onze koppakking.

Als we de camping oprijden, zien we twee verdachte figuren bij de gesloten receptie rondhangen. Bekende gezichten, het zijn Sjors en Monique. Wat een toeval! Ook zij zijn erg verbaasd dat er een bekende Daf aan komt tokkelen. We wisten van elkaar wel dat we in Zuid Afrika zaten, maar wij dachten dat zij nog helemaal in het noorden waren vlakbij Upington, en zij dachten dat wij al naar Mozambique waren vertrokken. Af en toe hebben we e-mailcontact met elkaar, ontstaan omdat we met hetzelfde type Daf in Afrika rondrijden. En dit is al de tweede zeer toevallige ontmoeting met hen. De eerste keer was zo’n 2,5 jaar geleden in Fes, Marokko. Daar kwamen zij spontaan de camping oprijden terwijl wij er al stonden. Toen wisten wij niet dat zij in Afrika zaten, en zij niet dat wij nog in Marokko rondhingen. En nu weer, hoe is het mogelijk?

Het is een hartelijk weerzien. Hoewel we nog de pest in hebben van de kapotte koppakking en we nog even bij moeten komen van de glijervaring van zonet, klaren we er weer een beetje van op. We gaan naast hen staan op het veldje op de camping.


De tweede toevallige ontmoeting met Sjors en Monique.

 


Vervangen van de koppakking.

De volgende dag blijkt dat het een erg mooie camping is, met een beetje een junglegevoel. De beheerder, een pensionado, Beylie genaamd, blijkt een heel vriendelijke enthousiaste en behulpzame kerel te zijn. Hij vind het goed dat we op de camping de koppakking zelf gaan vervangen. Zij het op een ander leeg veldje zodat ander gasten er geen aanstoot aan hebben. Dat veldje blijkt zowaar nog mooier te zijn, met in het midden een ronde betonplaat, zodat er niet in het gras gesleuteld hoeft te worden. Sjors biedt spontaan aan om mee te helpen. Als scheepsdieselmonteur een zeer welkome hulp. Nu hopen dat het weer meezit.

Sjors en Jan beginnen direct. Beylie vind het reuze interessant en komt regelmatig langs. Jan krijgt zelfs een mooie, nieuwe werkbroek van hem. En deze past nog ook!  Monique en Mariska regelen intussen dat we voor een pensionersdiscount kunnen staan, en dat kan. Netjes.

Als de kop er bijna af kan, begint het te regenen. We dekken de boel af met een zeil van Sjors en Monique en staken het werk. De volgende ochtend is het droog en na een uurtje is de kop eraf. Nu is wel duidelijk te zien waar de lekkage zit. Tussen de cilinders in, is de pakking doorgeslagen. Toch liep de Daf nog heel mooi en merkten we niets van krachtverlies. Maar hij stonk wel flink uit de uitlaat. Beylie weet een goed revisiebedrijf waar ze de kop kunnen vlakken, en het ding is zelfs dezelfde dag nog klaar.

De volgende dag bouwen Sjors en Jan de kop er weer op, maar als de motor gestart wordt, blijken er maar vijf cilinders mee te doen. Eentje staakt, de eerste. Die lijkt wel diesel te krijgen. Ze wisselen nog een verstuiver om van zes naar een, maar een blijft niet meedoen, dus het zit niet in de verstuiver. Shit, het lijkt er haast op dat het revisiebedrijf de kleppen niet goed heeft teruggezet. Bij montage van de klephoedjes bleek al dat ze heel ruw te werk zijn gegaan, er moesten eerst vlakke kanten van de klepstelen afgevijld worden voor de klephoedjes geplaatst konden worden. Maar natuurlijk is het weekend, en kunnen we pas maandag weer bij het revisiebedrijf terecht.

 

Op vrijdagavond werden we nog uitgenodigd door Beylie om mee te doen aan de wekelijkse braai die ze met alle campinggasten altijd houden. Velen zijn gasten die elk jaar weer terug komen. Nu voelden we ons echt bejaard. Het waren allemaal echte pensionado’s.

Buiten was het wel gezellig bij de braai’s zelf. Iedereen nam wat vlees mee dat gebraaid werd. Toen dat klaar was werden we een grote kale ruimte in gedirigeerd, waar in het midden een lange tafel stond opgesteld waar iedereen plaats nam.

In de hoek stonden allerlei salades en andere gerechten. De  verschillende dames van het gezelschap hadden dit bereid (ja, ook Monique en Mariska hebben een salade gemaakt). Het vlees werd erbij gezet en eten maar. Het smaakte goed, en we hadden veel te veel. Maar de grote ruimte en de lange tafel maakte het wat minder gezellig.

