Malawi deel 2

 


De weg wordt weer eens erg smal.
Maar we weten langs het uitgespoelde stuk te komen. 

DINSDAG 22 JULI 2014
Na een paar heerlijke dagen worden we het hangen zat, en trappen we de DAF weer aan. Niet nadat hij eerst weer goed geïnspecteerd en doorgesmeerd is. We willen proberen eens wat rustiger plekken met hopelijk nog wat ongerepte natuur te vinden in Malawi. Er is een lagune, lake Chia genaamd, waar we willen overnachten. We bereiken het pas erg laat, als het al donker is, en daardoor kunnen we geen goed plekje vinden. We staan vrij dicht langs de asfaltweg, aan de rand van een akker, en de volgende ochtend worden we alweer erg vroeg wakker geschreeuwd door de vele omstanders. Kinderen en volwassen, we blijven een speciale attractie voor hen, en dat maken ze om 6:00 ’s morgens met veel kabaal kenbaar. Vroeg op pad dus.

We slaan maar eens een pad in, het binnenland in. Het is direct een verademing. Een smal kronkelig zandpad door de bergachtige natuur. Geen hutten, geen mensen maar rust. Helaas is het pad niet zo heel best, vooral bij klimmen en afdalen wordt het door uitgespoelde geulen aan weerszijden van de weg erg smal. Soms is daardoor het pad net zo breed als de spoorbreedte van de DAF. Als die kanten maar niet afbrokkelen, want de geulen ernaast zijn meer dan een meter diep, op sommige plekken zelfs twee meter diep. En we hebben geen zin om weer net als in Marokko met vier banden in de lucht te eindigen.

Het gaat allemaal goed en we zijn al zo’n 500 meter geklommen als we ongeveer halverwege het pad langs de kant kamp opslaan, tegen een uur of drie ‘s middags. Wild hebben we nog niet gezien, op wat vogels na dan. Dat zal hier buiten de paar wildparken wel niet meer voorkomen. Helaas kunnen we ook niet echt comfortabel buiten zitten. Zoals best vaak over heel Afrika worden we weer eens geterroriseerd door kleine minibijtjes. Ze steken niet, maar gaan met zijn vijftigen irritant om je hoofd zoemen, kruipen in je neus, oren en ogen, en we hebben nog steeds niets kunnen uitvinden wat er tegen helpt. Overigens zijn drie van die bijtjes al voldoende om je buitenplezier te bederven.

Rond een uur of vijf zijn ze meestal wel weer weg, en dat is dus nu ook het geval. We maken een vuurtje buiten, en roosteren er een lekkere boerewors op die we nog uit Zuid Afrika in de vriezer hadden. Eindelijk weer eens genieten van de rust en de (insecten)geluiden in het bos, in plaats van geschreeuw van mensen en luide vervormde muziek.

 

’s Morgens maken we eerst een mooie wandeling door de bossen, over een pad dat lokalen gebruiken om van A naar B te komen. Prachtig natuurlijk woud. Bomen met lange baardmossen. Helaas op sommige stukken grote kale plekken wegens kappen, voornamelijk voor brandhout. Jammer, hoelang zou het duren voordat ook dit bos is verdwenen?

We rijden verder. Het pad is niet veel bereden, en niet overal in een erg goede staat, maar de bruggen die we tot nu toe gepasseerd zijn waren erg goed, en van beton. Tot we bij een betonnen brug komen die precies in een bocht in de weg ligt. De brug zelf is wel erg goed, en in het beton gekerfd staat het bouwjaar: 2005. Zo goed als nieuw dus. Maar het is allemaal erg smal en het is even sturen om er goed recht op te komen. De aanloop en uitloop zijn smal, deels wat weg gebrokkeld door water. Links en rechts van de weg staat hoog riet, waardoor het wat slecht zichtbaar is. We stappen dus eerst maar eens uit. Trappen wat riet vlak en zien dat het best mogelijk is, om wat door het riet te rijden. Het is een mooi riviertje dat hier stroomt. Prachtige natuur eromheen. We manoeuvreren de DAF over de brug en geven gas tegen de wat steilere opgang. Dan zien we direct erna nog een brug, van hout... Waarom hebben we die net niet gezien???

