Malawi deel 1

 

 

 

DONDERDAG 10 JULI 2014
Malawi, een klein druk bevolkt landje, vooral bekend om het grote meer. Of we het er leuk gaan vinden is nog maar afwachten, we zijn niet zo gek op druk bevolkte landjes.

De grensovergang gaat in ieder geval soepel. Bij aankomst wel wat vervelende ventjes die aan je kop zeuren om geld te wisselen, want we zouden volgens hen van alles moeten betalen, zoals verzekering en roadtax. We wimpelen ze zoals gewoonlijk af. Eerst maar eens zien wat we werkelijk zouden moeten betalen. In landen als Malawi kun je in de grote steden gewoon pinnen met je eigen bankpas en die koers is doorgaans een stuk beter dan die van de straathandelaartjes. En dan heb je ook niet al dat gezeur er omheen en het eindeloos natellen van die vieze flappen.

De grensformaliteiten gaan erg gemakkelijk. We hebben geen visum nodig en krijgen 30 dagen gratis gestempeld in ons paspoort, te verlengen tot 90 dagen. In de auto hoeven ze niet te kijken, en de Carnets worden ook probleemloos gestempeld. Er is nog een hokje met een kassa en een sticker op de ruit “Pay your roadtax”. Die slaan we maar over. Onze ervaring is dat je met een vreemd kenteken en 10 ton op je kentekenbewijs daar in dit deel van Afrika niet erg gunstig wegkomt.

Buiten komt er nog een mannetje achter ons aan dat we verzekering moeten hebben. We zeggen dit al te hebben, en dat vind hij oké. We rijden naar de slagboom, waar ons gevraagd wordt om de “gatepass”. Die hebben we niet, maar we laten zien dat we alle stempels hebben. Toch moeten we weer terug een gatepass halen. Dan zullen we wel eerst roadtax moeten afrekenen. Maar de man die onze Carnets gestempeld heeft geeft ons een gatepass, en zo zijn we erg goedkoop Malawi in. Dan voelt een Hollander zich weer goed!

In de Lonely Planet staat dat er direct na de grens een politiecontrole is waar ze op verzekering controleren. Deze keer liegt het boekje niet, ze staan er. Maar ze hebben een Zuid Afrikaanse motorrijder aangehouden, die al lang voor ons de grens was gepasseerd. En ze zijn nog zo druk met hem dat wij zo door kunnen rijden.


Mooie bergen in Malawi.

 


Stenen bakkerij.

Zo’n 20 kilometer voor de hoofdstad Lilongwe slaan we een zandweg in. We hopen ergens in de buurt van Dedza uit te komen. Zo zijn we weer van de saaie asfaltwegen af, en hopen we de drukte van de hoofdstad te Toch grappig hoe je in elk land weer andere dingen ziet. Toch zijn de verschillen in Afrika, tussen west en oost eigenlijk niet zo heel groot. Wat wel een groot verschil is hier in Malawi, is dat vrijwel alle huizen en hutten gebouwd worden uit eigengemaakte rode baksteen. En omdat de bevolking zo enorm toeneemt lijkt het wel of werkelijk iedereen bakstenen aan het maken is voor nieuwe huizen. Ook metselen ze er enorme muren van, waar we niet al te dicht naast durven te parkeren, zo stevig ziet het er uit.

Ze overdrijven het een beetje met die bakstenen, maar het ziet er wel beter uit dan die golfplaat hutjes. We vinden voor de nacht gelukkig nog een hutloos stukje, en staan rustig tussen een paar akkers.

Tot er rond 00:15 een paar idioten op de cabine staan te rammen. Eerst reageren we er maar niet op, tot de hele vrachtwagen beweegt, ze hangen aan de spiegels om in de cabine te kijken. Via het wc-raam kijkt Mariska maar eens naar buiten en vraagt wat ze willen. Het zijn twee mannen in een militair pak, natuurlijk met AK47 op de rug, en één in burger kleding. Het is politie. Ze zijn gebeld door iemand dat er een auto naast zijn akker staat. Ze willen dat we meegaan naar het bureau, want de eigenaar is doodsbang. Zucht... wat is dat toch steeds hier in oost Afrika. In zuid en west hadden we hier niet zoveel last van. Wij hebben geen idee van wie die akker is, staan er ook niet op maar naast. Waarom meldde die man zich niet even toen het nog licht was?

 

 

We geloven er geen barst van dat de eigenaar van de akker bang is. Iedereen zwaait altijd naar ons, en als we uitstappen komen ze er altijd aan handje schudden e.d. Ook deze man heeft ons vast al wel gezien toen we nog buiten voor de deur een boekje zaten te lezen. Hij wil gewoon sensatie.

Mariska praat een tijdje met de agenten, en daarna Jan ook nog even. We moeten naar buiten komen, maar dat doen we dus niet. Geen zin om ons door muggen te laten lek steken. De mannen zeggen dat we naar een reservaat moeten. “Wij, naar een reservaat? We zijn geen olifanten, we zijn net als jullie, gewoon mensen. Zijn wij nu een bedreigde diersoort geworden?” Na nog lang discu-zeuren wordt het de mannen eindelijk duidelijk dat we hier willen overnachten en we dus toeristen zijn en geen terroristen (in Afrika zien ze vaak dat verschil nog niet zo goed, blijkt), en dat we de volgende dag rond 9 uur weer verder rijden. Net zoals zoveel lokale vrachtwagenchauffeurs, die daar nooit gezeur over hebben.

