Malawi deel 1
|
DONDERDAG 10 JULI 2014 De grensovergang gaat in ieder geval soepel. Bij
aankomst wel wat vervelende ventjes die aan je kop zeuren om geld te
wisselen, want we zouden volgens hen van alles moeten betalen, zoals
verzekering en roadtax. We wimpelen ze zoals gewoonlijk af. Eerst maar
eens zien wat we werkelijk zouden moeten betalen. In landen als Malawi
kun je in de grote steden gewoon pinnen met je eigen bankpas en die
koers is doorgaans een stuk beter dan die van de straathandelaartjes. En
dan heb je ook niet al dat gezeur er omheen en het eindeloos natellen
van die vieze flappen. De grensformaliteiten gaan erg gemakkelijk. We
hebben geen visum nodig en krijgen 30 dagen gratis gestempeld in ons
paspoort, te verlengen tot 90 dagen. In de auto hoeven ze niet te
kijken, en de Carnets worden ook probleemloos gestempeld. Er is nog een
hokje met een kassa en een sticker op de ruit “Pay your roadtax”. Die
slaan we maar over. Onze ervaring is dat je met een vreemd kenteken en
10 ton op je kentekenbewijs daar in dit deel van Afrika niet erg gunstig
wegkomt. Buiten komt er nog een mannetje achter ons aan dat
we verzekering moeten hebben. We zeggen dit al te hebben, en dat vind
hij oké. We rijden naar de slagboom, waar ons gevraagd wordt om de
“gatepass”. Die hebben we niet, maar we laten zien dat we alle stempels
hebben. Toch moeten we weer terug een gatepass halen. Dan zullen we wel
eerst roadtax moeten afrekenen. Maar de man die onze Carnets gestempeld
heeft geeft ons een gatepass, en zo zijn we erg goedkoop Malawi in. Dan
voelt een Hollander zich weer goed! In de Lonely Planet staat dat er direct na de grens
een politiecontrole is waar ze op verzekering controleren. Deze keer
liegt het boekje niet, ze staan er. Maar ze hebben een Zuid Afrikaanse
motorrijder aangehouden, die al lang voor ons de grens was gepasseerd.
En ze zijn nog zo druk met hem dat wij zo door kunnen rijden. |
Mooie bergen in Malawi. |
|
Stenen bakkerij. |
Zo’n 20 kilometer voor de hoofdstad Lilongwe slaan
we een zandweg in. We hopen ergens in de buurt van Dedza uit te komen.
Zo zijn we weer van de saaie asfaltwegen af, en hopen we de drukte van
de hoofdstad te Toch grappig hoe je in elk land weer andere dingen ziet.
Toch zijn de verschillen in Afrika, tussen west en oost eigenlijk niet
zo heel groot. Wat wel een groot verschil is hier in Malawi, is dat
vrijwel alle huizen en hutten gebouwd worden uit eigengemaakte rode
baksteen. En omdat de bevolking zo enorm toeneemt lijkt het wel of
werkelijk iedereen bakstenen aan het maken is voor nieuwe huizen. Ook
metselen ze er enorme muren van, waar we niet al te dicht naast durven
te parkeren, zo stevig ziet het er uit. Ze overdrijven het een beetje met die bakstenen,
maar het ziet er wel beter uit dan die golfplaat hutjes. Tot er rond 00:15 een paar idioten op de cabine
staan te rammen. Eerst reageren we er maar niet op, tot de hele
vrachtwagen beweegt, ze hangen aan de spiegels om in de cabine te
kijken. Via het wc-raam kijkt Mariska maar eens naar buiten en vraagt
wat ze willen. Het zijn twee mannen in een militair pak, natuurlijk met
AK47 op de rug, en één in burger kleding.
|
|
We geloven er geen barst van dat de eigenaar van de
akker bang is. Iedereen zwaait altijd naar ons, en als we uitstappen
komen ze er altijd aan handje schudden e.d. Ook deze man heeft ons vast
al wel gezien toen we nog buiten voor de deur een boekje zaten te lezen.