En we hadden nog maar goed en wel het eten op, Jan was nog aan het kauwen, of de ruimte werd overgenomen door een schoonmaakploeg, en iedereen haastte zich naar de caravan. Geen doorzakkers, die bejaardo’s hier. Heel anders dan we normaal gewend zijn van Afrikaanse braai’s.


Dé vrijdagavond braai.

 


Als we de startmotor terug krijgen van het revisiebedrijf, ziet deze
er erg mooi uit. Nu maar hopen dat het starten ook zo mooi gaat.

Zaterdags proberen Sjors en Jan nog van alles om de eerste cilinder ook mee te laten doen, maar niets helpt. Monique en Mariska kletsen en doen de was en de afwas.

Zondags luieren en wat over de camping slenteren. Op het strand zijn we snel uitgekeken. Het is maar smal en niet echt mooi. Vlak voor de kust ligt een schip dat nog niet zo heel lang geleden vergaan is, met een lading steenkolen aan boord. De helft is al van het schip af gezaagd en geborgen, de ander helft steekt nog boven het water uit omhoog.

Maandags rijden we ‘s morgens al vroeg naar het revisiebedrijf, op vijf cilinders. We willen eerst een compressietest laten doen om zeker te zijn dat er niet iets mis is met één van de kleppen in de eerste cilinder. Daar krijgen we te horen dat ze een compressietest alleen doen bij koude motor om beter vergelijkbare waarden te krijgen. Dat is raar, Daf schrijft juist de compressiewaarden voor bij warme motor. Dat wordt dus ouderwets Nederlands polderen en bij lauwe motor meten we de compressie. Tenminste, dat proberen we, maar nu begeeft de startmotor het. Het lijkt net of alles tegelijk komt. We sleutelen de startmotor er onderuit en een knaap van een startmotorrevisiebedrijf neemt hem mee. Het hele ingrijpmechanisme van de bendix is naar de knoppen. Tegen het eind van de middag is hij terug. De startmotor ziet er weer als nieuw uit. In de loop van de ochtend komen Sjors en Monique langs. Samen met Sjors sleutelt Jan de startmotor eronder. Het bedrijf zit al dicht, maar van de aardige eigenaar mogen we op het terrein overnachten. Jan en Sjors doen meteen zelf een compressietest, want de meetapparatuur hebben de mensen van het bedrijf laten slingeren. Die van cilinder zes is nog een stuk lager dan die van één, dus dat kan het niet zijn.

 

Dan moet het toch in de dieselpomp zitten. We hadden gezien dat een wartel van de eerste cilinder iets los zat, maar durfden daar niet aan te draaien, bang dat de setting van de pomp zou veranderen. Nadat de dieselspecialist van het revisiebedrijf daar de volgende morgen even aan geprutst heeft blijkt dat daarbinnen een klepje is blijven hangen. Even de boel loshalen, schoonmaken en weer vastschroeven en klaar. Ook cilinder één loopt nu mee. Wel hebben we zo intussen flink wat onverbrande diesel in het carter staan pompen, dus de olie kan ook weer ververst worden.

Jan ververst dat, en de we laten de dieselspecialist de pomp iets terug regelen, zodat de Daf weliswaar wat langzamer wordt, maar dat hopelijk de nieuwe pakking wat langer meegaat.

Sjors en Monique hebben gewacht tot onze Daf goed liep, en zijn toen vertrokken naar St. Lucia, waar wij later die dag ook naar toe zouden gaan. Maar toen kwamen we erachter dat we onze dop van de drinkwatertank kwijt zijn. Shit, nu klotst het water er zo uit, en kan iedereen er troep ingooien. We rijden de tien kilometer terug naar de camping, en zoeken met Beylie, de campingmanager, maar daar ligt hij ook niet. We gaan de halve stad langs, maar nergens een dop die erop past. Het lijkt typisch iets Europees. Uiteindelijk vinden we een balgafsluitertje van een boot dat past. Doormiddel van schroefdraad zet het ding zich tot de juiste diameter uit. We kunnen hem niet op slot doen, maar in ieder geval zit de tank dicht. Eindelijk kunnen wij ook op pad naar St. Lucia. Daar komen we pas aan het eind van de middag aan. We parkeren weer naast de Daf van Sjors en Monique, en drinken maar eerst eens een koud biertje. Wat een gedoe de laatste dagen, hopelijk is het nu afgelopen en kunnen we weer een beetje genieten. Reizen is dus lang niet altijd relaxen.