Het is maar een korte brug van een meter of drie lang, maar wel over een diepe kloof, zeker een meter of zes diep. We stoppen maar eens om de brug te inspecteren. Bovenop liggen wat losse planken. Jan gooit ze wat aan de kant om te zien wat er onder zit, waarbij al gelijk twee planken doormidden breken. Hmmm, dat lijkt niet best. Onder de planken zitten niet al te dikke ronde boomstammen. In het midden, dus het niet dragende deel, zijn al drie van deze stammen wegens verrotting doormidden geknapt. De anderen veren flink door als Jan erop staat te springen. Niet echt geschikt voor 12 ton, hoewel we er niet met twee assen tegelijk op hoeven te staan.

We nemen het risico maar niet, als we erdoor knappen, zijn we de vrachtwagen kwijt. Die klappert er dan zo hard onderin dat er niet veel heel zal blijven, en bergen op deze plek is al helemaal niet mogelijk.

Maar keren kunnen we hier ook niet. Het pad is daarvoor veel te smal. Dus eerst achteruit de betonnen brug weer over manoeuvreren. Als dit gedaan is kunnen we nog steeds niet keren. Daarvoor moeten we eerst een kleine kilometer achteruit de best steile berg op. In de lage gearing achteruit lukt dit, langzaam maar goed. En daar kunnen we, hetzij met een paar keer steken, de DAF draaien. Jammer dat we deze route niet kunnen vervolgen. We snappen er niks van. De eerste stuk of acht bruggen waren betrekkelijk nieuw en van degelijke beton. Waarom hebben ze die kleine houten brug niet direct ook meegepakt?


Deze brug is echt niet te doen. Dus kunnen we omdraaien
en ons weer langs de uitgesleten watergeulen zien te manoeuvreren.

 


Uitzicht over Nkhata Bay.

Om nog maar een middag en nacht van de rust te genieten kamperen we weer ergens langs dit pad, nu op zo’n 15 kilometer afstand tot de asfaltweg. Die vervolgen we de dag erop tot het plaatsje Nkhata Bay. Volgens de Lonely Planet zou dit een St. Lucia gevoel moeten geven. St. Lucia is een dorpje temidden van een wetland aan de zuidkust van Zuid Afrika.

Wij zien de overeenkomst niet. Hier geen wild te bekennen zoals in St. Lucia, geen krokodillen, nijlpaarden, pelikanen, saddle billed storks of wat dan ook te zien. Ook de setting is totaal anders. Die lui van Lonely Planet hebben soms toch echt wel veel fantasie. Wel is het een leuk gelegen plaatsje, aan een mooie baai. Een soort kleine landtong eigenlijk, met aan twee kanten een baai. Het biedt alleen geen mooie kampeerplek voor ons. We zetten de DAF aan het eind van het dorp langs het water, direct aan de straat. Aan de andere zijde van de straat is een duikshop met een heerlijk terras dat vanuit comfortabele loungebanken een mooi uitzicht over de baai biedt.

Ze serveren er simpele maar lekkere maaltijden, en zo komen we de middag en avond wel door. We dachten er ’s avonds nog wat langer rond te hangen en een beetje te lezen, maar helaas, de hele dag was er in dit gedeelte van het dorp geen stroom, en bij de wakkerende olielampen viel niet te lezen. Wel een aparte sfeer zo. Helaas geen andere gasten dus weinig sfeer ’s avonds. Er kwam nog wel een klein groepje duikers terug die een avondduik hadden gedaan, maar die waren zo verkleumd dat ze niet op het terras bleven hangen.