Ze zullen het met de eigenaar van de grond bespreken, maar als die het er niet mee eens is moeten we alsnog vertrekken. De militairen komen niet terug, maar voor ons is het ondanks de rust nu nog lastig om de slaap weer te vatten.

ontlopen. Die Afrikaanse grote steden, daar hebben we niet zoveel mee. Het land blijkt inderdaad erg druk bevolkt, en het krioelt van de paden. Zelfs met de GPS is het nog een heel gezoek welk pad we hebben moeten. Langs alle paden staan hutjes, over honderden kilometers is het eigenlijk één groot dorp.

Op marktjes staan ze zelf gesneden patat en wedges te frituren. Hiervoor hebben ze in een dunne metalen plaat een kom uitgeklopt. Deze zit bevestigd op een gammel houten frame. Op de plaat, die nooit schoongemaakt wordt, liggen de gesneden aardappelen. Onder de kom gloeiend houtskolen, erin borrelend vet en de patat. Jan bestelt een zakje. Ze doen de friet in een boterhamzakje, gooien er wat zout bij in en schudden het zo door elkaar. Hoewel het veel te vet is en wel wat langer had mogen bakken, smaakt het eigenlijk best.


Hout transportje.

 


Potten bakkerij.

Als we de volgende dag weg willen, wil de Daf niet starten, hij geeft geen sjoege. Jan meet wat dingen na, en komt al snel tot de conclusie dat een accu-pool is losgetrild. Helaas heeft het ding daardoor al een tijdje vonken lopen trekken, en is de helft van de pool al weggevreten. Hij krijgt de klem er toch weer vast genoeg op, dus we kunnen al snel weer verder. Hopen dat het houdt, want de accu’s zijn nog veel te goed om te vervangen. Nu zijn ze in Afrika wel inventief, en gieten ze er zo weer een nieuwe pool op. Voorlopig, zolang het gaat, doen we er niks aan.

We hobbelen over een wirwar van zandpaden. Soms op de goede, en soms op de verkeerde. Maar al te vaak is de aangegeven route op de GPS veel kleiner dan een ander pad, en moeten we omkeren. We rijden vlak langs de grens met Mozambique, en via die zandpaden rij je daar ook zo in. We zien telkens de grensstenen staan.

Irritant is dat sommige dorpelingen op onverwachte plekken zelf erg steile drempels in de weg hebben gelegd. Dus weer zien we er één over het hoofd en we klappen er vol over. Bah, dat voelt niet lekker. Later tijdens een plaspauze ziet Jan dat linksvoor de bovenste bladveer geknapt is. Dat is de bladveer die na het ongeluk in Congo gelast is, maar hij is nu op een andere plek geknapt. Gelukkig aan de scharnierende zijde vlakbij de klem, waardoor de vooras op positie is gebleven en de boel nog een beetje aan elkaar blijft zitten.

Niets aan te doen nu. We hobbelen nog zo’n dertig kilometer verder, tot we bij Dedza het asfalt bereiken. Daar bezoeken we een pottenbakkerij. Voor 5,- USD krijgen we een rondleiding van een enthousiaste medewerker die ons werkelijk alles uitlegt. Erg interessant, en de boel is mooi opgezet en goed georganiseerd. Ze maken ook best mooi en grappig spul. Van de porseleinen klossen op de elektriciteitspalen, tot hele serviezen, grote potten maar ook vloer- en wandtegels.

Jammer weer dat de hele boel door een Europeaan is opgezet, en nog steeds door hem gerund wordt. Mooi dat dit werk biedt aan de lokalen, maar naïef als we zijn, hopen we nog steeds een keer op zoiets te stuiten dat een Afrikaan zelf heeft opgezet en runt. Waarom, waarom, waarom kunnen ze dat niet??? Ook al werken ze al jaren in zo’n bedrijf, nog gaat het niet goed als ze de leiding over nemen.

Maar goed, het is er leuk, de mensen zijn enthousiast en ze hebben een mooi restaurantje met prachtig uitzicht waar we heerlijk eten. Ergens tussen Dedza en de grote plaats Blantyre vinden we in een zijpad van de M1 een rustige overnachtingsplek. Morgen willen we zien of we in Blantyre een andere bladveer kunnen krijgen.

 

Vanaf 7 uur is het al weer druk voor de wagen. Allerlei kerels lopen er rond en ze zitten overal aan. Als Jan zijn gezicht laat zien is het eerste dat één van de kerels vraagt of we wel een vergunning hebben om hier te staan. Zucht, weer dat gezeur. Wat is dat toch hier in oost Afrika? Zwarte vrachtwagenchauffeurs staan overal langs de weg, maar wij zijn telkens de klos met een hoop onzin. En weer het zelfde zinnetje: “We see a car and we are afraid.” Bang, wat een onzin. Waarvoor? En natuurlijk gelijk gevolgd door de volgende bekende zin: “Give me money!” “We are hungry, give me food”. Jan vraagt of we vrienden zijn als hij ze geld geeft. Ja hoor, dan is alles goed, “then we are friends”. “Nou” zegt Jan, “Dat is dan jammer, we kopen nooit vrienden, vriendschap moet ontstaan.” En dan zijn we ineens niet meer bang?

Dit zijn weer eens niet de zieligerds die je kent uit de Afrika-TV-spotjes. Niet die arme kanslozen. Dit zijn weer de gewone luie nietsnutten die liever onder de boom zitten en dan bij de blanken lopen bedelen dan dat ze zelf een poot uit steken. Verpest door al die Europese en Amerikaanse hulporganisaties die menen permanent de Afrikanen te moeten onderhouden. Malawi zit er helemaal vol mee. Om de paar kilometer staat er wel een bordje “Funded by:  USAid, UKAid, IrishAid, Sweden, EU, The Netherlands, WorldVision, World Bank, Oxfam Novib, Unicef en ga zo maar door. En een welwillend volk zal die hulp graag aannemen en er het beste van willen maken, maar op de meeste Afrikanen die wij nu hebben ontmoet heeft een totaal averechtse uitwerking. Stoppen met die structurele hulp! We worden er echt niet goed van. Het zijn allemaal nog steeds krijgers, ze denken dat ze alles kunnen krijgen. En de missieposten doen er ook nog een schepje bovenop. Ze hebben in dit land grote reclameborden neergezet met de tekst: “Ask, and you will get it”. Dit heeft een bijbelse bedoeling, maar wordt door die paar Afrikanen die de moeite hebben genomen te leren lezen heel anders opgevat.