We waren al eens eerder in St Lucia, toen Mariska’s ouders vijf weken met ons meereisden. We staan nu op dezelfde camping, maar er zijn veel minder bokkies die over de camping lopen dan toen, en ook zien we geen mangoesten en parelhoenders. Zelfs de krokodillen en nijlpaarden laten zich deze keer niet zo mooi van dichtbij zien. Je kunt niet alles hebben, het is nog steeds een prachtige plek. Hoewel een beetje druk met mensen die rondrijden. Zowel de blanke Zuid-Afrikaners als de zwarte medewerkers van de camping zijn niet echt wandelaars. De medewerkers pakken voor ieder wissewasje de dienstauto en de blanken rijden een rondje over camping om domweg de camping te bekijken. Als we op een bushcampplekje aan een gravelweg ergens staan, komen er minder auto’s langs.


Boomkikker aan de spiegel op de
camping.

 


Helaas had het kleintje er geen zin in om
herkenbaar in beeld te komen! 

DONDERDAG 20 MAART 2014, pech blijft ons achtervolgen
We nemen afscheid van Sjors en Monique. Zij gaan verder naar het Krugerpark, waar ze voor maar liefst 13 dagen hebben geboekt.

Sjors en Monique, heel erg bedankt voor de hulp bij het vervangen van de koppakking
en voor de gezelligheid, natuurlijk!

Wij blijven nog wat rondhangen in St. Lucia. Het begint te regen en het houdt de hele dag niet op. In dit hondenweer rijden hebben we niet zo’n zin in. We hangen wat op een terras, Skypen daar en werken aan de website. Tegen de avond houdt het op met regenen en we blijven maar gewoon in de hoofdstraat overnachten.

De volgende ochtend is het nog steeds goed weer en rijden we naar Hluluwe-Imfolozi Nationaal Park. Hier waren we ook al eerder met Mariska’s ouders, maar het ligt nu op de route en we willen het graag nog een keer bezoeken. We zien deze keer weinig dieren, maar het is een mooie omgeving en nu in deze tijd van het jaar erg groen. We rijden een picknickplek op en bij een groep mensen staat een vrouw heftig naar ons te zwaaien. “Ken jij die?” vraagt Jan, maar Mariska schudt nee. We stoppen en het blijkt dat ze ons herkennen van het artikel waarmee we in het magazine “SA 4x4 Overland” hebben gestaan. Tjonge, we zijn al beroemd hier. Een man en een vrouw in het gezelschap blijken zelf voor het magazine “Wildside” te werken. We kletsen en tijdje en ze nodigen ons uit om ook een artikel voor hun blad in te dienen. Misschien komt dat er nog wel van. We krijgen een mooie hoed van hen mee, met het opschrift “Wildside”, en rijden langzaam verder naar de andere kant van het park.

Plotseling begint het als een gek te sissen in de cabine. Er blijkt een luchtslangetje van de stoel van Jan geknapt te zijn. Als nood proberen we het even op te lappen met wat tape, maar dat houdt het maar kort met 7,5 bar luchtdruk. En van het gesis wordt je zó gek dat je er niet mee kunt rijden. Dat wordt zoeken in de kist met onderdelen naar een stukje slang om de kapotte te vervangen. Altijd lekker, die reparaties in een wildpark met leeuwen e.d. Na een half uurtje klooien is het gelukt en kunnen we verder. Onderweg komen we nog kuddes olifanten tegen en een groepje neushoorns met een heel kleintje erbij. Een prachtig beestje.

 

We rijden tegen het schemer het park uit, eigenlijk zijn we al een kwartier te laat. De poort is al dicht en de bewakers proberen ons op stang te jagen dat we nu een boete moeten betalen, maar maken toch gewoon het hek voor ons open. We vinden een redelijk overnachtingsplekje langs de kant van de weg. Als we wat staan te manoeuvreren in het hoge gras voelt Jan plotseling een ruk in het stuur en valt de stuurbekrachtiging weg. In het gras voor ons zien we een natte plak van olie. Het blijkt dat een perskoppeling volledig van een hydrauliekslang is afgeschoten waardoor de pomp alle olie in het gras gepompt heeft. Het ongeluk blijft ons achtervolgen. We besluiten maar zonder stuurbekrachtiging langzaam naar een backpackers in de buurt te rijden. We hebben daar al eens eerder gestaan met Mariska’s ouders. Het wordt nu door lokalen gerund en is een vervallen boel, maar daardoor een prima plek om wat te sleutelen. Met veel moeite en tien keer steken wringen we ons zonder stuurbekrachtiging het kronkelpaadje de backpackers op.