Hij wil gewoon sensatie. Ze zullen het met de eigenaar van de grond
bespreken, maar als die het er niet mee eens is moeten we alsnog
vertrekken. De militairen komen niet terug, maar voor ons is het ondanks
de rust nu nog lastig om de slaap weer te vatten. ontlopen. Die Afrikaanse grote steden, daar hebben
we niet zoveel mee. Het land blijkt inderdaad erg druk bevolkt, en het
krioelt van de paden. Zelfs met de GPS is het nog een heel gezoek welk
pad we hebben moeten. Op marktjes staan ze zelf gesneden patat en wedges
te frituren. Hiervoor hebben ze in een dunne metalen plaat een kom
uitgeklopt. Deze zit bevestigd op een gammel houten frame. Op de plaat,
die nooit schoongemaakt wordt, liggen de gesneden aardappelen. Onder de
kom gloeiend houtskolen, erin borrelend vet en de patat. Jan bestelt een
zakje. Ze doen de friet in een boterhamzakje, gooien er wat zout bij in
en schudden het zo door elkaar. Hoewel het veel te vet is en wel wat
langer had mogen bakken, smaakt het eigenlijk best. |
Hout transportje. |
|
Potten bakkerij. |
Als we de volgende dag weg willen, wil de Daf niet
starten, hij geeft geen sjoege. Jan meet wat dingen na, en komt al snel
tot de conclusie dat een accu-pool is losgetrild. Helaas heeft het ding
daardoor al een tijdje vonken lopen trekken, en is de helft van de pool
al weggevreten. Hij krijgt de klem er toch weer vast genoeg op, dus we
kunnen al snel weer verder. Hopen dat het houdt, want de accu’s zijn nog
veel te goed om te vervangen. Nu zijn ze in Afrika wel inventief, en
gieten ze er zo weer een nieuwe pool op. Voorlopig, zolang het gaat,
doen we er niks aan. We hobbelen over een wirwar van zandpaden. Soms op
de goede, en soms op de verkeerde. Maar al te vaak is de aangegeven
route op de GPS veel kleiner dan een ander pad, en moeten we omkeren. We
rijden vlak langs de grens met Mozambique, en via die zandpaden rij je
daar ook zo in. We zien telkens de grensstenen staan. Irritant is dat sommige dorpelingen op onverwachte
plekken zelf erg steile drempels in de weg hebben gelegd. Dus weer zien
we er één over het hoofd en we klappen er vol over. Bah, dat voelt niet
lekker. Later tijdens een plaspauze ziet Jan dat linksvoor de bovenste
bladveer geknapt is. Dat is de bladveer die na het ongeluk in Congo
gelast is, maar hij is nu op een andere plek geknapt. Gelukkig aan de
scharnierende zijde vlakbij de klem, waardoor de vooras op positie is
gebleven en de boel nog een beetje aan elkaar blijft zitten. Niets aan te doen nu. We hobbelen nog zo’n dertig
kilometer verder, tot we bij Dedza het asfalt bereiken. Daar bezoeken we
een pottenbakkerij. Voor 5,- USD krijgen we een rondleiding van een
enthousiaste medewerker die ons werkelijk alles uitlegt. Erg
interessant, en de boel is mooi opgezet en goed georganiseerd. Ze maken
ook best mooi en grappig spul. Van de porseleinen klossen op de
elektriciteitspalen, tot hele serviezen, grote potten maar ook vloer- en
wandtegels. Jammer weer dat de hele boel door een Europeaan is
opgezet, en nog steeds door hem gerund wordt. Mooi dat dit werk biedt
aan de lokalen, maar naïef als we zijn, hopen we nog steeds een keer op
zoiets te stuiten dat een Afrikaan zelf heeft opgezet en runt. Waarom,
waarom, waarom kunnen ze dat niet??? Ook al werken ze al jaren in zo’n
bedrijf, nog gaat het niet goed als ze de leiding over nemen. Maar goed, het is er leuk, de mensen zijn
enthousiast en ze hebben een mooi restaurantje met prachtig uitzicht
waar we heerlijk eten. Ergens tussen Dedza en de grote plaats Blantyre
vinden we in een zijpad van de M1 een rustige overnachtingsplek. Morgen
willen we zien of we in Blantyre een andere bladveer kunnen krijgen. |
|
Vanaf 7 uur is het al weer druk voor de wagen.