Omdat er geen stroom in het dorp is slapen we wel erg rustig. Niet ver van ons af is een lokale bar, waar anders vast wel enorme herrie uit zou zijn gekomen, tot diep in de nacht. Omdat we het al weer gezien hebben in Nkhata Bay, rijden we maar weer eens verder. Ergens langs de weg moet een bamboebrug zijn over de rivier. We hebben er in Blantyre een foto van gezien en dat zag er wel bijzonder uit. We stoppen een aantal keren, om bij de rivier te kijken, maar vinden de brug niet. We vragen eens rond en een knaap wil wel met ons mee rijden om de brug aan te wijzen. Hij moest toch die kant op, zei hij. Het blijkt nog zo’n 13 kilometer verderop te zijn. Een zelf geschilderd bord langs de kant van de weg maakt het al duidelijk, dit hadden we zelf ook wel kunnen vinden. We parkeren de DAF langs de kant, bedanken de knaap en we worden al gelijk verwelkomt door een enthousiaste kerel. Eerst denken we nog dat het weer zo’n vervelend mannetje is die van alles van je wil, maar het blijkt de oprichter te zijn van het enige echte museum van de hele omgeving, en de initiatiefnemer van het behoud van de bamboebrug. Die bestaat al zo’n honderd jaar volgens zeggen, maar moet elk jaar flink gerepareerd worden.

 

Eindelijk eens een project geheel bedacht, opgezet en nog steeds gerund door een lokale bewoner! Hoe kleinschalig het dan ook is. De man neemt ons eerst mee naar zijn museumpje. Dat is maar net zo’n 4 m2 groot, we passen er amper met zijn drieën in. Een groepje nieuwsgierige kinderen gluurt langs de deur naar binnen. De man geeft een geweldige one-man show weg. Hij vertelt verhalen over vroeger, bespeelt verschillende traditionele instrumenten, waarbij hij zich ook nog telkens verkleed. Hij knoopt een mooie sik voor van dierenhaar, zet maffe mutsjes op en knoopt een leren schort voor en begint te zingen en te dansen.

Klapstuk van zijn show is toch wel zijn zelfgemaakte grammofoonplatenspeler. Volgens hem een echte Afrikaanse uitvinding. Een roestige spijker als naald is aan een holle gedroogde kalebas geknoopt, die weer op een houten plank bevestigd is. Onder de naald een ronde plank die draait rond een metalen pin, waarop een vaag eeuwenoud singeltje ligt met een of andere russische polka.  Met de hand draait hij het singeltje rond, en verdomd, er komt nog muziek uit ook. We vermaken ons kostelijk in zijn hutje en liggen aan een stuk in een deuk van het lachen.

Ernaast is nog een hutje met daarin een heilige “shrine” waar ze contact maken met de voorouders. Ook hier weer zang en dans, onder begeleiding van de kinderen. Het liedje in hun eigen taal wordt omgezet naar het Engels, waarbij de tekst ook weer erg grappig blijkt te zijn. Natuurlijk mogen wij de “shrine” alleen betreden als we een donatie geven. Vrouwen moeten geld in de ene pot stoppen, mannen in een pot aan de andere kant.


Kalebas platenspeler.

 


Op de bamboe hangbrug is het lastig je evenwicht te houden.

De bamboebrug is eigenlijk een grote hangmat over de rivier. Een wiebelig geheel, waarbij je alleen op de dwarsliggers mag stappen. Relingen om je aan vast te houden zijn er niet.

De kinderen rennen zo naar de overkant, maar wij hebben toch wat moeite met het evenwicht. En het riviertje stroomt nog best heftig ook. Toch is de mat zo breed, dat als je valt, je niet overboord kiepert.

De brug is volgens de overlevering gebouwd in 1904, maar moet elk jaar uitvoerig worden gerepareerd. Vanwege de toenemende populatie neemt de hoeveelheid bamboebos dramatisch af, en de bamboe moet dus van steeds verder komen. Met de vrije donatie die toeristen hier kunnen doen zorgen vrijwilligers onder leiding van de enthousiaste oprichter dat de brug behouden blijft.

Dan rijden we naar Livinstonia. Livingstonia is een oude missiepost gevestigd op een hooggelegen plateau. De weg ernaartoe is een gravelweg met zo’n 17 haarspeldbochten. Ergens bij de derde bocht van onder is veel plek in de bocht, en daar parkeren we de DAF voor de nacht. Het is er heerlijk rustig en we hebben een schitterend uitzicht over het Malawimeer en de bossen vlak onder ons. De volgende ochtend nemen we de motor verder de berg op naar Livingstonia.