Deze heren, allen wel doorvoed, allen met een smartphone, Chinese motor en een (nep?) gouden ketting hebben echt geen honger. Tenminste niet naar voedsel, maar een honger naar op een gemakkelijke manier aan geld komen. Ze wrijven maar over hun bierbuik, maar ze krijgen van ons geen cent. We zouden graag dat iedereen die links en rechts klakkeloos geld doneert aan deze landen, of die er zelf een project opzet, er eerst eens goed rondreist en zijn ogen en oren goed de kost geeft. En dan niet aan het handje van een andere hulpwerker die je een rad voor ogen draait, of van toeristenlodge naar toeristenlodge, maar zelfstandig de dorpen en steden in, het platteland op. Dan zullen ze zich hopelijk nog eens bedenken.

En belastinggeld dat gedoneerd wordt aan deze landen mag ook meteen stopgezet worden. Onlangs zagen we nog een weegbrug, gedoneerd door de EU. Moet dat werkelijk van onze belastingcenten? Kunnen we dat geld misschien niet beter gebruiken om ons te weren tegen bijvoorbeeld de IS, een groep die óns een andere levenswijze wil opdringen? Of aan ons eigen zorgstelsel, wat alleen maar duurder en duurder wordt?


Mensen uit Malawi zijn écht niet het zelfde als mensen
uit Europa (traditionele dansers voor speciale feestjes).

 


We kunnen Afrika net zo goed
een onderdeel van de EU maken.
Dan kunnen ze mooi de post
voor ons bezorgen.

En die hypocriete toeristen die graag de authentieke volkeren willen zien, en het zo jammer vinden dat die verdwijnen, maar ondertussen via uit de Lonely Planet gevonden ecolodges onder het mom van “give something back” schooltjes sponsoren. Je gaat toch zeker zelf ook niet met je Havo-diploma in een berevel als een Batavier in een hutje op de Veluwe wonen? Waarom dan wel een Himba, een Massai of een Mursi dit opdringen?

Waarom moeten we überhaupt de Afrikanen een ander leven opdringen? Waarom laten we ze niet met rust, en laten we ze zich niet ontwikkelen op de manier zoals ze dat zelf willen? Misschien laten ze ons dan ook met rust.

Waarom kan men niet accepteren dat een Afrikaan niet hetzelfde is al een Europeaan? Dit is niet racistisch, maar volgens ons gewoon een feit. Een IJslander is ook niet hetzelfde als een Taiwanees, en een Aboriginal niet als een Mexicaan. We krijgen in Europa nog niet eens een Griek met de neus dezelfde kant op als een Deen, of andersom. En die Grieken moeten we ook al volledig onderhouden!

En waarom ook? Misschien hebben die Afrikanen het wel bij het rechte eind. Niet druk maken over de dag van morgen. Lekker relaxed door het leven. Dingen die je niet begrijpt niet willen uitzoeken, maar gewoon als goddelijk verklaren. Wordt je ernstig ziek. Ja, dan ga je dood, dat zullen de goden, God of voorouders wel zo met je voorbestemd hebben. Overlijdt je kind? Tuurlijk, erg, maar daarom had je er bij voorbaat ook 12. Vooral als wij in afgelegen gebieden door de dorpjes rijden zien we mensen die gelukkig zijn, of in ieder geval lijken. Geen stroom, geen geld, geen rekeningen. Je eigen akker, wat vee. Water uit een zelf gegraven put. Ze zingen, dansen en zwaaien naar ons als we langsrijden, meestal zonder hun hand op te houden. En ook die hebben tijd genoeg over om ’s middags onder de boom te liggen.

En in Europa maar stressen. Zorgen maken over alles. Geld uitgeven dat we eigenlijk niet hebben, aan spullen die we eigenlijk niet nodig hebben, om indruk te maken op mensen die we eigenlijk niet mogen.

Goed, ons hart weer gelucht. En als je aanmerkingen hebt op bovenstaand dan horen we het graag, maar zorg dan wel eerst dat je in dergelijke landen zelf goed hebt rondgekeken.

 

Waar waren we gebleven? Oh ja, die krijgers voor de deur. Nou, die krijgen dus niks. Mariska zegt nog dat ze wel een telefoon van hun met ons kunnen ruilen voor eten, maar dan blijken ze toch een stuk minder hongerig. We gaan maar eens op pad naar Blantyre. In onze GPS staat een Scania dealer. Misschien dat die ons aan een geschikte bladveer kan helpen. Maar die blijkt al lang weer verhuisd te zijn, we kunnen hem niet vinden. Wel komen we langs een Ashok-Leyland dealer. Daar dan maar vragen.