Allerlei kerels lopen er rond en ze zitten overal aan. Als Jan zijn
gezicht laat zien is het eerste dat één van de kerels vraagt of we wel
een vergunning hebben om hier te staan. Zucht, weer dat gezeur. Wat is
dat toch hier in oost Afrika? Zwarte vrachtwagenchauffeurs staan overal
langs de weg, maar wij zijn telkens de klos met een hoop onzin. Dit zijn weer eens niet de zieligerds die je kent
uit de Afrika-TV-spotjes. Niet die arme kanslozen. Dit zijn weer de
gewone luie nietsnutten die liever onder de boom zitten en dan bij de
blanken lopen bedelen dan dat ze zelf een poot uit steken. Verpest door
al die Europese en Amerikaanse hulporganisaties die menen permanent de
Afrikanen te moeten onderhouden. Malawi zit er helemaal vol mee. Om de
paar kilometer staat er wel een bordje “Funded by:
USAid, UKAid, IrishAid, Sweden, EU, The Netherlands, WorldVision,
World Bank, Oxfam Novib, Unicef en ga zo maar door. En een welwillend
volk zal die hulp graag aannemen en er het beste van willen maken, maar
op de meeste Afrikanen die wij nu hebben ontmoet heeft een totaal
averechtse uitwerking. Stoppen met die structurele hulp! We worden er
echt niet goed van. Het zijn allemaal nog steeds krijgers, ze denken dat
ze alles kunnen krijgen. En de missieposten doen er ook nog een schepje
bovenop. Ze hebben in dit land grote reclameborden neergezet met de
tekst: “Ask, and you will get it”. Dit heeft een bijbelse bedoeling,
maar wordt door die paar Afrikanen die de moeite hebben genomen te leren
lezen heel anders opgevat. Deze heren, allen wel doorvoed, allen met een
smartphone, Chinese motor en een (nep?) gouden ketting hebben echt geen
honger. Tenminste niet naar voedsel, maar een honger naar op een
gemakkelijke manier aan geld komen. En belastinggeld dat gedoneerd wordt aan deze
landen mag ook meteen stopgezet worden. Onlangs zagen we nog een
weegbrug, gedoneerd door de EU. Moet dat werkelijk van onze
belastingcenten? Kunnen we dat geld misschien niet beter gebruiken om
ons te weren tegen bijvoorbeeld de IS, een groep die óns een andere
levenswijze wil opdringen? Of aan ons eigen zorgstelsel, wat alleen maar
duurder en duurder wordt? |
Mensen uit Malawi zijn écht niet het zelfde als mensen uit Europa (traditionele dansers voor speciale feestjes). |
|
We kunnen Afrika net zo goed een onderdeel van de EU maken. Dan kunnen ze mooi de post voor ons bezorgen. |
En die hypocriete toeristen die graag de
authentieke volkeren willen zien, en het zo jammer vinden dat die
verdwijnen, maar ondertussen via uit de Lonely Planet gevonden ecolodges
onder het mom van “give something back” schooltjes sponsoren. Je gaat
toch zeker zelf ook niet met je Havo-diploma in een berevel als een
Batavier in een hutje op de Veluwe wonen? Waarom dan wel een Himba, een
Massai of een Mursi dit opdringen? Waarom moeten we überhaupt de Afrikanen een ander
leven opdringen? Waarom laten we ze niet met rust, en laten we ze zich
niet ontwikkelen op de manier zoals ze dat zelf willen? Misschien laten
ze ons dan ook met rust. Waarom kan men niet accepteren dat een Afrikaan
niet hetzelfde is al een Europeaan? Dit is niet racistisch, maar volgens
ons gewoon een feit. Een IJslander is ook niet hetzelfde als een
Taiwanees, en een Aboriginal niet als een Mexicaan. We krijgen in Europa
nog niet eens een Griek met de neus dezelfde kant op als een Deen, of
andersom. En die Grieken moeten we ook al volledig onderhouden! En waarom ook? Misschien hebben die Afrikanen het
wel bij het rechte eind. Niet druk maken over de dag van morgen. Lekker
relaxed door het leven. Dingen die je niet begrijpt niet willen
uitzoeken, maar gewoon als goddelijk verklaren. Wordt je ernstig ziek.