 

De missionarissen hebben er een grote kerk, een hospitaal en een school gebouwd met verschillende bijgebouwen. Het is opgericht in 1884 door ene dr. Laws. De gebouwen zijn nog steeds als zodanig in gebruik. Bij het hospitaal is het een behoorlijke drukte. Ondanks moderniseringen en nieuwe bijgebouwen ademt het nog steeds de sfeer van 100 jaar geleden uit. Bij de kerk klimmen we in de klokkentoren. Hoe hoger we komen, hoe gammeler de houten trap en tussenliggende vlonders worden. Sommige balken zijn gewoon verrot. De grote bronzen bel komt hier nog een keer naar beneden. Uiteindelijk komen we bij een luikje dat ons met een beetje geklauter (het trapje ernaartoe is amper een halve meter breed, en de leuning is gammel) op het dak brengt, vanwaar we een mooi uitzicht over Livingstonia en het diep onder ons gelegen Malawimeer hebben.

In het voormalige huis van Dr. Laws is nu een eenvoudig museum gewijd aan de historie van Livinstonia gevestigd. Vooral de teksten bij de foto’s en voorwerpen zijn hilarisch. De Malawiërs verwisselen in het Engels telkens de “R” en de “L” in hun spraak, waardoor ze soms slecht te verstaan zijn, en je moet oppassen dat je niet in de lach schiet. Maar zo hebben ze nu ook de teksten in het museum opgeschreven. Zo hangt er een foto van de eerste “amburance” en vinden we in een kastje een etensbord en twee vorken met daarbij de tekst “plate and two folks” gebruikt door de president bij een bezoek aan Livingstonia. Of was het nou de plesident? Je hebt best kans dat Malawi eigenlijk Marawi heet...

Ook is de uitleg bij verschillende voorwerpen van een bedenkelijk niveau. Bij een nek-ketting hangt de tekst “necklace, to wear alound the neck”. Bij een tape-spoelmachine: “tape winding machine, to wind tape”. En ga zo maar door. Lachwekkend, maar eigenlijk toch ook te triest voor woorden dat ze dit niet kunnen. Er is hier al een school sinds 1884! We besluiten die school ook maar eens te bezoeken. Tegenwoordig is die verheven tot universiteit. In naam dan...

Het is een in de basis mooi complex. Een mooie bouwstijl uit rode baksteen opgetrokken. Grote hoge lokalen met flinke ramen en een binnenplein met strak gras en zitbankjes. Maar in de lokalen is het een bende. Geen inrichting, wat stoelen in een ongeordende rommel doorelkaar. Bijna geen tafels om te kunnen schrijven. Aan de wand wat door lekwater verlopen posters met eenhedentabellen en het systeem van scheikundige elementen. Bij de nieuwere klaslokalen liggen de deuren half uit de scharnieren. In de lamparmaturen slechts lege fittingen.

Op het moment dat we aankomen is het net lunchpauze. De mensa is open en studenten lopen met hun eigen bord of schaaltje om een prakkie bonen en rijst uit een gaarpot te laten lepelen. In een grote lege ruimte, wat waarschijnlijk de aula is, hangt een televisie, aangesloten op een schotel, afgestemd op CNN. Kijk, dat is dan wel voorelkaar.


Hospitaaltje in Livingstonia.

 


Kerkje in Livingstonia.

Zou het dan echt niet uit kunnen om een mannetje te laten rondlopen die eens wat repareert? Op het terrein staat notabene een groot gebouw met houtbewerkingsmachines. Leerlingen zouden hier als opdracht hun eigen schoolbanken kunnen maken. Maar goed, wij zullen het wel weer niet begrijpen. We maken een praatje met een paar studenten over het leven hier en hun studie. Best even interessant.