Er werkt een blanke man, een zestiger, David genaamd, oorspronkelijk uit Schotland. Bladveren kan hij niet regelen maar hij weet wel waar de Scania zit. Hij stapt bij ons in de Daf en brengt ons erheen. Ook daar kunnen ze ons niet helpen, maar volgens hen kunnen we wel iets laten maken uit een 2e hands veerblad op de automarkt van Limbé, een aangrenzend dorpje. Een lokale man van begin dertig, Enoch genaamd, heeft zelf zijn Scania bus hier bij de Scania dealer voor reparatie staan. Hij is eigen rijder en hij kan nu dus toch niet rijden en gaat met ons mee om te helpen. We gaan er vanuit dat je zijn naam zo spelt, maar het kan ook zijn dat zijn moeder “enough” riep na de geboorte, en hij zo aan zijn naam gekomen is. 

David zetten we weer af bij zijn bedrijf. De automarkt in Limbé is er een van een gigantische chaos. Leuk om te kijken als je niets nodig hebt, maar nu is het even anders. Gestapelde autowrakken op een ondergrond van zand en olie, waartussen allerlei vage figuren rondhangen. Er omheen een wirwar van straatjes met hutjes en hokjes volgestapeld met auto-onderdelen. Zoals altijd in Afrika zijn de straatjes opgedeeld in het type onderdelen waarin ze voorzien. Zo heb je een straatje met startmotoren, een straatje met elektronica, en wij moeten zijn bij het straatje met de bladveren. Dat is gelukkig direct vooraan. Een hele rij vierkante betonnen hutten zonder ramen en zonder licht, volgestapeld met gebruikte bladveren. Niks gerangschikt natuurlijk, zo alles op elkaar gekwakt. We parkeren de Daf langs het plein met autowrakken, en een groep van zo’n dertig mannen stormt op ons af. Wat we hebben willen. Mariska blijft achter in het woongedeelte en bekijkt alles vanaf veilige hoogte. Enoch en Jan gaan op zoek. Ze spitten de schuurtjes door, met behulp van een zaklamp om bij klaarlichte dag toch binnen nog iets te kunnen zien.

Uiteindelijk vinden ze twee bladveren die dezelfde dikte en breedte hebben, maar iets langer zijn. De uiteinden moeten dus iets ingekort worden en opnieuw opgekruld. Ze willen weer eens in één klap rijk worden aan de mzungu (blanke). De ene vraagt 90.000,- Malawi Kwacha (175,- euro), de ander 70.000,- (135,- euro). En dan is dit al na flink onderhandelen. Voor de (de-)montage van de bladveer rekenen ze 20.000,- Kwacha, en ze willen direct al beginnen. Jan  spreekt met ze af dat hij zelf de bladveer (de-)monteert, en dit ergens anders doet. Het is al een uur of drie en we zien aankomen dat ze het nooit vandaag klaar kunnen krijgen, en dan staan we te overnachten in een lekker wijkje. Voor 50.000,- Kwacha (zo’n 95,- euro, dus veel te duur) moeten zij dan morgen de andere bladveer maken, inclusief nieuwe bronzen glijbussen.


Binnen in deze hokjes liggen nog honderden bladveren.

 


Jan haalt het bladveren pakket onder de DAF vandaan.

We rijden samen met Enoch naar een lodge in Blantyre, Doogles genaamd. Volgens de Lonely Planet kun je hier ook kamperen. Maar er zit een nieuwe eigenaar op, ook weer een blanke, en die heeft kamperen afgeschaft. Toch proberen we het bij de manager, waar we erg lang op moeten wachten. Ondertussen drinken we maar een biertje aan de bar. Hoewel het daar eigenlijk veel te fris voor is. Na wat gezeur en gedoe mogen we op de parkeerplaats overnachten  en werken aan de auto.

Jan heeft de bladveer er al onder vandaan als Enoch de volgende ochtend komt. Samen gaan ze met de gebroken veer en de nog goede onderliggende bladveer, voor de maat, naar Limbé. Eerst zo’n kilometer langs het spoor slenteren om bij de standplaats van de dalla dalla’s te komen, de levensgevaarlijk idiote taxibusjes. Met zo’n busje, die om de haverklap stopt, en daartussen volgas rijdt, alle verkeersregels negerend en luid toeterend en alsmaar schreeuwend zich door het verkeer baant, rijden ze naar Limbé, waar ze om tien uur ’s ochtends al aankomen. De grappenmakers daar hebben voor het gemak de geselecteerde bladveer maar weer tussen de anderen gesmeten. Het gezoek begint dus weer opnieuw, en nog eerst in het verkeerde schuurtje ook.

Als dan eindelijk de bladveer terug gevonden is, begint het ruwe Afrikaans werk. Jan ergert zich dood. Ze hebben niet veel in Afrika, en kunnen op een inventieve manier nog best wat met wat ze hebben, maar het gaat allemaal zo ruw, zo grof en zo onbezonnen. Met normaal nadenken kun je in minder tijd een veel beter resultaat hebben, ook met minimaal gereedschap. Zo hebben ze geen meetlint en vergelijken ze de afstand van het hart van de oude bladveer tot het einde, met die van de “nieuwe” op het oog, om te bepalen hoeveel er af moet. Daarom zie je in Afrika dus zoveel bussen en vrachtwagens scheef over de weg gaan, waarbij je recht van voren of achteren alle banden naast elkaar ziet. In het hart van de bladveer zit een centreergat, waarmee de as gecentreerd onder de bladveer komt te zitten. Als je dus de voorste krul niet op de juiste afstand van dit gat legt, zit de vooras er scheef onder.