Ja, dan ga je dood, dat zullen de goden, God of voorouders wel zo met je
voorbestemd hebben. Overlijdt je kind? Tuurlijk, erg, maar daarom had je
er bij voorbaat ook 12. Vooral als wij in afgelegen gebieden door de
dorpjes rijden zien we mensen die gelukkig zijn, of in ieder geval
lijken. Geen stroom, geen geld, geen rekeningen. Je eigen akker, wat
vee. Water uit een zelf gegraven put. Ze zingen, dansen en zwaaien naar
ons als we langsrijden, meestal zonder hun hand op te houden. En ook die
hebben tijd genoeg over om ’s middags onder de boom te liggen. En in Europa maar stressen. Zorgen maken over
alles. Geld uitgeven dat we eigenlijk niet hebben, aan spullen die we
eigenlijk niet nodig hebben, om indruk te maken op mensen die we
eigenlijk niet mogen. Goed, ons hart weer gelucht. En als je aanmerkingen
hebt op bovenstaand dan horen we het graag, maar zorg dan wel eerst dat
je in dergelijke landen zelf goed hebt rondgekeken. |
|
Waar waren we gebleven? Oh ja, die krijgers voor de
deur. Nou, die krijgen dus niks. Mariska zegt nog dat ze wel een
telefoon van hun met ons kunnen ruilen voor eten, maar dan blijken ze
toch een stuk minder hongerig. Er werkt een blanke man, een zestiger, David
genaamd, oorspronkelijk uit Schotland. Bladveren kan hij niet regelen
maar hij weet wel waar de Scania zit. Hij stapt bij ons in de Daf en
brengt ons erheen. Ook daar kunnen ze ons niet helpen, maar volgens hen
kunnen we wel iets laten maken uit een 2e hands veerblad op
de automarkt van Limbé, een aangrenzend dorpje. Een lokale man van begin
dertig, Enoch genaamd, heeft zelf zijn Scania bus hier bij de Scania
dealer voor reparatie staan. Hij is eigen rijder en hij kan nu dus toch
niet rijden en gaat met ons mee om te helpen. We gaan er vanuit dat je
zijn naam zo spelt, maar het kan ook zijn dat zijn moeder “enough” riep
na de geboorte, en hij zo aan zijn naam gekomen is. David zetten we weer af bij zijn bedrijf. De
automarkt in Limbé is er een van een gigantische chaos. Leuk om te
kijken als je niets nodig hebt, maar nu is het even anders. Gestapelde
autowrakken op een ondergrond van zand en olie, waartussen allerlei vage
figuren rondhangen. Er omheen een wirwar van straatjes met hutjes en
hokjes volgestapeld met auto-onderdelen. Zoals altijd in Afrika zijn de
straatjes opgedeeld in het type onderdelen waarin ze voorzien. Zo heb je
een straatje met startmotoren, een straatje met elektronica, en wij
moeten zijn bij het straatje met de bladveren. Dat is gelukkig direct
vooraan. Een hele rij vierkante betonnen hutten zonder ramen en zonder
licht, volgestapeld met gebruikte bladveren. Niks gerangschikt
natuurlijk, zo alles op elkaar gekwakt. We parkeren de Daf langs het
plein met autowrakken, en een groep van zo’n dertig mannen stormt op ons
af. Wat we hebben willen. Mariska blijft achter in het woongedeelte en
bekijkt alles vanaf veilige hoogte. Enoch en Jan gaan op zoek. Ze
spitten de schuurtjes door, met behulp van een zaklamp om bij
klaarlichte dag toch binnen nog iets te kunnen zien. Uiteindelijk vinden ze twee bladveren die dezelfde
dikte en breedte hebben, maar iets langer zijn. De uiteinden moeten dus
iets ingekort worden en opnieuw opgekruld. Ze willen weer eens in één
klap rijk worden aan de mzungu (blanke). De ene vraagt 90.000,- Malawi
Kwacha (175,- euro), de ander 70.000,- (135,- euro). En dan is dit al na
flink onderhandelen. Voor de (de-)montage van de bladveer rekenen ze
20.000,- Kwacha, en ze willen direct al beginnen. Jan