We eten nog een veel te duur hapje rijst met curry bij een restaurantje, waar we weer een geflopt hulpproject mogen aanschouwen. Er ligt voor een kapitaal aan zonnepanelen (van het gerenommeerde merk BP-solar nog wel) op een houten stellage, deftig in de zon, maar er zitten geen regelaar en accu’s op aangesloten. De eigenaar legt ons uit dat dit buiten het budget van het project viel (of dat deel van het budget is in de zak van een corrupt iemand verdwenen, ze zullen toch wel geen half project afleveren?). De panelen liggen er al twee jaar, de aansluitdraden bungelen er los onder. Tja, en dat schiet lekker op zo. En dan te bedenken dat die accu’s, als ze al ooit zullen komen, ook nog elke 4 à 6 jaar vervangen moeten worden. En er zijn er nogal wat nodig, gezien het aantal panelen. En ze staan bij het restaurantje, niet eens een kilometer verderop bij het hospitaal of de “universiteit” welke beide nog in gebruik zijn!!! Wat moeten ze daar met al die energie? Ze koken op de restjes van het overgebleven bos.

We kopen nog wat snuisterijen bij een craftshop van een oude opa, en een drankje bij de winkel van de weeskinderen, en dan hebben wij onze bijdrage aan een voorspoedig Malawi wel weer geleverd.

We pakken de motor een freewheelen op de zwaartekracht terug naar de DAF, waar we nog tot het donker buiten zitten. Het is hier dusdanig hoog dat er geen malariamuggen zitten, dus dat is lekker.

 

Vanaf Livingstonia rijden we naar Ngara. Onderweg lopen we onze eerste bekeuring op. Althans, de eerste die we betalen. Bij een politiecontrole worden eerst rijbewijs en verzekeringspapieren gevraagd. Maar helaas heeft Jan zijn echte rijbewijs gegeven, niet de kopie. Dan volgt een lampencheck, waarbij ook wordt gevraagd om de achteruitrijverlichting. En tja, die hebben we niet. Op een militaire DAF zit standaard geen achteruitrijverlichting, en dus ook geen schakelaar op de versnellingsbak om dit mogelijk te maken. Maar bij de opbouw van de camper hebben we de kleine standaard achterlampen vervangen door wat grotere inbouwlampen, en daar zit wel een wit glaasje voor achteruitrijlichten in. Ooit wilde Jan nog met een los schakelaartje op het dashboard deze lampen aansluiten, maar dat is er niet meer van gekomen. En de vrouwelijke beambte maakt daar nu een probleem van.

En ze zijn grappig hoor, we moeten er volgens haar twee hebben, en je krijgt en bekeuring per lamp. Samen dus 6.000 Kwacha. Dat is zo’n 12,- euro. We halen al onze trucen uit de kast om er onderuit te komen. Dat we een geluidsignaal hebben om achteruit te rijden, waarbij Jan claxonneert tijden het achteruit rijden. Dat het in ons land niet verplicht is. Dat we niet geloven dat het in Malawi wel verplicht is, dus dat ze dat maar eerst eens op papier moet aantonen. We zeggen dat we geen geld bij ons hebben “Dan rij je toch eerst naar de bank in het dorp verderop?” “Dat mag niet zonder rijbewijs”. “Dan neem je toch een taxibusje”. Deze dame trapt nergens in, heeft overal een antwoord op en ze geeft het rijbewijs niet terug voor we betalen.

Ondertussen zien we hoe ze andere automobilisten aanhouden, en hoe ze daar mee omgaan. Een heeft een kapotte koplamp, er zit niet eens glas in, en dat is duidelijk niet van vandaag. Dat kost hem 2.000,- Kwacha. Een koplamp kapot is dus goedkoper dan een achteruitrijlamp. Vreemd. Bij een busje met wat gebreken loopt de vrouwelijke beambte mee om het busje om zo uit het zicht van collega’s wat geld van de bestuurder aan te nemen dat ze heimelijk in haar broekzak stopt. Het busje mag direct doorrijden. Mariska ziet het en zegt er wat van, ten overstaan van de collega’s. Ze blijven allen ontkennen natuurlijk. Allemaal zijn ze net zo, anders houden ze niet elkaar de hand boven het hoofd.