Gelukkig heeft Jan een rolmaat meegenomen, maar ook daar kunnen ze niet mee overweg. Onze bladveer is minder bol gebogen dan de “nieuwe”, en de slimmeriken meten gewoon loodrecht van het centreergat tot het oog, terwijl om goed te meten je de neutrale lijn over het materiaal aan moet houden. Dat scheelt zo ruim een centimeter. Jan doet het voor, legt het uit en geeft ook aan hoe ze de lengte kunnen uitzetten die nodig is voor de krul. Maar van pi * D op de neutrale lijn hebben ze natuurlijk nog nooit gehoord. En natuurlijk willen ze niks aannemen van die domme mzungu, hoe die het ook op een papiertje en in het zand opschrijft. Ze doen dit werk al jaren, het gaat altijd goed... Jan is er klaar mee en zegt dat hij alleen betaald als de veer exact de lengte krijgt als de oude.

 

En daar gaan ze aan de gang. Een oude knar wijst de plek aan waar de veer moet worden ingekort, aan beide zijden. Bij het hutje ernaast hebben een grote haakse slijper, met een slijpblad zo dik als een afbraamschijf, en met hakkels. Daarmee slijpen ze direct beide zijden door, i.p.v. eerst 1 zijde, zodat je een eventuele afwijking gelijk kunt corrigeren op de andere zijde. Afbramen na het slijpen hebben ze nog nooit van gehoord. Jan wijst ze erop, dat die dikke braam straks de nieuwe bronzen bussen in de weg zit als deze er in geperst moeten worden, maar dat is allemaal flauwekul.

Het ene uiteinde van de bladveer gaat op het vuur. Er wordt nog een zak houtskool over uit gestort, en met een elektrische ventilator jagen ze het vuur flink hoog op, tot het uiteinde roodgloeiend wordt. Ondertussen heeft iemand een koeienkop in een grote pan met water bij op het vuur gezet. Het stinkt enorm. Tegelijk worden ook nog wat rubbers van een andere bladveer uitgebrand wat de stank niet minder maakt. De roetdelen hiervan komen weer als kruiden op de koeienkop. Als het uiteinde heet genoeg is, neemt een man, die als enige dit speciale werk doet, de bladveer en legt het roodgloeiende uiteinde op een stuk spoorrails, dat op zijn zij op de grond ligt. In de groef van de spoorrails slaat hij het uiteinde rond, een stalen as wordt er in gelegd als vorm. Noester ouderwets smeedwerk dus. Wel is het lastig om op het oog de krul er recht in te krijgen. Beide uiteinden moeten straks natuurlijk wel parallel zijn.

Het is telkens een karweitje van verhitten en slaan. En ze doen ook tegelijk de andere zijde maar. Bij nameten blijkt de maat, zoals voorspeld door de domme mzungu, niet te kloppen. Gelukkig te lang, niet te kort, dan kun je weer een andere bladveer zoeken. Gemakzuchtig als ze zijn willen ze de krul gewoon iets verder opkrullen om tot de juiste lengte te komen. Met papier kun je dit doen, maar met 14mm dik staal, wordt de krul dus ook erg dik, waardoor de auto aan één zijde flink hoger komt te staan. Als ze dit gedaan hebben blijkt de veer ook helemaal niet meer in de ronding van de 2e veer te passen, die Jan voor de maat heeft meegenomen.

Prutswerk 1e klas. Nu moeten ze met die dikke slijper proberen een stukje krul weg te slijpen, om hem daarna weer sluitend te maken. En dan dus ook aan beide zijden. Dit verhaal duurt dus de hele dag. Zelf hadden ze liever de 2e veer passend gemaakt op de foute, maar Jan gaat er niet mee akkoord. Ze zwoegen en ploeteren, terwijl het zoveel makkelijker had gekund. Maar ja, “this is Africa...” Nu maar hopen dat door al dat verhitten de veerkracht in het materiaal niet verloren is gegaan.

 
Enoch maakt met zijn mobieltje een paar foto's,
van het koken "op" de bladveer...

 


...en van het rond hameren van de
uiteinden in treinrails.

Ondertussen wordt er flink verder gekookt op het vuurtje. Als de koeienkop gaar gekookt is, wordt er n’sima op gemaakt. N’sima is het lokale gerecht. Een smaakloze brei van maïsmeel, dat drie keer per dag gegeten wordt, met vrijwel altijd een tomaten-ui sausje. Als ze geluk hebben met wat kip of vis, maar nu dus met een heerlijke koeienkop. Ze vragen of Jan ook mee-eet, maar als je het ziet heb je echt liever honger.

Terwijl ze zo bezig zijn, of eigenlijk is er één bezig en staan er zo’n twintig man omheen, vragen ze Jan of hij in God gelooft. Jan heeft geen zin om een potje te staan liegen, hoewel dat vaak wel makkelijker is. Hij legt uit dat hij gelooft in evolutie en in wetenschap, en niet in God of de bijbel. Daar snappen ze niets van. Ze bestoken Jan met allerlei vragen, die stammen uit de tijd dat mensen inderdaad bepaalde dingen niet konden verklaren, en ze aan een god toeschreven. Hoe is dan de aarde ontstaan, waaruit bestaat de zon, hoe komen de sterren aan de hemel, hoe zijn bergen gevormd? Ze schudden maar met hun hoofd als Jan hierop antwoord geeft. Ze wisten zelfs niet dat de zon stilstaat, en de aarde er omheen beweegt. Ongelofelijk. En ondertussen lopen ze rond met hun hypermoderne mobieltjes.