Op de bank binnen ligt de dikke luie “big mama” die de backpackers beheert. Zonder op te staan roept ze dat het 80,- rand per persoon kost. Jan zegt slechts 100,- voor ons beiden te willen betalen, en dat vindt ze ook goed. Liggend op de bank neemt ze het geld in ontvangst, en wij zoeken een plekje tussen het hoge gras.

Jan belt tenslotte maar naar Beylie, de aardig een behulpzame campingbeheerder in Richards Bay. Die kent daar veel mensen en hij belt een half uur later terug dat hij iemand heeft gevonden die 24-uurs dienst heeft bij een hydrauliekbedrijf en waarschijnlijk een nieuwe slang kan maken. Jan rijdt de 100km naar Richards Bay, en voor amper 20,- euro wordt er een nieuwe slang geperst. Beylie is blij Jan weer te zien. Ze drinken nog wat bij hem in het kantoortje en dan kan Jan weer 100km terug jakkeren. 200km rijden voor een simpele slang. De slang zit er met een paar minuten op, nieuwe ATF-olie erop die Jan bij Landini gekocht heeft, ontluchten en alles werkt weer. Nu maar hopen dat dat het laatste was, want we gaan binnenkort weer apenlanden in, waar het nog veel moeilijker is om zo’n klusje gedaan te krijgen.


Perskoppeling van de hydrauliekslang geschoten.
Alle olie weg en geen stuurbekrachtiging meer.

 


Drie tegen drie. 

Pas de volgend dag gaan we verder, waarbij we nog eerst weer een flink stuk door het nationaal park rijden. We zien in de namiddag nog weer een neushoorn met een wat ouder kalf, en later bij een watergat nog eens zes neushoorns. Eerst stonden er drie, daarna kwamen de andere drie er aan gelopen. Ze besnuffelen elkaar goed en dagen elkaar een beetje uit, maar dan is het weer rustig. Een mooi gezicht, zoveel van die kolossen bij elkaar aan het water.

We rijden richting Ithala Nationaal Park waar we met Vincent en Ellen hebben afgesproken. We hebben tijd genoeg dus doen rustig aan en nemen nog twee overnachtingen in de bush. Dat is niet makkelijk in Kwazulu-Natal, waar het barst van de hutjes met mensen. Toch lukt het een rustig plekje te vinden, en vooral de tweede bushcampplek langs een gravelweg direct aan een riviertje is best een mooie.

We doen wat boodschappen in Louwsberg, een klein gehucht met een vieze supermarkt, en rijden dan Ithala Nationaal Park binnen. Al direct zien we twee neushoorns, en iets verderop bij een picknickplek gaan we lunchen. Daar loopt nog een nyala rond, het beest lijkt wel tam.

Als we vanaf de lunchplek weer de hoofdroute door het park opdraaien, zien we in de verte de Mercedes Atego van Vincent en Ellen aankomen. We zetten de DAF op een parkeerplek om de bocht neer. Mariska blaast snel een paar ballonnen op en staat er mee midden op de weg naar hen te zwaaien als ze komen aanrijden. Jan staat op het dak van de cabine van de DAF. Vince en Ellen moeten erg lachen, het is leuk hun weer te treffen.

 

Samen rijden we via een mooie route naar de andere kant van het park, waar we drie dagen op de campsite gaan staan. Die ligt mooi tussen de bergen aan een riviertje. Over de camping struint telkens een groepje impala’s. Leuk. Die dagen doen we niet veel. Het is kletsen, bier drinken (Ellen is zowaar gestopt voor 2 maanden!), braaien en spelletjes Kolonisten van Catan spelen. Ellen is hieraan verslaafd, en sinds we gemerkt hebben dat andere mensen ook kunnen winnen vinden wij het ook een leuk spel.

Tussendoor rijden we nog een rondje door het park. Het is een mooi park met af en toe wat smalle routes, maar goed te doen. We zien ook aardig wat wild, waaronder weer neushoorns. Veel olifantenpoep zien we ook, maar de dikhuiden laten zich dit keer niet zien.