En zo gebeuren er meer onwaarschijnlijke dingen in de korte tijd dat we er staan. Uiteindelijk betalen we maar, ondanks dat we weten dat we met de prijs genaaid worden. Uiteindelijk waren we fout, en heeft ze het terecht ontdekt. We hadden ook smeergeld kunnen proberen, maar we houden er niet van om de corruptie te steunen.


Corrupte agente die net smeergeld aannam van
het wegrijdende busje.

 


Ze denken dat Jan niet kan peddelen, dus krijgt hij les.
Links - rechts - links...

En dat nog wel bij een controle waarbij we even twijfelden of we wel zouden stoppen. Meestal als er geen politieauto of motor staat, en er is geen slagboom, zwaaien we vriendelijk als ze ons tot stoppen manen, en rijden we gewoon door. Gaat altijd goed. We moeten ons hoofd er niet bij hebben gehad hier.

In Ngara zoeken we een plekje aan het meer, en dat hebben we ook snel gevonden, op een klein heuveltje met mooi uitzicht rondom. Helaas bestaat het heuveltje uit erg mul zand, en rijden we bij drie pogingen de DAF telkens vast. Hij komt net het heuveltje niet op, en graaft zich dan in. Vanwege de zwaartekracht krijgen we hem wel zo weer los in de achteruit. Als we de bandenspanning zouden verlagen zouden we er zo tegenop kunnen rijden, maar we hebben geen zin in zoveel moeite voor 1 nacht. Dus blijven we aan de voet van het heuveltje staan, zonder mooi uitzicht op het meer.

Als snel komen er wat dorpelingen van de nabij gelegen hutjes rond de auto staan. Ze wijzen op de kano op het dak. Ze vragen of we die ook gebruiken om mee te vissen, maar Mariska legt uit dat Jan er steeds mee omkiept. Eén van de vissers nodigt Jan daarop uit om met hem mee te gaan in zijn boomstamkano. Hij zal het Jan wel even leren. George is zijn naam.

Die kano is ruim vier meter lang, en lekker stabiel, dus gemakkelijk om in te varen. Er gaat nog een vriend van George mee. George denkt dan Jan niet peddelen kan, dus hij geeft hem telkens aanwijzingen, links, rechts, links, rechts enz. Zo peddelen ze met zijn drieën een klein stuk over het Malawimeer. Ook een mooie besteding van de namiddag. Mariska staat vanaf de kant te kijken. Ze heeft geen zin in het water. Er heerst in alle grote (en ook veel kleine) meren in Afrika bilharzia. Kleine wormpjes die in je lever kunnen gaan nestelen. Niet zo fijn.

We kletsen nog wat na met George en zijn vrienden. Bedanken ze voor de boottocht en nemen dan afscheid en gaan naar binnen. Wonder boven wonder gaan zij ook allen naar hun hut. We zijn de laatste tijd gewend dat de mensen nog tot laat rondom de auto blijven hangen, maar hier gelukkig dus niet.

 

WOENSDAG 30 JULI 2014
Na het ontbijt met zo’n 30 à 40 kinderen rond de deur rijden we naar Karonga, waar we onze laatste Kwacha’s besteden aan wat boodschappen en aan te dure diesel in de tank. Terug omwisselen naar dollars/euro’s of Tanzaniaanse shillingen geeft net zoveel koersverlies, dus kun je die paar tientjes net zo makkelijk in diesel omzetten, dan heb je met niemand wat te zeuren.

Ook nog even het laatste internettegoed opgemaakt om het thuisfront van de verdere reisplannen op de hoogte te stellen en dan rijden we naar de grens met Tanzania, bij Songwe. Omdat het land in zo gemakkelijk ging, denkt Jan dat eruit ook gemakkelijk zal gaan en dus rijdt hij helemaal door tot aan de slagboom. Niet zo handig. Normaal parkeren we in een hoekje op een parkeerplaats vanwaar ze de DAF vanuit de kantoren niet kunnen zien. Zo worden we niet zo gemakkelijk aangesproken voor akelige dingen als roadtax, verzekeringen of ander onheil. Nu dus wel. Er hangt direct een mannetje van de verzekering voor Tanzania om de nek, en een mannetje van de roadtax van Malawi. We hebben ze beide snel afgewimpeld.