Als de bladveer eindelijk zo goed als aan de maat is, en in de andere veer past, blijkt dat ze helemaal geen nieuwe bronzen bussen hebben. Het is vandaag zondag, en de draaiers die bussen draaien hebben vrij. Lekker is dat. Jan heeft geen zin om hier een dag op te wachten, dus ze slaan de bussen uit onze gebroken veer, en proberen die in de “nieuwe” te passen. Dat is eerst veel te ruim, dus moet er weer verhit en gehamerd worden. Het is al dik 17:00 uur als ze eindelijk klaar zijn. En dan moet er nog weer gebakkeleid worden over de prijs. Ze hadden 15.000,- Kwacha gerekend voor de nieuwe bussen, dus Jan wil dit van de prijs af. Maar natuurlijk willen ze niet meer toegeven dan 5.000,- Kwacha. Je kunt geen eerlijke zaken doen met Afrikanen. Telkens is het  hetzelfde liedje. Afspraken niet nakomen, dingen beloven die ze niet waar kunnen maken, maar wel forse bedragen rekenen. Het is laat, de veer moet er nog onder, dus Jan laat het erbij, 45.000,- Kwacha (87,- euro) voor een veer en een dag (leed)vermaak. Weer met de dalla dalla terug dus, en nu maar iemand ingehuurd om mee te helpen de zware veren langs het spoor terug te sjouwen.

Om de veer er weer onder te krijgen is nog een heel gedoe. Inderdaad liggen de beide krullen niet precies parallel, waardoor het moeilijk is de pennen er in te krijgen. Normaal glijden die er zo in, maar nu moeten ze met grof geweld er ingeslagen worden, terwijl het moeilijk is om een slag te maken aan de onderzijde. Maar het lukt, en de wagen staat nog redelijk recht ook. Helemaal mooi aanliggen tegen de 2e veer doet het veerblad niet. Maar hopen dat het houdt. Jan brengt op de motor Enoch naar huis, die zeven kilometer verderop woont. Enoch draagt geen helm, en de stad wemelt van de politie. Gelukkig gaat het goed. Als dank geven we Enoch 10.000,- Kwacha, zo’n twintig euro, en hij is er erg blij mee. Jan is nog net op tijd terug om te douchen en in de bar tijdens het eten om 21:00 uur de finale van het WK voetbal te kijken. En natuurlijk is het weer Duitsland dat wint.

 

Ondertussen is Mariska op stap geweest met David en zijn vrouw. Ze wisten dat we bij Doogle’s stonden en kwamen langs om Mariska wat van de stad te laten zien en uit te nodigen bij hen thuis, samen met nog wat vrienden. Erg aardig. Het zijn nogal kleurijke mensen, in letterlijke en figuurlijke zin. De vrienden zijn typische Engelsen, dik en vol tattoo’s. Maar wel erg aardig. Zijn vriend heeft 14 jaar in Thailand gewoond, en dus ook een Thaise vrouw, die er niet bij is, omdat ze ziek is. Zijn zoon, ook al vol plakplaatjes, is er ook, en is 100% Engels zo te zien. Ook David heeft op verschillende plekken in de wereld gewoond. O.a. met zijn toenmalige Engelse vrouw in Nigeria. Ook heeft hij lange tijd in Saudi Arabië gewoond, waar hij handelde in whiskey. Hij voerde containers in met in de achterste helft whiskey, en in de voorste helft generatoren. Gevaarlijke handel, er staat de doodstraf op. Hij verkocht de whiskey aan scheinheilige moslims. Tot hij zich op een gegeven moment voorstelde aan een vreemde, die bij het horen van zijn naam meteen over whiskey begon. Daarop heeft hij halsoverkop het land verlaten.

In zijn huis hangen mooie foto’s van hem tijdens de Manx TT, de roemruchte jaarlijkse motorrace op The Isle of Man. Vier keer heeft hij er aan meegedaan, van 1969 t/m 1972. Daarbij twee keer een ernstig ongeluk gehad. De 2e keer lag hij op zesde positie toen hij het ongeluk kreeg. Met verschillende breuken afgevoerd per helicopter. O.a. 3 kleine breuken in zijn wervelkolom, en zo 17 dagen in coma gelegen. Na dit ongeluk praat hij wat moeilijk, hij is slecht te verstaan. Ze hebben mooie verhalen te vertellen dus. David heeft nu een vrouw uit Malawi. Zij heeft 2 kinderen. In Engeland heeft David drie zoons van zijn eerste vrouw, getuige de foto’s van blonde ventjes aan de muur.

Hij huurt het huis van een dikke zwarte vrouw, “the landlord”. Ze is er toevallig, gisteren gekomen uit de hoofdstad Lilongwe. Ze is blijven slapen, omdat ze een feestje hadden gehad, en zat toen Mariska binnenkwam nog heerlijk met een vriendin te ontbijten, met patat!!!! Als kadootje heeft de landlord een levende kip meegenomen, die nog in een doosje op het aanrecht staat.

Mariska eet ’s middags mee van de maaltijd die Davids vrouw gemaakt heeft. Rijst met saus en gegrilde kip. Het is de kip die net nog levend in het doosje zat. De kinderen hebben het geslacht. Lekker vers dus, maar toch ontzettend taai. Volgens hen is snelgroeiende supermarktkip mals, maar dit is een echte Afrikaanse kip die overal wat tussen het afval rondgescharreld heeft. Ze noemen het “black chicken”. Het overige eten is ook echt Afrikaans. Het knarst, dus er zit zand in. De verse papaya na, uit eigen tuin, vindt Mariska nog het lekkerst.

Het is erg gezellig, en tegen 16:00 uur brengen David en zijn vrouw Mariska weer terug naar de Daf. David zei nog dat we maar even op zijn volledige naam en Ghana moeten Googelen. We doen dat later, en zien dat hij een levenslange gevangenisstraf in Ghana heeft gekregen wegens een vermeende miljoenen drugssmokkel, samen met vrienden. Na twee jaar is hij vrijgelaten omdat hij onschuldig zou zijn. Het ware verhaal weten we niet. Maar twee jaar in de bak in Ghana lijkt ons al niet echt een pretje.