Na die drie dagen willen we nog samen een paar dagen kamperen op een andere plek. Vincent en Ellen hadden een plek gevonden bij een privé game ranch 30 kilometer verderop. Het zes kilometer lange pad naar de lodge toe is van klei, en het heeft net veel geregend, dus het is wat glibberig. Na een halve kilometer glijdt de Mercedes voor ons zijdelings wat weg, en Vincent ziet het niet zo zitten om verder te rijden. De eigenaar komt net aangereden op zijn motor en zegt dat het verderop droger is, maar wel steiler. Even later komt hij terug met een Ford Ranger bakkie. Het is een splinternieuwe wagen geheel uitgerust voor de jacht. Achter de cabine is een rek geplaatst waar de geweren in kunnen. Daarachter hooggeplaatst twee stoelen, met een steun ervoor waar je het geweer op kunt laten rusten. Eronder een lier om via de speciale laadklep het geschoten wild in het bakkie te takelen.

Rondje Ithala met Vincent en Ellen.
 


Buurman en buurvrouw.

Vincent en Jan nemen plaats op de hoge stoelen achterop het bakkie, om samen met de eigenaar de weg verderop te bekijken. Volgens Jan is het wel te doen, maar Vincent ziet het niet zitten. Ze hebben ook geen off-road banden met grof profiel, maar gewone straat banden.

We besluiten om ergens anders heen te rijden, en het wordt Phongolo National Park, vlak aan de grens met Swaziland. Het is enigszins in de buurt, maar toch nog een heel stuk rijden, zo’n 120 kilometer. Het eerste gedeelte is asfalt, en dan gaat het verder over gravel. Een hele mooie weg door de bergen met uiteindelijk uitzicht over het dam-meer van Phongolo Nationaal Park. De zon staat dan al laag. We kunnen in eerste instantie de ingang niet vinden naar het park. Die wat in onze beide GPS-en staat is er niet meer. Dan komen we bij een andere ingang en daar is de doorgang te laag voor onze wagens. Volgens de Lonely Planet is er een ingang bij Golela, en dat blijkt te kloppen. Het is al stikdonker als we er aankomen maar we mogen doorrijden naar de campsite. Omdat het donker is en we allemaal zat zijn van het rijden parkeren we zomaar ergens en zien morgen wel hoe het eruit ziet.

Dat blijkt schitterend te zijn. We verplaatsen de auto’s naar een uithoek waar we een prachtig uitzicht hebben over het meer met op de achtergrond de bergen van Swaziland. Er staan geen hekken om de camping dus allerlei wild loopt er over. O.a. wrattenzwijnen, impala’s, zebra’s en gnoe’s. ’s Nachts horen we de nijlpaarden over de camping knorren, en overdag zien we ze op een afstandje voor ons in het water liggen. Ook liggen er krokodillen en van een afstandje zien we twee witte neushoorns die water komen drinken. De visarenden vliegen over ons heen en krijsen over het meer. En dat eigenlijk allemaal vanaf je stoeltje voor je camper. We blijven hier maar liefst zes dagen staan. We genieten van het uitzicht en het wild, wandelen wat vanaf de camping, spelen Kolonisten van Catan en Jeu de boulen de hele camping over alsof het klootschieten is en braaien en koken samen.


Tot donderdag 3 april. De dag van het grote afscheid. Grote kans dat we Vince en Ellen nooit meer weer zullen zien. Jammer, want het is echt een heel leuk stel en het klikt goed. De dag begint met samen buiten ontbijten, dan nog een laatste keer Kolonisten van Catan spelen, opruimen, watertanks vullen en dan echt afscheid nemen.

Ellen en Mariska houden het niet droog. We zullen ze missen. Het zou leuk zijn ze ergens toch weer te treffen, maar V&E houden voorlopig even op met reizen en gaan terug naar Namibië om wat pegels te verdienen, en Jan’s Zuid Afrika visum loopt over vier dagen voor de zoveelste keer af dus moeten we het land uit. En het wordt ook tijd om weer verder te reizen, we zijn al weer een jaar in Zuid-Afrika.

We rijden naar Swaziland. De grens ligt pal om de hoek, net naast het Nationaal Park. We hebben een beetje een rotgevoel. Het afscheid van Ellen en Vincent valt zwaar, maar ook het afscheid van Zuid-Afrika. Het is een erg mooi land, we hebben er enorm van genoten. Het was echt vakantie, maar het avontuur lonkt ook weer. De onbekende landen, slechte paden en wegen, de bureaucratie, de chaos, de vriendelijke, nieuwsgierige en letterlijk en figuurlijk kleurrijke bevolking, het “echte” Afrika.


Home made pizza, krijg er zo weer honger van!

 

Buurman, buurvrouw, we zullen jullie vreselijk missen.
Maar we weten zeker dat we elkaar ergens op deze aardbol weer zullen treffen!
-XXX-
J

 

 

 

Swaziland