We stempelen uit, vlot zonder problemen, en net als ze de slagboom open willen doen komt het mannetje van de roadtax weer terug. We moeten volgens hem nog 51,- USD roadtax betalen. Dat kan volgens ons niet, dat zit namelijk in de prijs van de diesel. Daarom is die die zo belachelijk hoog hier. De man zegt dat dat alleen geldt voor Malawiërs, niet voor auto’s op buitenlands kenteken. Auw, weer zo’n schop tegen ons zere been... Altijd die verschillen tussen eigen volk en buitenlanders, we worden het een keer zat. Tuurlijk, bij ons geldt dat ook. Nederlandse vrachtwagens betalen in Nederland belasting volgens de houderschapsbelasting, en buitenlandse vrachtwagens moeten een vignet kopen aan de grens. Maar dat betekent dus niet dat je dubbel betaalt.

De man zegt dat buitenlandse trucks nooit tanken in Malawi. Tsja vind je het gek voor 1,60 euro/liter? We zeggen dat wij dat wel gedaan hebben, wat helaas nog waar is ook. Als bewijs wil hij het bonnetje zien. En ja, dat hebben we natuurlijk niet. Meestal zeggen we “laat maar zitten” als ze vragen of we een bonnetje willen. We kunnen het toch nergens declareren. Nu zou het van pas zijn gekomen. De man houdt voet bij stuk, en wij ook. We vragen hoe hij aan het bedrag komt. Het is volgens hem 6,- USD/100 kilometer, en hij gokt maar waar we het land zijn ingekomen. We vragen hem naar een officieel overzicht, waarop we kunnen zien in welke voertuigklasse hij ons indeelt, en waar de tarieven opstaan. Eerder betalen we niks. Ondertussen houden we grensovergang bezet, we staan nog steeds pal voor de slagboom. Een man vraagt ons de DAF weg te zetten, maar we liegen eerlijk dat de achteruit kapot is. Hadden we ook bij de laatste politiecontrole moeten zeggen.


Ondergaande zon met onweerswolken doen het altijd goed.

 


Door een kleine onenigheid overnachten we pal voor de slagbomen van de grens.

Natuurlijk kan de taxman geen officiële lijst laten zien, geen enkel overzichtje zelfs, we moeten hem maar geloven op zijn bruine ogen. Typisch Afrika. Wel geld verlangen, maar nergens een overzichtje van tarieven, of vooraf iets kenbaar maken, altijd achteraf en mondeling.

Onverrichter zake komt Jan terug uit het kantoortje, Mariska is nog bij de DAF. Jan roept naar de mensen van de slagboom dat alles geregeld is. En... de sufferds geloven hem ook nog. Ze openen de slagboom en triomfantelijk rijden we er onderdoor. Snel op naar Tanzania...dachten we... Helaas is er 100 meter verderop nog een laatste slagboom aan Malawi-zijde. Daar willen ze weer allerlei gegevens in een dik nutteloos boek geschreven hebben. Jan weet niet hoe snel hij die er in moet zetten. Hij wil net weer in de DAF springen en de mannen maken al aanstalten om de slagboomboom open te doen, als er een beambte van het kantoor aangehijgd komt. We mogen niet weg, we moeten toch eerst de tax betalen. Pfff. We hebben er geen zin in. Het is al laat.

Als we nu zouden betalen moeten we toch gelijk een slaapplek zoeken, we kunnen net zo goed voet bij stuk houden en gewoon hier op de grensovergang overnachten. De taxman is nog steeds onvermurwbaar. Hij beweert morgenvroeg het officiële overzicht te hebben. We wensen hem goedenacht toe. Ze vragen of we nog de DAF voor de slagboom weg willen halen. Weer zeggen we dat de achteruit het niet doet, dat ze de boom maar open moeten doen, of ons achteruit moeten drukken. Dat doen ze niet, en zo brengen we de nacht aan de grens door. Redelijk rustig was het niet, de grensbewakers zaten nogal wat te kletsen naast onze auto.