spreekt met ze af dat hij zelf de bladveer (de-)monteert, en dit
ergens anders doet. Het is al een uur of drie en we zien aankomen dat ze
het nooit vandaag klaar kunnen krijgen, en dan staan we te overnachten
in een lekker wijkje. |
Binnen in deze hokjes liggen nog honderden bladveren. |
|
Jan haalt het bladveren pakket onder de DAF vandaan. |
We rijden samen met Enoch naar een lodge in
Blantyre, Doogles genaamd. Volgens de Lonely Planet kun je hier ook
kamperen. Maar er zit een nieuwe eigenaar op, ook weer een blanke, en
die heeft kamperen afgeschaft. Jan heeft de bladveer er al onder vandaan als Enoch
de volgende ochtend komt. Samen gaan ze met de gebroken veer en de nog
goede onderliggende bladveer, voor de maat, naar Limbé. Eerst zo’n
kilometer langs het spoor slenteren om bij de standplaats van de dalla
dalla’s te komen, de levensgevaarlijk idiote taxibusjes. Met zo’n busje,
die om de haverklap stopt, en daartussen volgas rijdt, alle
verkeersregels negerend en luid toeterend en alsmaar schreeuwend zich
door het verkeer baant, rijden ze naar Limbé, waar ze om tien uur ’s
ochtends al aankomen. Als dan eindelijk de bladveer terug gevonden is,
begint het ruwe Afrikaans werk. Jan ergert zich dood. Ze hebben niet
veel in Afrika, en kunnen op een inventieve manier nog best wat met wat
ze hebben, maar het gaat allemaal zo ruw, zo grof en zo onbezonnen. Met
normaal nadenken kun je in minder tijd een veel beter resultaat hebben,
ook met minimaal gereedschap. Gelukkig heeft Jan een rolmaat meegenomen, maar ook
daar kunnen ze niet mee overweg. Onze bladveer is minder bol gebogen dan
de “nieuwe”, en de slimmeriken meten gewoon loodrecht van het
centreergat tot het oog, terwijl om goed te meten je de neutrale lijn
over het materiaal aan moet houden. Dat scheelt zo ruim een centimeter. |
|
En daar gaan ze aan de gang. Een oude knar wijst de
plek aan waar de veer moet worden ingekort, aan beide zijden. Bij het
hutje ernaast hebben een grote haakse slijper, met een slijpblad zo dik
als een afbraamschijf, en met hakkels. Daarmee slijpen ze direct beide
zijden door, i.p.v. eerst 1 zijde, zodat je een eventuele afwijking
gelijk kunt corrigeren op de andere zijde. Het ene uiteinde van de bladveer gaat op het vuur.
Er wordt nog een zak houtskool over uit gestort, en met een elektrische
ventilator jagen ze het vuur flink hoog op, tot het uiteinde
roodgloeiend wordt. Ondertussen heeft iemand een koeienkop in een grote
pan met water bij op het vuur gezet. Het stinkt enorm. Tegelijk worden
ook nog wat rubbers van een andere bladveer uitgebrand wat de stank niet
minder maakt. De roetdelen hiervan komen weer als kruiden op de
koeienkop. Het is telkens een karweitje van verhitten en
slaan. En ze doen ook tegelijk de andere zijde maar. Prutswerk 1e klas. Nu moeten ze met die
dikke slijper proberen een stukje krul weg te slijpen, om hem daarna
weer sluitend te maken. En dan dus ook aan beide zijden. Dit verhaal
duurt dus de hele dag. Zelf hadden ze liever de 2e veer
passend gemaakt op de foute, maar Jan gaat er niet mee akkoord. Ze
zwoegen en ploeteren, terwijl het zoveel makkelijker had gekund. Maar
ja, “this is Africa...” Nu maar hopen dat door al dat verhitten de
veerkracht in het materiaal niet verloren is gegaan. |
![]() Enoch maakt met zijn mobieltje een paar foto's, van het koken "op" de bladveer... |
![]() ...en van het rond hameren van de uiteinden in treinrails. |
Ondertussen wordt er flink verder gekookt op het
vuurtje. Als de koeienkop gaar gekookt is, wordt er n’sima op gemaakt.