Ondertussen bekijkt Mariska de vogeltjes en
gaat met David mee op pad.

 


Thee plantage.

MAANDAG 14 JULI 2014
Jan laat ’s morgens bij de buurman nog even de gebroken bladveer lassen, als reserve. Een bladveer is niet echt geschikt om te lassen, maar beter iets dan niets. We weten niet hoelang onze “nieuwe” het zal uithouden, en waar we dan stranden. Dan moeten we nog wat tanken en komen we erachter dat diesel hier wel erg duur is, 1,65 euro per liter! Stom stom stom, hadden we nu maar meer getankt in Zambia, dan kwamen we makkelijk dit kleine landje door zonder te tanken. Maar in Zambia was het ook al 1,20 euro/liter.

Betalen met creditcard kan hier niet bij tankstations, dus we moeten eerst contant pinnen bij een bank. Het grootste briefje dat ze hebben is 1000,- Kwacha, nog geen twee Euro. Dat schiet op zeg!. Met al onze zakken vol bankbiljetten verlaten we het pinhokje. Bij het tankstation moeten we 182.000,- Kwacha betalen, en we leggen de 182 briefjes in stapeltjes van tien op een grote diepvriezer in tankstation winkeltje. Het hele deksel vol. Die lui hier kunnen razendsnel geld tellen, terwijl ze ondertussen met je praten, maar wij staan er nog altijd mee te knoeien. We rijden richting Thyolo. Daar is het rondom één en al theeplantage. Een erg mooie omgeving. We vinden langs een redelijk rustige weg een inham tussen de theeplantages, tussen wat bomen. We staan er al bijtijds. Het is wat fris om buiten te zitten, maar met de deur open zitten we binnen, en genieten van het uitzicht.

Er lopen aardig wat mensen langs, plukkers en andere verzamelaars. Gelukkig bemoeien ze zich niet met ons. Totdat we een auto naast ons horen stoppen en claxonneren. Nee he, toch iemand die ons weg komt jagen? Dan horen we een vriendelijke stem roepen, in het Nederlands! Het blijkt Michel te zijn, een in Malawi geboren Nederlander, die manager is van de theeplantage. We maken een praatje over van alles en nog wat, en hij vind het prima dat we hier staan, en we zijn van harte welkom om morgen te wandelen over de enorme plantages. Leuk!

Dat doen we dus de volgende ochtend direct na het ontbijt. We maken een flinke staptocht over de heuvelachtige plantage. Sommige stukken zijn al aangeplant in de jaren dertig van de vorige eeuw. Volgens Michel is de thee hier van inferieure kwaliteit. Het landschap ligt te laag, waardoor de thee te snel groeit en geen goede aroma ontwikkelt en het blad teveel chlorofyl bevat. Deze thee wordt vermengd met thee uit onder andere Ceylon en Kenia. De plantage is enorm, en er liggen nog mooie stukken origineel bos tussen.

 

Na deze wandeling rijden we naar Mt. Mulanje. De hoogste berg van Malawi. Je schijnt er mooi te kunnen wandelen, maar het is weer hetzelfde liedje als in heel Afrika. Je mag niet alleen wandelen, zelfs niet naar de dichtstbijzijnde waterval, op zo’n 15 minuten lopen vanaf de parkeerplaats. En hoewel Malawi nog heel betaalbaar is, moet je hier weer voor alles betalen. De parkeerplaats betaal je zelf per ton autogewicht! Welliswaar maar 50,- eurocent per ton, maar toch. We hebben geen zin om te wandelen met zo’n praatgraag naast ons, dus rijden maar wat verder, om ergens te bushcampen. Het waait hard en het is echt koud. We zitten aan de warme chocolademelk!

De dag erop staan er nog wat gidsen rond de deur die ons willen overhalen om toch op de berg met hen te gaan wandelen, maar we hebben er geen zin in. We gaan wel weer wandelen in normale landen, waar we alleen ons pad kunnen zoeken. Lekker makkelijk in de Westerse wereld. We rijden een erg mooie route. Het is er ook minder bevolkt dan de rest van Malawi. Onderweg zien we verschillende “inselbergen” liggen, waaronder Mt. Mulanje.

Bij lake Malombe zien we een mooi plekje om te bushcampen direct aan het water. Het is nog lekker vroeg in de middag, dus willen we een beetje buiten zitten. Boekje lezen en van het uitzicht genieten. Helaas, niet mogelijk. We trekken gelijk weer drommen mensen aan. Ze kunnen niet alleen even komen kijken en gedag zeggen, maar blijven op een veel te korte afstand naar ons staan loeren. En giechelen, en natuurlijk schreeuwen. Een stuk of veertig zijn het er, en ze houden dit de hele middag vol, tot het donker wordt. We ergeren ons gruwelijk. Een heerlijk middagje op een mooi plekje verknoeid. Het is duidelijk dat deze mensen geen flikker te doen hebben, anders liepen ze nog wel een keer door. Maar als je toch alles aangereikt krijgt door Europa en de VS, dan heb je toch mooi tijd om een middagje naar blanken te loeren?

Omdat bushcampen in dit deel van Afrika dus niet te doen is, rijden we de dag erop door naar Cape McClear. Een dorpje aan het Malawimeer dat uitpuilt van de accommodatie en toeristen. We vinden en geschikt plekje bij een eenvoudige “lodge” die door een Zuid-Afrikaanse gerund wordt. Hier blijven we vier dagen staan.