 

De volgende ochtend rond 7:30 uur, als wij nog aan het ontbijt zitten, kringelen vrachtwagens met veel gemanoeuvreer om ons heen, om via de slagboom voor binnenkomend verkeer het land te verlaten. Weer vraagt de beambte of we de auto willen verplaatsen, en weer krijgt hij hetzelfde antwoord.

Om 8:00 uur is de taxman er ook. Jan loopt met hem mee naar zijn kantoor. Daar duurt het een poos om verbinding te krijgen met internet, en via zijn Yahoo-mail haalt hij een foto van een prachtige kleurenfolder binnen met de belastingtarieven van verschillende voertuigcategorieën. Ze hebben dus heel professionele folders, alleen liggen die niet bij de grenzen, maar ergens op een hoofdkantoor in Lilongwe. De lijst op de folder laat een vreemd overzichtje zien, het gaat eigenlijk alleen over bussen. Er zijn drie soorten categorieën waar je in kunt vallen: 1: Mozambikaanse bussen. Schijnbaar hebben ze daar een hekel aan want die betalen de hoofdprijs, 28,- USD/100km! Dan 2: Malawische bussen, en 3: bussen uit EAC/Comesa landen, (East African Community) die dus 6,- USD/100km betalen. “Nou” zegt Jan, “dat is dus heel duidelijk”. “We vallen onder geen van deze categorieën, dus we hoeven niets te betalen.”  We zijn geen bus, en we komen uit geen van die landen. Dat is de man natuurlijk niet met hem eens, we moeten gewoon 6,- USD/100 km betalen. Zucht...

Jan heeft zijn eigen laptop meegenomen in het kantoortje, en daarop heeft hij op Mapsource de kortst mogelijke route vanuit Zambia door Malawi uitgezet. Dat is iets meer dan 100 kilometer. De man gaat ermee akkoord, zonder in onze papieren te checken waar we werkelijk de grens zijn overgegaan. Hij schrijft een bon uit voor 7,- USD, die Jan snel betaalt. Ditzelfde had Jan ook gisteren al aan de man voorgelegd, maar toen wilde hij er niet aan. Waarschijnlijk wordt hij er ook moe van. Alles is nu in een kwartiertje geregeld. Een hoop gezeur weer, maar het scheelde toch 44,- USD, en natuurlijk speelt bij ons nogal vaak het principe een rol. We hebben het al met de diesel betaald! Tijdens dit hele gedoe stonden er natuurlijk veel lokalen omheen. De meesten zeiden dat we gewoon moesten betalen, ze denken dat iedere blanke sowieso miljonair is. Slechts één man kwam naar Mariska toe en zei dat we gelijk hadden, dat we niet moesten betalen.

De slagboom gaat omhoog, op naar Tanzania!

Nog even een overzichtje betreffende  de politie in Malawi: 
In totaal hebben we, buiten de grensposten om, 66x een politie check gehad. 1x zijn ze aan de deur geweest bij een overnachting, met de melding dat we naar het bureau moesten, wat we natuurlijk niet gedaan hebben. Bij de checkpoints op straat mochten we 46x zo doorrijden en moesten we 16x stoppen, waarbij we 1x een boete hebben moeten betalen voor de achteruitrijlampen. Daarbij werd verder soms alleen naar de route gevraagd, maar meestal ook naar rijbewijs en verzekeringspapieren. 3x zijn we met goed gevolg langs een lasergun speedtrap gekomen.


Dat er nog flink in het wild wordt gescheten, maakt dit bord wel duidelijk.
Allerlei hulporganisaties proberen al tussen de 50 en 100 jaar een beetje
hygiëne bij te brengen in Afrika. Ik denk dat ze daar nog héél lang
mee door moeten gaan. En zoals wij al hebben gezien, worden die
toiletgebouwtjes die ze overal bouwen, voor heel andere doeleinden gebruikt.
(Er staat: in het openbaar poepen is een schande, gebruik een toilet)

 


Onderweg drinken we een bakkie koffie.
Als ze ons vragen of we er melk in willen,
slaan we dit toch maar vriendelijk af!

 

 

Tanzania deel 1