N’sima is het lokale gerecht. Een smaakloze brei van maïsmeel, dat drie
keer per dag gegeten wordt, met vrijwel altijd een tomaten-ui sausje.
Als ze geluk hebben met wat kip of vis, maar nu dus met een heerlijke
koeienkop. Ze vragen of Jan ook mee-eet, maar als je het ziet heb je
echt liever honger. Terwijl ze zo bezig zijn, of eigenlijk is er één
bezig en staan er zo’n twintig man omheen, vragen ze Jan of hij in God
gelooft. Jan heeft geen zin om een potje te staan liegen, hoewel dat
vaak wel makkelijker is. Als de bladveer eindelijk zo goed als aan de maat
is, en in de andere veer past, blijkt dat ze helemaal geen nieuwe
bronzen bussen hebben. Het is vandaag zondag, en de draaiers die bussen
draaien hebben vrij. Lekker is dat. Jan heeft geen zin om hier een dag
op te wachten, dus ze slaan de bussen uit onze gebroken veer, en
proberen die in de “nieuwe” te passen. Dat is eerst veel te ruim, dus
moet er weer verhit en gehamerd worden. Om de veer er weer onder te krijgen is nog een heel
gedoe. Inderdaad liggen de beide krullen niet precies parallel, waardoor
het moeilijk is de pennen er in te krijgen. Normaal glijden die er zo
in, maar nu moeten ze met grof geweld er ingeslagen worden, terwijl het
moeilijk is om een slag te maken aan de onderzijde. |
|
Ondertussen is Mariska op stap geweest met David en
zijn vrouw. Ze wisten dat we bij Doogle’s stonden en kwamen langs om
Mariska wat van de stad te laten zien en uit te nodigen bij hen thuis,
samen met nog wat vrienden. Erg aardig. In zijn huis hangen mooie foto’s van hem tijdens de
Manx TT, de roemruchte jaarlijkse motorrace op The Isle of Man. Vier
keer heeft hij er aan meegedaan, van 1969 t/m 1972. Daarbij twee keer
een ernstig ongeluk gehad. De 2e keer lag hij op zesde
positie toen hij het ongeluk kreeg. Met verschillende breuken afgevoerd
per helicopter. O.a. 3 kleine breuken in zijn wervelkolom, en zo 17
dagen in coma gelegen. Na dit ongeluk praat hij wat moeilijk, hij is
slecht te verstaan. Hij huurt het huis van een dikke zwarte vrouw, “the
landlord”. Ze is er toevallig, gisteren gekomen uit de hoofdstad
Lilongwe. Ze is blijven slapen, omdat ze een feestje hadden gehad, en
zat toen Mariska binnenkwam nog heerlijk met een vriendin te ontbijten,
met patat!!!! Mariska eet ’s middags mee van de maaltijd die
Davids vrouw gemaakt heeft. Rijst met saus en gegrilde kip. Het is de
kip die net nog levend in het doosje zat. De kinderen hebben het
geslacht. Lekker vers dus, maar toch ontzettend taai. Volgens hen is
snelgroeiende supermarktkip mals, maar dit is een echte Afrikaanse kip
die overal wat tussen het afval rondgescharreld heeft. Ze noemen het
“black chicken”. Het is erg gezellig, en tegen 16:00 uur brengen
David en zijn vrouw Mariska weer terug naar de Daf. David zei nog dat we
maar even op zijn volledige naam en Ghana moeten Googelen. We doen dat
later, en zien dat hij een levenslange gevangenisstraf in Ghana heeft
gekregen wegens een vermeende miljoenen drugssmokkel, samen met
vrienden. Na twee jaar is hij vrijgelaten omdat hij onschuldig zou zijn.