We krijgen er zowaar een vakantie gevoel. We luieren er wat op het strand (in de schaduw!). Eten elke dag bij de lodge tot we de hele menukaart kennen. Dit kost overigens veel tijd. In de middag, als we op dat moment de enige gasten zijn, bestellen we een tosti banaan. Hoelang zal de bereiding daarvan duren? Toch neemt het een uur in beslag. Maar goed, we hebben de tijd. Verder kletsen we wat met de andere gasten die af en aan komen. Ook wel weer eens gezellig. Hoewel, er zit een jonge Duitser bij, pas afgestudeerd in sociale economie (kan dat?) en naar eigen zeggen aardig bereisd. Wij deden ons beklag dat de wereld zo druk bevolkt is, dat het zo niet langer kan. Maar volgens dit hulpverlenertje in spé kunnen er nog makkelijk 1 à 2 miljard mensen bij... Waar heeft die gereisd, op de noord- en zuidpool???


Ze kunnen uren naar ons kijken, maar zo gauw je met een fototoestel
komt, weten ze niet hoe hard ze moeten wegrennen.

 


bootje op lake malawi

Jan huurt nog een middagje een kayak en peddelt naar een eilandje dat voor de kust ligt. Hij heeft één van onze snorkelsetjes mee, want er schijnen mooi gekleurde cycliden te zitten. En dit is inderdaad zo. Prachtige gekleurde visjes, meestal niet groter dan een centimeter of tien. Knalgeel, wit-zwart gestreept en felblauw. Allerlei variaties. Erg mooi.

Op het strand lopen veel mannetjes die allerlei houtsnijwerk, sieraden en schildertafereeltjes verkopen. Ze maken het zelf hier in het dorp, maar helaas is het meer van hetzelfde. Al vanaf Senegal zien we weinig variatie in de souvenirs die ze aanbieden. Een mannetje maakt van afvalpapier weer “nieuw” papier. We kijken hoe hij het doet en kopen een paar zelf gemaakte ansichtkaarten van hem.

Bij de lodges mogen de mannetjes niet komen, daar ben je veilig, maar op het strand zitten ze je soms behoorlijk achterna. Ventjes van een jaar of twaalf hebben uit oude jerrycans en ander spul muziekinstrumenten gemaakt en vormen zo “boy bands”. Voor een habbekrats spelen ze hun repertoire. De eerste keer klinkt dat echt erg grappig, maar ook dan blijkt al snel dat ze allemaal hetzelfde korte repertoire hebben. Mooiste liedje was toch wel “Who let the mzungu out” op de wijs van “Who let the dogs out”.

De vissers hier vissen vanuit hun boomstamkano’s, hier in de lokale taal Bwato’s genoemd. Deze boomstamkano’s zijn anders dan die we tot nu toe gezien hebben in Afrika. Deze zijn helemaal weer naar binnenlopend aan de bovenkant, met slechts een twintig tot dertig centimeter brede opening. Je kunt er dus niet geheel inzitten. Ze zitten op de rand van de kano, met hun benen er in. En in de kano liggen natuurlijk hun visnetten. Jan zegt dat hij zo’n ding wel mooi vindt als souvenir. Dat vindt Mariska ook wel, maar ze neemt Jan niet serieus. Tot Jan een knaap een meetlint meegeeft en zegt dat hij eens een kano op moet zoeken die niet langer is dan 2,5 meter. Langer kunnen we niet meenemen.

Het duurt een tijd en de knaap komt terug met de melding dat hij er een gevonden heeft. Jan loopt met hem mee. Dat is nog een heel eind, tot de rand van het dorp. Daar ligt het strand vol met wel honderd kano’s. Ertussen dapper een wat kleinere, volgepakt met een visnet. Het ding blijkt 2,6 meter lang te zijn, maar dat moet lukken. Het is een mooie, ziet er nog erg goed uit, net twee maanden oud.

 

Dan begint nog een lange onderhandelingsstrijd met de eigenaar. Die wil er 180,- USD voor hebben. Maar Jan weet de prijs omlaag te praten tot 80,- USD. Zo’n 60,- euro dus. Een mooi prijsje. Inmiddels was het al donker geworden, en de jongens beloven de kano de volgende dag bij onze lodge te brengen, en te helpen met het ding op het dak van de cabine te hijsen. Dat zit bij de prijs in.

De volgende ochtend komen ze inderdaad met het ding aan gepeddeld. Jan probeert zelf ook nog even te roeien, maar zo gauw hij op de kano klimt, ligt hij ook al ondersteboven in het water. Het lukt niet. Van een Nederlands gezin dat ook bij de lodge verblijft wil pa en schoonzoon het ook wel proberen, maar ook zij kieperen zo om. Een klein ventje dat staat te kijken doet het ons wel even voor, en peddelt zo een rondje. Waarschijnlijk is de kano gewoon veel te klein voor ons. En misschien was hij vrij goedkoop omdat de eigenaar er zelf ook regelmatig mee omkieperde. Ons maakt het niet veel uit, we gaan er toch niet echt mee peddelen, maar het wordt iets als een kast of zo, voor thuis. En als het ding al half verrot is als we in NL zijn, dan wordt het wel een plantenbak.

Jan koopt voor een paar knaken er nog een originele peddel bij en een oude autoband. Uit de autoband snijdt hij stukken rubber die tussen het dakrek en de kano komen. Met een paar sjorbanden zit het ding stevig vast. Nu maar hopen dat het spul blijft zitten op de slechte wegen, en dat de cabine ook heel blijft.

En hopen dat ze aan de grenzen niet moeilijk doen. Vooral Europa in. Fout hout?


Deze "bwato" nemen we mee als souvenir.

 


Opvoedkunde in Malawi: zo hoort het.
Je moet poepen op de krant!
Als je het maar vaak genoeg verteld, moet het lukken.
Ons huisdier-varkentje, Smekkie, heeft het ook geleerd!

 

 

Malawi deel 2