Het ware verhaal weten we niet. |
Ondertussen bekijkt Mariska de vogeltjes en gaat met David mee op pad. |
|
Thee plantage. |
MAANDAG 14 JULI 2014 Betalen met creditcard kan hier niet bij
tankstations, dus we moeten eerst contant pinnen bij een bank. Het
grootste briefje dat ze hebben is 1000,- Kwacha, nog geen twee Euro. Dat
schiet op zeg!. Met al onze zakken vol bankbiljetten verlaten we het
pinhokje. Bij het tankstation moeten we 182.000,- Kwacha betalen, en we
leggen de 182 briefjes in stapeltjes van tien op een grote diepvriezer
in tankstation winkeltje. Het hele deksel vol. Die lui hier kunnen
razendsnel geld tellen, terwijl ze ondertussen met je praten, maar wij
staan er nog altijd mee te knoeien. Er lopen aardig wat mensen langs, plukkers en
andere verzamelaars. Gelukkig bemoeien ze zich niet met ons. Totdat we
een auto naast ons horen stoppen en claxonneren. Nee he, toch iemand die
ons weg komt jagen? Dat doen we dus de volgende ochtend direct na het
ontbijt. We maken een flinke staptocht over de heuvelachtige plantage.
Sommige stukken zijn al aangeplant in de jaren dertig van de vorige
eeuw. Volgens Michel is de thee hier van inferieure kwaliteit. Het
landschap ligt te laag, waardoor de thee te snel groeit en geen goede
aroma ontwikkelt en het blad teveel chlorofyl bevat. Deze thee wordt
vermengd met thee uit onder andere Ceylon en Kenia. De plantage is
enorm, en er liggen nog mooie stukken origineel bos tussen. |
|
Na deze wandeling rijden we naar Mt. Mulanje. De
hoogste berg van Malawi. Je schijnt er mooi te kunnen wandelen, maar het
is weer hetzelfde liedje als in heel Afrika. Je mag niet alleen
wandelen, zelfs niet naar de dichtstbijzijnde waterval, op zo’n 15
minuten lopen vanaf de parkeerplaats. En hoewel Malawi nog heel
betaalbaar is, moet je hier weer voor alles betalen. De parkeerplaats
betaal je zelf per ton autogewicht! Welliswaar maar 50,- eurocent per
ton, maar toch. De dag erop staan er nog wat gidsen rond de deur
die ons willen overhalen om toch op de berg met hen te gaan wandelen,
maar we hebben er geen zin in. We gaan wel weer wandelen in normale
landen, waar we alleen ons pad kunnen zoeken. Lekker makkelijk in de
Westerse wereld. Bij lake Malombe zien we een mooi plekje om te
bushcampen direct aan het water. Het is nog lekker vroeg in de middag,
dus willen we een beetje buiten zitten. Boekje lezen en van het uitzicht
genieten. Omdat bushcampen in dit deel van Afrika dus niet te
doen is, rijden we de dag erop door naar Cape McClear. Een dorpje aan
het Malawimeer dat uitpuilt van de accommodatie en toeristen. We vinden
en geschikt plekje bij een eenvoudige “lodge” die door een
Zuid-Afrikaanse gerund wordt. Hier blijven we vier dagen staan. We krijgen er zowaar een vakantie gevoel. We
luieren er wat op het strand (in de schaduw!). Eten elke dag bij de
lodge tot we de hele menukaart kennen. Dit kost overigens veel tijd. In
de middag, als we op dat moment de enige gasten zijn, bestellen we een
tosti banaan. Hoelang zal de bereiding daarvan duren? Toch neemt het een
uur in beslag. Maar goed, we hebben de tijd. |
Ze kunnen uren naar ons kijken, maar zo gauw je met een fototoestel komt, weten ze niet hoe hard ze moeten wegrennen. |
|
bootje op lake malawi |
Jan huurt nog een middagje een kayak en peddelt
naar een eilandje dat voor de kust ligt. Hij heeft één van onze
snorkelsetjes mee, want er schijnen mooi gekleurde cycliden te zitten.
En dit is inderdaad zo. Prachtige gekleurde visjes, meestal niet groter
dan een centimeter of tien. Knalgeel, wit-zwart gestreept en felblauw.
Allerlei variaties. Erg mooi. Bij de lodges mogen de mannetjes niet komen, daar
ben je veilig, maar op het strand zitten ze je soms behoorlijk achterna.
Ventjes van een jaar of twaalf hebben uit oude jerrycans en ander spul
muziekinstrumenten gemaakt en vormen zo “boy bands”. Voor een habbekrats
spelen ze hun repertoire. De eerste keer klinkt dat echt erg grappig,
maar ook dan blijkt al snel dat ze allemaal hetzelfde korte repertoire
hebben. Mooiste liedje was toch wel “Who let the mzungu out” op de wijs
van “Who let the dogs out”. De vissers hier vissen vanuit hun boomstamkano’s,
hier in de lokale taal Bwato’s genoemd. Deze boomstamkano’s zijn anders
dan die we tot nu toe gezien hebben in Afrika. Deze zijn helemaal weer
naar binnenlopend aan de bovenkant, met slechts een twintig tot dertig
centimeter brede opening. Je kunt er dus niet geheel inzitten. Ze zitten
op de rand van de kano, met hun benen er in. En in de kano liggen
natuurlijk hun visnetten. Het duurt een tijd en de knaap komt terug met de
melding dat hij er een gevonden heeft. Jan loopt met hem mee. Dat is nog
een heel eind, tot de rand van het dorp. Daar ligt het strand vol met
wel honderd kano’s. Ertussen dapper een wat kleinere, volgepakt met een
visnet. Het ding blijkt 2,6 meter lang te zijn, maar dat moet lukken. |
|
Dan begint nog een lange onderhandelingsstrijd met
de eigenaar. Die wil er 180,- USD voor hebben. Maar Jan weet de prijs
omlaag te praten tot 80,- USD. Zo’n 60,- euro dus. Een mooi prijsje.
Inmiddels was het al donker geworden, en de jongens beloven de kano de
volgende dag bij onze lodge te brengen, en te helpen met het ding op het
dak van de cabine te hijsen. Dat zit bij de prijs in. De volgende ochtend komen ze inderdaad met het ding
aan gepeddeld. Jan probeert zelf ook nog even te roeien, maar zo gauw
hij op de kano klimt, ligt hij ook al ondersteboven in het water. Het
lukt niet. Van een Nederlands gezin dat ook bij de lodge verblijft wil
pa en schoonzoon het ook wel proberen, maar ook zij kieperen zo om. Een
klein ventje dat staat te kijken doet het ons wel even voor, en peddelt
zo een rondje. Waarschijnlijk is de kano gewoon veel te klein voor ons.
En misschien was hij vrij goedkoop omdat de eigenaar er zelf ook
regelmatig mee omkieperde. Ons maakt het niet veel uit, we gaan er toch
niet echt mee peddelen, maar het wordt iets als een kast of zo, voor
thuis. En als het ding al half verrot is als we in NL zijn, dan wordt
het wel een plantenbak. Jan koopt voor een paar knaken er nog een originele
peddel bij en een oude autoband. Uit de autoband snijdt hij stukken
rubber die tussen het dakrek en de kano komen. Met een paar sjorbanden
zit het ding stevig vast. Nu maar hopen dat het spul blijft zitten op de
slechte wegen, en dat de cabine ook heel blijft. En hopen dat ze aan de grenzen niet moeilijk doen.
Vooral Europa in. Fout hout? |
Deze "bwato" nemen we mee als souvenir. |
Opvoedkunde in Malawi: zo hoort het.
Je moet poepen op de krant!
Als je het maar vaak genoeg verteld, moet het lukken.
Ons huisdier-varkentje, Smekkie, heeft het ook geleerd!